Rechtbank Rotterdam, 02-12-2015 / C/10/484687 / HA ZA 15-951


ECLI:NL:RBROT:2015:9871

Inhoudsindicatie
Wgbz. Niet tijdige betaling griffierecht. Geen landelijke rekening-courant. Akte uitlaten over gestelde rekening-courant verhouding.
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2015-12-02
Publicatiedatum
2016-01-21
Zaaknummer
C/10/484687 / HA ZA 15-951
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechtsgebied
Civiel recht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team haven en handel



zaaknummer / rolnummer: C/10/484687 / HA ZA 15-951


Vonnis van 2 december 2015


in de zaak van


de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

MEI SUM INVESTMENT B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

eiseres,

advocaat mr. R.A.W.J. van Eijck,


tegen


[gedaagde],

wonende te Capelle aan den IJssel,

gedaagde,

advocaat mr. M.H. Meeuwsen.



Partijen zullen hierna Mei Sum en [gedaagde] genoemd worden.



1De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • - de dagvaarding van 31 augustus 2015, met producties;
  • - de akte van Mei Sum van 4 november 2015.

1.2.

Ten slotte is het vonnis bepaald op heden.



2De overwegingen

2.1.

Op grond van artikel 3 lid 1 Wet griffierechten burgerlijke zaken (Wgbz) is iedere verschenen partij in een civiele procedure een griffierecht verschuldigd. Op grond van het derde lid van die bepaling dient de eiser ervoor te zorgen dat het verschuldigde griffierecht binnen vier weken na de eerstdienende dag op de rekening van de rechtbank is bijgeschreven. Voor de gedaagde geldt een termijn van vier weken na zijn verschijning.


2.2.

De zaak diende voor het eerst op 16 september 2015. Uit de administratie van de rechtbank blijkt dat het griffierecht van Mei Sum pas op 19 oktober 2015 is ontvangen. Dat is te laat.


2.3.

Op grond van artikel 127a lid 2 Rv ontslaat de rechter de gedaagde van de instantie als de eiser het griffierecht niet tijdig heeft voldaan. Op grond van artikel 127 lid 3 Rv laat de rechter deze consequentie buiten toepassing als hij van oordeel is dat dit, gelet op het belang van één of meer van de partijen bij toegang tot de rechter, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.


2.4.

Bij akte heeft Mei Sum aangevoerd dat zij te laat heeft betaald omdat zij nooit een factuur van de rechtbank heeft ontvangen. Toen de eerste aanmaning is ontvangen heeft mr. Van Eijck namens Mei Sum dezelfde dag het griffierecht betaald waardoor de termijn met slechts vijf dagen is overschreden. Voorts wordt aangegeven dat het kantoor van mr. Van Eijck een rekening-courant verhouding heeft met het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak (LDCR). Deze rekening-courant verhouding is al op 20 augustus 2012 aangevraagd en verwerkt. Het griffierecht is niet van de rekening-courant verhouding afgeboekt. Voorts voert Mei Sum aan dat indien de rechtbank ontslag van instantie verleent dit zou leiden tot een onredelijk nadeel van Mei Sum omdat de onderhavige zaak een verklaringsprocedure betreft. De termijn om een dergelijk procedure aanhangig te maken is op 17 oktober 2015 verstreken. Mei Sum kan [gedaagde] niet opnieuw dagvaarden. Mei Sum verzoekt de zaak weer op de rol te plaatsen voor het nemen van conclusie van antwoord aan de zijde van gedaagde.


2.5.

Uit ambtshalve navraag bij het LDCR over de landelijk rekening-courant blijkt dat het kantoor van mr. Van Eijck, sinds de invoering hiervan, geen landelijk rekening-courant verhouding heeft met de gerechten.


2.6.

De rechtbank zal Mei Sum in de gelegenheid stellen om zich over hierover uit te laten bij akte.



3De beslissing

De rechtbank


3.1.

verwijst de zaak naar de rol van 16 december 2015 voor het nemen van een akte door Mei Sum tot hetgeen is overwogen in rechtsoverweging 2.5.,


3.2.

houdt iedere verdere beslissing aan.


Dit vonnis is gewezen door mr. Th. Veling en in het openbaar uitgesproken op 2 december 2015.

2130/1980