Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 23-11-2006 / 04/01590


ECLI:NL:GHSHE:2006:BA2529

Inhoudsindicatie
Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende in het onderhavige jaar anders dan op grond van de in 4.2.2 (gedeeltelijk) weergegeven wetsbepaling buitenlands belastingplichtige is. Daarbij is het hof niet gebleken dat de kosten van adviesbureaus en de advocaatkosten betreffen de onroerende zaken zelf dan wel "rechten die direct of indirect betrekking hebben op in Nederland gelegen onroerende zaken". Evenmin is het hof gebleken dat de kosten zijn gemaakt ter verwerving van vergunningen die behoren tot het vermogen van een onderneming die, of een gedeelte van een onderneming dat wordt gedreven met behulp van een vaste inrichting in Nederland of van een vaste vertegenwoordiger in Nederland.
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Uitspraakdatum
2006-11-23
Publicatiedatum
2007-04-10
Zaaknummer
04/01590
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Belastingrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • NTFR 2007, 751
  • V-N 2007/39.17 met annotatie van Redactie
  • FutD 2007-0731
Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 04/01590



HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH



U I T S P R A A K



Uitspraak van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch, vierde meervoudige belastingkamer, op het beroep van N.V. X te Y (België) (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de voorzitter van het managementteam van het onderdeel Belastingdienst/P van de rijksbelastingdienst (hierna: de Inspecteur) op het bezwaarschrift betreffende na te melden aanslag en de daarbij gegeven boetebeschikking.



1. Ontstaan en loop van het geding


1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 2001 ambtshalve een aanslag in de vennootschapsbelasting opgelegd naar een belastbaar Nederlands bedrag van ƒ 15.000,=, alsmede bij beschikking een verzuimboete van ƒ 2.500,=.

De aanslag en de boetebeschikking zijn, na daartegen gemaakt bezwaar, bij in één geschrift vervatte uitspraken van de Inspecteur gehandhaafd.


1.2. Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij het hof.

Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 273,=.

De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.


1.3. Het onderzoek ter zitting heeft in het openbaar plaatsgehad op 30 november 2005 te 's-Hertogenbosch.

Aldaar zijn toen verschenen en gehoord de heer A, verbonden aan B B.V. te Q, als gemachtigde van belanghebbende, alsmede, namens de Inspecteur, de heer C.


1.4. Belanghebbende heeft te dezer zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het hof en aan de wederpartij. Het hof rekent deze pleitnota tot de stukken van het geding.


1.5. Het hof heeft vervolgens het onderzoek ter zitting gesloten.



2. Feiten


Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of niet voldoende weersproken, het volgende vast.


2.1. Belanghebbende is een naar Belgisch recht opgerichte naamloze vennootschap, die een tweetal in Nederland gelegen onroerende zaken bezit (hierna: de onroerende zaken).


2.2. De onroerende zaken betreffen de panden A-straat 1 en B-straat 1, beide te R, die worden verhuurd aan Stichting D (D) en Stichting E (E), beide te S (hierna: de stichtingen). De stichtingen exploiteren in de onroerende zaken elk een privé-club (door belanghebbende ook wel bordeel genoemd), onder de naam "F" respectievelijk "FF". De stichtingen zijn opgericht op 29 september 2000.


2.3. Aan belanghebbende is voor het jaar 2001 een aangiftebiljet vennootschapsbelasting uitgereikt dat vóór 1 juni 2002 had moeten worden ingezonden, hetgeen echter niet is geschied. Daarop heeft de Inspecteur aan belanghebbende een aanmaning verzonden met als uiterste inleveringdatum van het aangiftebiljet 7 november 2002. Aangezien niet op de aanmaning werd gereageerd, heeft de Inspecteur ambtshalve met dagtekening 22 november 2003 de onderhavige aanslag met de verzuimboete opgelegd.


2.4. Tussen partijen is niet in geschil dat een verzuimboete is opgelegd vanwege een vijfde verzuim.


2.5. Op 5 december 2003 heeft de Inspecteur alsnog een ingevuld en ondertekend aangiftebiljet voor het jaar 2001 met jaarstukken ontvangen, waarin een verlies van € 14.735,= wordt vermeld. Hij heeft vervolgens dit aangiftebiljet als bezwaarschrift aangemerkt.


2.6. Bij de uitspraken op het bezwaar heeft de Inspecteur een belastbaar Nederlands bedrag berekend van € 7.743,= (ƒ 17.063,=) en concludeert hij dat de aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld.



3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen


3.1. Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:


- Kunnen de kosten van huur voor een opslagruimte ten bedrage van BEF 50.015,= (omgerekend € 1.240,=) en advocaatkosten ten bedrage van (omgerekend) € 22.090,= in mindering worden gebracht op het in 2001 genoten Nederlandse inkomen?


- Zo ja, dient de verzuimboete overeenkomstig het aldus te verminderen belastbare Nederlandse bedrag te worden verminderd?


Belanghebbende is van oordeel dat deze vragen bevestigend moeten worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.


3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden, welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Ter zitting hebben zij hieraan nog het volgende, zakelijk weergegeven, toegevoegd:


Belanghebbende


- Vóór de opheffing van het bordeelverbod in 2000 werden vergunningen per pand verleend en daarna per exploitant.


- De boete is op zich niet in geschil, maar alleen de hoogte vanwege het onderscheid bij een positief of negatief bedrag.


De Inspecteur


- Ik blijf bij mijn standpunt dat de uitgaven zijn gedaan voor de privé-clubs en niet voor de onroerende zaken zelf.


3.3. Belanghebbende concludeert, naar het hof verstaat, tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de bestreden uitspraken en vermindering van de aanslag tot nihil en van de boete tot ƒ 500,=.

De Inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.


Voor het geval het gelijk is aan belanghebbende, zijn partijen het erover eens dat de aanslag verminderd dient te worden tot nihil en het verlies van het jaar 2001 moet worden vastgesteld op € 15.587,=.



4. Beoordeling van het geschil


Met betrekking tot de enkelvoudige belasting


4.1. Aangezien belanghebbende niet de vereiste aangifte heeft gedaan, dient zij op grond van het bepaalde in artikel 27e van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: Awr) te doen blijken dat en in hoeverre de uitspraak op het bezwaar, voor zover die de enkelvoudige belasting betreft, onjuist is.


4.2.1. Artikel 17 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (hierna: de Wet) luidt, voor zover van belang, als volgt:


"1. Ten aanzien van buitenlandse belastingplichtigen wordt de belasting geheven naar het belastbare Nederlandse bedrag; [...].

2. Het belastbare Nederlandse bedrag is het in een kalenderjaar genoten Nederlandse inkomen verminderd met de op de voet van Hoofdstuk IV te verrekenen verliezen uit Nederlands inkomen.

3. Het Nederlandse inkomen is het gezamenlijke bedrag van:

a. de belastbare winst uit een in Nederland gedreven onderneming, zijnde het bedrag van de gezamenlijke voordelen die worden verkregen uit een onderneming die, of een gedeelte van een onderneming dat wordt gedreven met behulp van een vaste inrichting in Nederland of van een vaste vertegenwoordiger in Nederland

(Nederlandse onderneming);".


4.2.2. Artikel 17a van de Wet luidt, voor zover van belang, als volgt:


"Tot een Nederlandse onderneming worden gerekend:

a. in Nederland gelegen onroerende zaken, daaronder begrepen:

1°. rechten die direct of indirect betrekking hebben op in Nederland gelegen onroerende zaken [...]".


4.3.1. Belanghebbende stelt met betrekking tot de kosten van huur voor een opslagruimte dat in het onderhavige jaar de beide panden inclusief meubilair werden verhuurd en dat zij in verband met een verbouwing verplicht was het huisraad op te slaan bij derden, waarvoor een vergoeding van BEF 50.015,= (omgerekend € 1.240,=) is betaald.

De Inspecteur neemt hier tegenover het standpunt in dat uit de door belanghebbende overgelegde jaarstukken niets blijkt van een verbouwing.


4.3.2. Met hetgeen belanghebbende heeft gesteld, en waarvoor zij geen bewijs heeft aangedragen, heeft zij naar het oordeel van het hof niet doen blijken dat de kosten van huur voor een opslagruimte ten bedrage van (omgerekend) € 1.240,= behoren tot de gezamenlijke voordelen die worden verkregen uit een Nederlandse onderneming.


4.4.1. Belanghebbende stelt met betrekking tot de advocaatkosten dat zij in het jaar 2000 aan derden opdracht heeft gegeven "om diverse regelingen conform het beleid van privé-clubs, vergunningen door gemeenten, op te volgen en te legaliseren.". Belanghebbende stelt verder dat de panden "worden gebruikt ter bevordering voor privé clubs en moeten derhalve een vergunning hebben.". Over de door de derden - adviesbureaus - in rekening gebrachte kosten zijn juridische geschillen ontstaan, waarvoor belanghebbende bijstand van advocaten heeft ingeroepen.

De Inspecteur neemt hier tegenover het standpunt in dat de kosten van adviesbureaus en de advocaatkosten niet zien op de onroerende zaken zelf, maar op de exploitatie van de privé-clubs en/of op een voorgenomen verkoop van de aandelen in belanghebbende.


4.4.2. Het hof maakt uit de gedingstukken op dat de beide privé-clubs tot in het jaar 2000 door belanghebbende zelf werden gedreven, maar nog in het jaar 2000 zijn overgedragen aan de stichtingen.


4.4.3. Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende in het onderhavige jaar anders dan op grond van de in 4.2.2 (gedeeltelijk) weergegeven wetsbepaling buitenlands belastingplichtige is. Daarbij is het hof niet gebleken dat de kosten van adviesbureaus en de advocaatkosten betreffen de onroerende zaken zelf dan wel "rechten die direct of indirect betrekking hebben op in Nederland gelegen onroerende zaken". Evenmin is het hof gebleken dat de kosten zijn gemaakt ter verwerving van vergunningen die behoren tot het vermogen van een onderneming die, of een gedeelte van een onderneming dat wordt gedreven met behulp van een vaste inrichting in Nederland of van een vaste vertegenwoordiger in Nederland.


4.4.4. Met hetgeen belanghebbende heeft gesteld, en waarvoor zij geen, althans onvoldoende bewijs heeft aangedragen, heeft zij naar het oordeel van het hof niet doen blijken dat de advocaatkosten ten bedrage van (omgerekend) € 22.090,= behoren tot de gezamenlijke voordelen die worden verkregen uit een Nederlandse onderneming.


4.5. Gelet op het vorenoverwogene is de aanslag naar het oordeel van het hof eerder te laag dan te hoog vastgesteld.




Met betrekking tot de verzuimboete


4.6.1. Tussen partijen is niet in geschil dat sprake is van een vijfde verzuim. De Inspecteur heeft aan dit feit het gevolg verbonden dat op grond van het bepaalde in artikel 67a van de Awr in verbinding met § 21 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998 (hierna: BBBB 1998) de boete ƒ 2.500,= dient te bedragen.


4.6.2. Belanghebbende stelt slechts dat de boete aangepast dient te worden in verband met het door haar verdedigde (negatieve) Nederlandse inkomen.


4.6.3. Gesteld noch gebleken is dat de Inspecteur een onjuiste toepassing heeft gegeven aan de in 4.6.1 genoemde wetsbepaling in verbinding met het voor dat geval geldende beleid. Evenmin is gesteld dat sprake is van bijzondere omstandigheden die tot matiging van de boete zouden kunnen leiden, als bedoeld in hoofdstuk VI van het BBBB 1998. Naar het oordeel van het hof is de opgelegde boete van ƒ 2.500,= in het onderhavige geval passend en geboden. Het hof ziet evenwel aanleiding de boete met tien procent te matigen vanwege overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, aangezien de boetebeschikking is gedagtekend 22 november 2003, het beroepschrift bij het hof is binnengekomen op 27 juli 2004 en er sedert de eerstgenoemde datum meer dan twee jaren zijn verstreken.


Slotsom


4.7. Gelet op het vorenstaande is het gelijk met betrekking tot de in geschil zijnde vragen aan de zijde van de Inspecteur. De boete dient, uitsluitend om bij het hof liggende redenen, te worden verminderd tot ƒ 2.250,=.



5. Griffierecht


Het hof is van oordeel dat er geen redenen aanwezig zijn om te gelasten dat aan belanghebbende het door haar betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk wordt vergoed.



6. Proceskosten


Het hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.



7. Beslissing


Het hof:

verklaart het beroep ongegrond;

handhaaft de bestreden uitspraak met betrekking tot de enkelvoudige belasting;

vernietigt de bestreden uitspraak met betrekking tot de boetebeschikking;

vermindert de boete tot een bedrag van ƒ 2.250,- (€ 1.021,=).



Aldus gedaan op 23 november 2006 door J.W. van der Voort, voorzitter, J. Swinkels en D.G. Barmentlo, in tegenwoordigheid van A.W.J. Strik, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken.










Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden op: 23 november 2006




Het aanwenden van een rechtsmiddel:


Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in

cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd.

Na het instellen van beroep ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.


In het beroepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.