Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 14-02-2013 / 12/4000


ECLI:NL:RBZWB:2013:CA1939

Inhoudsindicatie
Inkomstenbelasting Belanghebbende heeft zijn onderneming op 31 juli 2006 gestaakt en onder meer 4.774 m² aan cultuurgrond aan het ondernemingsvermogen ontrokken. Ter zake van deze ontrekking heeft belanghebbende een waarde van € 10 per m² gehanteerd. Op 17 januari 2007 heeft belanghebbende voormelde cultuurgrond voor € 52,50 per m² verkocht. De inspecteur is het niet eens met de onttrekkingswaarde van € 10 per m² en hanteert een waarde van € 35 per m². De rechtbank acht het rechtskader zoals verwoord in het arrest van de Hoge Raad van 29 november 2000, nr. 35 797, LJN AA8610 hier onverkort van toepassing. Dit leidt er naar het oordeel van de rechtbank toe dat hier op belanghebbende de bewijslast rust om aannemelijk te maken dat de door de inspecteur vastgestelde waarde van € 35 per m² onvoldoende rekening houdt met de waardeontwikkeling vanaf waardepeildatum tot aan de datum van verkoop. Belanghebbende is daar niet in geslaagd.
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Uitspraakdatum
2013-02-14
Publicatiedatum
2013-06-04
Zaaknummer
12/4000
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Belastingrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • V-N Vandaag 2013/1350
  • FutD 2013-1436
Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, enkelvoudige kamer


Zittingsplaats: Eindhoven


Procedurenummer AWB 12/4000

Uitspraakdatum: 14 februari 2013


Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen


[belanghebbende], wonende te [woonplaats],

belanghebbende,


en


de inspecteur van de Belastingdienst/Oost-Brabant, kantoor Eindhoven,

de inspecteur.


De bestreden uitspraken op bezwaar

De in één geschrift vervatte uitspraken van de inspecteur van 8 augustus 2012 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan hem opgelegde aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over het jaar 2006 en de daarbij bij beschikking in rekening gebrachte heffingsrente (aanslagnummer [nummer].H.66).


Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 januari 2013.

Aldaar zijn verschenen en gehoord, belanghebbende, zijn echtgenote en zijn gemachtigde [gemachtigde] en namens de inspecteur, [gemachtigden] en [taxateur R] (taxateur).


1. Beslissing


De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraken op bezwaar;

- vermindert de aanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 233.541 met handhaving van de overige elementen van de aanslag;

- vermindert de beschikking heffingsrente dienovereenkomstig;

- gelast dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 42 aan deze vergoedt.


2. Gronden


2.1. Belanghebbende heeft in het onderhavige jaar een tuinderij/kwekerij gedreven in de vorm van een eenmanszaak, die hij op 31 juli 2006 (hierna ook: de waardepeildatum) heeft gestaakt. Bij het staken van zijn onderneming heeft hij onder meer de volgende goederen aan het ondernemingsvermogen onttrokken:

a) glasopstand/schuur;

b) een perceel van 2455 m² grenzende aan zijn privéwoning; en

c) 4.774 m² cultuurgrond.


2.2. Partijen hebben ter zitting bij wijze van compromis overeenstemming bereikt en wel in die zin dat naar hun oordeel aan voornoemde zaken de volgende waarden in het economische verkeer (hierna: WEV) en waarde in het economische verkeer bij agrarische bestemming (hierna: WEVAB) moet worden toegekend:


WEV WEVAB

Glasopstand/schuur € 7.000 --

Perceel 2.445 m2 € 145.000

Perceel 2.445 m2 + Cultuurgrond 4.774 m2 € 124.000


2.3. Voorts is ter zitting komen vast te staan dat niet in geschil is dat het perceel van 2.445 m2, na onttrekking, aan de eigen woning (box 1) van belanghebbende moet worden toegerekend en dat de WEV van de cultuurgrond ultimo 2006 tot de rendementsgrondslag van het inkomen uit sparen en beleggen (box 3) behoort.


2.4. Het geschil spitst zich toe op de WEV van de cultuurgrond groot 4.774 m2 en daarmee op de totale hoogte van de belaste boekwinst. Belanghebbende bepleit een WEV van de cultuurgrond van maximaal (afgerond) € 50.000, de inspecteur van € 166.000.


2.5. In de door belanghebbende overgelegde taxatierapporten die in opdracht van hem zijn opgesteld, zijn aan de cultuurgrond de volgende WEV per m2 toegekend:


WEV per m²

[taxateur K], verbonden aan [kantoornaam taxateur K] € 6

[taxateur T], verbonden aan [kantoornaam taxateur T], € 7

[taxateur V], taxateur van [kantoornaam taxateur V] € 10


2.6. De inspecteur beroept zich op de in opdracht van hem opgestelde taxatierapporten door taxateur [taxateur R] van de Belastingdienst Zuidwest/kantoor Breda, waarin steeds aan de cultuurgrond een WEV is toegekend van (afgerond) € 35 per m2.


2.7. Vaststaat dat belanghebbende op 17 januari 2007 een koopovereenkomst heeft gesloten waarbij hij een stuk grond groot 14.268 m2, waaronder voormeld stuk cultuurgrond, aan [X BV] heeft verkocht voor € 52,50 per m2.


Bewijslastverdeling


2.8. De WEV op waardepeildatum is hier, kort samengevat, de prijs welke de meestbiedende gegadigde op 30 juli 2006 voor de cultuurgrond zou willen betalen. Naar het oordeel van de rechtbank moet in een geval waarin een belastingplichtige een onroerende zaak kort voor of na de waardepeildatum heeft gekocht of verkocht, in de regel ervan worden uitgegaan dat de WEV overeenkomt met de koopsom. Dit is slechts anders indien de partij die zich daarop beroept feiten of omstandigheden stelt en bij betwisting aannemelijk maakt, waaruit volgt dat de koopsom niet die waarde weergeeft. Dit rechtskader leidt de rechtbank af uit het arrest van de Hoge Raad van 29 november 2000, nr. 35.797, LJN AA8610. Dat arrest is gewezen in een procedure over de WEV in de zin van de Wet waardering onroerende zaken waarbij de belastingplichtige na de waardepeildatum een woning had gekocht. In het onderhavige geval gaat het om het bepalen van de WEV ter zake van de overbrenging naar het privévermogen van cultuurgrond die na de waardepeildatum door de belastingplichtige is verkocht. De rechtbank heeft geen aanleiding te veronderstellen dat voornoemd rechtskader niet evenzeer van toepassing zou zijn in een geval als het onderhavige.


2.9. Nu tussen partijen niet in geschil is dat de verkoop onder zakelijke voorwaarden is geschied, gaat de rechtbank ervan uit dat de op 17 januari 2007 overeengekomen prijs van € 52,50 per m2 op dat moment de waarde van de cultuurgrond vertegenwoordigde.

De rechtbank acht voorts het tijdstip waarop de koopsom is overeengekomen voldoende kort bij de waardepeildatum gelegen om de koopsom als uitgangspunt voor de gezochte waarde te kunnen nemen. Hieruit vloeit voort dat voornoemde koopsom als uitgangspunt geldt voor het bepalen van de waarde op de waardepeildatum.


2.10. Belanghebbende betoogt dat, gelet op de waardeontwikkeling vanaf de waardepeildatum tot aan de datum van verkoop, de koopsom van € € 52,50 per m2 niet de waarde op waardepeildatum weergeeft. De inspecteur kan dit betoog in zoverre onderschrijven dat de waardeontwikkeling meebrengt dat de waarde per waardepeildatum, in afwijking van de koopsom, moet worden vastgesteld op circa € 35 per m2. Nu belanghebbende betoogt dat hiermee onvoldoende rekening is gehouden met de waardeontwikkeling vanaf waardepeildatum tot aan de datum van verkoop, rust op hem de last dat aannemelijk te maken.


Waarde


2.11. Belanghebbende heeft in dit verband gewezen op de door hem aangedragen taxatierapporten en de tot de gedingstukken behorende correspondentie van de taxateurs. Nu de taxatiewaarden in de taxatierapporten van [taxateur K] en [taxateur T] niet gedetailleerd en inzichtelijk zijn onderbouwd, bieden deze rapporten onvoldoende basis voor het trekken van een conclusie met betrekking tot de waarde van de cultuurgrond op de waardepeildatum. In het taxatierapport van [taxateur V] is ter onderbouwing van de WEV de cultuurgrond met de volgende objecten vergeleken:

a) het perceel grond groot 3.580 m2 gelegen achter het object [adres 1], dat voor € 3,35 per m2 op [datum] 2006 is gekocht;

b) [adres 2], een landelijk gelegen woning met een perceel van 1.530 m2, die op [datum] 2006 is verkocht voor € 395.000; en

c) [adres 3], een landelijk gelegen woning met een perceel van 43.295 m2, die op [datum] 2006 is verkocht voor € 849.000.


2.12. Tussen partijen staat vast dat de transactie van het perceel grond groot 3.580 m2 een familietransactie betreft. De taxateur stelt dat daarmee voldoende rekening is gehouden gelet op het verschil tussen de familietransactieprijs van € 3,35 en de door hem aangehouden prijs van € 10. Naar het oordeel van de rechtbank kan die transactie niet als vergelijking dienen. Niet aannemelijk is immers dat bij de verkoop van het betreffende object de optimale opbrengst is nagestreefd en gerealiseerd. De te realiseren prijs voor dat object bij verkoop onder zakelijke voorwaarden acht de rechtbank evenmin voldoende onderbouwd.


2.13. Ter zake van de objecten [adres 2] en [adres 3] stelt de rechtbank voorop dat zij niet aannemelijk acht dat de marktomstandigheden voor deze objecten voldoende vergelijkbaar zijn met die voor de onderhavige cultuurgrond. Reeds hierom laat de rechtbank deze objecten buiten beschouwing.


2.14. Taxateur [taxateur V] heeft omtrent de situatie op de waardepeildatum voorts het volgende aangevoerd. Uit het op 15 juli 2006 door de gemeente voor het betreffende gebied genomen 2e voorbereidingsbesluit kan niet worden afgeleid dat er plannen voor woningbouw voor het betreffende gebied ophanden waren. Het was niet aannemelijk dat er op korte tot middellange termijn een bestemmingswijziging naar woningbouw zou gaan plaatsvinden. De aanwezigheid van het bedrijf [bedrijf] was een aanzienlijke belemmering voor eventuele toekomstige woningbouw. Uit de openbare registers is geen enkele activiteit van commerciële marktpartijen zoals projectontwikkelaars te herleiden. Omdat de gemeente voorts reeds elders actief grond aan het verwerven was, lag een tweede grote uitbreidingslocatie ook niet in de rede. Eerst begin 2007 werd algemeen bekend dat [bedrijf] was verkocht. Op dat moment vond er pas een forse waardesprong plaats in het betreffende gebied. Volgens de inspecteur was de wijziging in de gebruiksmogelijkheid van de cultuurgrond reeds op waardepeildatum voldoende reëel. De inspecteur betwist dat van voornoemde omstandigheden een verdere waardedruk uitgaat dan door hem in aanmerking is genomen.


2.15. Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende tegenover de gemotiveerde betwisting door de inspecteur niet aannemelijk gemaakt dat bij aanbieding ter verkoop van de cultuurgrond op of rond 31 juli 2006 de meest biedende gegadigde niet bereid zou zijn geweest ten minste een prijs van € 35 per m2 te betalen. Gelet hierop acht de rechtbank belanghebbende niet erin geslaagd aannemelijk te maken dat met de door de inspecteur gehanteerde waarde van € 35 onvoldoende rekening is gehouden met de waardeontwikkeling tussen de waardepeildatum en 17 januari 2007. Gelet hierop acht de rechtbank de door de inspecteur gehanteerde WEV van € 166.000 voor de cultuurgrond groot 4.744 m2 niet te hoog.


2.16. Gelet op de in 2.10 vermelde bewijsregel en de omstandigheid dat de door de inspecteur bepleite waarde de koopsom niet overschrijdt, komt de rechtbank niet toe aan de behandeling van de grieven van belanghebbende gericht tegen de door de inspecteur gehanteerde vergelijkingsobjecten.


2.17. Bij uitspraak op bezwaar heeft de inspecteur de cultuurgrond ultimo 2006 voor een waarde van € 166.000 tot de rendementsgrondslag van het inkomen uit sparen en beleggen (box 3) gerekend. Gelet op hetgeen in 2.2 en 2.15 is overwogen acht de rechtbank dit juist.


2.18. Het voorgaande resulteert in een belaste boekwinst van € 194.000, opgebouwd als volgt:


WEV glasopstand/schuur (zie 2.2) € 7.000

WEV perceel (zie 2.2) € 145.000

WEV cultuurgrond (zie 2.14) € 166.000

Totaal € 318.000

Af:boekwaarde € 1.821

Boekwinst €316.179


Totaal WEVAB (zie 2.2) € 124.000

Af: boekwaarde € 1.821

Landbouwvrijstelling € 122.179

Belaste boekwinst € 194.000


Nu in het belastbaar inkomen uit werk en woning zoals dat bij uitspraak op bezwaar is vastgesteld op € 248.541, een bedrag aan belaste boekwinst is begrepen van € 209.000, dient het belastbare inkomen uit werk en woning (box 1) met € 15.000 te worden verlaagd tot € 233.541.


Heffingsrente


2.19. Het beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de heffingsrente (zie Hoge Raad 27 november 2009, nr. 07/13621, LJN BJ7907). Belanghebbende heeft tegen de heffingsrente geen zelfstandige grieven aangevoerd. Het is de rechtbank overigens ook niet gebleken dat de bepalingen met betrekking tot de heffingsrente onjuist zijn toegepast. Nu het belastbare inkomen uit werk en woning met € 15.000 moet worden verlaagd tot € 233.541, dient de heffingsrente dienovereenkomstig te worden verminderd.


2.20. Gelet op het voorgaande is het beroep gegrond verklaard.


2.21. Belanghebbende heeft ter zitting verklaard dat geen aanspraak wordt gemaakt op een vergoeding van proceskosten. Als gevolg daarvan ziet de rechtbank geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.


Deze uitspraak is gedaan op 14 februari 2013 door mr. W.A.P. van Roij, rechter, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van

mr. B.W. van Eeken-Liu, griffier.


De griffier, De rechter,


Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: 18 februari 2013


Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist (artikel 27h, vijfde lid en artikel 28, zevende lid AWR).


Rechtsmiddel


Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.


Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.