Rechtbank 's-Gravenhage, 11-07-2012 / AWB 11/2626


ECLI:NL:RBSGR:2012:BY5531

Inhoudsindicatie
correctie winst, verkoop, afschrijving panden, vervangingsreserve / vergrijpboete De rechtbank acht geen van beide partijen er in geslaagd om de door ieder van hen gestelde waarde aannnemelijk te maken. De rechtbank overweegt dat verweerder in het verweerschrift onomwonden de correctie heeft prijsgegeven en daar ook de conclusie aan had verbonden dat dit zou moeten leiden tot verlaging van het belastbare bedrag. Hierdoor kan niet later de correctie worden gehandhaafd waardoor het belastbare bedrag in feite weer zou worden verhoogd. Overschrijding redelijk termijn. Beroep gegrond.
Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Uitspraakdatum
2012-07-11
Publicatiedatum
2012-12-24
Zaaknummer
AWB 11/2626
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Belastingrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • NTFR 2013, 345
Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE


Sector bestuursrecht


zaaknummer: AWB 11/2626


uitspraak van de meervoudige kamer van 11 juli 2012 in de zaak tussen


[X] B.V., gevestigd te [Z], eiseres

(gemachtigde: [A]),


en


de inspecteur van de Belastingdienst [te P], verweerder.


Procesverloop


Verweerder heeft aan eiseres voor het jaar 2000 een aanslag vennootschapsbelasting opgelegd, berekend naar een belastbaar bedrag van ƒ 2.450.089. Tegelijkertijd met de aanslag heeft verweerder bij afzonderlijke beschikkingen aan eiseres een vergrijpboete van ƒ 1.250.000 opgelegd en ƒ 83.657 aan heffingsrente in rekening gebracht.


Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 8 januari 2011 de aanslag gehandhaafd, de vergrijpboete verminderd tot ƒ 212.100, en de beschikking heffingsrente gehandhaafd.


Eiseres heeft daartegen bij brief van 16 februari 2011, ontvangen bij de rechtbank Haarlem op 17 februari 2011, beroep ingesteld. Bij brief van 16 maart 2011 heeft eiseres haar beroepschrift nader gemotiveerd.


Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.


Eiseres heeft bij brief van 1 februari 2012 nadere stukken bij de rechtbank ingediend. Een afschrift hiervan is aan verweerder verzonden.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 februari 2012 te 's-Gravenhage. Namens eiseres is daar haar gemachtigde verschenen tot bijstand vergezeld door [B]. Namens verweerder zijn verschenen [C], [D] en [E]. De onderhavige zaak is met toestemming van partijen ter zitting gezamenlijk behandeld met de zaken AWB 11/2611, AWB 11/2633, AWB 11/8320, AWB 11/8316 en AWB 11/8321. Eiseres heeft ter zitting een pleitnota aan de rechtbank en aan verweerder overgelegd die betrekking heeft op de gezamenlijk behandelde zaken. Verweerder heeft voorts een pleitnota ter zitting overgelegd, aan de rechtbank en aan gemachtigde.


Verweerder heeft na de zitting bij brief van 2 maart 2012 een overzicht van het verloop van de vervangingsreserve/herinvesteringsreserve aan de rechtbank overgelegd. Tevens heeft verweerder een kopie van een brief gedateerd 2 maart 2012 gericht aan de gemachtigde van eiseres, aan de rechtbank verstrekt. Een afschrift van deze stukken is aan de gemachtigde van eiseres verzonden. Gemachtigde heeft een brief van 2 maart 2012 bij de rechtbank ingediend. Een afschrift hiervan is aan verweerder verzonden.


Overwegingen


Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:


1. Eiseres hield zich in het onderhavige jaar onder meer bezig met de exploitatie van onroerende zaken. Daarnaast nam eiseres als financier deel in verschillende projecten.

Enig aandeelhouder van eiseres is [F] (hierna de aandeelhouder). Via [G] BV. is de aandeelhouder tevens bestuurder van eiseres. De echtgenote van de aandeelhouder hield alle aandelen in [G] BV.


2. Eiseres heeft op 20 september 2002 aangifte vennootschapsbelasting over het jaar 2000 gedaan naar een belastbaar bedrag van ƒ 570.692.


3. Verweerder heeft in oktober 2003 een boekenonderzoek ingesteld naar de aanvaardbaarheid van (onder meer) de aangiften vennootschapsbelasting voor de jaren de jaren 1998 tot en met 2001. Van het boekenonderzoek is op 26 februari 2008 een rapport opgesteld (hierna: het controlerapport). Naar aanleiding van deze controle heeft verweerder diverse correcties op de door eiseres ingediende aangifte vennootschapsbelasting voor het jaar 2000 aangebracht. De correcties zijn aangekondigd in de brief van verweerder van 5 augustus 2004. Hierna volgt een beschrijving van de correcties voor zover deze van belang zijn voor het beroep.


Correctie verkoop woningen [H]

4. Eiseres bezat onder meer drie verhuurde woningen in [H]. Eind 2000 heeft eiseres deze woningen aan haar aandeelhouder verkocht. Verweerder heeft bij de aanslagregeling een winstcorrectie van ƒ 350.000 ter zake van deze verkoop aangebracht. Bij uitspraak op bezwaar is die correctie gesteld op ƒ 380.000. In verband met deze correctie heeft verweerder aan eiseres een vergrijpboete opgelegd van ƒ 66.500. Voor zover in verband met deze verkoop winst aan de vervangingsreserve is toegevoegd, heeft verweerder die toevoeging niet geaccepteerd.


Correctie [I]

5. Eiseres heeft op 8 juni 1995 de economische eigendom verworven van het pand [a-straat] 15, 17 en 19 te [J] (hierna: [I]). De juridische eigendom van [I] verkreeg eiseres op 4 januari 2001. Eveneens op 4 januari 2001 heeft eiseres de (juridische) eigendom van [I] aan haar aandeelhouder overgedragen voor ƒ 3.050.000 vrij op naam. Eiseres heeft de met de verkoop behaalde winst in haar aangifte vennootschapsbelasting over het jaar 2001 verantwoord en de door haar behaalde boekwinst van ƒ 640.047 (ƒ 3.050.000 -/- ƒ 2.409.953 boekwaarde) in 2001 aan de herinvesteringsreserve toegevoegd.


5.1. Op 26 januari 2001 is [I] door een door eiseres ingeschakelde taxateur per waardepeildatum 1 januari 2001 getaxeerd op ƒ 3.343.305 v.o.n. en

ƒ 3.150.000 kosten koper. Het rapport dateert van 10 april 2001. Een andere door eiseres ingeschakelde taxateur heeft het object per waardepeildatum 1 januari 2001 gewaardeerd op ƒ 3.415.000 k.k.


5.2. De rijkstaxateur heeft [I] per waardepeildatum 1 januari 2001 gewaardeerd op ƒ 3.882.055 vrij op naam en ƒ 3.867.510 k.k. Verweerder heeft bij de aanslagregeling 2000 een correctie van ƒ 900.000 aangebracht op de verkoopprijs. Bij uitspraak op bezwaar heeft verweerder de correctie verminderd tot ƒ 832.000 (het verschil tussen de door de rijkstaxateur vastgestelde waarde van ƒ 3.882.055 v.o.n. en de door eiseres gehanteerde verkoopprijs van ƒ 3.050.000 v.o.n, naar beneden afgerond). In verband met deze correctie heeft verweerder aan eiseres een vergrijpboete opgelegd van ƒ 145.600.


Correctie meubelverkopen

6. In het controlerapport wordt met betrekking tot de meubelverkopen onder meer het volgende opgemerkt:

“Er is geen administratie aanwezig waaruit de resultaten [met betrekking tot de kasten, inlas rechtbank] van de betreffende jaren blijken en er is ook geen jaarlijkse afrekening tussen de partners aanwezig. Er zijn geen jaarstukken van het samenwerkingsverband opgesteld. (…).

In de administratie van belanghebbende is het verloop als volgt:


administratie belanghebbende


Nu er geen gegevens betreffende de verkopen meer zijn zal ik op grond van de nu bekende gegevens een theoretische omzetberekening maken. (...)


theoretische omzetberekening


6.1. Ter zake van de meubelverkopen heeft eiseres geen opbrengst verantwoord. Bij aanslagregeling heeft verweerder een winst uit meubelverkopen bijgeteld van ƒ 75.000. Bij uitspraak op bezwaar heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat voor de hele periode 1998 t/m 2000 een bedrag van ƒ 93.086 (50% van ƒ 186.172) als winstaandeel meubelverkopen aan eiseres dient te worden toegerekend en dat 1/8 hiervan, te weten ƒ 11.635, aan het onderhavige jaar is toe te rekenen. In overeenstemming daarmee is de correctie bij uitspraak verminderd.


Correctie afschrijvingen op panden [K] en [L]

7. Eiseres heeft in 1996 de onroerende zaak [b-straat] 79 te [K] gekocht en in 1997 de onroerende zaken [c-straat] 100 en [c-straat] 850 te [L].


7.1. Eiseres heeft over 2000 3% op de aanschafkosten van de onder 7 genoemde onroerende zaken afgeschreven, rekening houdend met een restwaarde van 20%. De aldus berekende afschrijvingen heeft zij ten laste van haar winst van 2000 gebracht. De door eiseres in aanmerking genomen afschrijvingen bedragen:

- voor het pand [b-straat] 79 ƒ 60.110

- voor het pand [c-straat] 100 ƒ 69.820

- voor het pand [c-straat] 850 ƒ 52.300


7.2 Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar de correcties van de afschrijvingen gesteld op:

- voor het pand [b-straat] 79 ƒ 15.033

- voor de panden [c-straat] 100 en 850 ƒ 34.917


Correctie vervangingsreserve

8. Bij uitspraak op bezwaar heeft verweerder de belastbare winst verhoogd met een bedrag van ƒ 388.563 aan niet geaccepteerde toevoeging aan de vervangingsreserve in verband met de boekwinst behaald met de verkoop van [I] en de woningen te [H] aan de aandeelhouder.


Boete

9. Tegelijk met de aanslag is ingevolge artikel 67d Awr een vergrijpboete opgelegd van ƒ 1.250.000. Bij uitspraak op bezwaar is de vergrijpboete verlaagd tot ƒ 212.100. Deze boete betreft 50% van de nagevorderde belasting over het bedrag van ƒ 1.212.000. Dit bedrag is opgebouwd uit de winstcorrecties terzake van de verkoop van de woningen te [H] (zie onder 4) en de verkoop van [I] (zie onder 5.2).


Geschil

10. In geschil zijn:

- de winstcorrectie [I] (5.2);

- de correctie meubelverkopen (6.1);

- de correctie afschrijving panden [K] en [L] (7.2):

- correctie vervangingsreserve (8)

- de vergrijpboete (9);

- de beschikking heffingsrente.


10.1. Eiseres concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en tot vermindering van de belastingaanslag kennelijk tot een berekend naar een belastbare winst en belastbaar bedrag van ƒ 1.635.518, dienovereenkomstige vermindering van de heffingsrente en vermindering van de vergrijpboete met ƒ 64.523 tot een bedrag van ƒ 147.577 en verdere vermindering van die boete wegens overschrijding van de redelijke termijn.


10.2. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.


10.3. Voor het overige verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.


Beoordeling van het geschil


Correctie verkoop [I]

11. Verweerder heeft ter zake van de verkoop van [I] door eiseres aan haar aandeelhouder, een correctie aangebracht van ƒ 832.000. Dit is het verschil tussen de waarde per 1 januari 2001 zoals verweerder die voorstaat van ƒ 3.882.000 v.o.n. minus de door eiseres gehanteerde waarde van ƒ 3.050.000 v.o.n. Ter onderbouwing heeft verweerder gewezen op een taxatie door de rijkstaxateur Verweerder heeft er voorts op gewezen dat de aandeelhouder in zijn commerciële waardeoverzichten ten behoeve van onder andere de deponering van de jaarrekening van eiseres bij de Kamer van Koophandel, heeft aangegeven dat de waarde van [I] per 1 januari 2001 ƒ 3.993.028 bedroeg.


11.1. Eiseres stelt zich op het standpunt dat de waarde v.o.n. per 1 januari 2001 niet meer dan ƒ 3.513.300 kan bedragen. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft eiseres verwezen naar de door haar overgelegde taxaties (zie 5.1 hiervoor). Voorts heeft zij erop gewezen dat de gemeente de waarde per waardepeildatum 1 januari 1999 heeft vastgesteld op ƒ 3.500.000.


11.2. Gelet op hetgeen partijen over een weer hebben aangevoerd, acht de rechtbank geen van beide partijen er in geslaagd om de door ieder van hen gestelde waarde aannemelijk te maken. Daarom zal de rechtbank de waarde schattenderwijs vaststellen. Uitgaande van de verschillende taxaties die door beide partijen zijn ingebracht en mede rekening houdend met de waarde die eiseres in haar jaarrekening per 1 januari 2001 heeft aangegeven, acht de rechtbank een waarde van ƒ 3.700.000 per 1 januari 2001 aannemelijk. Gelet hierop dient de door verweerder aangebrachte correctie te worden verlaagd met ƒ 182.000 tot een bedrag van ƒ 650.000 (ƒ 3.700.000 -/- de door eiseres gehanteerde waarde van ƒ 3.050.000).


Correctie meubelverkopen

12. Het geschil over het met de meubelverkopen behaalde resultaat doet zich tussen partijen ook al voor in de jaren 1998 en 1999. Door verweerder is in verband met dit geschil een resultaat meubelverkopen bepaald dat heeft geleid tot correcties voor de jaren 1998 tot en met 2001. Voor 1998 is het geschil uiteindelijk ten nadele van eiseres beslecht in de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 3 april 2012 in zaaknummer BK-11/00233. Het totaal met de meubelverkopen behaalde resultaat is daarbij bepaald op ƒ 186.172 waarvan de helft aan eiseres is toegerekend. Naar rato van het aantal van in totaal acht gehouden verkoopdagen is voor 1998 voor een aantal van vijf verkoopdagen de winst voor eiseres bepaald op ƒ 58.179. Voormelde uitspraak van het Hof, meer in het bijzonder de overwegingen 7.1 tot en met 7.5.2, is ook uitgangspunt voor de rechtbank ter beoordeling van het geschil in het onderhavige jaar waarvan de onderliggende feiten dezelfde zijn. In hetgeen partijen met betrekking tot het onderhavige jaar hebben aangevoerd, ziet de rechtbank geen aanleiding anders te oordelen dan het Hof in voornoemde uitspraak heeft gedaan. De rechtbank volgt daarbij, in lijn van de toerekening in 1998, de door verweerder gestelde toerekening van 1/8 van het resultaat meubelverkopen aan het jaar 2000 (2/8 is reeds toegerekend aan het jaar 1999). Dit betekent dat het aan het onderhavige jaar toe te rekenen resultaat ƒ 11.635 bedraagt. De door verweerder toegepaste correctie is derhalve juist.


Correctie afschrijving panden

13. Het geschil met betrekking tot de afschrijvingscorrecties is op gelijke wijze aan de orde gekomen in de jaren 1998 en 1999. Voor het jaar 1998 is dit geschil ten nadele van eiseres beslecht in voormelde uitspraak van het Hof. De rechtbank neemt ter beoordeling van het geschil in het onderhavige jaar deze uitspraak van het Hof tot uitgangspunt, meer in het bijzonder de overwegingen 7.6.1, 7.6.2 en 7.6.3. Dit leidt voor het onderhavige jaar tot het oordeel dat de correcties onder 7.2, door verweerder terecht zijn aangebracht.


Correctie vrijval vervangingsreserve

14. Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar aangegeven dat de vervangingsreserve voor een bedrag van ƒ 388.563 vrijvalt. In het verweerschrift heeft hij vervolgens aangegeven dat die correctie ten onrechte is aangebracht er vanuit gaande dat geen dotatie aan die reserve heeft plaatsgevonden in het onderhavige jaar. In zijn brief van 2 maart 2012 geeft verweerder een “verduidelijking en verbetering” van dat standpunt en geeft hij aan dat de correctie wordt gehandhaafd en het belastbare bedrag daarmee terecht is vastgesteld op ƒ 2.450.089.


14.1. De rechtbank begrijpt uit de brief van 2 maart 2012 van gemachtigde van eiseres dat eiseres zich blijft verzetten tegen de correctie van ƒ 388.563. Verweerder is ter onderbouwing van de correctie er kennelijk aanvankelijk vanuit gegaan dat eiseres in het jaar 2000 terzake van de boekwinsten behaald met de verkoop van [I] en de woningen te [H], winst had gedoteerd aan de vervangingsreserve. Uit de overgelegde stukken valt evenwel niet op te maken dat een dergelijke dotatie ten laste van de winst in 2000 heeft plaatsgevonden, zodat deze naar het oordeel van de rechtbank geen grond kan vormen voor de correctie. In zijn brief van 2 maart 2012 geeft verweerder vervolgens een andere onderbouwing van zijn correctie die naar de rechtbank begrijpt op het volgende neerkomt op een beroep op interne compensatie in verband met eerder onbelast gebleven boekwinsten. Bij uitspraak op bezwaar is voor een bedrag van ƒ 388.563 ruimte ontstaan, derhalve heeft verweerder die ruimte gebruikt om de boekwinst voor dat bedrag alsnog in 2000 in aanmerking te nemen.


14.2. De rechtbank overweegt dat verweerder in het verweerschrift onomwonden de correctie van ƒ 388.563 heeft prijsgegeven en daar ook de conclusie aan had verbonden dat dit zou moeten leiden tot verlaging van het belastbare bedrag tot ƒ 2.061.526. Hierdoor kan niet later, door na de zitting alsnog een beroep te doen op interne compensatie, de correctie worden gehandhaafd waardoor het belastbare bedrag in feite weer zou worden verhoogd. Derhalve is het gelijk op dit punt aan eiseres en dient het belastbare bedrag met ƒ 388.563 te worden verminderd.


Boete

15. Met hetgeen verweerder daartoe heeft aangevoerd, acht de rechtbank bewezen dat eiseres (voorwaardelijk) opzet kan worden verweten terzake van het buiten de aangifte houden van de boekwinst behaald met de verkopen onder 4 en 5.2. Eiseres heeft zich weliswaar neergelegd bij het gehanteerde boetepercentage van 50%, maar neemt het standpunt in dat de grondslag van de vergrijpboete met betrekking tot [I] beperkt dient te blijven tot ƒ 463.300. Gelet hierop dient de vergrijpboete met betrekking tot deze correctie volgens eiseres te worden verminderd tot ƒ 81.077. Hierdoor dient de totale boete te worden verminderd tot ƒ 147.577. Dit bedrag dient volgens eiseres verder te worden verminderd vanwege de duur van de procedure.


15.2 Gelet op hetgeen in 12.2 is overwogen, zal de rechtbank de grondslag van de vergrijpboete verminderen tot ƒ 650.000 + ƒ 380.000 = ƒ 1.030.000 en de boete in beginsel verminderen tot ƒ 180.250 (ƒ 212.100 -/- ƒ 31.850 (50% boetepercentage van 35% x ƒ 182.000).


15.3. Eiseres verzoekt de rechtbank een vermindering op de boete toe te passen vanwege 'undue delay'. Of op het aan de beboete persoon toegekende recht op berechting binnen een redelijke termijn inbreuk wordt gemaakt, hangt af van het tijdsverloop, te rekenen vanaf het moment dat vanwege het betrokken bestuursorgaan jegens de beboete persoon een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat aan hem een boete zal worden opgelegd. Als zodanige handelingen dienen in elk geval aangemerkt te worden de kennisgevingen als bedoeld in de artikelen 67g, tweede lid, en 67k, eerste lid, AWR. Voor de berechting van de zaak in eerste aanleg heeft als uitgangspunt te gelden dat deze niet binnen een redelijke termijn geschiedt indien de rechtbank niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen uitspraak doet, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. In deze termijn is derhalve de duur van de bezwaarfase inbegrepen (Hoge Raad, 22 april 2005, nr. 37.984, LJN: AO9006).


15.4. De termijn als bedoeld in 15.3 is omstreeks 5 augustus 2004 aangevangen nu verweerder in zijn brief met deze dagtekening, het voornemen tot opleggen van de vergrijpboete had aangekondigd. De rechtbank is evenwel van oordeel dat de periode van 5 augustus 2004 tot omstreeks 26 februari 2008 (de datum van het rapport van het boekenonderzoek) bij de bepaling van 'undue delay' buiten aanmerking moet worden gelaten. De rechtbank heeft hierbij in aanmerking genomen dat gemachtigde ter zitting heeft verklaard dat tijdens het boekenonderzoek tussen partijen is getracht om tot een (overall) compromis te komen. De periode daarna (van 26 februari 2008 tot de datum van de uitspraak van de rechtbank) behelst meer dan 2 jaar. Gelet hierop zal de rechtbank de boete verminderen met 20% wegens overschrijding van de redelijke termijn. In hetgeen verweerder heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen aanleiding hiervan af te zien. Derhalve dient de boete te worden verminderd tot ƒ 144.200 (ƒ 180.250 -/- 36.050 [20% x ƒ 180.250]).


16. Gelet op het hetgeen in 11.2, 14.2 en 15.4 hiervoor is geoordeeld, zal de rechtbank het beroep gegrond verklaren.


Proceskosten

De rechtbank vindt aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het bezwaar en beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De rechtbank ziet geen aanleiding op grond van artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht tot vergoeding van de werkelijke kosten over te gaan. Naar het oordeel van de rechtbank is geen sprake van een situatie dat verweerder tegen beter weten in heeft beslist zoals hij heeft gedaan en kan verweerder evenmin in vergaande mate onzorgvuldig handelen worden verweten. De kosten die voor vergoeding in aanmerking komen zijn op voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 874 voor de beroepsfase (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 437 en een wegingsfactor 1) en € 218 voor de bezwaarfase (1 punt voor het bezwaarschrift met een waarde per punt van € 218, een wegingsfactor 1 en een factor 1 wegens samenhang met de zaken AWB 11/2611 en AWB 11/2633), in totaal € 1.092.


Beslissing


De rechtbank:


- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vermindert de belastingaanslag tot een berekend naar een belastbaar bedrag van

ƒ 1.879.526;

- vermindert de beschikking heffingsrente dienovereenkomstig;

- vermindert de boete tot een bedrag van ƒ 144.200;

- bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 1.092, te betalen aan eiser; en

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van ƒ 302 aan eiseres te vergoeden.


Deze uitspraak is op 11 juli 2012 gedaan door mr. R.C.H.M. Lips, voorzitter,

mr. J.M. van Kempen en mr.drs. M.H. van Schaik, rechters, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. S.R.M. Dekker, griffier.


De griffier is verhinderd

de uitspraak te ondertekenen


De griffier De voorzitter


Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:


Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ’s-Gravenhage (belastingkamer), Postbus 20021, 2500 EA Den Haag.


Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.