Centrale Raad van Beroep, 31-05-2011 / 09-5556 WWB


ECLI:NL:CRVB:2011:BQ7744

Inhoudsindicatie
Afwijzing aanvraag om bijzondere bijstand voor de kosten van een uitvaart. Op de grond dat betrokkene door haar vader was onterfd en de kosten voor haar niet als noodzakelijke kosten in de zin van artikel 35 van de Wet werk en bijstand (WWB) kunnen worden aangemerkt. Bij besluit van 10 april 2008 heeft appellant, vooruitlopend op de behandeling van het bezwaar, een nader besluit genomen waarbij betrokkene alsnog bijzondere bijstand voor de kosten van de uitvaart van haar vader is toegekend tot een bedrag van € 149,93. Tussen partijen is op zichzelf niet in geschil dat de kosten van uitvaart van de vader van betrokkene als noodzakelijke en uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende kosten in de zin van artikel 35, eerste lid, van de WWB moeten worden aangemerkt. Partijen verschillen echter van opvatting over de omvang van de in aanmerking te nemen kosten. Betrokkene meent dat moet worden uitgegaan van het bedrag dat staat vermeld op de nota van de uitvaartondernemer, te weten € 6.669,15. Appellant stelt zich op het standpunt dat de kosten - in overeenstemming met zijn beleidsregels - gemaximeerd op € 3.300,-- moeten worden gesteld. De Raad stelt voorop dat een bestuursorgaan niet de bevoegdheid kan worden ontzegd om, ter bepaling van de omvang van de noodzakelijke kosten respectievelijk de vergoedingen in het kader van de bijzondere bijstandsverlening, forfaitaire bedragen of richtprijzen zodanig vast te stellen dat de betrokkene daarmee in staat moet worden geacht de goedkoopste adequate voorziening te treffen. Dit laat onverlet dat het betrokkene vrijstaat aannemelijk te maken dat deze vergoeding in haar geval niet toereikend is voor de te maken noodzakelijke extra kosten. Dat daarvan in dit geval sprake was, is gesteld noch gebleken. Aangevoerd is slechts dat betrokkene ten tijde van het overlijden van haar vader - naar later is gebleken ten onrechte - ervan is uitgegaan dat haar vader verzekerd was voor de kosten van de uitvaart. Deze stelling werpt echter geen ander licht op de zaak, aangezien deze aanname voor haar rekening en risico dient te blijven. Die aanname kan er in ieder geval niet toe leiden dat de kosten voor zover deze het door appellant gehanteerde normbedrag, dat de Raad gelet op de aard en doelstelling van de WWB niet onredelijk voorkomt, overschrijden op de bijzondere bijstand kunnen worden afgewenteld. Een en ander leidt ertoe dat appellant wat betreft de in aanmerking te nemen noodzakelijke kosten terecht van een bedrag van € 3.300,-- is uitgegaan. Daarop strekt vervolgens in mindering de nalatenschap van de vader van betrokkene, zijnde € 3.000,15, zodat als in aanmerking te nemen restkosten een bedrag van € 299,85 resteert. Het aandeel in deze kosten van betrokkene kan derhalve worden becijferd op € 149,93. Dit betekent dat betrokkene, nu appellant verder geen drempelbedrag als bedoeld in artikel 35, tweede lid, van de WWB in aanmerking heeft genomen, door de toekenning van bijzondere bijstand in de kosten van de uitvaart van haar vader niet tekort is gedaan. Uit het voorgaande vloeit voort dat het hoger beroep slaagt. De Raad zal de aangevallen uitspraak vernietigen en het beroep tegen het besluit van 26 november 2008 ongegrond verklaren.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2011-05-31
Publicatiedatum
2011-06-16
Zaaknummer
09-5556 WWB
Procedure
Hoger beroep



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • JWWB 2011/166
Uitspraak

09/5556 WWB


Centrale Raad van Beroep


Meervoudige kamer


U I T S P R A A K


op het hoger beroep van:


het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Terneuzen (hierna: appellant),


tegen de uitspraak van de rechtbank Middelburg van 27 augustus 2009, 08/1205 (hierna: aangevallen uitspraak),


in het geding tussen:


[Betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene)


en


appellant


Datum uitspraak: 31 mei 2011


I. PROCESVERLOOP


Appellant heeft hoger beroep ingesteld.


Namens betrokkene heeft mr. H.A.C. Klein Hesselink, advocaat te Terneuzen, een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 april 2011. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.A.A.M. de Kort, werkzaam bij de gemeente Terneuzen. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. Klein Hesselink.


II. OVERWEGINGEN


1. Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten, omstandigheden en toepasselijke wet- en regelgeving verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.


1.1. Op 12 oktober 2007 heeft betrokkene een aanvraag om bijzondere bijstand voor de kosten van de uitvaart van haar in februari 2007 overleden vader ingediend. De kosten bedroegen blijkens een nota van Monuta Uitvaartzorg en -verzekeringen € 6.669,15. Een deel van deze kosten is voldaan uit de nalatenschap van de overledene. Het restant van de kosten, te weten € 3.742,38, is bij betrokkene in rekening gebracht. Deze vordering is later in handen gesteld van een incassobureau. Dit bureau heeft betrokkene bij brief van 4 oktober 2007 verzocht de hoofdsom vermeerderd met rente en buitengerechtelijke incassokosten binnen drie dagen te voldoen. Bij brief van 9 oktober 2007 heeft het incassobureau de incassering van de vordering voorlopig opgeschort.


1.2. Bij besluit van 21 november 2007 heeft het College de aanvraag om bijzondere bijstand afgewezen op de grond dat betrokkene door haar vader was onterfd en de kosten voor haar niet als noodzakelijke kosten in de zin van artikel 35 van de Wet werk en bijstand (WWB) kunnen worden aangemerkt. Tegen dat besluit heeft betrokkene bezwaar gemaakt. Bij besluit van 10 april 2008 heeft appellant, vooruitlopend op de behandeling van het bezwaar, een nader besluit genomen waarbij betrokkene alsnog bijzondere bijstand voor de kosten van de uitvaart van haar vader is toegekend tot een bedrag van

€ 149,93. Daarbij is overwogen dat volgens de gemeentelijke beleidsregels voor kosten als deze bijzondere bijstand kan worden verleend tot een maximum van € 3.300,--. Aangezien uit de nalatenschap reeds € 3.000,15 is voldaan, resteert nog een bedrag van in aanmerking te nemen kosten van € 299,85. Dit bedrag dient te worden omgeslagen over de bloedverwanten van de overledene (betrokkene en haar zus), waardoor een bedrag ten laste van betrokkene resteert van €149,93.


1.3. Bij besluit van 26 november 2008 heeft het College de bezwaren tegen de besluiten van 21 november 2007 en 10 april 2008, ongegrond verklaard.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 26 november 2008 - met bepalingen inzake griffierecht en proceskosten - gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat het College een nieuw besluit dient te nemen met inachtneming van haar uitspraak. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat appellant in strijd met zijn beleidsregels heeft gehandeld. Nu de uitvaartkosten meer hebben bedragen dan € 3.300,-- had appellant moeten nagaan welk deel van de gemaakte kosten niet valt onder de opsomming van noodzakelijke kosten uit de beleidsregels en deze kostenposten van de nota moeten aftrekken. Volgens de rechtbank komt het resterende bedrag, nadat het bedrag van de nalatenschap daarop in mindering is gebracht, tot een maximum van € 3.300,-- voor toekenning van bijzondere bijstand in aanmerking. Dat geldt niet voor de extra kosten van rente en incasso, nu deze kosten een gevolg zijn van misverstanden tussen betrokkene en de uitvaartondernemer en dus voor rekening en risico van betrokkene moeten blijven.


3. In hoger beroep heeft appellant, samengevat, aangevoerd dat de rechtbank een onjuiste uitleg heeft gegeven aan de regels inzake begrafenis- of crematiekosten als opgenomen in de Bijzondere Bijstandsgids 2007-2008 van de gemeente Terneuzen. Dat deze regels erop neerkomen dat voor uitvaartkosten in beginsel maximaal € 3.300,-- (om niet) aan bijzondere bijstand kan worden verleend, zij het dat daarop eventueel ontvangen verzekeringsgelden en het positieve saldo van de nalatenschap van de overleden bloedverwant in mindering worden gebracht.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1. Tussen partijen is op zichzelf niet in geschil dat de kosten van uitvaart van de vader van betrokkene als noodzakelijke en uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende kosten in de zin van artikel 35, eerste lid, van de WWB moeten worden aangemerkt. Partijen verschillen echter van opvatting over de omvang van de in aanmerking te nemen kosten. Betrokkene meent dat moet worden uitgegaan van het bedrag dat staat vermeld op de nota van de uitvaartondernemer, te weten € 6.669,15. Appellant stelt zich op het standpunt dat de kosten - in overeenstemming met zijn beleidsregels - gemaximeerd op

€ 3.300,-- moeten worden gesteld.


4.2. De Raad stelt voorop dat een bestuursorgaan niet de bevoegdheid kan worden ontzegd om, ter bepaling van de omvang van de noodzakelijke kosten respectievelijk de vergoedingen in het kader van de bijzondere bijstandsverlening, forfaitaire bedragen of richtprijzen zodanig vast te stellen dat de betrokkene daarmee in staat moet worden geacht de goedkoopste adequate voorziening te treffen. Dit laat onverlet dat het betrokkene vrijstaat aannemelijk te maken dat deze vergoeding in haar geval niet toereikend is voor de te maken noodzakelijke extra kosten. Dat daarvan in dit geval sprake was, is gesteld noch gebleken. Aangevoerd is slechts dat betrokkene ten tijde van het overlijden van haar vader - naar later is gebleken ten onrechte - ervan is uitgegaan dat haar vader verzekerd was voor de kosten van de uitvaart. Deze stelling werpt echter geen ander licht op de zaak, aangezien deze aanname voor haar rekening en risico dient te blijven. Die aanname kan er in ieder geval niet toe leiden dat de kosten voor zover deze het door appellant gehanteerde normbedrag, dat de Raad gelet op de aard en doelstelling van de WWB niet onredelijk voorkomt, overschrijden op de bijzondere bijstand kunnen worden afgewenteld.


4.3. Een en ander leidt ertoe dat appellant wat betreft de in aanmerking te nemen noodzakelijke kosten terecht van een bedrag van € 3.300,-- is uitgegaan. Daarop strekt vervolgens in mindering de nalatenschap van de vader van betrokkene, zijnde € 3.000,15, zodat als in aanmerking te nemen restkosten een bedrag van € 299,85 resteert. Het aandeel in deze kosten van betrokkene kan derhalve worden becijferd op € 149,93. Dit betekent dat betrokkene, nu appellant verder geen drempelbedrag als bedoeld in artikel 35, tweede lid, van de WWB in aanmerking heeft genomen, door de toekenning van bijzondere bijstand in de kosten van de uitvaart van haar vader niet tekort is gedaan.


4.4. Uit het voorgaande vloeit voort dat het hoger beroep slaagt. De Raad zal de aangevallen uitspraak vernietigen en het beroep tegen het besluit van 26 november 2008 ongegrond verklaren.


5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.


III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;


Recht doende:


Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door J.F.C. Talman als voorzitter en R.H.M. Roelofs en E.J.M. Heijs als leden, in tegenwoordigheid van R.L.G. Boot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 mei 2011.


(get.) J.C.F. Talman.


(get.) R.L.G. Boot.


HD