Raad van State, 07-02-2012 / 201103064/1/V2


ECLI:NL:RVS:2012:BV3716

Inhoudsindicatie
Volgens de Toelichtingen bij het Handvest (gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie van 14 december 2007, C 303/25), die ingevolge artikel 6, eerste lid, derde alinea, van het VEU en overeenkomstig artikel 52, zevende lid, van het Handvest voor de uitlegging daarvan in acht moeten worden genomen, is artikel 24 gebaseerd op het Verdrag inzake de rechten van het kind (hierna: het IVRK), dat door alle lidstaten is bekrachtigd, met name op de artikelen 3, 9, 12 en 13 van dat Verdrag. Uit die toelichtingen is af te leiden dat artikel 24 van het Handvest overeenkomstig artikel 3 van het IVRK dient te worden geïnterpreteerd. (…) Artikel 3 van het IVRK heeft rechtstreekse werking in zoverre het ertoe strekt dat bij alle maatregelen betreffende kinderen de belangen van het desbetreffende kind dienen te worden betrokken. Wat betreft het gewicht dat aan het belang van een kind in een concreet geval moet worden toegekend, bevat het eerste lid van artikel 3 van het IVRK, gelet op de formulering ervan, geen norm die zonder nadere uitwerking in nationale wet- en regelgeving door de rechter direct toepasbaar is. Wel dient door de bestuursrechter in dit verband te worden getoetst of het bestuursorgaan zich voldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van het kind en aldus bij de uitoefening van zijn bevoegdheden binnen de grenzen van het recht is gebleven. Deze toets heeft een terughoudend karakter. Op grond van de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen in de arresten van 1 februari 1997, 51/76, VNO, punt 22 en volgende (www.eur-lex.europa.eu) en van 24 oktober 1996, C-72/95, Kraaijeveld, punt 47 en volgende (www.curia.europa.eu) kan een bepaling van Unierecht worden ingeroepen voor de nationale rechter, ook als deze een beoordelingsruimte bevat voor de lidstaten. De omstandigheid dat een Unierechtelijke bepaling een dergelijke beoordelingsruimte toekent, sluit voor de rechter de mogelijkheid niet uit om te toetsen of de nationale instanties de grenzen van deze beoordelingsruimte hebben overschreden. Artikel 24 van het Handvest, dat, zoals hierboven in overweging 2.3.6. is vermeld, gebaseerd is op artikel 3 van het IVRK, bevat een dergelijke beoordelingsruimte voor de nationale instanties. Bijgevolg kan de rechter enkel toetsen of deze in onderhavig geval door de minister is overschreden. Gelet op de omstandigheid dat het besluit van 10 februari 2011 er geen blijk van geeft dat de minister zich, bezien in het licht van artikel 3 van het IVRK en artikel 24 van het Handvest, onvoldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van de vreemdeling, heeft de voorzieningenrechter de door de vreemdeling voorgedragen beroepsgrond over artikel 24 van het Handvest terecht, zij het op onjuiste gronden, verworpen.
Instantie
Raad van State
Uitspraakdatum
2012-02-07
Publicatiedatum
2012-02-13
Zaaknummer
201103064/1/V2
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht


Wetsverwijzing

Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • JV 2012/152
  • JHG 2013/9 met annotatie van prof. mr. P.R. Rodrigues
  • RV20120099 met annotatie van Reneman A.M. Marcelle
Uitspraak

201103064/1/V2.

Datum uitspraak: 7 februari 2012


RAAD VAN STATE

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK


Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:


[de vreemdeling],

appellant,


tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Arnhem, van 4 maart 2011 in zaak nrs. 11/4880 en 11/4879 in het geding tussen:


de vreemdeling


en


de minister voor Immigratie en Asiel.



1. Procesverloop


Bij besluit van 10 februari 2011 heeft de minister een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen en geweigerd hem ambtshalve een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen. Dit besluit is aangehecht.


Bij uitspraak van 4 maart 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de voorzieningenrechter, voor zover thans van belang, het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.


Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 11 maart 2011, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.


De minister, thans: de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel, heeft een verweerschrift ingediend.


Vervolgens is het onderzoek gesloten.



2. Overwegingen


2.1. Onder de minister wordt tevens verstaan: diens rechtsvoorgangers.


2.2. Hetgeen als grieven 1 tot en met 7 en 8, eerste deel, is aangevoerd en aan artikel 85, eerste en tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) voldoet, kan niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aldus aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000, met dat oordeel volstaan.


2.3. In het tweede deel van grief 8 klaagt de vreemdeling dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft overwogen dat hij zijn beroep op artikel 24 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: het Handvest) niet nader heeft onderbouwd. Volgens de vreemdeling heeft de voorzieningenrechter in het verlengde hiervan voorts ten onrechte overwogen dat de minister niet in strijd met voormeld artikel van het Handvest heeft gehandeld. In de toelichting op de grief voert de vreemdeling aan dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat hij zowel in de zienswijze als in de gronden van beroep uitgebreid te kennen heeft gegeven op welke wijze zijn rechten zijn geschonden.


2.3.1. De vreemdeling heeft zowel in de besluitvormingsfase als in de beroepsfase een gemotiveerd beroep gedaan op artikel 24 van het Handvest. De klacht van de vreemdeling dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft overwogen dat hij zijn beroep op voormeld artikel van het Handvest niet nader heeft onderbouwd, is derhalve terecht voorgedragen. De klacht kan evenwel, gelet op het volgende, niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden.


2.3.2. Ingevolge artikel 6, eerste lid, van het Verdrag betreffende de Europese Unie (hierna: het VEU) erkent de Unie de rechten, vrijheden en beginselen die zijn vastgesteld in het Handvest, dat dezelfde juridische waarde als de Verdragen heeft. De bepalingen van het Handvest houden geenszins een verruiming in van de bevoegdheden van de Unie zoals bepaald bij de Verdragen. De rechten, vrijheden en beginselen van het Handvest worden uitgelegd overeenkomstig de algemene bepalingen van titel VII van het Handvest betreffende de uitlegging en toepassing ervan, waarbij de in het Handvest bedoelde toelichtingen, waarin de bronnen van deze bepalingen vermeld zijn, terdege in acht worden genomen.


2.3.3. Ingevolge artikel 24, eerste lid, van het Handvest, hebben kinderen recht op de bescherming en de zorg die nodig zijn voor hun welzijn. Zij mogen vrijelijk hun mening uiten. Aan hun mening in hen betreffende aangelegenheden wordt in overeenstemming met hun leeftijd en rijpheid passend belang gehecht.

Ingevolge het tweede lid vormen de belangen van het kind een essentiële overweging bij alle handelingen in verband met kinderen, ongeacht of deze worden verricht door overheidsinstanties of particuliere instellingen.

Ingevolge het derde lid heeft ieder kind het recht regelmatig persoonlijke betrekkingen en rechtstreekse contacten met zijn beide ouders te onderhouden, tenzij dit tegen zijn belangen indruist.


2.3.4. Ingevolge artikel 51, eerste lid, van het Handvest, voor zover thans van belang, zijn de bepalingen van het Handvest gericht tot de instellingen, organen en instanties van de Unie alsmede, uitsluitend wanneer zij het recht van de Unie ten uitvoer brengen, tot de lidstaten. Derhalve eerbiedigen zij de rechten, leven zij de beginselen na en bevorderen zij de toepassing ervan overeenkomstig hun respectieve bevoegdheden en met inachtneming van de grenzen van de bevoegdheden zoals deze in de Verdragen aan de Unie zijn toegedeeld.

Ingevolge het tweede lid breidt het Handvest het toepassingsgebied van het recht van de Unie niet verder uit dan de bevoegdheden van de Unie reiken, schept geen nieuwe bevoegdheden of taken voor de Unie, noch wijzigt het de in de Verdragen omschreven bevoegdheden en taken.


2.3.5. Zoals volgt uit hetgeen de Afdeling eerder heeft overwogen (zie de uitspraak van 1 december 2010 in zaak nr. 201003052/1/V3; www.raadvanstate.nl), is het Handvest juridisch bindend geworden met de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon op 1 december 2009. Gelet op artikel 51, eerste lid, van het Handvest, is het Handvest gericht tot de lidstaten, uitsluitend wanneer zij het recht van de Unie ten uitvoer brengen. Het besluit van de minister dateert van 10 februari 2011. De vreemdeling heeft een beroep gedaan op richtlijn 2004/83/EG van de Raad van de Europese Unie van 29 april 2004 inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchtelingen of als personen die anderszins internationale bescherming behoeven, en de inhoud van de verleende bescherming. Deze richtlijn is geïmplementeerd in de Vw 2000. Nu de vreemdeling onder het toepassingsbereik van voormelde richtlijn valt en de minister zijn aanvraag daaraan heeft getoetst, moet worden aangenomen dat de minister in deze zaak het recht van de Unie ten uitvoer heeft gebracht.

De zaak valt derhalve binnen de materiële werkingssfeer van het Handvest.


2.3.6. Volgens de Toelichtingen bij het Handvest (gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie van 14 december 2007, C 303/25), die ingevolge artikel 6, eerste lid, derde alinea, van het VEU en overeenkomstig artikel 52, zevende lid, van het Handvest voor de uitlegging daarvan in acht moeten worden genomen, is artikel 24 gebaseerd op het Verdrag inzake de rechten van het kind (hierna: het IVRK), dat door alle lidstaten is bekrachtigd, met name op de artikelen 3, 9, 12 en 13 van dat Verdrag. Uit die toelichtingen is af te leiden dat artikel 24 van het Handvest overeenkomstig artikel 3 van het IVRK dient te worden geïnterpreteerd.


2.3.7. In artikel 3, eerste lid, van het IVRK is bepaald dat bij alle maatregelen betreffende kinderen, ongeacht of deze worden genomen door openbare of particuliere instellingen voor maatschappelijk welzijn of door rechterlijke instanties, bestuurlijke autoriteiten of wetgevende lichamen, de belangen van het kind een eerste overweging vormen.


2.3.8. Artikel 3 van het IVRK heeft rechtstreekse werking in zoverre het ertoe strekt dat bij alle maatregelen betreffende kinderen de belangen van het desbetreffende kind dienen te worden betrokken. Wat betreft het gewicht dat aan het belang van een kind in een concreet geval moet worden toegekend, bevat het eerste lid van artikel 3 van het IVRK, gelet op de formulering ervan, geen norm die zonder nadere uitwerking in nationale wet- en regelgeving door de rechter direct toepasbaar is. Wel dient door de bestuursrechter in dit verband te worden getoetst of het bestuursorgaan zich voldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van het kind en aldus bij de uitoefening van zijn bevoegdheden binnen de grenzen van het recht is gebleven. Deze toets heeft een terughoudend karakter.

Op grond van de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen in de arresten van 1 februari 1997, 51/76, VNO, punt 22 en volgende (www.eur-lex.europa.eu) en van 24 oktober 1996, C-72/95, Kraaijeveld, punt 47 en volgende (www.curia.europa.eu) kan een bepaling van Unierecht worden ingeroepen voor de nationale rechter, ook als deze een beoordelingsruimte bevat voor de lidstaten. De omstandigheid dat een Unierechtelijke bepaling een dergelijke beoordelingsruimte toekent, sluit voor de rechter de mogelijkheid niet uit om te toetsen of de nationale instanties de grenzen van deze beoordelingsruimte hebben overschreden. Artikel 24 van het Handvest, dat, zoals hierboven in overweging 2.3.6. is vermeld, gebaseerd is op artikel 3 van het IVRK, bevat een dergelijke beoordelingsruimte voor de nationale instanties. Bijgevolg kan de rechter enkel toetsen of deze in onderhavig geval door de minister is overschreden.

Gelet op de omstandigheid dat het besluit van 10 februari 2011 er geen blijk van geeft dat de minister zich, bezien in het licht van artikel 3 van het IVRK en artikel 24 van het Handvest, onvoldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van de vreemdeling, heeft de voorzieningenrechter de door de vreemdeling voorgedragen beroepsgrond over artikel 24 van het Handvest terecht, zij het op onjuiste gronden, verworpen.


2.4. Het hoger beroep is kennelijk ongegrond. De aangevallen uitspraak dient, met verbetering van de gronden waarop deze berust, te worden bevestigd.


2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.



3. Beslissing


De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State


Recht doende in naam der Koningin:


bevestigt de aangevallen uitspraak.



Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. R. van der Spoel en mr. H.G. Sevenster, leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Yildiz, ambtenaar van staat.



De voorzitter is verhinderd

de uitspraak te ondertekenen.

w.g. Yildiz

ambtenaar van staat


Uitgesproken in het openbaar op 7 februari 2012


594.

Verzonden: 7 februari 2012


Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,


mr. H.H.C. Visser