Rechtbank Overijssel, 21-03-2019 / C/08/229734 / KG ZA 19-63


ECLI:NL:RBOVE:2019:966

Inhoudsindicatie
De kortgedingrechter oordeelt dat er geen publicatieverbod komt voor het boek #jehebtaltijdeenkeuze#
Instantie
Rechtbank Overijssel
Uitspraakdatum
2019-03-21
Publicatiedatum
2019-03-22
Zaaknummer
C/08/229734 / KG ZA 19-63
Procedure
Kort geding
Rechtsgebied
Civiel recht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • PS-Updates.nl 2019-0534
  • JBP 2019/65
Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht


Zittingsplaats Almelo


zaaknummer / rolnummer: C/08/229734 / KG ZA 19-63 (pm)


Vonnis in kort geding van 21 maart 2019


in de zaak van


[eiser] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

eiser,

advocaat mr. A.J.W. Bovenmars-Wilmink te Enschede,


tegen


1 [gedaagde 1] ,

wonende te [woonplaats 2] ,

2. [gedaagde 2],

handelend onder de naam DROOMVALLEI UITGEVERIJ,

wonende en zaakdoende te [woonplaats 3] ,

gedaagden,

advocaat mr. L.C. van der Veer te Meppel.


Partijen zullen hierna [eiser] , [gedaagde 1] en [gedaagde 2] genoemd worden.



1De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • - de dagvaarding, betekend op 8 maart 2019, met daarbij 5 producties,
  • - de brieven van [eiser] van 12 maart 2019 met daarbij gevoegd de producties 6 tot en met 17,
  • - de brief van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] van 12 maart 2019 met daarbij 4 producties,
  • - de mondelinge behandeling gehouden op 13 maart 2019, waarbij beide partijen zijn

verschenen, bijgestaan door hun advocaten,

  • - de pleitnota van [eiser] ,
  • - de pleitnota van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] .

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.



2De feiten

2.1.

[eiser] en [gedaagde 1] zijn van 2000 tot 2010 getrouwd geweest. [eiser] heeft drie kinderen uit een eerder huwelijk, die momenteel 24, 23 en 19 jaar oud zijn. [gedaagde 1] heeft ook drie kinderen uit een eerder huwelijk.

2.2.

[gedaagde 1] heeft een boek geschreven met de titel #jehebtaltijdeenkeuze# (hierna: het boek). Het boek wordt uitgegeven door [gedaagde 2] .


2.3.

Op de voor- en achterkant van het boek staat een foto van [gedaagde 1] waarop de helft van haar gezicht zichtbaar is.


2.4.

De tekst op de achterkant van het boek luidt:

“ [gedaagde 1] was als lief en zorgzaam meisje altijd op zoek naar bevestiging van haar bestaan omdat ze het gevoel had dat ze er niet bij hoorde.

Na 17 jaar huwelijk wordt ze verliefd op de liefde van haar leven en is haar zoektocht naar zichzelf voorbij…..of toch niet? Haar mooie droom verandert in een nachtmerrie.

In #jehebtaltijdeenkeuze# beschrijft [gedaagde 1] hoe het kwam dat ze zo lang in deze verstikkende relatie bleef hangen. Ze spaart zichzelf niet om meer inzicht te geven in geweld achter de voordeur en om meer begrip te creëren voor andere mensen die dit is overkomen.

Maar vooral om te laten zien dat we altijd een keuze hebben.”


2.5.

In diverse media en op de eigen website van [gedaagde 1] ( [naam website] ) is aandacht besteed aan de lancering van het boek. Op haar website heeft [gedaagde 1] passages uit het boek gepubliceerd, die kort gezegd verwijzingen bevatten naar haar huwelijk met [eiser] , waarin zij psychisch en lichamelijk zou zijn mishandeld door [eiser] , die een narcist zou zijn.


2.6.

[gedaagde 1] geeft als ervaringsdeskundige lezingen en trainingen over huiselijk geweld aan universiteiten, hogescholen en hulpverlenende instanties, zoals de politie en de kinderbescherming. Ook is [gedaagde 1] in diverse televisieprogramma’s verschenen, waarin zij heeft gesproken over huiselijk geweld.


2.7.

[eiser] wordt in het boek aangeduid als Sem.



3Het geschil


3.1.

[eiser] vordert, zakelijk weergegeven, om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

I. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] te veroordelen om binnen 48 uren na betekening van dit vonnis het drukken, vermenigvuldigen en op welke wijze dan ook verspreiden van het boek per direct te staken en gestaakt te houden, alsook (een deel van) de inhoud van het boek op andere wijze kenbaar te maken, onder meer door alle verkooppunten van het boek te verzoeken de verkoop van het boek per direct te staken, zulks onder toezending van een afschrift van dit vonnis en onder toezending van een kopie van deze brief aan de advocaat van [eiser] , een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom;

II. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] te veroordelen om binnen 48 uren na betekening van dit vonnis een voor rekening van [gedaagde 1] en/of [gedaagde 2] door een registeraccountant gecontroleerde en akkoord bevonden opgave te doen toekomen van het totaal aantal exemplaren dat is vervaardigd van het boek, een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom;

III. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] te veroordelen om binnen 48 uren na betekening van dit vonnis de aanwezige (handels)voorraden van het boek terug te halen en om die voorraden en de bij hen zelf aanwezige voorraden van het boek voor eigen rekening te vernietigen of te doen vernietigen, zulks onder, voor rekening van [gedaagde 1] en/of [gedaagde 2] , door een registeraccountant gecontroleerde en akkoord bevonden schriftelijke opgave van de vernietigde aantallen, een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom;

IV. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] te veroordelen om binnen 48 uren na betekening van dit vonnis de reeds uitgeleverde exemplaren van het boek terug te halen en om deze exemplaren voor eigen rekening te vernietigen of te doen vernietigen, zulks onder, voor rekening van [gedaagde 1] en/of [gedaagde 2] , door een registeraccountant gecontroleerde en akkoord bevonden schriftelijke opgave van de vernietigde aantallen, een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom;

V. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] te veroordelen om binnen 48 uren na betekening van dit vonnis promotie van het boek, op welke wijze dan ook en via welk medium dan ook, waaronder, doch niet beperkt tot Facebook en de websites [naam website] en www.droomvalleiuitgeverij.nl, te staken en gestaakt te houden en per direct te verwijderen en verwijderd te houden van internet, een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom;

VI. [gedaagde 1] te veroordelen om binnen 48 uren na betekening van dit vonnis centraal op haar Facebookpagina en op de website [naam website] zonder verdere toevoegingen, in een zowel qua formaat als stijl als contrast goed leesbaar lettertype, de volgende tekst op te nemen en deze tekst op voornoemde wijze daar gepubliceerd te houden gedurende een periode van ten minste drie maanden:

“In maart 2019 heb ik een boek op de markt gebracht/heb ik aangekondigd een boek op de markt te zullen brengen genaamd ‘#jehebtaltijdeenkeuze#’. Hoewel dit boek onder de noemer van een waargebeurd verhaal is uitgebracht, berust de inhoud van het boek niet op waarheid. In het boek staan een veelheid van onwaarheden. Met het personage Sem wordt mijn ex-echtgenoot beschreven en wordt deze beschuldigd van veel misdragingen, zoals geweld en bedreigingen. Een groot deel en de meest ernstige van deze beschuldigingen vinden onvoldoende steun in het ter beschikking staande feitenmateriaal zodat de publicatie van het boek onrechtmatig is jegens mijn ex-echtgenoot. Voor zover u het boek al in uw bezit hebt, verzoek ik u het boek daarom retour te zenden. Voor zover van toepassing ontvangt u van mij het aankoopbedrag terug. Dat geldt ook wanneer u het boek hebt besteld en betaald. De bestelling wordt dan geannuleerd.”, een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom;

VII. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk te veroordelen om binnen 48 uur na betekening van dit vonnis aan [eiser] te voldoen een bedrag van € 10.000,- bij wege van voorschot op de door [eiser] als gevolg van het onrechtmatig handelen zijdens [gedaagde 1] en [gedaagde 2] geleden en nog te lijden schade, althans een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen voorschot,

VIII. [gedaagde 1] te gebieden zich verder te onthouden, op welke wijze dan ook, en via welk medium dan ook, van uitspraken omtrent de persoon van [eiser] , dan wel die indirect tot zijn persoon herleidbaar zijn, die verband houden met huiselijk geweld en/of psychische stoornissen, in de ruimste zin van het woord, een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom;

IX. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk te veroordelen in de kosten van deze procedure en in de nakosten.


3.2.

[eiser] legt, samengevat en zakelijk weergegeven, aan zijn vorderingen ten grondslag dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] door de publicatie en uitgifte van het boek een onrechtmatige daad plegen jegens hem. Daarnaast handelt [gedaagde 1] onrechtmatig jegens [eiser] door de andere publicaties en uitlatingen over [eiser] in andere media dan het boek, of in de door haar gegeven lezingen en trainingen. Het boek is een aantasting van de eer en goede naam van [eiser] en maakt ernstig inbreuk op zijn persoonlijke levenssfeer. Het recht van [eiser] op bescherming van zijn eer en goede naam dient in dit geval zwaarder te wegen dan het recht op vrijheid van meningsuiting van [gedaagde 1] . Hoewel in het boek gefingeerde namen worden gebruikt, is het om meerdere redenen aanstonds duidelijk dat het boek gaat over [eiser] , zijn huwelijk met [gedaagde 1] en zijn kinderen en overige familie, kennelijk met het doel om daaraan ruchtbaarheid te geven en [eiser] in een kwaad daglicht te stellen. Dit geldt temeer nu het boek is uitgegeven onder [gedaagde 1] haar eigen naam en op de voor- en achterkant van het boek een foto van [gedaagde 1] staat. Het boek wordt gepresenteerd als waargebeurd verhaal, maar staat vol aantijgingen, beschuldigingen van geweld en andere onjuistheden, waaronder dat [eiser] zou lijden aan een psychische-/persoonlijkheidsstoornis (narcisme). Die beschuldigingen zijn in strijd met de waarheid en ongefundeerd. [eiser] heeft zich nooit schuldig gemaakt aan het plegen van huiselijk geweld en is nooit strafrechtelijk veroordeeld of gediagnostiseerd met een psychische- of persoonlijkheidsstoornis. Daar komt bij dat in het boek en in andere publicaties privacygevoelige informatie wordt gegeven, waaronder de problemen in het huwelijk van [eiser] en [gedaagde 1] en de problematiek rondom de kinderen van [eiser] , zonder dat hoor en wederhoor heeft plaatsgevonden. [gedaagde 1] heeft geen enkel te respecteren belang bij de gewraakte publicaties. Er is niet gebleken van enige noodzaak tot het publiceren van het boek en voor zover de publicatie wel enig doel zou dienen (ernstige maatschappelijke misstanden aan de kaak stellen), dan had dit op een andere wijze gekund, zonder het boek te presenteren als een waargebeurd verhaal en zonder dat het boek te herleiden is naar [eiser] . [gedaagde 2] heeft bij het in omloop brengen van het boek niet de nodige zorgvuldigheid betracht, aldus steeds [eiser] .


3.3.

[gedaagde 1] en [gedaagde 2] voeren gemotiveerd verweer, strekkende tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met veroordeling van [eiser] in de proceskosten.


3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.



4De beoordeling

4.1.

De vraag of een voorlopige voorziening in kort geding toewijsbaar is, hangt af van de voorlopige beoordeling van de merites van de zaak. Voor een uitgebreid onderzoek naar de feiten, bijvoorbeeld door het horen van getuigen, is in een geding als het onderhavige geen plaats. Toewijzing van een gevraagde voorziening kan slechts aan de orde komen, indien met voldoende mate van zekerheid kan worden aangenomen dat de betreffende vorderingen ook in een bodemprocedure zullen worden toegewezen.


4.2.

Het gaat in deze zaak om een botsing van twee fundamentele rechten, te weten enerzijds het door artikel 7 Grondwet (Gw) en artikel 10 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) gewaarborgde recht op vrijheid van meningsuiting van [gedaagde 1] en anderzijds het door

artikel 10 Gw en artikel 8 EVRM beschermde recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van [eiser] , waaronder het door hem ingeroepen recht op bescherming van de goede naam/reputatie is begrepen (EHRM 15 november 2007, no. 12556/03, Pfeifer/Oostenrijk, EHRC 2008, 6). Het antwoord op de vraag welk van deze beide rechten in het concrete geval zwaarder weegt, moet worden gevonden door een afweging van alle relevante omstandigheden van het geval. Bij deze afweging geldt niet als uitgangspunt dat steeds voorrang toekomt aan het door artikel 7 Gw en artikel 10 EVRM gewaarborgde recht en voor de door artikel 10 Gw en artikel 8 EVRM beschermde rechten geldt hetzelfde. De toetsing dient in één keer te geschieden waarbij het oordeel dat een van beide rechten, gelet op alle relevante omstandigheden, zwaarder weegt dan het andere recht, meebrengt dat de inbreuk op het andere recht voldoet aan de noodzakelijkheidstoets van het desbetreffende lid 2 (zie HR 5 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW9230).


4.3.

[gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben in de eerste plaats als verweer aangevoerd dat [eiser] een publicatieverbod vraagt van een boek dat nog niet gepubliceerd is en waarvan hij de inhoud dus nog niet kent. Onder verwijzing naar het Mosley-arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) betogen zij dat toetsing op eventuele onrechtmatigheid van publicatie pas plaats dient te vinden, nadat het publiek kennis van het boek heeft kunnen nemen. Vermoedens over publicatie en over beschadigende teksten die zouden zijn opgenomen in het boek, leveren volgens [gedaagde 1] en [gedaagde 2] onvoldoende grond op om publicatie tegen te houden, temeer omdat de speculaties van [eiser] over de inhoud van het boek onjuist zouden zijn.


4.4.

Dit verweer zal worden gepasseerd. Hoewel [gedaagde 1] en [gedaagde 2] ter zitting hebben verklaard dat het boek nog niet is uitgegeven, vanwege de onderhavige procedure en omdat er nog een spellingscontrole zou moeten plaatsvinden, hebben zij ook verklaard dat er op 10 maart 2019 een lanceringsfeest heeft plaatsgevonden, waarbij exemplaren van het boek zijn uitgereikt aan familieleden en bekenden. Ter zitting is aan de voorzieningenrechter een exemplaar van het boek ter inzage overhandigd en volgens de onweersproken gebleven stelling van de advocaat van [eiser] kan het boek op internet besteld worden. Daarmee is voldoende aannemelijk geworden dat van publicatie, zij het wellicht nog in beperkte oplage, reeds sprake is. Bovendien komt [eiser] met zijn vorderingen ook op tegen publicaties door [gedaagde 1] en/of [gedaagde 2] over c.q. uit het boek, waarvan niet in geschil is dat die reeds hebben plaatsgevonden in diverse (sociale) media.


4.5.

Ter zitting heeft de voorzieningenrechter het boek niet van a tot z kunnen lezen, maar wel een eerste indruk van het boek kunnen krijgen. Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter dient het boek te worden beschouwd als een autobiografie, geschreven vanuit het perspectief en de ervaringen van [gedaagde 1] , en staat in het boek de persoonlijke ontwikkeling van [gedaagde 1] centraal. Illustratief is wat dat betreft het voorwoord van het boek dat luidt: Dit is mijn verhaal en mijn waarheid. Daartegenover laat ik ook de waarheid van mijn (ex)man zien. Hoe gek het misschien ook klinkt, ik ben hem dankbaar voor de tijd dat ik bij hem ben geweest. Niet omdat ik het graag mee heb willen maken, maar omdat het me uiteindelijk heeft gemaakt tot de vrouw naar wie ik mijn hele leven al op zoek was. Ik ben er sterker door geworden en heb er mijn levensdoel door gevonden. Het heeft me geleerd om tegenslagen te verwerken.” (onderstreping aangebracht door de voorzieningenrechter).


4.6.

Dat het boek deels over [eiser] gaat is onvermijdelijk, omdat [gedaagde 1] tien jaar met [eiser] getrouwd is geweest en hij dus een belangrijke rol in haar leven heeft gespeeld. Het boek gaat ook over de eerste echtgenoot van [gedaagde 1] , die hiervoor toestemming heeft gegeven (productie 1 zijdens [gedaagde 1] en [gedaagde 2] ).


4.7.

Gezien de aard van het boek, mag van [eiser] redelijkerwijs worden verwacht dat hij accepteert dat er een eenzijdig beeld in het boek wordt geschetst. Het boek is uit de eigen belevingen en ervaringen van [gedaagde 1] geschreven. Voor ieder redelijk denkend lezer zal dat ook direct duidelijk zijn, alleen al gelet op de eerste zin van het hiervoor geciteerde voorwoord.


4.8.

[gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben ter zitting aangevoerd dat zij met het boek niet de bedoeling hebben gehad om [eiser] te beschadigen. Het boek gaat volgens hen niet over [eiser] , maar over (het leven van) [gedaagde 1] . Daarom zouden, met uitzondering van de naam van [gedaagde 1] , de namen van de personen die in het boek voorkomen zijn gefingeerd en kenmerkende aspecten, zoals het uiterlijk, de sportcarrière en het type auto van [eiser] , zijn veranderd. Plaatsnamen zouden zijn weggelaten, behalve waar het [woonplaats 2] betreft, waar [gedaagde 1] momenteel woonachtig is.


4.9.

De bijzonderheid die hier speelt, is dat [eiser] het boek nog niet gelezen heeft en de exacte inhoud hiervan dus niet kent. De advocaat van [eiser] heeft ter zitting verklaard het boek te hebben besteld, maar nog niet geleverd te hebben gekregen. De door [eiser] in het geding gebrachte passages uit het boek, die naar zijn stelling ernstige, niet op feiten gebaseerde beschuldigingen aan zijn adres bevatten, zijn naar de stelling van [gedaagde 1] en

[gedaagde 2] uit het boek geschrapt en van het internet verwijderd. Of dat klopt, is in dit kort geding niet vast te stellen, omdat noch [eiser] noch de voorzieningenrechter het boek gelezen heeft. [eiser] heeft dit dan ook slechts in algemene zin weersproken, door te stellen dat het niet aannemelijk zou zijn dat het boek in korte tijd is herschreven. Het schrappen van enkele passages betekent echter niet direct dat het boek volledig is of dient te worden herschreven. Dit leidt er dan ook toe dat niet, althans onvoldoende, aannemelijk is geworden dat er in het boek passages staan die als onrechtmatig jegens [eiser] moeten worden betiteld, temeer niet nu [gedaagde 1] zich in het al eerder genoemde voorwoord van het boek juist genuanceerd uitdrukt over (haar huwelijk met) [eiser] .


4.10.

De voorzieningenrechter volgt [eiser] niet in zijn stelling dat [gedaagde 1] geen belang heeft bij de publicatie van het boek. Vast staat dat [gedaagde 1] al jaren als ervaringsdeskundige trainingen en lezingen geeft over huiselijk geweld en in dat kader ook al veelvuldig in de media is verschenen. Publicatie van het boek is daarop, zo begrijpt de voorzieningenrechter de stelling van [gedaagde 1] , een logisch vervolg en voorziet in dezelfde behoefte als waarin de andere activiteiten van [gedaagde 1] voorzien, namelijk het verwerven van inzicht in situaties van huiselijk geweld.


4.11.

Bij de afweging van de wederzijdse belangen speelt ook een rol dat boeken als de onderhavige doorgaans niet een heel breed publiek aanspreken. Naast familieleden en bekenden zal het boek, naar het zich laat aanzien, met name gekocht worden door personen die zich identificeren met [gedaagde 1] , vanwege de ervaring die zij stelt te hebben gehad met huiselijk geweld. Dat zal een beperkte doelgroep zijn, en omdat [gedaagde 1] al geruime tijd als ervaringsdeskundige optreedt, zal de inhoud van het boek voor hen niet (volledig) nieuw zijn.


4.12.

Verder neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat [eiser] en [gedaagde 1] al tien jaar geleden gescheiden zijn en dat [eiser] geen publiek figuur is. Dat [eiser] door publicatie van het boek in zijn eer of goede naam wordt aangetast, acht de voorzieningenrechter dan ook niet aannemelijk. Al met al dient een belangenafweging naar voorshands oordeel van de voorzieningenrechter in het voordeel van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] uit te vallen.


4.13.

Dat in het boek ook de kinderen en andere familieleden van [eiser] beschreven worden, leidt niet tot een andere afweging. Zij zijn allen meerderjarig en geen eisende partij in dit kort geding. Bovendien heeft één zoon van [eiser] schriftelijk toestemming gegeven voor publicatie van het boek (productie 1 zijdens [gedaagde 1] en [gedaagde 2] ).


4.14.

De stelling van [eiser] , dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] geen hoor en wederhoor zouden hebben toegepast, maakt de afweging van de voorzieningenrechter evenmin anders. Het recht op wederhoor is geen absoluut recht, zodat publicatie van of over het boek niet onrechtmatig is, alleen omdat aan [eiser] niet om een weerwoord is gevraagd.


4.15.

De conclusie luidt dan ook dat de vorderingen van [eiser] dienen te worden afgewezen. Dat deze zaak tot een andere uitkomst leidt dan twee door [eiser] aangehaalde zaken (ECLI:NL:RBROT:2016:1431 en ECLI:NL:RBDHA:2018:5237), die op het eerste oog sterke overeenkomsten lijken te bevatten met deze zaak, heeft drie redenen. In de door [eiser] aangehaalde zaken werden de in de boeken beschreven feiten uitdrukkelijk gepresenteerd als waargebeurde feiten, terwijl [gedaagde 1] haar boek presenteert als haar verhaal en haar waarheid. Verder is in de door [eiser] aangehaalde zaken voldoende aannemelijk gemaakt dat de boeken ernstige beschuldigingen aan het adres van de eisende partij in kwestie bevatten, die geen steun vinden in feitenmateriaal. In deze zaak is dat juist niet aannemelijk geworden, omdat de inhoud van het boek niet bekend is. Ten slotte is in de zaak die bij de rechtbank Den Haag heeft gediend, door de rechtbank overwogen dat in het betreffende boek zeer privacygevoelige zaken over de minderjarige kinderen van partijen werden gedeeld, zonder dat zij hier vooraf in zijn betrokken. De kinderen van [eiser] , en overigens ook de kinderen van [gedaagde 1] , zijn meerderjarig en één van de kinderen van [eiser] heeft toestemming gegeven voor publicatie van het boek. Ook de kinderen van [gedaagde 1] hebben hiervoor toestemming gegeven. Of in het boek zeer privacygevoelige zaken over de kinderen van [eiser] staan, is, zoals reeds is overwogen, in dit kort geding niet vast te stellen.


4.16.

[eiser] zal, als de partij die in het ongelijk wordt gesteld, worden veroordeeld in de kosten van deze procedure, die aan de zijde van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] worden begroot op € 297,-- aan griffierecht en € 980,- aan salaris advocaat.


4.17.

De voorzieningenrechter zal dit vonnis, op de voet van artikel 258 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) voor wat betreft de proceskostenveroordeling ambtshalve uitvoerbaar bij voorraad verklaren.



5De beslissing

De voorzieningenrechter


5.1.

wijst de vorderingen van [eiser] af,


5.2.

veroordeelt [eiser] in de kosten van deze procedure, aan de zijde van [gedaagde 1] en

[gedaagde 2] tot op heden begroot op € 1.277,--,


5.3.

verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.


Dit vonnis is gewezen te Almelo door mr. G.G. Vermeulen en in het openbaar uitgesproken op 21 maart 2019.