Gerechtshof Amsterdam, 04-10-2018 / 17/00581


ECLI:NL:GHAMS:2018:3711

Inhoudsindicatie
Het Hof is van oordeel dat de inspecteur voldoende feiten en omstandigheden aannemelijk heeft gemaakt waaruit volgt dat in 2010 een situatie is ontstaan waarin de Geldlening en de rekening-courantschuld van belanghebbende aan de NV niet zullen worden afgelost. Het een en ander leidt tot het oordeel dat een bedrag van € 12.204.543 het vermogen van de NV in 2010 definitief heeft verlaten.
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Uitspraakdatum
2018-10-04
Publicatiedatum
2018-10-17
Zaaknummer
17/00581
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Belastingrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • Viditax (FutD), 17-10-2018
  • FutD 2018-2764
  • V-N Vandaag 2018/2288
  • NLF 2018/2284 met annotatie van Almer de Beer
  • NTFR 2018/2587 met annotatie van mr. M.M. de Reus
  • V-N 2019/3.1.3
  • Belastingadvies 2019/4.4
Uitspraak GERECHTSHOF AMSTERDAM

Kenmerk 17/00581


4 oktober 2018


uitspraak van de vierde meervoudige belastingkamer


op het hoger beroep van


[X] , te [plaats] , belanghebbende,

gemachtigde: mr. F.A. Piek


tegen de uitspraak in de zaak met kenmerk HAA 16/541 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen


belanghebbende


en


de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.



1Ontstaan en loop van het geding


1.1.

De inspecteur heeft aan belanghebbende over het jaar 2010 een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd (hierna: de Navorderings-aanslag), berekend naar een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 13.000.000.


1.2.

Na daartegen door belanghebbende gemaakt bezwaar, heeft de inspecteur de Navorderingsaanslag bij uitspraak op bezwaar verminderd tot een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 12.204.543.


1.3.

Belanghebbende heeft tegen die uitspraak beroep ingesteld. De rechtbank heeft bij de uitspraak van 20 oktober 2017 als volgt beslist (in deze uitspraak is belanghebbende aangeduid als ‘eiseres’ en de inspecteur als ‘verweerder’):


“De rechtbank:

  • - verklaart het beroep ongegrond;
  • - veroordeelt verweerder tot vergoeding van geleden immateriële schade ten bedrage van € 500, en
  • - gelast dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht ten bedrage van € 46 vergoedt.”

1.4.

Het tegen deze uitspraak door belanghebbende ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 1 december 2017. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.


1.5.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 september 2018. Namens belanghebbende is verschenen gemachtigde voornoemd. Namens de inspecteur zijn verschenen mrs. N.M. van Gorsel, B.J.E Lodder en P.N. Warnaar.

Dit hoger beroep is gelijktijdig behandeld met het hoger beroep van de inspecteur betreffende de - ter behoud van rechten - aan belanghebbende opgelegde navorderings-aanslag inkomstenbelasting over 2009 (met kenmerk 17/00579). Gelet op de verwevenheid zal het Hof in beide zaken gelijktijdig uitspraak doen.

Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.



2Tussen partijen vaststaande feiten


Hof stelt de feiten als volgt vast:


2.1.

Belanghebbende houdt alle aandelen in [Y] N.V. (hierna: de NV).


2.2.

Volgens de tot de gedingstukken behorende fiscale jaarstukken van de NV bedroegen de ondernemingsvermogens en de winstreserves de volgende bedragen (in euro’s):


Ondernemingsvermogens Winstreserves
31 december 2006 15.183.397 15.074.490
31 december 2007 * *
31 december 2008 14.301.449 14.165.693
31 december 2009 16.530.230 16.394.474
31 december 2010 14.876.363 14.740.607
31 december 2011 15.203.702 15.067.946

* Jaarstukken 2007 ontbreken.


2.3.

De rekening-courantschuld van belanghebbende aan de NV bedroeg (in euro’s):


31 december 2000 4.594.139
31 december 2001 6.223.646
31 december 2002 9.398.957
31 december 2003 12.762.359
31 december 2004 13.545.741
31 december 2005 onbekend
31 december 2006 13.324.285
31 december 2007 12.935.340

2.4.

In 2007 hebben de inspecteur en belanghebbende een Geldleningsovereenkomst gesloten teneinde een winstuitdeling in het jaar 2002 te voorkomen (hierna de Geldlening). Die overeenkomst (waarin belanghebbende de Geldnemer en de NV de Geldgever is) luidt – voor zover van belang – als volgt:


“OVERWEGENDE DAT:


A. De Geldgever aan de Geldnemer wil verstrekken en de Geldnemer van de Geldgever wil ontvangen een lening van maximaal EUR 11.000.000 (…).

B. De Geldgever de Lening wil verrekenen met de tussen Geldgever en Geldnemer bestaande rekening-courantverhouding.

C. De Geldnemer in het bezit is van een landgoed (…) (hierna aangeduid als het “Domaine”), welke een waarde van circa EUR 10.000.000 (…) vertegenwoordigen.

D. De Geldgever (het Hof begrijpt dat hier Geldnemer is bedoeld) in het bezit is van een uitgebreide collectie moderne kunst ter waarde van circa EUR 1.000.000, als beschreven in de aangehechte bijlage. (…)


Artikel 2 De faciliteit

2.1

Onder de bepalingen van deze Overeenkomst, verstrekt de Geldgever de Lening, zijnde een lening met de hoofdsom van maximaal EUR 13.000.000 (…), aan de Geldnemer. (…)


Artikel 3 Storting

3.1

Betaling uit hoofde van deze Overeenkomst geschiedt per datum 1 januari 2007 door middel van verrekening met de in rekening-courant openstaande schuld van Geldnemer.


Artikel 4 Looptijd

4.1

De lening heeft een looptijd van 5 jaar, te rekenen vanaf de datum van ondertekening van deze Overeenkomst, derhalve eindigend op 31 december 2011 (…).


Artikel 6 Rente

6.1

De Geldnemer is over de Lening een jaarlijkse enkelvoudige rente verschuldigd van 5 (…) %. (…)


Artikel 7 Garanties

7.1

De Geldnemer verbindt zich gedurende de Looptijd niet over te gaan tot het hypothecair belasten van het Domaine, met uitzondering van lid 2 van dit artikel. (…)

7.2

Zo de Geldgever dat wil, zal de Geldnemer het Domain hypothecair belasten ten behoeve van de Geldgever. Indien en voor zover nodig verstrekt de Geldnemer hierbij aan Geldgever de onherroepelijke volmacht daarbij Geldnemer te vertegenwoordigen.

7.3

De Geldnemer verplicht zich bij verkoop van het Domaine de daaruit verkregen gelden aan te wenden voor terugbetaling van de Lening. (…)


Artikel 9 Opeisbaarheid

9.1

De Lening en alle bedragen die de Geldnemer ingevolge deze Overeenkomst aan de Geldgever verschuldigd zal zijn kunnen door de Geldgever onmiddellijk worden opgeëist door middel van een schriftelijke kennisgeving aan de Geldnemer:

(i) bij niet-nakoming of overtreding door de Geldnemer van enige verplichting onder deze Overeenkomst;

(ii) indien executoriaal beslag op enige roerende of onroerende goederen van de Geldnemer wordt gelegd.

9.2

De Geldnemer is verplicht de Geldgever onmiddellijk schriftelijk per aangetekende brief te informeren indien zich één van de in dit artikel genoemde gronden voor vervroegde opeising voordoet.”


De overeenkomst is ondertekend door belanghebbende, als geldnemer, en belanghebbende als vertegenwoordiger van de NV.


2.5.

Volgens de tot de gedingstukken behorende fiscale jaarstukken van de NV bedroeg de schuld van belanghebbende uit hoofde van de Geldlening aan de NV per ultimo 2008, 2009, 2010, 2011 en 2012 € 11.000.000.


2.6.

Belanghebbende verkoopt Domaine en levert die onroerende zaak in 2010 aan een derde. Zij ontvangt op 26 mei 2010 de verkoopopbrengst van € 4.414.351,50 op haar bankrekening.


2.7.

Op 31 mei 2010 vonden bij de NV en belanghebbende onder andere de volgende overboekingen plaats:

Van Naar Bedrag Onder vermelding van
a. Belanghebbende NV € 4.400.000 kruispost
b. NV Belanghebbende € 4.750.000 kruispost
c. Belanghebbende [naam] N.V. € 4.750.000 lening

2.8.

Belanghebbendes rekening-courantschuld aan de NV bedroeg op 31 december 2010 € 1.204.543.


2.9.

Belanghebbende geeft in haar aangifte inkomstenbelasting over 2010 een Box 1, 2 en 3 inkomen van nihil aan. De inspecteur heeft deze aangifte gevolgd.


2.10.

Op 30 augustus 2014 vordert de inspecteur na naar een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 13.000.000.


2.11.

Bij uitspraak op bezwaar is voormeld belastbaar inkomen teruggebracht tot € 12.204.543 (als volgt gespecificeerd: € 11.000.000, zijnde de schuld uit hoofde van de Geldlening + € 1.204.543, zijnde belanghebbendes rekening-courantschuld aan de NV).



3Geschil in hoger beroep


3.1.

Evenals in eerste aanleg is in hoger beroep in geschil of de inspecteur terecht in 2010 ‘reguliere voordelen’ als bedoeld in artikel 4.12 Wet IB 2001 in belanghebbendes inkomen heeft begrepen.


3.2.

Het geschil spitst zich toe op de volgende vragen:

Is er - en zo ja: in hoeverre is er - sprake geweest van een uitdeling door de NV aan belanghebbende?

Is de Navorderingsaanslag in strijd met het vertrouwensbeginsel opgelegd?


3.3.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Voor hetgeen zij daaraan ter zitting hebben toegevoegd, wordt verwezen naar het van het verhandelde ter zitting opgemaakte proces-verbaal.



4Het oordeel van de rechtbank


De rechtbank heeft omtrent het geschil als volgt overwogen en beslist:


18. Van een winstuitdeling die tot het inkomen uit aanmerkelijk belang behoort, is sprake indien zich in het onderhavige jaar een vermogensverschuiving van [Y] naar eiseres heeft voorgedaan die wordt gedekt door in [Y] aanwezige winst(reserves) (vgl. HR 18 februari 1959, nr. 13.763, ECLI:NL:HR:1959:AY0777, BNB 1959/124).


19. Verweerder stelt zich op het standpunt dat in het onderhavige jaar sprake is van een winstuitdeling ten belope van de totale schuld van eiseres aan [Y] per 31 december 2010, zijnde € 11.000.000 vermeerderd met € 1.204.543 (…; Hof zie 2.11), derhalve € 12.204.543.


20. Ter onderbouwing van zijn standpunt wijst verweerder erop dat eiseres in het onderhavige jaar de Franse woning heeft verkocht en dat de opbrengt van die verkoop van ruim € 4.400.000 niet is aangewend voor de aflossing van de schulden van eiseres aan [Y] . Weliswaar heeft eiseres op 31 mei 2010 een bedrag van € 4.400.000 overgemaakt naar de rekening van [Y] , maar laatstgenoemde heeft op haar beurt, aldus verweerder, op dezelfde dag een bedrag van € 4.750.000 overgemaakt naar de rekening van eiseres. Dit bedrag is vervolgens door eiseres ter beschikking gesteld aan [naam] . Van een vordering op [naam] is, aldus nog steeds verweerder, in de aangiften van eiseres over het onderhavige jaar en de jaren 2011 en 2012 geen melding gemaakt. Ook in de door [X] over het onderhavige jaar gedane aangifte wordt van een dergelijke vordering niet gewaagd.


21. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder met het hetgeen hij ter onderbouwing van zijn standpunt heeft aangevoerd, aannemelijk gemaakt dat vanaf enig moment in 2010 redelijkerwijs niet meer te verwachten was dat eiseres aan haar verplichtingen jegens [Y] zou voldoen. In 2010 heeft eiseres immers een betaling in verband met de verkoop van de woning ontvangen van ruim € 4.400.000 ontvangen. Mede gelet op het bepaalde in onderdeel 7.3 van de hiervoor aangehaalde overeenkomst van geldlening, komt het de rechtbank voor dat bij de afwezigheid van enige aandeelhoudersrelatie tussen [Y] en eiseres die gelden zouden zijn aangewend voor de aflossing van de schulden van eiseres aan [Y] . Eiseres heeft in ieder geval onvoldoende gemotiveerd gesteld waarom dit anders zou zijn, terwijl dit in dat geval wel op haar weg zou hebben gelegen. Gelet hierop acht de rechtbank aannemelijk dat [Y] in het onderhavige jaar het besluit heeft genomen om uit aandeelhoudersoverwegingen af te zien van invorderingsmaatregelen jegens eiseres. Daarmee heeft zich de voor een winstuitdeling vereiste vermogensverschuiving ten laste van de winst(reserves) van [Y] voltrokken.

Naar het oordeel van de rechtbank hadden [Y] en eiseres zich gelet op de omschreven gang van zaken van die vermogensverschuiving bewust moeten zijn (vgl. HR 24 oktober 2003, nr. 37856, ECLI:NL:HR:2003:AI0411, BNB 2004/112).


22. Aan het voorgaande voegt de rechtbank toe dat niet is gebleken dat het zo-even vermelde besluit al in een eerder jaar dan het onderhavige is genomen. In het bijzonder acht de rechtbank niet aannemelijk dat dit besluit reeds voor 2008 was genomen, reeds omdat [Y] en eiseres in 2007 nog een overeenkomst hebben gesloten waaruit een gezamenlijk voornemen blijkt om de schulden van eiseres binnen vijf jaren af te lossen. Ook vermag de rechtbank niet in te zien op grond van welke feiten en omstandigheden moet worden aangenomen dat meervermeld besluit al in 2008 of 2009 is genomen.


23. Het hiervoor overwogene heeft mede te gelden voor zover de schulden van eiseres aan [Y] de hiervoor vermelde verkoopopbrengst te boven gaan. Gelet op de handelwijze van eiseres en [Y] met betrekking tot die verkoopopbrengst, gaat de rechtbank ervan uit dat ook in zoverre geen aflossing van de schulden van eiseres te verwachten viel bij gebreke van een op die aflossing gerichte wil van [Y] en eiseres. Eiseres heeft immers niets aangevoerd waaruit blijkt dat die wil er in het onderhavige jaar nog wel was. Aldus is sprake van een winstuitdeling door [Y] aan eiseres voor het gehele bedrag van de schulden van eiseres (derhalve € 12.204.543).


24. Eiseres doet voorts een beroep op het vertrouwensbeginsel. Ter onderbouwing van dit beroep voert zij aan dat de verweerder welbewust het standpunt heeft ingenomen dat de hiervoor onder 5 bedoelde overeenkomst van geldlening zakelijk is. Deze stelling kan eiseres niet baten reeds omdat verweerder, zo heeft hij ter zitting desgevraagd bevestigd, aan zijn standpunt niet ten grondslag heeft gelegd dat die overeenkomst onzakelijk is en de rechtbank hiervoor ook van de zakelijkheid van die overeenkomst is uitgegaan.


Immateriële schadevergoeding

25. Eiseres heeft in haar ter zitting overgelegde pleitnota verzocht om vergoeding van immateriële schade die is ontstaan door overschrijding van de redelijke termijn.


26. Bij de beoordeling van de vraag of de redelijke termijn is overschreden, moet worden aangesloten bij de uitgangspunten die zijn neergelegd in het arrest van de Hoge Raad van 22 april 2005, nr. 37984, ECLI:NL:HR:2005:AO9006, BNB 2005/337. Een periode van twee jaar voor de bezwaar- en beroepsfase wordt in dit verband als redelijk beschouwd. Hiervan komt een half jaar toe aan de bezwaarfase. De in aanmerking te nemen termijn vangt in beginsel aan op het moment waarop de inspecteur het bezwaarschrift ontvangt.


27. Zoals de Hoge Raad in onder meer zijn arrest van 21 maart 2014, nr. 12/04057, ECLI:NL:HR:2014:540, BNB 2014/117 heeft overwogen, dient in een geval waarin meerdere zaken van een belanghebbende gezamenlijk zijn behandeld, te worden beoordeeld of die zaken in hoofdzaak betrekking hebben op hetzelfde onderwerp. Indien hiervan sprake is, wordt per fase van de procedure waarin sprake is geweest van gezamenlijke behandeling, voor die zaken gezamenlijk slechts eenmaal het tarief van € 500 per halfjaar gehanteerd. Indien de rechtsmiddelen waarmee die fase van de procedure in de betrokken zaken is ingeleid niet tegelijkertijd zijn aangewend, dient daarbij ter bepaling van de mate van overschrijding van de redelijke termijn te worden gerekend vanaf het tijdstip van indiening van het eerst aangewende rechtsmiddel, in dit geval vanaf de ontvangst van het eerst ingediende bezwaarschrift.


28. De beroepen inzake de navorderingsaanslagen 2009 en 2010 hebben beide betrekking op de vraag of eiseres inkomen uit aanmerkelijk belang heeft genoten en, zo ja, of dit inkomen in het jaar 2009 dan wel in het jaar 2010 is genoten. In dat geval is sprake van zaken die in hoofdzaak betrekking hebben op hetzelfde onderwerp, zodat voor de beoordeling van de vraag of de redelijke termijn is overschreden dient te worden uitgegaan van het eerst ingediende bezwaarschrift, te weten het bezwaarschrift ingediend op 2 oktober 2014. Daarvan uitgaande is tot op heden een periode van 3 jaar verstreken zodat in beginsel sprake is van overschrijding van de redelijke termijn met 1 jaar.


29. Verweerder heeft ter zitting gesteld dat in de bezwaarfase door partijen is beoogd om tot een compromis te komen en dat in dat verband besprekingen zijn gevoerd. Hij heeft onder meer verwezen naar het verslag van de hoorzitting op 8 oktober 2015, waarin wordt verwezen naar de bezwaren tegen de navorderingsaanslagen alsmede de te verwachten bereidheid van de echtgenoot van eiseres om te komen tot gezamenlijke afspraken waarbij ook de Ontvanger betrokken zal zijn. Aan het slot van het verslag is het volgende opgenomen:


“Afspraak

De behandeling van de zaak heeft lang geduurd. [De gemachtigde] stelt voor dat uitspraak wordt gedaan op de bezwaarschriften betreffende de navorderingsaanslag 2009 en 2010. Vervolgens zal er pro forma beroep worden ingesteld. Dit zal partijen meer tijd geven om tot een gezamenlijk compromis te komen (..). [Verweerder gaat] hiermee akkoord.”


30. Op grond van dit verslag acht de rechtbank aannemelijk dat, zoals verweerder ook onvoldoende weersproken heeft gesteld, de behandeling van het bezwaar tegen de navorderingsaanslagen heeft plaatsgevonden in het kader van een door partijen beoogd compromis. In een dergelijke situatie kan, wanneer een compromis uiteindelijk niet is bereikt, in de regel niet achteraf worden gesteld dat de duur van de overlegperiode zodanig lang was dat dientengevolge voor de inspecteur een verplichting is ontstaan tot vergoeding van immateriële schade. Aldus resteert de vraag of de rechtbank de in acht te nemen termijn heeft overschreden.


31. De uitspraak op bezwaar tegen de navorderingsaanslag over het jaar 2010 is gedaan op 17 december 2015. Het tegen die uitspraak ingestelde beroep is ingekomen op 22 januari 2016. Gelet op de periode tot op heden zijn meer dan 18 maanden doch minder dan 24 maanden verstreken. Dat brengt mee dat aan eiseres een vergoeding voor immateriële schade dient te worden toegekend van € 500. De rechtbank zal deze vergoeding toekennen in de onderhavige zaak.


Proceskosten en griffierecht

32. Zoals de Hoge Raad heeft overwogen in zijn arrest van 20 maart 2015, nr. 14/01332, ECLI:NL:HR:2015:660, BNB 2015/198, volgt uit de toekenning van een vergoeding van immateriële schade dat aan eiseres een kostenvergoeding wordt toegekend. De beroepen inzake de navorderingsaanslagen voor de jaren 2009 en 2010 zijn ook in dezen samenhangende zaken in de zin van artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht. De rechtbank zal deze vergoeding toekennen in het beroep met zaaknummer 16/1167.


33. Nu beide beroepen voorts betrekking hebben op samenhangende besluiten in de zin van artikel 8:41, derde lid van de Algemene wet bestuursrecht, is in overeenstemming met dit artikel eenmaal griffierecht geheven, te weten in de onderhavige zaak. Verweerder zal mitsdien worden veroordeeld tot vergoeding van het in dat beroep betaalde griffierecht.”



5Beoordeling van het geschil


5.1.1.

De inspecteur zal voldoende feiten en omstandigheden aannemelijk moeten maken waaruit volgt (1) dat in 2010 een situatie is ontstaan waarin de Geldlening en de rekening-courantschuld van belanghebbende aan de NV niet zullen worden afgelost, en (2) dat de NV en belanghebbende zich ervan bewust waren of hadden moeten zijn dat belanghebbende door deze vermogensverschuiving werd bevoordeeld. Alsdan is sprake van een bij belanghebbende in box 2 in aanmerking te nemen uitdeling.


5.1.2.

In ECLI:NL:HR:2003:AI0411 (BNB 2004/112) overwoog de Hoge Raad in rechtsoverweging 4.3:


Het bewustheidsvereiste houdt niet meer in dan dat partijen bij de Overeenkomst zich ervan bewust moeten zijn geweest dat de aandeelhouders werden bevoordeeld met een door de Overeenkomst ontstane vermogensverschuiving (vergelijk HR 8 juli 1997, nr. 32 050, BNB 1997/295).


Hetgeen de Hoge Raad in dit arrest heeft beslist, is naar het oordeel van het Hof van overeenkomstige toepassing op een bestaande lening waarvan (eerst) gedurende de looptijd van de lening aannemelijk wordt dat deze niet meer zal worden afgelost.


5.1.3.

Voor hetgeen de inspecteur in dit verband aanvoert, verwijst het Hof kortheidshalve naar rechtsoverweging 20 van de rechtbankuitspraak.


5.1.4.

Het Hof overweegt als volgt. Vaststaat dat de onroerende zaak Domaine is verkocht, dat belanghebbende de verkoopopbrengst van € 4.414.351,50 op 26 mei 2010 heeft ontvangen en dat belanghebbende € 4.400.000 op 31 mei 2010 aan de NV heeft overgemaakt (zie 2.6 en 2.7). Uit de feiten leidt het Hof af dat de NV daarmee de beschikking kreeg over de uit de verkoop van Domaine verkregen gelden maar dat zij deze niet heeft aangewend voor het afboeken op de Geldlening. Immers de NV vermeldt per ultimo 2010, 2011 en 2012 nog steeds de schuld uit hoofde van de Geldlening in haar jaarstukken. Daar komt bij dat de NV op de dag van de ontvangst van de genoemde € 4.400.000 een bedrag van € 4.750.000 heeft overgemaakt naar belanghebbende (zie overboeking b, onder 2.7). Aldus doende is belanghebbende haar in artikel 7.3 van de Geldleningsovereenkomst (zie 2.4) neergelegde verplichting niet nagekomen en werd de Geldlening ingevolge artikel 9.1, onder (i), direct opeisbaar. Omdat de NV in mei 2010 ervan heeft afgezien de ontvangen € 4.400.000 aan te wenden als aflossing van de Geldlening, zelfs in plaats daarvan een bedrag van € 4.750.000 overmaakte naar belanghebbende en voorts geen enkele poging heeft ondernomen om met betrekking tot de - inmiddels direct opeisbare - Geldlening enig bedrag van belanghebbende terug te vorderen, acht het Hof aannemelijk gemaakt dat in mei 2010, althans in 2010, duidelijk werd dat de Geldlening niet zou worden afgelost.

5.1.5.

Het onder 5.1.4 overwogene is van overeenkomstige toepassing op de schuld uit hoofde van de rekening-courantverhouding. Het Hof ziet geen reden om met betrekking tot de terugbetaling van de rekening-courantschuld anders te oordelen. Immers niet valt in te zien waarom belanghebbende vanaf mei 2010 de Geldlening niet zou terugbetalen, maar wel de rekening-courantschuld zou aflossen. Het had op de weg van belanghebbende gelegen om feiten en omstandigheden te stellen en aannemelijk te maken die tot een ander oordeel hadden kunnen leiden.


5.1.6.

Het voorgaande betekent dat de inspecteur voldoende feiten en omstandigheden aannemelijk heeft gemaakt waaruit volgt dat in 2010 een situatie is ontstaan waarin de Geldlening en de rekening-courantschuld van belanghebbende aan de NV niet zullen worden afgelost. Het een en ander leidt tot het oordeel dat een bedrag van € 12.204.543 (zie 2.11) het vermogen van de NV in 2010 definitief heeft verlaten.


5.1.7.

Het Hof is tevens van oordeel dat belanghebbende en de NV - waarvan belanghebbende alle aandelen hield en die door haar werd vertegenwoordigd bij het aangaan van de Geldleningsovereenkomst - zich ervan bewust waren of hadden moeten zijn dat belanghebbende door deze vermogensverschuiving van € 12.204.543 werd bevoordeeld.


5.1.8.

Nu niet in geschil is dat belanghebbende een aanmerkelijk belang in de NV heeft en de NV in 2010 over winstreserves ten bedrage van € 16.500.961 beschikte, leidt het voorgaande tot de conclusie dat belanghebbende in 2010 een regulier voordeel ex artikel 4.13 Wet IB 2001 van € 12.204.543 heeft genoten.


5.2.

Het door belanghebbende in hoger beroep ingenomen standpunt dat de Geldlening met de door de NV ontvangen € 4.400.000 is afgelost, acht het Hof gelet op rechtsoverweging 5.1.4, tweede tot en met vijfde volzin, feitelijk onjuist.


5.3.

Belanghebbende herhaalt in hoger beroep - letterlijk - haar standpunt dat de Navorderingsaanslag in strijd met het vertrouwensbeginsel is opgelegd (zie rechts-overweging 24 rechtbankuitspraak).

Naar het oordeel van het Hof heeft de rechtbank terecht overwogen dat aan het standpunt van de inspecteur niet ten grondslag ligt dat de Geldlening onzakelijk is. De rechtbank heeft derhalve terecht en op de juiste gronden het beroep van belanghebbende op het vertrouwensbeginsel verworpen.


5.4.

Nu belanghebbende zich voor het jaar 2010 op basis van artikel 2.17, lid 4, Wet IB 2001 op het standpunt stelt dat een eventueel “inkomen uit aanmerkelijk belang volledig aan haar dient te worden toegerekend” heeft de inspecteur terecht het gehele reguliere voordeel bij belanghebbende in de heffing betrokken.


Slotsom

5.5.

De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is. Het Hof zal beslissen zoals hierna volgt.



6Kosten


Het Hof acht geen termen aanwezig voor een kostenveroordeling op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

7. Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.



De uitspraak is gedaan door mrs. P.F. Goes, voorzitter, F.J.P.M. Haas en N. Djebali, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. M.N. Oosterom als griffier. De beslissing is op 4 oktober 2018 in het openbaar uitgesproken.





Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.