Raad van State, 18-03-2015 / 201405179/1/A1


ECLI:NL:RVS:2015:826

Inhoudsindicatie
Bij besluit van 12 april 2012 heeft het college aan [vergunninghoudster] omgevingsvergunning verleend voor het legaliseren van een hekwerk op het perceel [locatie] te Beegden (hierna: het perceel).
Instantie
Raad van State
Uitspraakdatum
2015-03-18
Publicatiedatum
2015-03-18
Zaaknummer
201405179/1/A1
Procedure
Tussenuitspraak bestuurlijke lus
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Omgevingsrecht



Vindplaatsen
Uitspraak

201405179/1/A1.

Datum uitspraak: 18 maart 2015


AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK


Tussenuitspraak met toepassing van artikel 8:51d van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:


[appellant], wonend te Beegden, gemeente Maasgouw,


tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 15 mei 2014 in zaak nr. 12/1882 in het geding tussen:


[appellant]


en


het college van burgemeester en wethouders van Maasgouw.


Procesverloop


Bij besluit van 12 april 2012 heeft het college aan [vergunninghoudster] omgevingsvergunning verleend voor het legaliseren van een hekwerk op het perceel [locatie] te Beegden (hierna: het perceel).


Bij besluit van 14 november 2012 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard onder wijziging van de grondslag van de vergunningverlening.


Bij uitspraak van 15 mei 2014 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.


Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.


Het college heeft een verweerschrift ingediend.


[appellant] heeft nadere stukken ingediend.


De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.


De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 januari 2015, waar [appellant], bijgestaan door mr. P.H.J. Soogelee, en het college, vertegenwoordigd door N.J.S. Maas-Houben, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.


Overwegingen


1. Ingevolge artikel 8:51d van de Awb, voor zover hier van belang, kan de Afdeling het bestuursorgaan opdragen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen.


2. Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, van de Wabo, voor zover thans van belang, is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:


a. het bouwen van een bouwwerk,


c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan.


Ingevolge artikel 2.12, eerste lid, voor zover thans van belang, kan, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, de omgevingsvergunning slechts worden verleend:


a. indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan:


1o met toepassing van de in het bestemmingsplan opgenomen regels inzake afwijking,


2o in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen.


Ingevolge artikel 2.22, tweede lid, worden aan een omgevingsvergunning de voorschriften verbonden, die nodig zijn met het oog op het belang dat voor de betrokken activiteit is aangegeven in het bepaalde bij of krachtens de artikelen 2.10 tot en met 2.20.


Ingevolge artikel 4, aanhef en onderdeel 3 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht (hierna: het Bor) komt voor verlening van een omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, 2o, van de Wabo van het bestemmingsplan wordt afgeweken, in aanmerking, een bouwwerk geen gebouw zijnde, mits wordt voldaan aan de volgende eisen:


a. niet hoger dan 10 m, en


b. de oppervlakte niet meer dan 50 m2.


3. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Beegden" rust op het perceel de bestemming "Wonen".


Ingevolge artikel 20 van de planvoorschriften zijn de als zodanig aangewezen gronden bestemd voor wonen.


Ingevolge artikel 20.2.6, aanhef en onder a, bedraagt de maximale bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen 2 meter, met dien verstande dat de hoogte voor erf- en terreinafscheidingen voor zover gelegen vóór de naar de weg gekeerde gevel maximaal 1 meter mag bedragen.


Ingevolge artikel 36.1, aanhef en onder d, kan met een omgevingsvergunning worden afgeweken van de bestemmingsbepalingen ten aanzien van de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, en toestaan dat de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, wordt vergroot tot maximaal 10 meter.


4. Het hekwerk, dat een u-vorm heeft, bestaat uit gaas en sluit de patio, die is ontstaan na de uitbreiding van de woning op het perceel met een slaapkamer, berging en garage, met nog eens drie zijden af. Het hekwerk bevindt zich vóór de naar de weg gekeerde gevel van de woning en heeft een hoogte van 1,8 m, zodat het in strijd is met artikel 20.2.6, aanhef en onder a, van de planvoorschriften. Bij het besluit van 12 april 2012 heeft het college de omgevingsvergunning voor zover deze betrekking heeft op de activiteit ‘afwijken van het bestemmingsplan’, verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, 2o, van de Wabo, gelezen in verbinding met artikel 4, aanhef en onderdeel 3, van bijlage II bij het Bor. Bij het besluit van 14 november 2012 heeft het de grondslag van de vergunningverlening in die zin gewijzigd dat de vergunning voor zover deze betrekking heeft op de voormelde activiteit, is verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, 1o, van de Wabo, gelezen in verbinding met artikel 36.1, aanhef en onder d, van de planvoorschriften.


5. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat het college in redelijkheid de door vergunninghoudster gestelde belangen, te weten privacy en veiligheid, zwaarder kon laten wegen dan het belang dat hij heeft bij een passend uitzicht en bij de handhaving van de stedenbouwkundige structuur van zijn directe woonomgeving. Volgens hem heeft de rechtbank niet onderkend dat het college de bedoelde belangen van vergunninghoudster buiten beschouwing had moeten laten, aangezien die belangen niet zouden hebben bestaan indien vergunninghoudster de voormelde uitbreiding van haar woning niet zou hebben gerealiseerd. Ook uit het feit dat vergunninghoudster aan de andere kant van haar woning al over een patio-omheining beschikt, blijkt volgens [appellant] dat hetgeen zij stelt geen werkelijke belangen zijn. [appellant] voert tevens aan dat de belangenafweging de vergunningverlening niet kan dragen omdat de besluitvorming van het college is gebaseerd op het uitgangspunt dat het hekwerk met groenblijvende klimop zal zijn begroeid, terwijl het college geen daartoe strekkend voorschrift aan de omgevingsvergunning heeft verbonden. Het volledig begroeid zijn van het hekwerk kan daarom, bijvoorbeeld tegenover een eventuele toekomstige eigenaar, niet worden afgedwongen, aldus [appellant]. Dat vergunninghoudster zich bereid heeft getoond het hekwerk met dergelijke klimop te laten begroeien is, naar hij stelt, onvoldoende. [appellant] betoogt voorts dat het verbinden van een beplantingsvoorschrift aan een omgevingsvergunning niet mogelijk is bij toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, 1o, van de Wabo, maar wél bij toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, 2o, van die wet, zodat hij, naar hij stelt, door het bij besluit van 14 november 2012 wijzigen van de grondslag, in een ongunstiger positie is komen te verkeren.


5.1. De Afdeling overweegt in de eerste plaats dat, anders dan de rechtbank heeft overwogen, en dan het door het college ingenomen standpunt dat het ter zitting heeft bevestigd, geen grond bestaat voor het oordeel dat artikel 2.22, tweede lid, van de Wabo, gelezen in verbinding met de planvoorschriften, er aan in de weg staat dat aan de omgevingsvergunning een beplantingsvoorschrift als door [appellant] voorgestaan, wordt verbonden. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat het planvoorschrift waarin is bepaald dat de hoogte van erf- en terreinafscheidingen die zijn gelegen vóór de naar de weg gekeerde gevel maximaal 1 meter mag bedragen en waarvan met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, 1o, van de Wabo, wordt afgeweken, in het bestemmingsplan is opgenomen mede ter bescherming van het woon- en leefklimaat van derden, en het bedoelde beplantingsvoorschrift erin zou voorzien het effect van de afwijking te beperken. Voor het oordeel dat [appellant] door het bij besluit van 14 november 2012 wijzigen van de grondslag van de vergunningverlening in een ongunstiger positie is komen te verkeren, bestaat daarom evenmin aanleiding. In zoverre faalt het betoog.


5.2. Het college diende bij de in het kader van de besluitvorming te verrichten belangenafweging rekening te houden met de belangen die door partijen naar voren zijn gebracht.


De rechtbank heeft terecht geen aanleiding gevonden voor het oordeel dat het vergunninghoudster kan worden verweten dat zij de uitbreiding van haar woning, alsmede de plaatsing van een ander hekwerk op haar perceel, heeft gerealiseerd en dat om die reden het door haar gestelde bij de belangenafweging geen rol hadden mogen spelen. Hierbij wordt er nog op gewezen dat vergunninghoudster de uitbreiding, onderscheidenlijk het andere hekwerk met een daartoe strekkende, inmiddels onherroepelijk geworden omgevingsvergunning heeft opgericht. Ook in zoverre faalt het betoog.


5.3. Bij de belangenafweging die het college heeft verricht, kon het, mede gelet op de afstand tussen het hekwerk en de woning van [appellant] die, naar [appellant] ter zitting heeft bevestigd, op zijn kortst veertien meter bedraagt, rekening houden met hetgeen vergunninghoudster met betrekking tot privacy en veiligheid naar voren heeft gebracht. [appellant] betoogt echter terecht dat het college, hoewel het begroeid zijn van het hekwerk geen onderdeel uitmaakt van de aanvraag, zijn standpunt dat de door vergunninghoudster gestelde belangen zwaarder dienen te wegen dan de belangen die [appellant] naar voren heeft gebracht, heeft gebaseerd op de veronderstelling dat het hekwerk volledig van groenblijvende klimop zal zijn voorzien. Dit blijkt uit het aan het besluit van 14 november 2012 ten grondslag gelegde advies van de commissie bezwaarschriften en de overwegingen van dat besluit, alsmede uit het verslag van de welstandscommissie van 5 januari 2012 en het welstandsadvies van 27 september 2012, die eveneens aan het voormelde besluit ten grondslag zijn gelegd.


Nu het college bij het afwegen van de betrokken belangen de omstandigheid dat het hekwerk volledig zal zijn begroeid als gegeven heeft gehanteerd terwijl dat aspect geen onderdeel uitmaakt van het besluit van 14 november 2012, en het ten onrechte is uitgegaan van de veronderstelling dat voor een voorschrift als vorenbedoeld een wettelijke grondslag ontbreekt, is dat besluit onzorgvuldig voorbereid, en genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb.


In zoverre slaagt het betoog.


6. De Afdeling ziet in het belang van een spoedige beëindiging van het geschil aanleiding het college op de voet van artikel 8:51d van de Awb op te dragen om met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen, het in het besluit geconstateerde gebrek binnen een daartoe te stellen termijn te herstellen. Het college dient, gelet op de door de partijen aangevoerde belangen alsmede de omstandigheid dat voor een voorschrift als voormeld een wettelijke grondslag aanwezig is, te onderzoeken of het bereid is de gevraagde omgevingsvergunning te verlenen en, wanneer dat het geval is, of het daaraan een dergelijk voorschrift wenst te verbinden. Het college dient het resultaat van het onderzoek neer te leggen in een nadere motivering, dan wel, indien het een dergelijk voorschrift aan het besluit wenst te verbinden of indien het tot weigering van de gevraagde omgevingsvergunning overgaat, in een nieuw te nemen gemotiveerd besluit, dat op de wettelijk voorgeschreven wijze dient te worden bekendgemaakt.


7. Het betoog van [appellant] dat de rechtbank heeft miskend dat de wijziging van de grondslag ten onrechte niet tot gegrondverklaring van het bezwaar en beroep heeft geleid, zodat hij ten onrechte geen vergoeding van proceskosten en betaalde griffierechten heeft ontvangen, leidt niet tot het door hem daarmee beoogde doel. Het hoger beroep is gericht tegen de aangevallen uitspraak. Wanneer er geen reden is waarom een beroepsgrond niet reeds bij de rechtbank kon worden aangevoerd en betrokkene dat uit een oogpunt van een zorgvuldig en doelmatig gebruik van rechtsmiddelen had behoren te doen, dient die grond, wat daarvan zij, buiten beschouwing te blijven. Uit de aangevallen uitspraak blijkt niet dat de bedoelde beroepsgrond bij de rechtbank is besproken. Ter zitting heeft [appellant] te kennen gegeven dat dit mogelijk wel kan worden afgeleid uit de aantekeningen die van de rechtbankzitting zijn gemaakt. Van dit laatste is niet gebleken. Blijkens de zittingsaantekeningen is de grondslagwijziging tijdens de rechtbankzitting uitsluitend ter sprake geweest in het kader van de vraag van de rechter aan [appellant] waarom deze wijziging hem, volgens hem, in een ongunstiger positie heeft gebracht, en de reactie van [appellant] daarop dat, samengevat weergegeven, het verbinden van de gewenste voorwaarde aan de omgevingsvergunning mogelijk is bij toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, 2o, van de Wabo, maar niet bij toepassing van het eerste onderdeel van die bepaling.


8. In de einduitspraak zal worden beslist over de proceskosten en vergoeding van het betaalde griffierecht.


Beslissing


De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:


draagt het college van burgemeester en wethouders van Maasgouw op om binnen zes weken na de verzending van deze tussenuitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen:


1. het besluit van 14 november 2012, kenmerk UIT/36098, te herstellen op een wijze als bedoeld in rechtsoverweging 6;


2. de uitkomst aan de Afdeling en partijen mee te delen.


Aldus vastgesteld door mr. J. Kramer, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D.A.B. Montagne, griffier.


w.g. Kramer w.g. Montagne

lid van de enkelvoudige kamer griffier


Uitgesproken in het openbaar op 18 maart 2015


374-619.