Rechtbank Gelderland, 05-06-2019 / 6840790 \ CV EXPL 18-3874


ECLI:NL:RBGEL:2019:2442

Inhoudsindicatie
Werkgeversaansprakelijkheid ex art 7:658 BW. Schouderklachten meubelstoffeerder. Multicausaliteit. Verband gezondheidsklachten en arbeidsomstandigheden te onbepaald. Beroep op arbeidsrechtelijke omkeringsregel en proportionele aansprakelijkheid afgewezen.
Instantie
Rechtbank Gelderland
Uitspraakdatum
2019-06-05
Publicatiedatum
2019-06-17
Zaaknummer
6840790 \ CV EXPL 18-3874
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechtsgebied
Civiel recht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • JHSE 2019/0
  • PS-Updates.nl 2019-0877
  • AR-Updates.nl 2019-0653
Uitspraak

vonnis



RECHTBANK GELDERLAND


Team kanton en handelsrecht


Zittingsplaats Arnhem


zaakgegevens 6840790 \ CV EXPL 18-3874 \ 520 \ 576

uitspraak van


vonnis


in de zaak van


[eisende partij]

wonende te Druten

eisende partij

gemachtigde mr. G.J. Knotter


tegen


1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

CTM Dreumel B.V.

gevestigd te Dreumel


2. de naamloze vennootschap

Vivat Schadeverzekeringen N.V., h.o.d.n. Reaal Schadeverzekeringen

gevestigd te Rotterdam

gedaagde partijen

gemachtigde mr. M. Eijkelenboom



Eisende partij wordt hierna [eisende partij] genoemd. Gedaagde partij sub 1 zal hierna CTM en gedaagde partij sub 2 Vivat worden genoemd.


1De procedure


Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 20 juni 2018

- de brief van 3 oktober 2018 aan de zijde van [eisende partij] met producties

- de faxbrief van 8 oktober 2018 aan de zijde van [eisende partij] met een productie

- de comparitie van partijen van 9 oktober 2018.

2De feiten


2.1.

CTM is een meubelstofferingsbedrijf.


2.2.

[eisende partij], geboren op 18 april 1970, was in de periode 1 juli 2001 tot 31 maart 2015 in dienst van CTM in de functie van meubelstoffeerder, met een arbeidsduur van 37,5 uur per week.


2.3.

Voor het stofferen maakte [eisende partij] onder meer gebruik van een eigen in hoogte verstelbare heftafel waarop hij het te stofferen meubel – uiteindelijk alleen nog eetkamerstoelen – plaatste en van een zogenoemde tacker. Een tacker is een pneumatische nietmachine met een luchtslang verbonden aan een compressor waarmee bekleding van stof of leer aan een te stofferen meubel kan worden geniet.


2.4.

Op 15 juli 2012 heeft [eisende partij] zich ziekgemeld in verband met schouderklachten.


2.5.

Op 8 oktober 2012 heeft CTM bij UWV een deskundigenoordeel aangevraagd met de vraag of de door CTM aangeboden arbeid passend is. In de rapportage arbeidsdeskundige van 28 november 2012 schrijft de arbeidsdeskundige dat de door CTM aangeboden arbeid (het eigen werk) niet passend is, dat er voor [eisende partij] geen andere mogelijkheden bij CTM zijn en dat een re-integratietraject spoor 2 zal worden opgestart.


2.6.

UWV heeft de WIA-aanvraag van [eisende partij] afgewezen. Blijkens het arbeidsdeskundig rapport van 18 juni 2014 is de mate van arbeidsongeschiktheid van [eisende partij] per 2 juli 2014 vastgesteld op 10,47%.


2.7.

CTM heeft tijdens de arbeidsongeschiktheid van [eisende partij] tot en met augustus 2014 het salaris van [eisende partij] doorbetaald.


2.8.

Aan [eisende partij] is een WW-uitkering toegekend en hij verricht uitzendwerk.


2.9.

[eisende partij] heeft het Bureau Beroepsziekten FNV (hierna: BBZ) ingeschakeld om, samengevat, onderzoek te doen naar zijn arbeidsomstandigheden en tevens te onderzoeken of sprake is van een beroepsziekte waarvoor CTM aansprakelijk is. In de rapportage vooronderzoek (datum arbeidsanamnese: 17 november 2015) dat naar aanleiding van dit onderzoek is opgesteld, is in de samenvatting onder meer te lezen dat de werkzaamheden van [eisende partij], stofferen met een tacker, een sterk repeterend karakter hadden waarbij met ongesteunde armen op schouderhoogte werd gewerkt en dat de werkzaamheden langer dan twee uur achtereen en meer dan vier uur per dag werden uitgevoerd. Voorts komt in de samenvatting naar voren dat [eisende partij] schouderklachten ontwikkelde, alsmede dat sprake was van een hoge productienorm en van door de directie gedoogd intimiderend gedrag door een collega. In hoofdstuk 4 van de rapportage vooronderzoek stelt rapporteur [naam 1] van BBZ onder meer dat de aandoening van [eisende partij] volgens het vier-staps-proces in het in de richtlijnen van het Nederlands Centrum voor Beroepsziekten opgenomen Saltsa-rapport wordt gekwalificeerd als waarschijnlijk arbeidsgerelateerd. Verder wordt in hoofdstuk 4 gesteld dat bij het doorlopen van de checklist fysieke belasting van VHP Ergonomie zonder meer sprake is van knelpunten op de aspecten duwen, trekken en knijpen, werkhoudingen, repeterende bewegingen, trillen en schokken, alsmede dat bij toepassing van de door de inspectie SZW gebruikte Hand-Armtaken Risicobeoordelings Methode (hierna: HARM) er een verhoogd risico op klachten aan arm, nek of schouder is voor een deel van de werknemers van CTM. In hoofdstuk 5 van de rapportage vooronderzoek geeft de rapporteur van BBZ gemotiveerd aan dat CTM ten tijde van het dienstverband van [eisende partij] op vijf punten geen adequaat arbeidsomstandighedenbeleid zoals bedoeld in de Arbeidsomstandighedenwet heeft gevoerd.


2.10.

In het rapport van verzekeringsarts [naam verzekeringsarts] van 19 september 2016 (hierna: het rapport [naam verzekeringsarts]) is, voor zover hier van belang, het volgende te lezen.

“(…)

Overwegingen:

Opvallend is dat de beschrijvingen van de werkzaamheden in het rapport van expert [naam 3 (expert)] en de rapportage vooronderzoek aanzienlijk uit elkaar lopen. Dit geldt zowel met betrekking tot de werkhoogte als de frequentie van de werkzaamheden als het gebruik van de tacker (al dan niet met kracht zetten).

Overigens geldt deze discrepantie in de berichtgeving ook met betrekking tot de intimidatie die betrokkene op het werk zou hebben ervaren.

(…)


Advies:

Er is sprake van schouderklachten aan de rechterzijde, in de loop van de tijd geleidelijk progressief, waarvoor uiteindelijk de diagnose frozen shoulder wordt gesteld nadat in eerste instantie is gesproken over impingement, een beknelling van de weefsels in de schouder. Daarbij zijn klachten in eerste instantie niet belastingsafhankelijk. Wordt later, met name door betrokkene zelf, aangegeven dat het werken met de tacker te zwaar is.

De vraag is nu uiteraard, of dit gezien moet worden als een arbeidsgebonden aandoening. Dit betreft een lastige beoordeling, waar ik onderstaand verder op in zal gaan.

Los van het feit, dat de beschrijvingen van de werkzaamheden in de beide rapporten fors uiteenlopen, is het duidelijk dat er sprake is van repeterende werkzaamheden: dit brengt een risico op aandoeningen van de bovenste extremiteiten met zich mee.

Echter, in tegenstelling tot hetgeen in het rapport vooronderzoek wordt vermeld, is er wel degelijk ook sprake van diverse belastende activiteiten buiten het werk. Zo heeft betrokkene als hobby’s muziek maken, gitaarspelen en harmonica spelen, verder houtbewerking en schieten, waarbij hij zowel schiet met een pistool als een geweer: dit zijn alle eveneens schouder belastende activiteiten.

Daarnaast is er sprake van zeer matig gereguleerde diabetes type I, reeds aanwezig vanaf 1989: deze aandoening geeft een verhoogd risico op het ontwikkelen van een zogenaamde limited joint mobility (LJM), een beperkte gewrichtbeweeglijkheid, alsmede op het ontwikkelen van een frozen shoulder. Het risico op LJM neemt toe naarmate de diabetes langer bestaat alsmede deze slechter gereguleerd is (oplopende HbA1c waardes). Dit wordt onder andere veroorzaakt door een verhoging van abnormaal glycogeen in het bindweefsel rond de gewrichten, veranderende structuren van het bindweefsel, schade aan de microbloedvaten en schade aan de zenuwen. Uiteindelijk leiden deze samen tot contracturen door fibrose van/rond het gewricht. Ook een frozen shoulder met verkalkingen in de schouder komt vaker voor bij diabetes.

Bij betrokkene is er inderdaad sprake van een matig gereguleerde diabetes, het feit dat er inmiddels sprake is van retinopathie, schade aan de bloedvaten in het netvlies, getuigt hiervan. Aangezien het een systeemziekte is, zal dit niet de enige plek zijn waar inmiddels schade is ontstaan.

Bovenstaande wordt overigens ook bevestigd door de orthopedisch chirurg, die immers aangeeft dat een frozen shoulder vaak wordt gezien in combinatie met een diabetes. In zijn brief geeft hij aan, dat hij betrokkene hierover heeft ingelicht en heeft aangegeven dat het niet onwaarschijnlijk is dat de klachten ook aan de linkerzijde zullen ontstaan, hetgeen later ook gebeurt, terwijl betrokkene op dat moment het werk reeds lange tijd heeft gestaakt: dit pleit tegen een beroepsgebonden aandoening.

Overigens is er geen sprake van een blanco voorgeschiedenis, op 15-12-2000 bezocht betrokkene de huisarts in verband met klachten van de rechterschouder, op dat moment geduid als een slijmbeurs ontsteking, kennelijk na overbelasting als wordt helaas niet aangegeven waaruit deze overbelasting bestond.

Verder wordt aangegeven dat er sprake is van pestgedrag op het werk waardoor betrokkene psychische klachten zou hebben ontwikkeld. Ik trof inderdaad een brief aan van een psycholoog die betrokkene in behandeling heeft genomen, echter met betrekking tot het vervolg en het bereikte resultaat trof ik geen enkele informatie meer aan.

Overigens blijkt uit de informatie van de verzekeringsarts dat er ten tijde van de WIA geen beperkingen zijn gesteld ten aanzien van psychische belastbaarheid. Overigens is het enigszins opvallend, aangezien betrokkene reeds langdurig bekend is met chronische depressies, met name in het kader van levensvragen, de gevolgen van zijn diabetes en vragen in het kader van zingeving. Daarbij worden diverse factoren besproken, zie de samenvatting van de huisarts informatie, echter pas veel later, een vooral bij de bedrijfsarts, wordt aangegeven dat er een conflict bestaat met een leidinggevende.

Overigens wordt het conflict deels veroorzaakt door de arbeidsongeschiktheid, kennelijk is betrokkene ook aangesproken op het feit dat hij wel gitaar speelde in het weekend maar zich niet in staat achtte te werken. Uiteindelijk heeft er ook een deskundigenoordeel plaatsgevonden met betrekking tot de hervatting in eigen werk, dit werd door het UWV niet passend geacht en heeft geleid tot het opstarten van een tweede spoortraject.

Tot een concrete herplaatsing heeft dit traject overigens niet geleid, mede vanwege het feit dat betrokkene de juiste opleiding mist. Overigens is hij wel werkzaam in een werkervaringsplaats in een jongerensoos waar hij vooral praktisch bezig met jongeren in de muziekruimte en de werkplaats, op vrijdagavond fungeert als barman. Bovenstaand gaf ik reeds aan, dat ik me afvraag of dit wel passend is gezien de gestelde beperkingen.

Samenvattend is sprake van schouderklachten, eerst rechtens, later ook links, bij een slecht gereguleerde diabetes type I. Dat het werk van betrokkene, waarin repeterende handelingen ongetwijfeld zullen voorkomen, geen gelukkige keuze is geweest is aannemelijk, echter gezien de pre-existente schouderklachten, de schouder belastende activiteiten buiten het werk, het feit dat schouderklachten links ontstaan nadat het werk reeds geruime tijd is gestaakt en de conclusies van de orthopedisch chirurg, is het niet aannemelijk dat deze enkel het gevolg zijn van de werkzaamheden: mijns inziens wordt er dan ook niet voldaan aan de criteria betrekking tot een beroepsgebonden aandoening.

Met betrekking tot psychische klachten als gevolg van de werkzaamheden en/of pestgedrag trof ik geen medische informatie aan: alleen in de notities van de bedrijfsarts wordt aangegeven dat betrokkene problemen heeft met een collega, hij dit niet aankan en dit met de bedrijfsleider zou hebben besproken die dit punt erkent. Later blijkt het conflict vooral te focussen op de re-integratie en de activiteiten van betrokkene naast het werk. Wel blijkt betrokkene reeds langdurig bekend met depressieve episodes, waarbij zijn diabetes, zingevingsvragen en perikelen binnen de privésfeer centraal lijken te staan.

(…)”


2.11.

In het rapport van medisch adviseur [naam 4 (medisch adviseur)] van 13 maart 2017 (hierna: het rapport [naam 4 (medisch adviseur)]), dat is opgesteld op verzoek van [eisende partij], is, voor zover hier van belang, het volgende opgenomen.

“(…)

Reactie op rapport van [naam verzekeringsarts]


Ten aanzien van de psychische klachten is er volgens mijn collega een discrepantie in de berichtgeving met betrekking tot de intimidatie die betrokkene op het werk zou hebben ervaren. Behalve notities van de bedrijfsarts wordt geen medische informatie aangetroffen. Er blijkt sprake van pre-existente depressieve episodes. Ten tijde van de WIA beoordeling zijn geen psychische beperkingen gesteld, aldus mijn collega.

De documentatie wijst op meerdere risicofactoren voor het ontstaan van de depressieve klachten. Zowel stressvolle gebeurtenissen in de privé situatie (levensvragen, overlijden vader), als in de werksituatie (intimidatie, geen steun van werkgever), maar ook de diabetes mellitus kunnen in verband worden gebracht met de depressieve klachten. Ten tijde van de WIA beoordeling blijkt inderdaad geen sprake meer van psychische klachten of beperkingen.


Ten aanzien van de fysieke blootstelling ziet mijn collega geen overeenstemming tussen partijen. Wel is volgens mijn collega duidelijk dat er sprake is van repeterende werkzaamheden, hetgeen volgens haar een risico is op aandoeningen van de bovenste extremiteiten. [naam verzekeringsarts] verwijst hierbij naar een rapport van expert [naam 3 (expert)]

d.d. 15-04-2016. Dit rapport is niet in mijn bezit.


Naast de fysieke belasting in het werk zijn er volgens mijn collega aanwijzingen voor belasting in de privé situatie bij hobby’s als gitaarspelen, mondharmonica spelen, schieten, hout draaien en timmeren.

Gitaarspelen is naar mijn idee voor de rechterschouder niet belastend. Betrokkene heeft ook meermalen aangegeven dat hij bij gitaarspelen geen klachten aan de rechterschouder ondervindt.

Daarnaast staat het aantal uren hobbymatige blootstelling van genoemde activiteiten niet in verhouding met de fulltime blootstelling op het werk.


De voorgeschiedenis betreffende schouderproblematiek is volgens mijn collega niet blanco. Op 15-12-2000 bezoekt betrokkene de huisarts met schouderklachten (slijmbeurs ontsteking) rechts, na overbelasting.

De periode tussen 15-12-2000 en het ontstaan van schouderklachten gedurende het dienstverband bij CTM (eind 2008) is 8 jaar. De eenmalige schouderklachten in 2000 kunnen gezien deze lange tussenliggende episode niet in relatie worden gezien met het ontwikkelen van chronische schouderklachten vanaf 2008.


[naam verzekeringsarts] vindt het opvallend dat betrokkene na het staken van het werk (15-07-2012) alsnog klachten ontwikkelt aan de linker schouder. Dit kan volgens haar niet als arbeidsgebonden worden beschouwd.

Betrokkene heeft zich weliswaar ziek gemeld op 15-07-2012, maar hij heeft vervolgens de schouder nog wel belast gedurende de re-integratie in eigen werk. De bedrijfsarts verklaart op 09-03-2014 dat werkgever in deze fase te weinig meedacht, waardoor de werkdruk en fysieke belasting voor betrokkene te hoog was. Aangezien betrokkene de rechterschouder moest ontzien, is hij links meer gaan belasten, als gevolg waarvan volgens de bedrijfsarts ook aan de linker schouder klachten zijn ontstaan.


Volgens mijn collega wordt niet voldaan aan de criteria voor een beroepsgebonden aandoening.

Voor onderzoek naar een mogelijk causaal verband tussen schouderklachten en arbeid kennen we in Nederland een specifieke registratierichtlijn (…)


Stap 4 in de richtlijn betreft het doorlopen van een beslistabel. Het volgen van deze beslistabel leidt tot de conclusie dat de schouderklachten bij betrokkene in overwegende mate arbeidsgerelateerd zijn. Er is dan sprake van een beroepsziekte.”


2.12.

In het medisch advies van verzekeringsarts [naam verzekeringsarts] van 21 februari 2018 (hierna: het medisch advies [naam verzekeringsarts]) is, voor zover hier van belang, het volgende aangegeven.

“(…)

Advies:

Ik ontving een zeer uitgebreid advies van mijn collega waarin hij reageert op mijn eerste advies, gedateerd 19-09-16. Tevens sluit hij de registratierichtlijn werkgerelateerde aandoeningen aan het bewegingsapparaat in de bovenste extremiteit bij geeft een samenvatting van de ontvangen stukken.

Conclusie van mijn collega is dat er sprake is van diabetes als risicofactor, dit echter geen primaire oorzaak is van dergelijke klachten, en de hobbymatige activiteiten niet voldoen aan de blootstellingscriteria om aangemerkt kunnen worden als primaire oorzaak voor de schouderklachten Zijn conclusie is dan ook, na het doorlopen van de beslistabel, dat de schouderklachten bij betrokkene in overwegende mate arbeidsgerelateerd zijn ergo er sprake is van een beroepsziekte.

Uiteraard ben ik bekend met de richtlijnen en in dit kader wil ik allereerst opmerken dat er nog een discussie bestaat met betrekking tot de blootstelling: zoals ik reeds aangaf bestaat er een forse discrepantie tussen de diverse omschrijvingen waardoor het onvoldoende duidelijk is of hier sprake is van een blootstelling aan fysieke risicofactoren die voldoet aan de blootstelling criteria. Zolang hierover geen duidelijkheid is, is het invullen van deze beslistabel puur speculatief.

Daarnaast heeft mijn collega aangegeven dat er geen sprake is van symptomen die buiten het werk negen: zoals ik reeds eerder aangaf is dit niet correct. Schouderklachten bij gitaarspelers, met name aan de dominante zijde, zijn bekend en in de literatuur bij professionele spelers ook beschreven. Sterker nog, hiervoor zijn zelfs hulpmiddelen bedacht om de belasting terug te brengen. Ook de diabetes mag worden gezien als een complicerende factor die geen relatie heeft met het werk en indien deze lijn wordt gevolgd, dan is er sprake van een situatie “geel”: in dat geval hoeft er geen melding te worden gemaakt naar het NCvB van een beroepsgebonden aandoening.

Samenvattend geeft het uitgebreide advies van mijn collega mij geen reden om mijn eerdere advies bij te stellen, met name omdat de beoordeling van de blootstelling binnen het werk vooral berust op aannames die worden gedaan bij de beschrijving van de werkzaamheden, maar het verre van duidelijk is wat de werkelijke blootstelling is geweest tijdens de werkzaamheden die betrokkene heeft verricht. Hierover dient uiteraard eerst duidelijkheid te komen alvorens de scorelijst überhaupt kan worden ingevuld.

Overigens dienen dan ook de niet werkgerelateerde factoren te worden meegewogen hetgeen nu in het geheel niet gebeurd lijkt te zijn.

(…)”

3De vordering en het verweer


3.1.

[eisende partij] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, de hoofdelijke veroordeling van CTM en Vivat tot:

vergoeding van de materiële en immateriële schade van [eisende partij], op te maken bij staat en te vereffenen naar de wet;

betaling van een voorschot op deze schade ter grootte van € 20.000,-, althans een in goede justitie te bepalen bedrag;

vergoeding van de buitengerechtelijke kosten ten bedrage van € 11.396,-, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 20 december 2016, dan wel vanaf de datum van de dagvaarding;

betaling van de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het vonnis.


3.2.

[eisende partij] legt aan zijn vordering het volgende ten grondslag. [eisende partij] heeft ten behoeve van CTM dagelijks zes tot zeven uur, telkens ten minste twee uur aaneengesloten, met een tacker van circa 1 kg bekleding van stof of leer aan meubels vastgeniet. Het betrof sterk repeterende handelingen van circa twintig keer per minuut waarbij ook boven schouderhoogte moest worden gewerkt. Daarnaast heeft [eisende partij] gedurende een halve tot een hele dag per week werkzaamheden verricht waarbij hij een tacker van circa 2 kg gebruikte. Het voortdurend gebruik van een tacker was bij het overhalen van de trekker door de terugslag ervan en door het repeterende karakter van de handelingen met de tacker dusdanig schouder belastend dat [eisende partij] blijvend rechterschouderklachten en nekklachten heeft ontwikkeld. Daarnaast had [eisende partij] vanaf 2009 een moeizame werkrelatie met zijn leidinggevende en collega’s. Hij heeft op het werk pestgedrag ervaren waardoor hij psychische klachten heeft ontwikkeld. Verzoeken om aanpassing van het werk, nadat de klachten verergerden, zijn, ook na interventie van de bedrijfsarts, door CTM genegeerd. [eisende partij] heeft door zijn werk bij CTM en de gebrekkige arbeidsomstandigheden een beroepsziekte ontwikkeld. CTM heeft haar zorgplicht jegens [eisende partij] geschonden door onvoldoende maatregelen te treffen om [eisende partij] tegen overbelasting tijdens het werk te beschermen. [eisende partij] houdt CTM op grond van artikel 7:658 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) aansprakelijk voor zijn schade. [eisende partij] beroept zich ten aanzien van de bewijslastverdeling op de in de rechtspraak ontwikkelde arbeidsrechtelijke omkeringsregel.

Vivat is de aansprakelijkheidsverzekeraar van CTM. Op grond van artikel 7:954 lid 6 BW heeft [eisende partij] Vivat in deze procedure betrokken.


3.3.

CTM en Vivat betwisten de vordering. Zij voeren primair aan dat [eisende partij] geen schade heeft geleden in de uitoefening van zijn werkzaamheden. Zij stellen dat in geval van schouder- en nekklachten veelal meerdere oorzaken zijn aan te wijzen. Het is aan [eisende partij] om te bewijzen dat er sprake is van klachten die het gevolg (kunnen) zijn van overbelasting en dat de belasting in het kader van de werkzaamheden bij CTM is terug te voeren op een concrete normschending en zodanig was dat deze de bewuste klachten kunnen hebben veroorzaakt. Er is volgens CTM en Vivat geen sprake van een beroepsziekte. De overgelegde stukken bevatten de nodige tegenstrijdigheden en onduidelijkheden. Uit de overgelegde stukken kan niet worden geconcludeerd dat er een relatie is tussen de schouder- en nekklachten van [eisende partij] en zijn werkzaamheden bij CTM. Ten aanzien van de stelplicht en bewijslast wijzen CTM en Vivat erop dat de omkeringsregel inhoudt dat de werknemer alleen wordt tegemoet gekomen indien sprake is van arbeidsgerelateerde klachten die specifiek zijn terug te voeren op een zorgplichtschending van de werkgever. Daarvan is in deze zaak geen sprake. Het is aan [eisende partij] om te bewijzen dat de gestelde schade is geleden in de uitoefening van de werkzaamheden ten behoeve van CTM. Vervolgens wordt pas toegekomen aan de zorgplicht. Subsidiair stellen CTM en Vivat dat de zorgplicht niet is geschonden.


4De beoordeling


4.1.

Tussen partijen is terecht niet in geschil dat de kantonrechter in de rechtbank Gelderland, locatie Arnhem, bevoegd is van het op artikel 7:658 BW gegronde geschil tussen [eisende partij] en CTM kennis te nemen. De vordering van [eisende partij] jegens Vivat is gebaseerd op artikel 7:954 BW. Deze vordering is ter beoordeling voorbehouden aan de rechtbank, kamer voor handelszaken en partijen hebben in deze niet het recht om te kiezen voor een bepaalde rechter. Het komt de kantonrechter in dit geval echter uiterst inefficiënt en onpraktisch voor indien de beslissing niet door dezelfde rechter wordt genomen, waarbij komt dat materieel de discussie over (nagenoeg) dezelfde feiten en eenzelfde wettelijk kader gaat. Ook is de mogelijkheid van verschillende gerechtelijke uitspraken niet wenselijk. De kantonrechter ziet daarom af van de ambtshalve verwijzing naar de rechtbank, kamer voor handelszaken. Daarmee wordt voorkomen dat de zaken bij verschillende rechters komen. Uit de standpunten van partijen volgt ook dat zij geen bezwaren hebben tegen afdoening door de kantonrechter of daar zelfs de voorkeur aan geven en dat zij door de afdoening door de kantonrechter van de vordering ex artikel 7:954 BW niet in hun belangen worden geschaad.


4.2.

Partijen zijn verdeeld over de vraag of de arbeidsrechtelijke omkeringsregel van toepassing is. Deze regel houdt het volgende in. Wanneer een werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden is blootgesteld aan voor de gezondheid gevaarlijke omstandigheden en schade aan zijn gezondheid heeft opgelopen, moet het door de werknemer te bewijzen oorzakelijk verband tussen de werkzaamheden en die schade in beginsel worden aangenomen indien de werkgever heeft nagelaten de maatregelen te treffen die redelijkerwijs nodig zijn om te voorkomen dat de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden dergelijke schade lijdt. Voor de toepassing van deze regel is nodig dat de werknemer niet alleen stelt en zo nodig bewijst dat hij zijn werkzaamheden heeft moeten verrichten onder omstandigheden die schadelijk kunnen zijn voor zijn gezondheid, maar ook dat hij stelt en zo nodig aannemelijk maakt dat hij lijdt aan gezondheidsklachten die daardoor kunnen zijn veroorzaakt (o.m. HR 9 januari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BF8875, Landskroon/BAM). De Hoge Raad heeft in het arrest van 7 juni 2013 (ECLI:NL:HR:2013:BZ1717, SVB/Van de Wege) in aanvulling hierop bepaald dat deze regel het vermoeden uitdrukt dat gezondheidsschade van de werknemer is veroorzaakt door de omstandigheden waarin deze zijn werkzaamheden verricht. Dat vermoeden wordt gerechtvaardigd door hetgeen in het algemeen bekend is omtrent de ziekte en haar oorzaken, alsook door de schending door de werkgever van de veiligheidsnorm die beoogt een en ander te voorkomen. Gelet daarop is voor dat vermoeden geen plaats in het geval het verband tussen de gezondheidsschade en de arbeidsomstandigheden te onzeker of te onbepaald is.


4.3.

Gezien het voorgaande zal de kantonrechter hierna eerst ingaan op de arbeidsomstandigheden en de gezondheidsschade om vervolgens de vraag te beantwoorden of de arbeidsrechtelijke omkeringsregel in deze zaak van toepassing is.


4.4.

[eisende partij] stelt dat hij dagelijks gedurende zes tot zeven uur meubels stoffeerde met behulp van een tacker, telkens ten minste twee uur aaneengesloten. [eisende partij] gebruikte de tacker rechtshandig. Het ging volgens hem om eenzijdig werk met sterk repeterende handelingen van circa twintig keer per minuut, waarbij hij regelmatig boven schouderhoogte werkte. Voorts stelt [eisende partij] dat hij bij het overhalen van de trekker van de tacker steeds met een terugslag op zijn rechterschouder had te maken.


4.5.

CTM en Vivat betwisten dat [eisende partij] telkens ten minste twee uur aaneengesloten werkte, dat hij de tacker continue gebruikte en dat hij boven schouderhoogte werkte. Zij voeren aan dat [eisende partij] de werkzaamheden bij CTM iedere werkdag verrichtte tussen 7:30 en 16:00 uur, met vaste pauzes in de ochtend en middag van vijftien minuten per keer en een half uur lunchpauze. Daarnaast mocht [eisende partij], aldus CTM en Vivat, gedurende de dag korte pauzes nemen en was hij tussendoor regelmatig van de werkplek weg voor het ophalen van materialen of voor een sanitaire stop. Volgens CTM en Vivat had [eisende partij] voldoende afwisseling in zijn werk en was bij het gebruik van de tacker slechts sprake van lichte druk. Zij betogen verder dat [eisende partij] voor zijn werk een eigen met behulp van luchtdruk en voetpedalen in hoogte verstelbare heftafel gebruikte waarop de te stofferen meubels werden geplaatst. De laagste stand van de heftafel bevond zich volgens CTM en Vivat op een hoogte van 35 cm boven de grond en de maximale werkhoogte als een te stofferen meubel door [eisende partij] in een rechtopstaande positie op de heftafel werd gezet bedroeg 125 cm.


4.6.

De kantonrechter stelt vast dat partijen het oneens zijn over de arbeidsomstandigheden van [eisende partij]. Dit geldt in het bijzonder voor de intensiteit en frequentie van de werkzaamheden, de terugslag van de tacker op de schouder van [eisende partij] en de werkhoogte. CTM en Vivat hebben de stellingen van [eisende partij] over de arbeidsomstandigheden bij CTM gemotiveerd betwist. De in deze procedure overgelegde stukken geven geen eenduidig beeld van de arbeidsomstandigheden bij CTM. Van [eisende partij] had dan ook een nadere onderbouwing mogen worden verwacht van de door hem gestelde arbeidsomstandigheden bij CTM met betrekking tot de intensiteit en frequentie van de werkzaamheden, de terugslag van de tacker op de schouder van [eisende partij] en de werkhoogte. Nu deze nadere onderbouwing ontbreekt, kunnen de stellingen van [eisende partij] over de arbeidsomstandigheden bij CTM zoals weergegeven onder 4.4 hier niet als vaststaand worden aangenomen.


4.7.

[eisende partij] heeft voor wat betreft zijn verwijt dat ziet op het pestgedrag op de werkvloer niet uitgelegd wat het verband is tussen dat pestgedrag en zijn gezondheidsklachten aan zijn rechterschouder en nek. Niet gesteld of gebleken is dat zijn schouder- en nekklachten door het gestelde pestgedrag zijn ontstaan of daarmee verband houden. De kantonrechter acht het verwijt over het pestgedrag (indien dat vast zou komen te staan gelet op de betwisting daarvan door CTM en Vivat) om die reden niet relevant en gaat daaraan voorbij.


4.8.

Volgens [eisende partij] bestaat zijn gezondheidsschade uit blijvend letsel aan zijn rechterschouder waardoor hij deze schouder niet of zeer beperkt kan belasten. Dat [eisende partij] klachten heeft aan zijn rechterschouder, staat niet ter discussie. Wel staat ter discussie sinds wanneer [eisende partij] deze klachten heeft en ook of deze verband kunnen houden met de arbeidsomstandigheden bij CTM.


4.9.

[eisende partij] heeft in punt 6 van de dagvaarding gesteld dat de rechterschouderklachten met nekklachten begin 2010 manifest zijn geworden. Dit is door CTM en Vivat gemotiveerd betwist. Naar het oordeel van de kantonrechter blijkt uit de overgelegde stukken dat de schouderklachten van [eisende partij] dateren van voor 2010. Uit deze stukken blijkt dat [eisende partij] zich voor het eerst bij de huisarts heeft gemeld met klachten aan de rechterschouder op 15 december 2000 (slijmbeursontsteking na overbelasting) en dat vanaf 2008 opnieuw klachten aan de rechterschouder zijn genoteerd.


4.10.

[eisende partij] heeft ter onderbouwing van zijn stelling dat de schouderklachten kunnen voortkomen uit de arbeidsomstandigheden verwezen naar de rapportage vooronderzoek van BBZ en het rapport [naam 4 (medisch adviseur)]. Vooropgesteld dat de in de rapportages van BBZ en [naam 4 (medisch adviseur)] gestelde arbeidsomstandigheden gemotiveerd zijn weersproken en hier dus niet als vaststaand kunnen worden aangenomen, zodat niet of onvoldoende duidelijk is wat de werkelijke blootstelling is geweest tijdens de werkzaamheden die [eisende partij] voor CTM heeft verricht, blijkt uit de overgelegde stukken dat vanaf 1989 bij [eisende partij] sprake is van diabetes type I. Deze aandoening geeft blijkens de overgelegde stukken – naarmate de diabetes type I langer bestaat en slechter is gereguleerd – een verhoogd risico op het ontwikkelen van een zogenaamde limited joint mobility, een beperkte gewricht beweeglijkheid en een frozen shoulder. Verder volgt uit de stukken dat vanaf 2007 sprake is van een (zeer) matig gereguleerde diabetes type I en dat de orthopedisch chirurg van [eisende partij] bij een controle van [eisende partij] in verband met zijn rechterschouderklachten in 2012 heeft bevestigd dat [eisende partij] door zijn diabetes rechts een frozen shoulder heeft ontwikkeld. In 2014 heeft de internist van [eisende partij] de schouderklachten van [eisende partij] eveneens aan de diabetes gerelateerd.


4.11.

In het licht van het voorgaande is de kantonrechter van oordeel dat het verband tussen de gezondheidsklachten van [eisende partij] met betrekking tot zijn rechterschouder en nek enerzijds en de arbeidsomstandigheden anderzijds te onbepaald en te onzeker is. Bij dit oordeel is ook betrokken dat [eisende partij] zich buiten het werk frequent bezig houdt met een aantal in meer of mindere mate schouder belastende activiteiten, zoals spelen op gitaar en mondharmonica, schieten met pistool en geweer, houtdraaien en timmeren.


4.12.

Het hiervoor overwogene leidt ertoe dat de arbeidsrechtelijke omkeringsregel in dit geval niet van toepassing is en dat op [eisende partij] de volledige bewijslast rust van zijn stelling dat de schouder- en nekklachten in de uitoefening van zijn werkzaamheden zijn ontstaan. Het ligt dus op de weg van [eisende partij] om de oorzakelijke relatie tussen zijn schouder- en nekklachten enerzijds en de uitgeoefende werkzaamheden anderzijds aan te tonen. Pas als hij hierin is geslaagd, komt de vraag aan de orde of CTM de op haar rustende zorgplicht is nagekomen.


4.13.

Onder verwijzing naar hetgeen hiervoor is overwogen oordeelt de kantonrechter dat een oorzakelijke relatie tussen de gezondheidsklachten van [eisende partij] en de arbeidsomstandigheden bij CTM op basis van het huidige dossier niet kan worden vastgesteld. Gelet op de gemotiveerde betwisting door CTM en Vivat en de op [eisende partij] rustende stelplicht heeft [eisende partij] onvoldoende onderbouwd gesteld dat er een causaal verband is tussen zijn gezondheidsklachten aan zijn rechterschouder en nek en zijn werkzaamheden bij CTM. Dat maakt de kantonrechter niet aan verdere bewijslevering door [eisende partij] toekomt.


4.14.

Voor zover de kantonrechter de stellingen van [eisende partij] aldus moet begrijpen dat hij zich subsidiair beroept op proportionele aansprakelijkheid (artikel 6:98 BW), faalt dat beroep. De rechtsregel van de proportionele aansprakelijkheid is bedoeld voor gevallen waarin niet kan worden vastgesteld of de schade is veroorzaakt door een normschending van de aansprakelijk gestelde persoon of van iemand voor wie hij aansprakelijk is, dan wel door een oorzaak die voor risico van de benadeelde zelf komt (of door een combinatie van beide oorzaken), en waarin de kans dat de schade door de normschending is veroorzaakt niet zeer klein noch zeer groot is. Deze rechtsregel dient – gezien het daaraan verbonden bezwaar dat iemand mogelijk aansprakelijk wordt gehouden voor een schade die hij niet, of niet in de door de rechter aangenomen mate, heeft veroorzaakt – met terughoudendheid te worden toegepast. Bezien in dit licht brengen de vorige rechtsoverwegingen mee dat toepassing van de rechtsregel van de proportionele aansprakelijkheid niet aan de orde is.


4.15.

De slotsom is dat de vordering van [eisende partij] moet worden afgewezen.


4.16.

[eisende partij] wordt in het ongelijk gesteld en hij moet daarom de proceskosten dragen.


4.17.

De gevorderde nakosten zullen worden begroot op een bedrag van € 120,00 zijnde een half salarispunt van het toe te wijzen salaris van de gemachtigde met een maximum van € 120,00, te vermeerderen, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met de explootkosten van betekening van het vonnis.


5De beslissing


De kantonrechter


5.1.

wijst de vordering af;


5.2.

veroordeelt [eisende partij] in de proceskosten, tot deze uitspraak aan de kant van CTM en Vivat begroot op € 960,00 aan salaris voor de gemachtigde en € 120,00 aan kosten die na dit vonnis zullen ontstaan, te vermeerderen, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met de explootkosten van betekening van het vonnis;


5.3.

verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.


Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter mr. E. Horsthuis en in het openbaar uitgesproken op