Gerechtshof Leeuwarden, 08-03-2011 / 200.062.501


ECLI:NL:GHLEE:2011:BQ5107

Inhoudsindicatie
Gelet op het incident rondom de omgang in het pinksterweekend 2010, moeten Pinksteren en Pasen worden verstaan als vakantieperioden waarover de ouders derhalve tijdig afspraken dienen te maken.
Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Uitspraakdatum
2011-03-08
Publicatiedatum
2011-05-19
Zaaknummer
200.062.501
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

Beschikking d.d. 8 maart 2011

Zaaknummer 200.062.501


HET GERECHTSHOF LEEUWARDEN


Beschikking in de zaak van

[de vader],

wonende te [woonplaats],

appellant,

hierna te noemen: de vader,

advocaat mr. M.R. Rauwerda, kantoorhoudende te Leeuwarden,


tegen


[de moeder],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. A. Szirmai, kantoorhoudende te Heerenveen.



Het geding in eerste aanleg

Bij uitvoerbaar bij voorraad verklaarde beschikking van 13 januari 2010 heeft de rechtbank Leeuwarden (hierna: de rechtbank) het verzoek van de vader tot wijziging van de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen [kind 1] (hierna: [kind 1]), geboren op [2001] in de gemeente [geboorteplaats], en [kind 2] (hierna: [kind 2]), geboren op [2003] in de gemeente [geboorteplaats], afgewezen en een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de ouders vastgesteld. Tevens heeft de rechtbank de moeder vervangende toestemming verleend om met de kinderen te verhuizen van [woonplaats] naar Hardegarijp.


Het geding in hoger beroep

Bij beroepschrift, binnengekomen op de griffie op 8 april 2010, heeft de vader verzocht de beschikking van 13 januari 2010 te vernietigen en opnieuw te beslissen zoals vermeld in zijn petitum.


Bij verweerschrift, binnengekomen op de griffie op 26 mei 2010, heeft de moeder het verzoek bestreden en verzocht, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de vader in zijn verzoek niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel hem zijn verzoeken te ontzeggen c.q. af te wijzen en de beschikking waarvan beroep te bekrachtigen, met veroordeling van de man in de kosten van het hoger beroep.


Het hof heeft voorts kennisgenomen van de overige stukken, waaronder een brief van 19 april 2010 van de Raad voor de Kinderbescherming en een brief van 15 november 2010 met bijlagen van mr. Szirmai.


Ter zitting van 25 november 2010 is de zaak behandeld. Verschenen zijn de vader, bijgestaan door mr. G. van Mastrigt (een kantoorgenote van mr. Rauwerda) en de moeder, bijgestaan door haar advocaat.


De beoordeling

Terminologie

1. Daar waar het hof hierna spreekt over omgangsregeling of zorgregeling heeft dit betrekking op de toedeling aan de ouders van de zorg-en opvoedingstaken.


Vaststaande feiten

2. Partijen zijn op 7 mei 2001 gehuwd. Uit het huwelijk zijn [kind 1] en [kind 2] geboren. Bij beschikking van de rechtbank van [2005] is de echtscheiding uitgesproken. De echtscheidingsbeschikking is op [2005] ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.


3. De ouders zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag. De kinderen hebben hun hoofdverblijfplaats bij de moeder.


De standpunten

Vervangende toestemming en wijziging hoofdverblijfplaats

4. Ter zitting heeft de vader aangegeven zijn grieven met betrekking tot de door de rechtbank verleende vervangende toestemming aan de moeder om te verhuizen naar Hardegarijp en het daaraan door hem gekoppelde verzoek tot wijziging van de hoofdverblijfplaats van de kinderen in te trekken. Het hof zal behandeling van deze grieven daarom achterwege laten.


De toedeling van de zorg- en opvoedingstaken

5. De vader heeft -zakelijk weergegeven- aangevoerd dat partijen ten tijde van de echtscheiding een uitgebreide omgangsregeling tussen hem en de kinderen waren overeengekomen en dat hij die daarom ook wenst te handhaven. Hij heeft in zijn beroepschrift de volgende omgangsregeling verzocht:

- iedere maandag uit school halen tot en met woensdag naar school brengen om 08.30 uur, waarbij hij haalt en brengt. Indien de kinderen vrij zijn van school vanaf maandagochtend 08.30 uur tot woensdagochtend 08.30 uur;

- in de even weken vanaf vrijdag uit school halen tot woensdag naar school brengen om 08.30 uur, waarbij hij haalt en brengt;

- de helft van de vakanties en bijzondere (feest)dagen in onderling overleg vast te stellen.


6. De moeder is van mening dat de rechtbank de omgangsregeling zoals die werd uitgevoerd door partijen reeds heeft uitgebreid. Volgens haar hebben zij daarvoor telkens uitvoering gegeven aan de volgende omgangsregeling:

- iedere week van vrijdag uit school (en wanneer [kind 2] vrij was vanaf 08.30 uur) tot in de ene week zaterdagochtend 10.00 uur en in de andere week, zondagochtend 10.00 uur, waarbij de vader haalt en brengt;

- iedere week van dinsdag uit school tot woensdag naar school, waarbij de vader haalt en brengt;

- de helft van de vakanties en feestdagen.

De moeder heeft voorts nog aangegeven dat de kinderen gedurende een korte periode afwisselend eerst de maandag en later de woensdag bij de vader verbleven. Dit bleek echter te onrustig voor de kinderen.


7. De moeder acht een verdere uitbreiding dan de door de rechtbank vastgestelde niet in het belang van de kinderen omdat dit te onrustig zal zijn, te ver en niet praktisch (met het oog op sociale activiteiten). Bovendien speelt hierbij tevens een grote rol dat de communicatie tussen haar en de vader niet goed verloopt. Diverse pogingen om de communicatie te verbeteren zijn mislukt.


De overwegingen van het hof

8. Het hof heeft moeten constateren dat de ouders reeds geruime tijd strijden over een relatief geringe uitbreiding van de zorgregeling. Het lukt de ouders niet om hier onderling uit te komen. Vaststaat dat de kinderen onder de strijd tussen de ouders lijden. Gelet op de moeizame communicatie tussen de ouders en het feit dat teveel onrust voor de kinderen moet worden voorkomen, acht het hof de volgende zorgregeling in het belang van de kinderen:

- in de even weken op vrijdag uit school tot en met de dinsdagochtend naar school, waarbij de vader haalt en brengt;

- indien [kind 2] en/of [kind 1] één keer per maand op de vrijdag vrij is/zijn, en deze vrije vrijdag in het zorgweekend van de vader valt, vanaf 08.30 uur, waarbij de moeder [kind 2] en/of [kind 1] brengt;

- iedere week de dinsdag uit school tot en met de woensdagochtend naar school, waarbij de vader haalt en brengt;

- de helft van de vakanties en feestdagen in onderling overleg nader vast te stellen.


9. Het hof ziet in hetgeen daaromtrent door de vrouw is aangevoerd geen reden om af te wijken van de in zaken als deze gebruikelijke compensatie van kosten.


10. Tot slot merkt het hof op dat, gelet op het incident met het pinksterweekend in 2010, Pinksteren en Pasen moeten worden verstaan als vakantieperioden en dat de ouders hierover derhalve tijdig in onderling overleg afspraken dienen te maken.


Slotsom

11. Het hof zal de beschikking waarvan beroep vernietigen voor zover het de zorgregeling betreft. Er zal in zoverre opnieuw worden beslist als na te melden.


De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beschikking waarvan beroep voor wat betreft de zorgregeling;

en opnieuw beslissende:

bepaalt de volgende zorgregeling tussen de vader en de minderjarigen [kind 1], geboren op [2001] in de gemeente [geboorteplaats], en [kind 2], geboren op [2003] in de gemeente [geboorteplaats]:

- in de even weken op vrijdag uit school tot en met de dinsdagochtend naar school, waarbij de vader haalt en brengt;

- indien [kind 2] en/of [kind 1] één keer per maand op de vrijdag vrij is/zijn, en deze vrije vrijdag in het zorgweekend van de vader valt, vanaf 08.30 uur, waarbij de moeder [kind 2] en/of [kind 1] brengt;

- iedere week de dinsdag uit school tot en met de woensdagochtend naar school, waarbij de vader haalt en brengt;

- de helft van de vakanties en feestdagen in onderling overleg nader vast te stellen.


verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;


wijst af het meer of anders verzochte.


Deze beschikking is gegeven door mrs. M.P. den Hollander, voorzitter, A.W. Beversluis en K.R. Kuiken, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 8 maart 2011 in het bijzijn van de griffier.