Gerechtshof Leeuwarden, 07-04-2009 / 107.002.439/01


ECLI:NL:GHLEE:2009:BI2393

Inhoudsindicatie
Bedrijfsmatig handelen door koper van tweedehands auto's wordt in dit geval niet geacht namens de - failliete - BV te zijn gedaan.
Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Uitspraakdatum
2009-04-07
Publicatiedatum
2009-04-27
Zaaknummer
107.002.439/01
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Civiel recht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

Arrest d.d. 7 april 2009

Zaaknummer 107.002.439/01


HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN


Arrest van de eerste kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:


[persoonsnaam appellant] Auto's B.V.,

gevestigd te Herbaijum, gemeente Franekeradeel,

appellante,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna te noemen: [appellant],

advocaat: mr. P. van Bommel, kantoorhoudende te Franeker,



tegen



[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats en -gemeente geïntimeerde],

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna te noemen: [geïntimeerde],

toevoeging,

advocaat: mr. A.H. Punt-Koopmans, kantoorhoudende te Leeuwarden.


Het geding in eerste instantie

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in het aangehechte vonnis, uitgesproken op 7 november 2007 door de rechtbank Leeuwarden.


Het geding in hoger beroep

Bij exploot van 4 februari 2008 is door [appellant] hoger beroep ingesteld van genoemd vonnis met dagvaarding van [geïntimeerde] tegen de zitting van 20 februari 2008.


De conclusie van de memorie van grieven luidt:


Het vonnis d.d. 7 november 2007, door de Rechtbank te Leeuwarden gewezen appellante als eiseres en geïntimeerde als gedaagde, te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, zonodig met verbetering c.q. aanvulling der gronden, de vorderingen van appellante geheel toe te wijzen, alsmede geïntimeerde te veroordelen in de kosten van beide instanties.



Bij memorie van antwoord is door [geïntimeerde] verweer gevoerd met als conclusie:


dat [geïntimeerde] het Hof verzoekt [appellant] in haar grieven niet ontvankelijk te verklaren, dan wel de grieven van [appellant] ongegrond te verklaren,


met veroordeling van [appellant] in de kosten van het geding in beide instanties.


Voorts heeft [appellant] een akte genomen, waarop door [geïntimeerde] bij antwoordakte is gereageerd.

Tenslotte hebben partijen de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest.


De grieven

[appellant] heeft drie grieven opgeworpen.


Wijziging van eis

1. Bij akte van 9 december 2008 heeft [appellant] de grondslag van haar eis nader aangevuld. [geïntimeerde] heeft zich daartegen verzet.

Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 20 juni 2008, LJN BC4959, diende [appellant] de wijziging van eis in beginsel in de memorie van grieven op te nemen. Uit niets volgt dat de toegevoegde grondslag niet in dat stadium had kunnen plaatsvinden. [geïntimeerde] heeft dan ook terecht bezwaar gemaakt. Het hof zal de toegevoegde grondslag verder buiten beschouwing laten.








De beoordeling


De feiten

2. In hoger beroep kan worden uitgegaan van de door de rechtbank in het vonnis van 7 november 2007 onder 2.1 tot en met 2.3 vastgestelde feiten, waartegen geen grieven zijn gericht. Deze feiten komen, tezamen met wat partijen overigens omtrent de feiten hebben gesteld en niet of niet voldoende hebben weersproken, op het volgende neer.

2.1 In 2002 heeft [appellant] een Opel Corsa met kenteken [kenteken 1] en een Honda Civic met kenteken [kenteken 2] verkocht voor respectievelijk

€ 3.796,- en € 4.000,- en deze auto's afgegeven aan [geïntimeerde]. De factuur d.d. 12 november 2002 voor in totaal € 7.796,- is gericht aan Autobedriuw [geïntimeerde], [adres]. [appellant] en [geïntimeerde] hebben eerder met elkaar zaken gedaan.

2.2 Bedoelde Opel Corsa is doorverkocht aan [betrokkene] en het kenteken is blijkens overgelegde informatie uit het kentekenregister op 16 januari 2004 overgeschreven van [appellant] op [betrokkene].

2.3 Van de Honda Civic bezit [appellant] nog steeds de originele kentekenpapieren. Deze auto heeft volgens de RDW vanaf april 2002 tot 12 december 2005 deel uitgemaakt van de handelsvoorraad van [appellant]; per deze datum is de auto opgenomen in de bedrijfsvoorraad van "B 14204". Onder dit bedrijfsnummer valt de sinds 1 juli 2004 door [geïntimeerde] gedreven eenmanszaak met de handelsnaam Autobedriuw [geïntimeerde], [adres]. Op 7 juni 2006 is voor deze Honda een vervangend kentekenbewijs afgegeven aan [geïntimeerde], nadat [geïntimeerde] aangifte had gedaan van vermissing.

2.4 [appellant] heeft [geïntimeerde] meermalen vergeefs gesommeerd tot betaling van de factuur, laatstelijk bij brief van 14 februari 2007. [geïntimeerde] stelde zich bij brief van 6 november 2006 op het standpunt dat hij namens het inmiddels failliete Autobedriuw [geïntimeerde] B.V. contant had betaald. [appellant] ontkent betaling ontvangen te hebben.

2.5 Van de onder 1.4 bedoelde B.V. met gelijkluidende handelsnaam is [geïntimeerde] bestuurder (directeur) geweest van 13 mei 1996 tot en met 11 mei 2005; deze onderneming is in het handelsregister ingeschreven onder nummer 01066792. Tussentijds is, op 1 juli 2004, de bedrijfsomschrijving gewijzigd van "garagebedrijf in- en verkoop van auto's" naar "beheren van vermogen". Op 11 mei 2005 is de statutaire naam gewijzigd in Auto Accessoires Noord Nederland B.V., welke rechtspersoon op 1 september 2005 in staat van faillissement is verklaard.

Vanaf 1 juli 2004 is het garagebedrijf als eenmanszaak voortgezet door [geïntimeerde].

2.6 Uit het handelsregister blijkt dat eenmanszaak Autobedriuw [geïntimeerde] te Stiens sinds 23 augustus 1993 is ingeschreven onder nummer 01066792; en vanaf 1 juli 2004 onder nummer 01104729.


De procedure in eerste aanleg

3.1 [appellant] heeft gevorderd dat [geïntimeerde], uitvoerbaar bij voorraad, wordt veroordeeld tot betaling van € 12.877,18 inclusief wettelijke rente over de hoofdsom vanaf 1 december 2002 en buitengerechtelijke kosten.

3.2 Na comparitie van partijen heeft de rechtbank deze vordering afgewezen, daartoe oordelend dat partijen hebben bedoeld en begrepen dat [geïntimeerde] niet optrad als privépersoon maar als vertegenwoordiger van zijn autobedrijf, gevoerd in de vorm van een besloten vennootschap.


Beoordeling van de grieven

4. Met de drie geformuleerde grieven legt [appellant] het geschil in volle omvang aan het hof voor.


5. [appellant] bestrijdt dat [geïntimeerde] is opgetreden als vertegenwoordiger voor de vennootschap. Ter toelichting stelt zij onder meer dat [geïntimeerde] nimmer enige grond heeft gegeven waaruit zij heeft moeten afleiden dat zij niet met [geïntimeerde] in persoon handelde, maar met [geïntimeerde] als bestuurder van een B.V. Daarnaast wijst zij erop dat de verkochte auto's, niet alleen volgens de faillissementscurator maar ook volgens de verklaring van [geïntimeerde] zelf ter comparitie, nimmer tot de bedrijfsvoorraad van de B.V. hebben behoord.


6. [geïntimeerde] beroept zich er primair op dat het voor risico van [appellant] komt dat zij heeft nagelaten het handelsregister te raadplegen nu zij wist dat [geïntimeerde] beroepshalve auto's aanschafte. Subsidiair betwist hij dat gebeurtenissen na het aangaan van de koopovereenkomst van belang zijn voor de vraag wie bij het sluiten als partij heeft te gelden en meer subsidiair voert hij aan dat er in 2002 geen eenmanszaak bestond, dat hij de auto's ophaalde met een truck voorzien van de naam van de B.V. en dat [appellant] rond 2002 via overschrijvingen per bank betalingen ontving van de B.V.


7. Of iemand op eigen naam heeft gehandeld, hangt af van wat hij en de ander daaromtrent in de gegeven omstandigheden jegens elkaar hebben verklaard en over en weer uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben afgeleid en mochten afleiden. De rechtbank is terecht van dit criterium uitgegaan.

In beginsel bindt een handelende partij zichzelf, tenzij er reden is om aan te nemen dat hij namens een ander optreedt. Ter comparitie heeft [geïntimeerde] verklaard dat hij weliswaar regelmatig zaken heeft gedaan met [appellant] maar nimmer aan [appellant] heeft meegedeeld dat hij als bestuurder van de B.V. optrad. Dat [geïntimeerde] namens de B.V. handelde kan echter, behalve uit een uitdrukkelijke mededeling van [geïntimeerde], ook worden afgeleid uit omstandigheden, zoals in dit geval -waarin partijen eerder zaken deden en [geïntimeerde] kenbaar beroeps- of bedrijfsmatig handelde- het feit dat het handelsregister al enige jaren geen eenmanszaak met de gebruikte handelsnaam vermeldde.

Door [appellant] is evenwel gemotiveerd gesteld dat beide auto's nimmer tot de bedrijfsvoorraad van Autobedriuw [geïntimeerde] B.V. hebben behoord en [geïntimeerde] heeft hiervoor geen toereikende verklaring gegeven. De door hem gestelde omstandigheid dat de curator van de failliete vennootschap een activatransactie van de B.V. met de (nieuwe) eenmanszaak van [geïntimeerde] heeft vernietigd en dat [geïntimeerde] in dat kader € 30.000,- aan de curator heeft betaald, kan geenszins als een afdoende verklaring worden aangemerkt. Vast staat voorts dat de Honda Civic wel tot de bedrijfsvoorraad van de nieuwe eenmanszaak is gaan behoren, zonder dat [geïntimeerde] daarvoor een toereikende verklaring heeft gegeven, hetgeen op zijn weg lag.

[geïntimeerde] mag zich er daarom naar het oordeel van het hof niet op beroepen dat er in 2002 officieel geen eenmanszaak bestond en dat daarom zijn beroeps- of bedrijfsmatig handelen door [appellant] moest worden toegerekend aan de B.V.

Dat andere facturen van [appellant] twee keer per bank zijn betaald door afschrijving van een rekening ten name van Autobedriuw [geïntimeerde] B.V. is onvoldoende om aan te nemen dat [geïntimeerde] de onderhavige overeenkomst namens de B.V. heeft gesloten, ook al omdat men andermans rekening kan betalen. Dat deze auto's bij [appellant] zijn opgehaald met een truck voorzien van de opdruk "Autobedriuw [geïntimeerde] B.V" is onvoldoende om aan te nemen dat [geïntimeerde] heeft beoogd om de B.V. te binden. Aangezien [geïntimeerde] onvoldoende opening van zaken heeft geboden passeert het hof zijn bewijsaanbod dat toch de B.V. als wederpartij moet worden aangemerkt.

Nu het hof op dit onderdeel tot een ander oordeel dan de rechtbank komt, dient het hof zich thans te buigen over in eerste aanleg niet besproken verweren van [geïntimeerde].


8. [geïntimeerde] blijft er ook in hoger beroep bij dat hij contant betaald heeft. Daarvan heeft hij evenwel ook in appel geen bewijs aangeboden. Het hof is van oordeel dat het verweer moet worden afgewezen voor zover het de Honda Civic betreft.

Ten aanzien van de Opel Corsa heeft [geïntimeerde] er op gewezen dat [appellant] naar eigen zeggen pas kentekenbewijzen afgaf nadat de koopprijs aan haar was betaald. Daaruit valt, meent [geïntimeerde], af te leiden dat de koopprijs voor de Opel Corsa wèl is voldaan.

Bij akte heeft [appellant] laten weten de kentekenpapieren voor de Opel Corsa in dit geval wel te hebben afgegeven zonder voorafgaande betaling, omdat zij meende dat de achtergehouden documenten van de Honda Civic genoeg zekerheid boden voor betaling van beide auto's. Die zekerheid werd doorkruist doordat [geïntimeerde] valselijk aan vervangende kentekenpapieren wist te komen.

In zijn antwoordakte is [geïntimeerde] hierop niet ingegaan.

Het hof is van oordeel dat [appellant] haar stellingen met betrekking tot de betwiste betaling voor deze Opel Corsa aldus genoegzaam nader heeft onderbouwd in het licht van haar eigen opmerkingen omtrent het gewoonlijk achterhouden van kentekenpapieren totdat is betaald.

Voor een verschuiving van de bewijslast van [geïntimeerde] naar [appellant] ziet het hof daarom geen reden.


9. Het voorgaande heeft tot gevolg dat de hoofdsom van € 7.796,- toewijsbaar is, te vermeerderen met de gevorderde en niet betwiste wettelijke handelsrente over dat bedrag vanaf 1 december 2002.

Tegen de meegevorderde incassokosten is verweer gevoerd dat niet deugdelijk is weersproken. Deze kosten worden afgewezen.



De slotsom

10.1 Gelet op de terecht voorgedragen grieven kan het vonnis van de rechtbank niet in stand blijven.


10.2 De hoofdsom van € 7.796,- is toewijsbaar, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over dit bedrag vanaf 1 december 2002 tot voldoening.


10.3 [geïntimeerde] wordt als de overwegend in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de kosten van de procedure in beide instanties. De kosten van eerste aanleg bedragen aan de zijde van [appellant] € 386,85 voor verschotten en € 904,- wegens salaris voor de advocaat (2,0 punt x tarief € 452,-). De kosten van hoger beroep worden aan de zijde van [appellant] vastgesteld op € 477,80 aan verschotten en € 1341,- aan salaris advocaat (1,5 punt x € 894,- bij tarief II).


10.4 [appellant] heeft ook voorwaardelijk, indien niet in der minne aan een veroordeling wordt voldaan, gevorderd om [geïntimeerde] in de nakosten te veroordelen. Deze vordering is niet toewijsbaar. Uit artikel 237 lid 4 Rv volgt dat nakosten slechts kunnen worden toegewezen in een bevelschrift, afgegeven door de rechter die de proceskostenveroordeling heeft uitgesproken. Artikel 237 lid 4 Rv biedt geen toereikende grondslag voor het bij voorbaat toewijzen van kosten die eerst na de uitspraak (mogelijk) ontstaan. De bepaling heeft immers betrekking op "na de uitspraak ontstane kosten". Bovendien staat het slot van deze bepaling, waarin het instellen van een gewoon rechtsmiddel tegen een beslissing omtrent de nakosten wordt uitgesloten, in de weg aan toewijzing van nakosten in de uitspraak zelf. Wanneer over de nakosten in de uitspraak zelf wordt beslist, zou met de uitspraak zelf ook de beslissing over de nakosten, tegen de in artikel 237 lid 4 Rv neergelegde bedoeling van de wetgever in, aan een hogere voorziening zijn onderworpen, hetgeen de wetgever juist heeft willen voorkomen.









De beslissing

Het gerechtshof:


- vernietigt het vonnis waarvan beroep


en opnieuw rechtdoende:


- veroordeelt [geïntimeerde] om tegen bewijs van kwijting aan [appellant] te voldoen een bedrag van € 7.796,- te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 1 december 2002 tot aan de dag der algehele voldoening;


- veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het geding in beide instanties en begroot die tot aan deze uitspraak aan de zijde van [appellant]:

in eerste aanleg op € 373,85 aan verschotten en € 904,- aan geliquideerd salaris voor de advocaat,

in hoger beroep op € 477,80 aan verschotten en € 1341,- aan geliquideerd salaris voor de advocaat;


- verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;


- wijst af het meer of anders gevorderde.


Aldus gewezen door mrs.. Kuiper, De Hek en Fikkers, raden, en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof van dinsdag 7 april 2009 in het bijzijn van de griffier.