Rechtbank Rotterdam, 18-12-2015 / 490325


ECLI:NL:RBROT:2015:9894

Inhoudsindicatie
Onder verwijzing naar de uitspraak van deze rechtbank van 28 april 2015 (ECLI:NL:RBROT:2015:3412) is de rechtbank van oordeel dat de wet noch de aard van de bevoegdheid zich verzet tegen het verlenen van een machtiging door het college aan de stichting om namens het college een verzoek te doen tot plaatsing van een minderjarige in een gesloten accommodatie. Dat de stichting ook jeugdhulp aanbiedt maakt dit naar het oordeel van de rechtbank niet anders. Voor dat laatste oordeel vindt de rechtbank steun in de Memorie van Toelichting op het voorstel van wet ‘Veegwet VWS 2015’, Kamerstukken II, 2014-2015, 34 191, nr. 3, p. 6 en 7.
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2015-12-18
Publicatiedatum
2016-02-01
Zaaknummer
490325
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ROTTERDAM


Team Jeugd

Meervoudige kamer


zaakgegevens: C/10/490325 / JE RK 15-3721

datum uitspraak: 18 december 2015


beschikking machtiging gesloten jeugdhulp

in de zaak van


het college van burgemeester & wethouders van de gemeente Alblasserdam,

hierna te noemen het college,

gevestigd te Alblasserdam,


ingediend door de Stichting Jeugdteams Zuid-Holland Zuid,

hierna te noemen de stichting,

gevestigd te Dordrecht,


betreffende


[Naam minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2006 te [geboorteplaats] ,

hierna te noemen [roepnaam] .


De rechtbank merkt als belanghebbende aan:


[Naam moeder] , hierna te noemen de moeder,

wonende te [woonplaats] .


Het procesverloopHet procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

- het verzoekschrift met bijlagen van het college van 30 november 2015, ingekomen bij de griffie op 1 december 2015;

- de verklaring d.d. 30 november 2015 van de Serviceorganisatie Jeugd Zuid-Holland Zuid (hierna te noemen: de serviceorganisatie) dat een voorziening nodig is op het gebied van jeugdhulp en verblijf niet zijnde verblijf bij een pleegouder;

- de instemmende verklaring d.d. 4 december 2015 van een gekwalificeerde gedragswetenschapper.


Op 18 december 2015 heeft de meervoudige kamer de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld.

Gehoord zijn:

- de moeder;

- mr. M.G. Hoogerwerf namens [de minderjarige] ;

- een vertegenwoordiger van de serviceorganisatie, de heer [naam] ;

- vertegenwoordigers van de stichting, mevrouw [naam] en de heer [naam] .


Voorafgaand aan de zitting en buiten aanwezigheid van de anderen is [de minderjarige] , in aanwezigheid van zijn advocaat, gehoord door de voorzitter.


De zaak is gelijktijdig behandeld met het verzoek om de jongere broer van [de minderjarige] , [naam broer] , te plaatsen in een gesloten accommodatie. Dit verzoek staat bij de rechtbank geregistreerd onder het nummer C/10/490102 / JE RK 15-3690.


De feiten

Het ouderlijk gezag over [de minderjarige] wordt uitgeoefend door de moeder. De moeder stemt in met het verblijf van [de minderjarige] in een gesloten accommodatie.


Bij besluit van 21 juli 2015 (hierna: het volmachtbesluit) heeft het college aan de directeur, verandermanagers en jeugdprofessionals volmacht verleend om onder meer aan artikel 6.1.8. van de Jeugdwet uitvoering te geven en hen gemachtigd in dat kader ter zitting op te treden.


Het verzoek

De stichting heeft namens het college een machtiging gesloten jeugdhulp voor [de minderjarige] verzocht voor de duur van twaalf maanden.


Het standpunt van verzoeker, de serviceorganisatie en de stichting

De serviceorganisatie heeft ter zitting aangegeven dat de stichting is opgericht om in de 17 gemeenten van Zuid-Holland Zuid (vrijwillige) hulp te verlenen dan wel hulpverlening door andere instanties te coördineren op het gebied van de Jeugdwet. De stichting ontvangt subsidie van de serviceorganisatie. De serviceorganisatie neemt op advies van de stichting de verleningsbeslissingen en geeft beschikkingen af voor individuele voorzieningen van niet vrij-toegankelijke jeugdhulp. Aangezien de serviceorganisatie niet inhoudelijk bij de zaken betrokken is en om die reden de verzoeken ter zitting onvoldoende kan toelichten, is besloten om de stichting te machtigen om verzoeken namens het college van de betreffende gemeente in te dienen en ter zitting toe te lichten.


Namens het college heeft de stichting het verzoek ter zitting als volgt toegelicht. Bij [de minderjarige] is sprake van kindeigen problematiek waardoor hij ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. [de minderjarige] laat gedrag zien waarbij hij zichzelf en de omgeving in gevaar brengt. Er zijn zorgen over zijn gewetensontwikkeling. Bovendien is de gezinssituatie zeer onrustig, waardoor [de minderjarige] veel agressief en zelfbepalend gedrag inzet. Na verschillende hulpverleningstrajecten is de stichting van mening dat de verzochte maatregel noodzakelijk is om het gedrag van [de minderjarige] te veranderen. Binnen een open setting is [de minderjarige] door zijn kindeigen problematiek moeilijk te plaatsen. Het Bergse Bos is gespecialiseerd in gedragsproblemen als die van [de minderjarige] en kan hem de structuur, behandeling en één-op-één begeleiding bieden die hij nodig heeft. Daarnaast heeft de gesloten groep meer kinderen van zijn leeftijd. [de minderjarige] zal niet op dezelfde groep verblijven als zijn broer [naam broer] , maar het Bergse Bos zal wel begeleide speelmomenten tussen de kinderen organiseren.

Vanaf januari 2016 wordt intensieve gezinsbegeleiding voor de moeder opgestart. Het is voor de stichting, mede vanwege de onbekende uitkomsten van de nog af te nemen onderzoeken, lastig in te schatten hoe lang gesloten jeugdhulp nodig is, maar het Bergse Bos zal [de minderjarige] overplaatsen naar een open groep zodra dat verantwoord is. Daarom handhaaft de stichting haar verzoek voor de duur van twaalf maanden.

Het standpunt van belanghebbendenNamens [de minderjarige] heeft de advocaat ter zitting naar voren gebracht dat de mandaatverlening op grond van artikel 10:4 van Algemene wet bestuursrecht de instemming behoeft van de gemandateerde en van degene onder wiens verantwoordelijkheid hij werkt. In casu betekent dit dat zowel de jeugdprofessional als de directeur van de stichting met de mandaatverlening moeten instemmen. In het dossier ontbreekt een stuk waaruit dat blijkt.


Wat betreft de inhoud van het verzoek heeft de advocaat het volgende naar voren gebracht. De overgang van De Jutters naar Bernisser Handen was een te grote stap voor [de minderjarige] . Hoewel de advocaat in eerste instantie een open plaatsing had willen bepleiten, zal zij dat niet doen nu [de minderjarige] voorafgaand aan de zitting heeft aangegeven dat hij zich verheugt op een plaatsing bij het Bergse Bos. De advocaat heeft verzocht om de machtiging voor een kortere periode te verlenen, omdat een jaar voor [de minderjarige] lang is, en moeilijk te overzien.


De moeder heeft ter zitting aangegeven dat het haar frustreert dat de plaatsing van [de minderjarige] bij Bernisser Handen niet positief heeft uitgepakt. Zij vindt het belangrijk dat haar kinderen op gelijke basis geholpen worden en stemt daarom in met een machtiging gesloten jeugdhulp, zodat de juiste behandeling ingezet kan worden. De moeder heeft op wekelijkse basis therapeutische gesprekken, maar zij wil graag intensievere hulp.


De beoordeling

[de minderjarige] is niet onder toezicht gesteld.


Op grond van artikel 6.1.8, eerste en tweede lid, van de Jeugdwet wordt het verzoek gericht op het verkrijgen van een machtiging gesloten jeugdhulp indien de minderjarige geen kinderbeschermingsmaatregel opgelegd heeft gekregen, ingediend door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar de jeugdige zijn woonplaats heeft.


Onder verwijzing naar de uitspraak van deze rechtbank van 28 april 2015 (ECLI:NL:RBROT:2015:3412) is de rechtbank van oordeel dat de wet noch de aard van de bevoegdheid zich verzet tegen het verlenen van een machtiging door het college aan de stichting om namens het college een verzoek te doen tot plaatsing van een minderjarige in een gesloten accommodatie. Dat de stichting ook jeugdhulp aanbiedt maakt dit naar het oordeel van de rechtbank niet anders. Voor dat laatste oordeel vindt de rechtbank steun in de Memorie van Toelichting op het voorstel van wet ‘Veegwet VWS 2015’, Kamerstukken II, 2014-2015, 34 191, nr. 3, p. 6 en 7.


Anders dan de advocaat is de rechtbank van oordeel dat uit het feit dat de stichting het verzoek namens het college heeft ingediend, blijkt dat de stichting heeft ingestemd met de machtiging van het college aan de stichting om een verzoek als bedoeld in artikel 6.1.8, eerste lid, van de Jeugdwet in te dienen.


Gelet op het bepaalde in artikel 6.1.2, tweede lid, van de Jeugdwet kan een machtiging gesloten jeugdhulp slechts worden verleend indien naar het oordeel van de kinderrechter jeugdhulp noodzakelijk is in verband met ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die de ontwikkeling van de jeugdige naar volwassenheid ernstig belemmeren. Bovendien dient de opneming en verblijf in een gesloten accommodatie noodzakelijk te zijn om te voorkomen dat de jeugdige zich aan deze jeugdhulp onttrekt of daaraan door anderen wordt onttrokken.


Uit de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting is gebleken dat [de minderjarige] ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. Bij [de minderjarige] is sprake van forse kindeigen problematiek. [de minderjarige] laat zelfbepalend en agressief gedrag zien en er zijn zorgen over zijn gewetensontwikkeling. De problematiek van [de minderjarige] is zodanig dat de moeder [de minderjarige] niet de speciale zorg en aandacht kan geven die hij nodig heeft. [de minderjarige] is niet in staat gebleken om het geleerde toe te passen buiten een therapeutische setting. In een open setting kan [de minderjarige] op dit moment niet voldoende behandeld worden voor zijn problematiek, te meer nu hij behoefte heeft aan en gebaat is bij één-op-één begeleiding, hetgeen Bernisser Handen niet kan bieden. De rechtbank acht het van belang dat [de minderjarige] binnen de gesloten setting van het Bergse Bos behandeld kan worden voor zijn problematiek.


Met de stichting is de rechtbank van oordeel dat de machtiging gesloten jeugdhulp voor een langere duur verleend dient te worden gelet op de aard en de ernst van de problematiek van [de minderjarige] . De rechtbank heeft er daarbij alle vertrouwen in dat [de minderjarige] zodra hij daaraan toe is binnen Bergse Bos zal worden overgeplaatst naar een open groep. Daarnaast kan de advocaat een verzoek indienen om de machtiging gesloten jeugdhulp te bekorten of kan de moeder haar toestemming voor de vrijwillige plaatsing intrekken.


Nu voor [naam broer] een machtiging gesloten jeugdhulp is verleend tot 4 december 2016, zal met het oog op het gelijk laten lopen van de termijnen de machtiging gesloten jeugdhulp voor [de minderjarige] eveneens tot die datum worden verleend. Het meer of anders verzochte zal worden afgewezen.

De beslissing

De rechtbank:


verleent een machtiging gesloten jeugdhulp met ingang van 18 december 2015 tot 4 december 2016 betreffende de minderjarige [de minderjarige] ;


wijst af het meer of anders verzochte.


Deze beschikking is gegeven door mr. M.J.M. Marseille, voorzitter, tevens kinderrechter, en mrs. S.C.C. Hes-Bakkeren en J. de Gans, kinderrechters, in tegenwoordigheid van mr. M.J. Kraaijeveld als griffier en in het openbaar uitgesproken op 18 december 2015.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld: - door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak, - door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden. Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshofDen Haag.