Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 21-08-2018 / 200.204.522/01


ECLI:NL:GHARL:2018:7492

Inhoudsindicatie
Arbeidsrecht, aansprakelijkheidsrecht. Vraag of onderwijsinstelling aansprakelijk is voor schade als het gestelde gevolg van de verschafte referentie over ex-werknemer.
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Uitspraakdatum
2018-08-21
Publicatiedatum
2018-08-22
Zaaknummer
200.204.522/01
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Civiel recht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • JAR 2018/239 met annotatie van mr. P.A. Hogewind-Wolters
  • JBP 2018/91
  • AR-Updates.nl 2018-0984
  • Onderwijs Totaal 2019/937
  • Module Privacy en persoonsgegevens 2019/1258
Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN


locatie Leeuwarden


afdeling civiel recht, handel


zaaknummer gerechtshof 200.204.522/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 4918872/CV EXPL 16-4202)



arrest van 21 augustus 2018


in de zaak van


[appellant] ,

wonende te [A] ,

appellant,

in eerste aanleg: eiser,

hierna: [appellant],

advocaat: mr. I. Lfil, kantoorhoudend te Winschoten,



tegen



Openbaar Onderwijs Groep Groningen,

gevestigd te Groningen,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: O2G2,

advocaat: mr. G.W. Brouwer, kantoorhoudend te Groningen.


Het hof neemt het tussenarrest van 13 februari 2008 hier over.



1Het verdere verloop van de procedure in hoger beroep

1.1

in genoemd tussenarrest heeft het hof een comparitie van partijen bevolen. De comparitie is op 27 juni 2018 gehouden. Het proces-verbaal van de comparitie bevindt zich bij de stukken.

1.2

In overleg met partijen heeft het hof arrest bepaald op het ter voorbereiding van de comparitie overgelegde procesdossier, waaraan het proces-verbaal is toegevoegd.


2.3

De eis van [appellant] luidt, samengevat, vernietiging van het vonnis van de Rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van 31 augustus 2017 en opnieuw recht doende, bij arrest voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

a. voor recht te verklaren dat het in de dagvaarding in eerste aanleg omschreven handelen van mevrouw [B] jegens [appellant] onrechtmatig is geweest;

b. O2G2 te veroordelen tot betaling aan [appellant] van € 12.600,-;

c. O2G2 in de kosten van beide instanties te veroordelen.


2De vaststaande feiten

2.1

In zijn vonnis heeft de kantonrechter onder 2.1. tot en met 2.6 de feiten vastgesteld. Tegen deze feitenvaststelling zijn geen grieven gericht. Wel heeft [appellant] terecht bezwaar gemaakt tegen de overweging van de kantonrechter dat hij nimmer een verklaring omtrent het gedrag (hierna: VOG) zou hebben ingediend bij O2G2 (r.o. 4.9-4.10). Partijen hebben beiden bevestigd dat deze verklaring wel degelijk is ingeleverd.

Het hof zal - behalve het aspect van de VOG die O2G2 heeft ontvangen - uitgaan van de door de kantonrechter vastgestelde feiten die, aangevuld met enkele andere feiten, op het volgende neerkomen.

2.2

In de periode van 14 december 2012 tot het begin van de zomervakantie van 2013 was [appellant] werkzaam in de functie van invaldocent Duits op basis van een met O2G2 gesloten arbeidsovereenkomst. Zijn werkzaamheden verrichtte hij op het [C] College, locatie [D] .


2.3

Al spoedig nadat [appellant] was begonnen met het geven van de lessen, heeft een ouder van een leerling van het [C] College - die de naam van [appellant] in een ouderbulletin heeft zien staan - gevraagd of het dezelfde docent was die in het verleden als docent heeft gewerkt op de CSG [E] College en daar na korte tijd was ontslagen. Naar aanleiding hiervan heeft [F] , de toenmalige directeur van het [C] College, overleg gevoerd met [appellant] en is over hem informatie ingewonnen bij de directeur van de CSG [E] Gansfort.


2.4

Bij brief van 22 januari 2013 heeft de directeur van het [C] College aan [appellant] onder meer het volgende geschreven:


Ik denk dat het goed is om een aantal zaken schriftelijk vast te leggen.

(…)

De teamleiders bovenbouw zijn op donderdag 20 en vrijdag 21 december gebeld door een moeder met de vraag of jij dezelfde persoon was als de heer [appellant] die op het [E] had gewerkt. Deze moeder had je naam in het ouderbulletin gelezen. Zij vertelde dat je daar na een korte tijd was ontslagen omdat er problemen waren en er geen bewijs van goed gedrag was ingeleverd. Ik ben vervolgens door de teamleiders hierover geïnformeerd.

Ik was verbaasd omdat je het werken op het [E] niet in je CV hebt opgenomen.

Vervolgens heb ik je direct na de kerstvakantie uitgenodigd voor een gesprek. Bij navraag bleek je inderdaad op het [E] te hebben gewerkt en ook op staande voet te zijn ontslagen. Het verhaal van de ouder (mail die ik je heb laten lezen) herkende je echter maar gedeeltelijk. Je hebt aangegeven dat je voorganger indertijd was weggepest door een leerling met ondersteuning van diens ouders. In het begin gebeurde er hetzelfde richting jou en heb je dit ook met je teamleiders besproken. Na een aantal weken dacht jij dat het beter ging en je was zeer verrast toen je plotseling ontslagen werd door de directeur. Je hebt toen gekozen om deze werkplek niet op te nemen in je CV.

Het is feitelijk niet acceptabel om deze werkplek niet te vermelden en ik heb je gevraagd of ik contact kon opnemen met het [E] om te informeren wat er nu was gebeurd. Je hebt hier toestemming voor gegeven.

Ik heb vervolgens contact gehad met de huidige directeur, dhr. [G] . Hij is nieuw en heeft geen gesprek met jou gehad. Hij heeft mij, na intern informatie te hebben gevraagd, later teruggebeld en vertelde dat de reden voor je ontslag te maken had met je gedrag richting vrouwelijke docenten en leerlingen. Men voelde zich niet veilig en je gedrag werd als intimiderend ervaren, hij kon echter geen feitelijke incidenten benoemen. Verder speelde ook duidelijk mee dat er geen verklaring van goed gedrag was ontvangen.

Ik heb je twee dagen later weer gesproken en je dit teruggegeven. Je was zeer verbaasd en gaf mij terug dat dat indertijd niet zo was benoemd en dat dit ook niet zo is.

Ik heb je gezegd dat dergelijk gedrag niet acceptabel zou zijn en ook een reden voor ontslag. Aangezien er geen feitelijke incidenten zijn geweest en ik je reactie en verklaring kan volgen heb ik besloten om wel met je door te gaan onder de voorwaarde dat we je verklaring van goed gedrag zo snel mogelijk ontvangen. Je hebt dit toegezegd.

Op 16 januari heb je bij [H] aangegeven dat er iets fout was gegaan met het versturen van je verklaring (van justitie naar de gemeente) en dat het 5 dagen langer zou duren.

Op donderdag 19 januari hebben een aantal leerlingen van H4 contact gezocht met de teamleider [I] . Zij voelden zich niet veilig bij jou in de klas: per ongeluk aanraken, nakijken van meisjes in de les, opmerkingen zoals lieverd. Zij hadden ook geruchten gehoord van je periode op het [E] .

Vrijdag 20 januari hebben de teamleiders van de bovenbouw een gesprek met jou gehad en zijn er een aantal afspraken gemaakt (zie verslag gesprek). Daarna is ook nog met de leerlingen gesproken. De teamleiders hebben aangegeven dat men verwacht dat het verder goed gaat. Wat wel een zorg is dat er snel allerlei verhalen rond gaan die invloed hebben op je positie in de school, maar daarnaast ook op het beeld van onze school. We zullen proberen om hier samen met jou zo goed mogelijk mee om te gaan.

Wat nog niet is opgelost is het feit dat er geen verklaring van goed gedrag is. Als het je niet lukt om dat deze week aan te leveren zie ik geen mogelijkheid om met je door te gaan en kun je niet op het [D] blijven werken.


2.5

Na het einde van het dienstverband met O2G2 heeft [appellant] gesolliciteerd naar een functie als invaldocent bij de RSG [J] . Daarbij heeft [appellant] zonder voorafgaand overleg het [C] College opgegeven als referent. De RSG [J] heeft vervolgens per e-mail informatie gevraagd aan het [C] College.


2.6

Het [C] College heeft telefonisch informatie verstrekt aan de RSG [J] . De informatie is verstrekt door een stafmedewerker P &O, [B] . [appellant] heeft op 10 november 2014 [B] gemaild met de boodschap dat hij zojuist had gehoord dat hij niet werd aangenomen als gevolg van de referentie en hij heeft haar een reactie gevraagd. [appellant] schrijft:

De volgende punten werden genoemd als zijnde jouw referentie:

1. 1. Vrouwelijke collega's en leerlingen voelden zich zeer onzeker bij mij.

2. 2. Ik heb nooit een verklaring van goed gedrag ingeleverd.

3. 3. Het contract is verbroken door de school waarop ik dus wegmoest.

4. 4. Ik ben ontslagen bij het [E] .


2.7

[B] heeft aan [appellant] per e-mail verslag gedaan van de informatie die zij heeft verstrekt. Dat e-mailbericht luidt, voor zover hier van belang:


Dag [appellant] ,

Dhr. [K] heeft per mail om een referentie gevraagd omdat hij twijfelde of ze met jou "in zee" zouden moeten gaan ja/nee.

Hij schrijft in zijn mail: Zelf hebben we twijfels, maar willen hem bij een positief (of niet al te negatief) advies een kans geven.

Ik heb telefonisch contact opgenomen met dhr. [K] over jouw aanstelling hier, de organisatie om de aanstelling heen en enkele zaken die van belang zouden kunnen zijn bij het wel/niet aannemen van jouw persoon. (…) de inhoud van de brieven/afspraken in je dossier zijn punten die (overigens niet eens exact op detail) besproken zijn met dhr [K] .

Ik heb aangegeven dat er zaken rondom het lesgeven zijn waar aandacht voor moet zijn, immers je werkt binnen omgeving met (wellicht kwetsbare) jeugd en ik heb benoemd dat er een melding van een ouder binnenkwam over eerdere aanstelling bij [E] en meldingen hier van leerlingen over het niet veilig voelen en angstig zijn voor 1 op 1 situaties. Daarbij heb ik expliciet aangegeven dat wij geen enkel feitelijk incident kunnen benoemen en deze problematiek door Teamleiders of directeur ook goed bespreekbaar waren met jou, er zijn goede afspraken gemaakt.

Maar in een referentie waarin gevraagd wordt om aandachtspunten moet ik in alle eerlijkheid, ook gezien de kwetsbare doelgroep (jonge pubers), wel benoemen dat dit een aandachtspunt kan zijn bij benoeming aan de school.



3De procedure in eerste aanleg

3.1

[appellant] heeft O2G2 gedagvaard voor de kantonrechter. Hij heeft gevorderd dat voor recht wordt verklaard dat het handelen van [B] jegens hem onrechtmatig is en dat O2G2 wordt veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 12.600,- (€ 6.300,- voor materiële en € 6.300,- voor immateriële schade), te vermeerderen met de proceskosten.

3.2

Nadat O2G2 verweer had gevoerd en partijen hadden gerepliceerd en gedupliceerd, heeft de kantonrechter de vorderingen van [appellant] afgewezen, met veroordeling van [appellant] in de proceskosten.


4De bespreking van de grieven

4.1

Met grief 2 betoogt [appellant] dat de rechtbank ten onrechte heeft aangenomen dat mevrouw [B] in haar functie als stafmedewerker van het [C] College een referentie had mogen verstrekken. Volgens [appellant] is het in het onderwijs gebruikelijk dat referenties worden afgegeven door een persoon die als leidinggevende met de docent heeft samengewerkt. Ten aanzien van [appellant] had dit gedaan moeten worden door directeur [F] of een van de teamleiders. Dit nalaten zou een schending van het daartoe gebruikelijke protocol zijn.

Het hof kan [appellant] hierin niet volgen. [appellant] heeft op geen enkele wijze inzichtelijk gemaakt waarom het afgeven van een referentie door een stafmedewerker P&O onrechtmatig zou zijn. Het kan zo zijn dat in de praktijk een referentie doorgaans wordt afgegeven door een leidinggevende, maar daarmee is nog geen sprake van een verplichting om het altijd zo te doen. [appellant] heeft over het afgeven van een referentie tevoren geen afspraken met O2G2 gemaakt. Wanneer daarover geen specifieke afspraken zijn gemaakt, staat het een onderwijsinstelling in principe vrij om de referentie door een ander dan een leidinggevende van de ex-werknemer te laten verstrekken. Daarenboven heeft O2G2 toereikend gemotiveerd waarom in dit geval [B] de referentie heeft verstrekt: [F] was niet meer in dienst, er was ten tijde van de ontvangst van het verzoek om een referentie geen vestigingsdirecteur in functie en de rector heeft [B] met de taak belast, omdat zij het ‘dossier [appellant] ’ kende. Zij is eerder (op verschillende momenten) betrokken is geweest bij de advisering van [F] , onder andere naar aanleiding van de onder 2.3 beschreven gebeurtenissen.

De grief is derhalve ongegrond.


4.2

De grieven 1 en 3 t/m 5 lenen zich voor gezamenlijke bespreking. Het gaat hier om de vraag welke feitelijke informatie bij het afgeven van een referentie is en (niet) mocht worden verstrekt. Als uitgangspunt heeft hierbij te gelden dat wanneer een sollicitant in een sollicitatieprocedure zijn ex-werkgever aanwijst als referent, hij daarmee toestemming geeft in het afgeven van gegevens over zijn persoon en over zijn functioneren (vergelijk art. 6 lid 1 sub 1 van de op 25 mei 2018 in werking getreden Algemene Verordening Gegevensbescherming en art. 8 van de tot die datum geldende Wet bescherming persoonsgegevens). Deze informatie kan, zoals ook door [appellant] tijdens de zitting is erkend, zowel positief als negatief voor de persoon in kwestie uitpakken. Wanneer een sollicitant bepaalde negatieve informatie van de referentie over zijn persoon of functioneren wil uitsluiten, dient hij dat expliciet bij de referent aan te geven (zie ook art. 7:656 lid 3 BW over het getuigschrift). De referent kan dan op zijn beurt een afweging maken of hij nog wel een referentie wil afgeven. Hij zal een correct beeld van de betrokken persoon aan de ‘potentiële’ werkgever moeten verstrekken. Het onthouden van noodzakelijke informatie kan immers onzorgvuldig handelen (en daarmee aansprakelijkheid voor de schade) jegens deze derde (‘nieuwe werkgever’) opleveren (vergelijk art. 7:656 lid 5 BW inzake een onjuiste weergave van feiten in een getuigschrift).


4.3

Bij het verstrekken van een referentie geldt daarom als uitgangspunt dat zoveel mogelijk relevante informatie, ofwel informatie die van belang is voor het functioneren van de sollicitant, aan de ‘potentiële werkgever’ mag - en zelfs moet - worden verstrekt. Dat geldt ook van zogenoemde negatieve informatie die ertoe kan leiden dat de ‘potentiële werkgever’ besluit om af te zien van het in dienst nemen van deze sollicitant. De beantwoording van de vraag of sprake is van relevante informatie in voornoemde zin zal onder meer afhankelijk zijn van de inhoud van gestelde vragen door de ‘potentiële werkgever’, de ernst van bepaalde gedragingen (zoals wangedrag), de aard van de functie, de betrokken belangen van derden, het tijdsverloop nadat zich bepaalde negatieve gebeurtenissen hebben voorgedaan en de eventueel getoonde verbetering. Deze informatie kan zijn verkregen door eigen waarnemingen van de referent of van personen die bij de referent werkzaam zijn alsmede door informatie die is verkregen van een derde, zoals een vorige werkgever. Bij dat laatste geldt dat indien de referent gerede twijfel heeft over de juistheid van de van die derde verkregen informatie hij deze informatie niet zonder meer dient te delen met de 'potentiële werkgever', maar deze voor deze informatie naar de informant dient te verwijzen of expliciet dient aan te geven dat hij twijfels heeft bij de juistheid van de informatie. Wanneer de referent niet behoefde te twijfelen aan de juistheid van de van de derde verkregen informatie handelt hij niet onzorgvuldig indien deze informatie achteraf onjuist blijkt te zijn.


4.4

In het licht van het voorgaande mocht O2G2 belastende informatie over [appellant] aan de ‘potentiele werkgever’, RSG [J] , doorgeven. Cruciaal in dit alles is dat [appellant] in het door hem overgelegde cv, behorend bij de sollicitatiebrief aan O2G2, het dienstverband met het [E] College had verzwegen. Deze omissie of misleiding heeft er immers toe geleid dat O2G2 onverwachts werd geconfronteerd met verontrustende berichten over de persoon van [appellant] , hetgeen tot het maken van nadere afspraken met [appellant] heeft geleid, hoewel dit ‘gepraat onder leerlingen’ bij O2G2 niet heeft kunnen voorkomen. Het onvolledige cv, mede gelet op de korte duur van het dienstverband tussen O2G2 en [appellant] , de impact die dergelijke informatie blijkt te hebben op de schoolgemeenschap en de noodzaak om leerlingen te beschermen tegen mogelijk ongewenst gedrag van docenten, brengt mee dat deze informatie kon worden gedeeld met RSG [J] .


4.5

Meer specifiek stelt [appellant] dat [B] bij het delen van voornoemde informatie feitelijke onjuistheden zou hebben doorgegeven aan [K] , te weten de onder 2.6 opgenomen vier punten.

Van de zijde van 02G2 is gemotiveerd weersproken dat onjuiste informatie is verstrekt. [B] zou [K] hebben ingelicht over de van het [E] ontvangen informatie en verder hebben meegedeeld dat het [C] College daarin geen aanleiding heeft gezien om het dienstverband met de heer [appellant] voortijdig te beëindigen. Verder heeft [B] - niet weersproken - gezegd dat het [C] College uit eigen ervaring geen enkel incident kan benoemen en dat [appellant] goed aanspreekbaar was op de door een aantal leerlingen van het [C] College afgegeven signalen over een gevoel van onveiligheid.


4.6

Hiervoor, in r.o. 4.3, is overwogen dat het enkele feit dat onjuiste informatie is doorgegeven nog niet onzorgvuldig is. Dat is alleen het geval indien de referent wist of behoorde te weten dat van onjuiste informatie sprake is. Voor wat betreft de onder r.o. 2.6 genoemde punten is daarvan geen sprake. De referent heeft deze informatie van een derde ontvangen en hoefde niet te twijfelen aan de juistheid ervan. Of ze daadwerkelijk onjuist zijn, is dan niet relevant. Overigens kwamen ook alle vier de punten voor in het verslag dat [F] had gemaakt naar aanleiding van de navraag die was gedaan bij het [E] College, welk verslag door [appellant] ‘voor gezien’ is getekend. Al deze punten hebben betrekking op hetgeen zich bij het [E] College heeft voorgedaan. Ten overvloede merkt het hof op dat [appellant] weliswaar in de onderhavige procedure betwist dat hij zou zijn ontslagen bij het [E] College, maar hij schrijft in productie 4 bij de inleidende dagvaarding in eerste aanleg zelf met zoveel woorden dat hij daar is ontslagen.


4.7

Nu volgens het hof geen sprake is geweest van onzorgvuldig handelen van O2G2 jegens [appellant] door een onjuiste referentie, is het niet relevant of [appellant] daardoor niet door RSG [J] in dienst is genomen (grief 1). O2G2 stelt overigens dat zij van [K] heeft vernomen dat alleen al het feit dat [appellant] zijn cv had vervalst, gevoegd bij de al bestaande twijfel, voldoende reden was om van een dienstverband met hem af te zien.


4.8

Aan het bewijsaanbod van [appellant] (in de vorm van het horen van getuigen) gaat het hof voorbij omdat de uitkomst hiervan niet zal leiden tot een andere beoordeling van de opgeworpen grieven.


4.9

De slotsom is dat alle grieven falen. Het hof zal het vonnis van de rechtbank dan ook bekrachtigen. [appellant] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de proceskosten van het geding in hoger beroep (geliquideerd salaris van de advocaat: 2 punten, tarief II, € 1.074,- per punt).

5 5. De beslissing


Het gerechtshof, rechtdoende in hoger beroep:


bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;


veroordeelt [appellant] in de proceskosten van het geding in hoger beroep en begroot deze kosten, voor zover tot op heden aan de zijde van Openbaar Onderwijs Groep Groningen gevallen, op € 1.957,- aan verschotten en op € 2.148,- voor geliquideerd salaris van de advocaat;


verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;


wijst het meer of anders gevorderde af.


Dit arrest is gewezen door mrs. M.E.L. Fikkers, H. de Hek en W.A. Zondag en is in het openbaar uitgesproken op 21 augustus 2018 door de rolraadsheer, in tegenwoordigheid van de griffier.