Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 24-09-2013 / HD 200.129.109_01


ECLI:NL:GHSHE:2013:4352

Inhoudsindicatie
Huur woonruimte. Ernstige overlast. Psychische problematiek laat onverlet dat de overlast in de verhouding tot de verhuurder aan de huurder moet worden toegerekend. Ontbinding en ontruiming.
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Uitspraakdatum
2013-09-24
Publicatiedatum
2013-09-26
Zaaknummer
HD 200.129.109_01
Rechtsgebied
Civiel recht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht


zaaknummer HD 200.129.109/01


arrest van 24 september 2013


in de zaak van


[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

hierna aan te duiden als [appellant],

advocaat: mr. S. Jongen te Maastricht,


tegen


Woningstichting Servatius,

gevestigd te [vestigingsplaats],

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als Servatius,

advocaat: mr. N. Kooistra te Maastricht,


op het bij exploot van dagvaarding van 24 juni 2013 ingeleide hoger beroep van het vonnis van de rechtbank Limburg, sector kanton, locatie Maastricht, van 12 juni 2013, gewezen tussen [appellant] als opposerende partij en Servatius als geopposeerde partij.


1Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 509569 CV EXPL 13-343)


Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis. Dat vonnis is gewezen in een verzetprocedure. Aan die procedure is een verstekprocedure voorafgegaan waarin de rechtbank Maastricht, sector kanton, locatie Maastricht op 19 december 2012 onder zaaknummer 505354 CV EXPL 12-5213 een verstekvonnis heeft gewezen.

[appellant] wenst met zijn hoger beroep tegen het verzetvonnis te bereiken dat ook het verstekvonnis wordt vernietigd.


2Het geding in hoger beroep


Het verloop van de procedure blijkt uit:

-de dagvaarding in hoger beroep met zes grieven en vier producties;

-de akte van [appellant] met twee nadere producties (genummerd 5 en 6);

-memorie van antwoord met drie producties (genummerd 32, 33, en 34).


Partijen hebben arrest gevraagd. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.


3De gronden van het hoger beroep


Voor de tekst van de grieven wordt verwezen naar de appeldagvaarding.


4De beoordeling


4.1.

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

Servatius heeft volgens de door haar overgelegde huurovereenkomst met ingang van 21 december 2009 aan [appellant] de woning aan de [pand] te [plaats] verhuurd. Het betreft een woning in een flatgebouw.

In artikel 2.1 van de huurovereenkomst zijn de algemene voorwaarden van Servatius voor de verhuur van woonruimte van toepassing verklaard. [appellant] heeft bij ondertekening van de huurovereenkomst een kopie van die algemene voorwaarden ontvangen.

Artikel 13.4 van de algemene voorwaarden luidt als volgt:

“Huurder zal omwonenden of huurders van hetzelfde gebouw of complex geen hinder of last bezorgen en er voor zorgdragen dat de bij hem met zijn goedvinden aanwezige derden alsmede zijn of hun bezoekers dit evenmin doen.”

Artikel 13.6 van de algemene voorwaarden luidt als volgt:

“Huurder zal zich gedragen en het gehuurde gebruiken en onderhouden zoals het een goed huurder betaamt.”

Bij Servatius zijn klachten van bewoners van het flatgebouw binnengekomen over door [appellant] veroorzaakte geluidsoverlast en door hem veroorzaakte andere overlast.

Bij brief van 9 februari 2011 heeft Servatius aan [appellant] onder meer het volgende meegedeeld:

“Op 8 februari 2011 heeft het flexteam [vestigingsplaats] voor de 2e maal een huisbezoek bij u afgelegd. Wederom naar aanleiding van overlastklachten van omwonenden.

Tijdens dit huisbezoek hebben wij onderstaande punten geconstateerd die, buiten de aanhoudende overlastklachten van omwonenden, voor ons onacceptabel zijn, te weten:

de woning is nog steeds, na ruim één jaar, niet gestoffeerd;

diverse deuren in de woning zijn vernield;

(…)

Daarom verzoek ik en zonodig sommeer ik u om met onmiddellijke ingang een einde te maken aan:

- het veroorzaken van overlast op welke wijze dan ook,

(…)

Tevens dient de woning uiterlijk dinsdag 15 maart 2011 te zijn opgeruimd, gestoffeerd en te zijn ingericht.

Mocht ik op grond van nieuwe klachten constateren dat u zich niet aan deze sommatie houdt, dan zal ik (…) opdracht geven een procedure te starten bij de rechtbank teneinde de huurovereenkomst met u te ontbinden en de woning te ontruimen. (…)”

Bij e-mail van 5 december 2011 heeft een medewerker van de GGD aan Servatius onder meer het volgende meegedeeld over [appellant]:

“[roepnaam appellant] heeft een langdurige CIZ-indicatie gekregen (tot 2026) voor ondersteunende begeleiding (…). Zijn begeleider (…) probeert het contact en een vertrouwensband op te bouwen. Hopelijk lukt dat. (…)”

Servatius heeft een verklaring van haar technisch beheerder, [technisch beheerder], over gebeurtenissen van 27 augustus 2012 en 3 september 2012 overgelegd. Deze verklaring heeft betrekking op bedreigingen die [appellant] heeft geuit jegens schilders die werkzaamheden in de flat moesten verrichten.

In een door Servatius overgelegd mutatierapport van de politie van 3 september 2012 staat daarover onder meer het volgende:

“Op maandag 3 september 2012, om 12.00 uur moesten wij rijden naar de [pand] te [plaats]. Aldaar werden wederom door [appellant] (…) de schilders lastig gevallen. Schreeuwen, schelden en vooral niet meewerken aan de werkzaamheden die woningbouwvereniging Servatius moet uitvoeren. (…)

De schilders van het bedrijf zijn het moe.”

i. Servatius heeft over deze problematiek verder een schriftelijk stuk overgelegd met daarin de volgende tekst:

“Betreft [pand]

Week 35 Kwam voor het eerste keer in aanraking met bewoner [pand], deze beweerde in eerste instantie dat men bij hem was ingebroken, bij nader inzien kon dit niet omdat hij zelf slaapkamerruit van binnenuit naar buiten had stuk gegooid (dit is onderhand nog eens gebeurt, tevens heeft hij ook spullen vanaf zijn balkon omlaag gegooid.

Hij bedreigde werklieden van opticare (…)

Meerdere malen in bijna 4 á 5 weken tijd daarop heeft hij schilders van [B.V.] bv bedreigt, Met woorden zoals ik sla jullie, ik laat alles ontploffen en ga zomaar door (…) Een fijne werksfeer was ver te zoeken aan de [straat].

Mvgr Schilders [B.V.]”

In een door Servatius overgelegd mutatierapport van de politie van 4 september 2012 staat onder meer het volgende:

“Door RMK gestuurd naar de [straat]. aldaar zou een allochtone persoon lopen in een gewaad die aangaf dat hij een bom had geplaatst in zijn woning.

Tp een persoon aangetroffen in een grijs gewaad. Was aan het schreeuwen dat hij de politie wilde spreken. Wij zagen dat de persoon, later bleek [appellant] te heten, bleef schreeuwen en roepen. Tevens waren daar aanwezig drie medewerkers van Servatius (…) en drie medewerkers van (…) Zij zouden zijn belaagd door [appellant]. Hem snel afgevoerd daar wegens zijn gedragingen. (…)

Aan het HB werd de DGD-arts ontboden voor verdachte. Deze besliste dat de verdachte voor onderzoek naar het AZM moest. (…) Daar duurde het nog een uur voordat verdachte – na 2 spuiten – enigszins kalmeerde.”

In een door Servatius overgelegd mutatierapport van de politie van 17 september 2012 staat onder meer het volgende:

“Op zondag 16-9-2012 (…) de melding gekregen dat een manspersoon aan het vechten was met drie vrouwen. Zou gaan om perceel [pand] te [plaats].

(…)

[appellant] aan de deur aangesproken, op de [pand] te [plaats], welke verbaal zeer agressief was, echter wist hoever hij kon gaan in zijn uitingen. (…)

Na het gesprek van een uur, besloten collega (…) en (…) om een eind te maken aan het gesprek en het huis te verlaten. [appellant] liep vervolgens mee naar buiten en begon te schreeuwen naar verschillende omstanders die buiten stonden (ong. 20 personen). Hierna schreeuwde [appellant] “hoerenzonen” richting de collega’s. [appellant] schreeuwde:

-Kankerflikkers

-Hoerenzonen

-Tegen vrouwelijke collega, ga je kontje verkopen kankerslet en maakte hier bewegingen, met zijn heupen (…)

[appellant] begon muziek, Arabische muziek, te draaien welke tot 15 meter van de woning te horen was. ook zij hij dat als wij, politie, binnen zouden komen dat wij K.O. zouden gaan. (…)”

Op 28 september 2012 heeft een medewerker van Servatius contact opgenomen met de in de e-mail van de GGD van 5 december 2011 genoemde begeleider van [appellant]. Deze begeleider vertelde toen dat hij in december 2011 voor het laatst contact had gehad met [appellant], dat [appellant] zich niet behandelbaar opstelde door afspraken structureel af te bellen en vervolgens ieder contact met de begeleider te mijden.

In een door Servatius overgelegd mutatierapport van de politie van 2 december 2012 staat onder meer het volgende:

“[roepnaam appellant] is een groot probleem we hebben al de nodige mutatie’s op zijn adres [pand] waar hij eveneens voor veel overlast zorgt.”

Servatius heeft een aantal schriftelijke klachten van omwonenden overgelegd, waarin geklaagd wordt over door [appellant] veroorzaakte overlast.


4.2.1.

In de aan de onderhavige verzetprocedure voorafgaande verstekprocedure vorderde Servatius, kort weergegeven en voor zover in hoger beroep van belang:

 ontbinding van de huurovereenkomst;

 veroordeling van [appellant] tot ontruiming van het gehuurde;

 veroordeling van [appellant] tot betaling van een vergoeding gelijk aan de maandelijkse huurprijs vanaf de dag van ontbinding van de huurovereenkomst tot aan de dag van de ontruiming;

met veroordeling van [appellant] in de proceskosten.


4.2.2.

Aan deze vordering heeft Servatius ten grondslag gelegd dat [appellant] tekort geschoten is in de nakoming van de huurovereenkomst door (onder meer):

  • - overlast te veroorzaken voor omwonenden;
  • - zich agressief te gedragen jegens omwonenden, medewerkers van Servatius en derden;
  • - vernielingen aan te richten in het gehuurde.

Volgens Servatius moet, mede in het belang van haar andere huurders, de huurovereenkomst met [appellant] worden ontbonden.


4.2.3.

In het verstekvonnis van 19 december 2012 heeft de kantonrechter, kort gezegd, de huurovereenkomst met onmiddellijke ingang ontbonden, [appellant] veroordeeld om het gehuurde binnen twee weken na betekening van het vonnis te ontruimen en [appellant] veroordeeld om aan Servatius een vergoeding gelijk aan de maandelijkse huur te betalen over de periode van de ontbinding tot de ontruiming. [appellant] is in de proceskosten veroordeeld en het meer of anders gevorderde is afgewezen.


4.3.1.

In de door [appellant] aanhangig gemaakte verzetprocedure heeft [appellant] betwist dat hij in de nakoming van de huurovereenkomst tekort geschoten is door overlast te veroorzaken en bedreigingen te uiten. Verder heeft [appellant] aangevoerd dat, voor zover hij overlast heeft veroorzaakt, die overlast een tijdelijk karakter had en inmiddels is geëindigd. [appellant] concludeerde dat ontbinding van de huurovereenkomst niet gerechtvaardigd is zodat het verstekvonnis vernietigd moet worden en de vorderingen van Servatius alsnog moeten worden afgewezen.


4.3.2.

In het verzetvonnis van 12 juni 2013 heeft de kantonrechter deze verweren van [appellant] verworpen, het verstekvonnis van 19 december 2012 bekrachtigd en [appellant] in de kosten van de verzetprocedure veroordeeld.


4.4.1.

Servatius heeft het verstekvonnis van 19 december 2012 en het verzetvonnis van 12 juni 2013 op 19 juni 2013 aan [appellant] laten betekenen. Daarbij is aangezegd dat het gehuurde op 11 juli 2013 zal worden ontruimd als [appellant] het gehuurde dan nog niet heeft verlaten.


4.4.2.

[appellant] heeft bij dagvaarding in kort geding van 21 juni 2013 schorsing van de tenuitvoerlegging van het verstekvonnis gevorderd. De mondelinge behandeling van deze vordering heeft op 1 juli 2013 plaatsgevonden. Volgens de door Servatius als prod. 3 bij de memorie van antwoord overgelegde kopie van het betreffende vonnis is de vordering van Servatius bij vonnis in kort geding van 3 juli 2013 afgewezen. Servatius heeft bij memorie van antwoord gesteld dat [appellant] het gehuurde vervolgens heeft verlaten.


4.4.3.

Volledigheidshalve overweegt het hof dat, indien [appellant] het gehuurde inmiddels inderdaad heeft ontruimd, dit aan hem niet zijn belang bij de beoordeling van het onderhavige hoger beroep ontneemt.


4.5.1.

[appellant] heeft in zijn appeldagvaarding onder overlegging van vier producties zes grieven aangevoerd tegen het beroepen vonnis. Op de voor het nemen van de memorie van grieven bepaalde dag heeft [appellant] een akte genomen waarbij hij twee nadere producties heeft overgelegd en een aanvullende toelichting op grief 5 heeft gegeven.

Servatius heeft in haar memorie van antwoord (onder nr. 41) aangevoerd dat deze akte in strijd is met de twee-conclusieregel van artikel 347 Rv, de beginselen van goede procesorde en het procesreglement. Volgens Servatius moet de akte daarom buiten beschouwing worden gelaten.


4.5.2.

Het hof overweegt hierover het volgende. De Hoge Raad heeft in zijn rechtspraak over de toelaatbaarheid van een vermeerdering van eis tot uitdrukking gebracht dat in hoger beroep de twee-conclusie-regel van artikel 347 lid 1 Rv in beginsel moet worden gehandhaafd (HR 20-6-2008, LJN: BC4959 en HR 19-6-2009, LJN: BI8771). Mede vanwege die regel acht de Hoge Raad het ongewenst dat, indien een memorie van antwoord is genomen, de appellant zijn eis alsnog vermeerdert waardoor aan geïntimeerde nogmaals gelegenheid voor een reactie zou moeten worden geboden. Om dezelfde reden is het formuleren van een nieuwe grief nadat de memorie van antwoord is genomen in beginsel niet toegestaan.


4.5.3.

Het door de Hoge Raad genoemde bezwaar, dat een geïntimeerde na het nemen van de memorie van antwoord nogmaals gelegenheid voor een reactie zou moeten worden geboden, is in het onderhavige geval echter niet aan de orde. [appellant] heeft de akte met de aanvulling op grief 5 genomen op de dag die bepaald was voor het nemen van de in artikel 347 lid 1 Rv bedoelde “conclusie van eis”. Servatius heeft zes weken later haar memorie van antwoord genomen en Servatius heeft daarbij inhoudelijk gereageerd op de akte van [appellant]. Van een schending van de twee-conclusie-regel is dus (in zoverre) geen sprake. Het hof zal de akte van [appellant] daarom in de beoordeling betrekken.


4.6.1.

De kantonrechter heeft in rechtsoverweging 2.7 van het beroepen vonnis als vaststaand aangenomen dat [appellant] in de gehuurde woning diverse deuren heeft vernield en ramen van binnenuit heeft gebroken. In de toelichting op grief 1 voert [appellant] aan dat hij de woning ten tijde van de comparitie van partijen al had opgeknapt en dat er toen geen sprake meer was van vernielingen in het gehuurde. Volgens [appellant] moet een huurder er alleen voor zorgen dat hij de woning bij het einde van de huurovereenkomst in goede staat oplevert en is er daarom in dit geval geen sprake meer van een tekortkoming.


4.6.2.

Het hof stelt voorop dat Servatius gemotiveerd heeft betwist dat [appellant] de schade aan het gehuurde heeft hersteld. In het proces-verbaal van de bij de kantonrechter gehouden comparitie van partijen, waarin de verklaringen die de partijen en hun advocaten ter zitting hebben afgelegd vrij uitgebreid zijn vastgelegd, is niets opgenomen omtrent een herstel van schade aan het gehuurde. [appellant] heeft zijn stellingen over herstel ook overigens op geen enkele wijze onderbouwd en daarvan ook geen specifiek bewijs aangeboden.


4.6.3.

Maar zelfs als aangenomen zou moeten worden dat [appellant] bepaalde door hem aangebrachte schade zelf zou hebben hersteld, neemt dat de eerdere tekortkoming bestaande uit het toebrengen van die schade niet weg. [appellant] was ingevolge de huurovereenkomst gehouden om zich te gedragen en het gehuurde te gebruiken zoals een goed huurder betaamt. [appellant] is in de nakoming van deze verbintenis tekort geschoten door binnendeuren in het gehuurde kapot te trappen en met een mes te bewerken en door ruiten van het gehuurde van binnenuit kapot te slaan of te gooien. Dit gedrag, dat niet acceptabel is, wordt door een later herstel van de schade, indien daarvan al sprake is geweest, niet ongedaan gemaakt. Grief 1 wordt daarom verworpen.


4.7.1.

De strekking van grief 2 is het hof niet geheel duidelijk. Voor zover [appellant] met die grief betoogt dat de politie op 27 augustus 2012 niet zelf de toen vernielde ruit in de woning heeft gezien en voor zover hij betoogt dat de verklaring van de schilders daarover niet als bewijs kan dienen, baat dit hem niet. [appellant] heeft immers niet gemotiveerd betwist dat hij meermalen ruiten in de woning heeft vernield, zodat het hof op grond van artikel 149 lid 1 Rv als vaststaand aanneemt dat [appellant] zich aan die vernielingen schuldig heeft gemaakt. In hoeverre één van die vernielingen door de politie zelf is vastgesteld is dan niet van belang.


4.7.2.

[appellant] voert in de toelichting op grief 2 verder aan dat niet bewezen is dat hij schilders of medewerkers van Opticare heeft bedreigd. Ook dit onderdeel van de grief faalt. Servatius heeft immers gemotiveerd, gedetailleerd en onder verwijzing naar meerdere producties gesteld dat de genoemde bedreigingen hebben plaatsgevonden. [appellant] heeft weliswaar aangevoerd dat bepaalde verklaringen niet voor het bewijs kunnen worden gebezigd maar hij heeft niet met zoveel woorden betwist dat hij zich aan de betreffende bedreigingen schuldig heeft gemaakt. Bij gebreke van een voldoende betwisting neemt het hof op grond van artikel 149 lid 1 Rv aan dat [appellant] bedreigingen heeft geuit tegenover de schilders en tegenover de medewerkers van Opticare. Het hof neemt hierbij ook in aanmerking dat aan de zijde van [appellant] kennelijk sprake is van enige psychische problematiek die aanleiding is geweest voor toekenning van een CIZ-indicatie voor langdurige begeleiding en dat die begeleiding kennelijk door een gebrek aan medewerking aan de zijde van [appellant] niet van de grond is gekomen. Tegen die achtergrond is bepaald niet onaannemelijk dat [appellant] af en toe ongewenst en onaangepast gedrag vertoont. [appellant] heeft onvoldoende betwist dat daarvan meermalen sprake is geweest en dat zich dat onder meer heeft geuit in door hem aangebrachte vernielingen, door hem geuite bedreigingen en door hem veroorzaakte overlast.


4.8.1.

Door middel van grief 3 voert [appellant] aan dat Servatius weliswaar mutatierapporten van de politie maar geen aangiftes heeft overgelegd. Dit onderdeel van grief 3 kan [appellant] niet baten. Dat geen aangiftes zijn overgelegd laat onverlet dat Servatius haar stellingen over door [appellant] veroorzaakte geluidsoverlast, over door [appellant] aangerichte vernielingen en over door [appellant] geuite bedreigingen concreet heeft onderbouwd met meerdere bescheiden, waaronder mutatierapporten van de politie waarin constateringen van de politie zijn opgenomen. Tegenover deze gemotiveerde en gedocumenteerde stellingname van Servatius heeft [appellant] onvoldoende verweer gevoerd. Dat geen aangiftes zijn overgelegd doet daar niet aan af.


4.8.2.

In het kader van grief 3 voert [appellant] verder aan dat hij op 16 september 2012 verwikkeld was in een conflict in de relationele sfeer. Dat neemt echter niet weg dat [appellant] daarbij geluidsoverlast heeft veroorzaakt. Bovendien is dit bepaald niet de enige datum geweest waarop [appellant] ernstige overlast heeft veroorzaakt. Grief 3 kan dus niet leiden tot vernietiging van het beroepen vonnis.


4.9.1.

In de toelichting op grief 4 voert [appellant] aan dat een aantal van de klachten van de omwonenden niet alleen betrekking heeft op door hem veroorzaakte overlast maar ook op andere overlast en door anderen veroorzaakte overlast. Die omstandigheid neemt echter niet weg dat in belangrijke mate en gedurende een ruime periode geklaagd is over door [appellant] veroorzaakte overlast en dat [appellant] onvoldoende heeft betwist dat hij zich aan die overlast schuldig heeft gemaakt.


4.9.2.

In de toelichting op grief 4 voert [appellant] verder aan dat de woningen erg gehorig zijn. Die stelling kan [appellant] niet baten. Indien sprake is van gehorige woningen dienen de huurders hun leefgedrag daarop in redelijke mate af te stemmen om te voorkomen dat zij onnodig overlast veroorzaken. [appellant] is daar aanzienlijk in tekortgeschoten. Een groot deel van de klachten heeft bovendien betrekking op overlast die eveneens zou zijn ervaren als de woningen minder gehorig zouden zijn geweest (schreeuwen op het balkon, met een metalen voorwerp lawaai maken tegen de spijlen van het balkon, bedreigingen uiten enzovoort).


4.10.1.

In de toelichting op grief 4 voert [appellant] verder aan dat de overlast heeft plaatsgevonden in een afgebakende periode in het verleden. In het kader van de (aanvullende) toelichting op grief 5 verbindt [appellant] daar de gevolgtrekking aan dat de tekortkoming, bestaande uit het veroorzaken van overlast die tijdelijk van aard was en die nu voorbij is, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis de ontbinding van de huurovereenkomst met haar gevolgen niet rechtvaardigt.


4.10.2.

Naar het oordeel van het hof staat vast dat [appellant] zich gedurende een ruime periode schuldig heeft gemaakt aan het veroorzaken van ernstige geluidsoverlast in of bij het gehuurde en dat [appellant] zich in die periode meermalen schuldig heeft gemaakt aan bedreigingen en aan het aanrichten van vernielingen aan het gehuurde. Er kan niet worden gezegd dat deze tekortkomingen van zodanig bijzondere aard of geringe betekenis zijn dat zij de ontbinding van de huurovereenkomst en de ontruiming van het gehuurde niet rechtvaardigen. Servatius moet immers mede in het belang van haar andere huurders optreden tegen ernstige overlast die in een van haar woningen wordt veroorzaakt. Dat een huurder tijdens een aanhangig gemaakte ontbindingsprocedure tijdelijk probeert zijn gedrag te verbeteren neemt de ernst van de eerdere tekortkomingen niet weg. Servatius heeft bovendien gemotiveerd betwist dat sprake is geweest van een daadwerkelijke substantiële gedragsverbetering.


4.10.3.

Dat het overlastgevende gedrag van [appellant] mogelijk verband houdt met een psychische problematiek neemt niet weg dat zijn gedrag in zijn verhouding met Servatius aan hem moet worden toegerekend. Van Servatius kan niet worden gevergd bewoners met een problematiek als in het geval van [appellant] mogelijk aan de orde, in haar huurwoningen te handhaven.


4.10.4.

[appellant] heeft verder in de aanvullende toelichting op grief 5 nog aangevoerd dat de gevolgen van ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde voor hem zeer ernstig zullen zijn. [appellant] heeft in dat kader onder meer aangevoerd dat hij aan suikerziekte lijdt. Naar het oordeel van het hof hoeft het zwaarwegende belang aan de zijde van Servatius bij beëindiging van de huurovereenkomst echter niet te wijken voor dit belang van [appellant]. Het ligt op de weg van [appellant] zelf om maatregelen te treffen om eventuele nadelige gevolgen van een ontruiming voor zijn gezondheid te voorkomen althans zoveel mogelijk te beperken. Voor zover een huurder na ontruiming van de woning een wachttijd dient te doorlopen alvorens hij weer voor een andere huurwoning in aanmerking kan komen en hij gedurende die wachttijd op inwoning bij anderen of crisisopvang is aangewezen, is die omstandigheid weliswaar ingrijpend, maar rechtvaardigt deze niet de conclusie dat ontbinding en ontruiming naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid achterwege zouden moeten blijven.


4.11.1.

Hetgeen [appellant] overigens nog heeft aangevoerd, leidt evenmin tot een ander oordeel. De slotsom is dat de grieven geen doel treffen. Het hof zal het beroepen verzetvonnis van 12 juni 2013 bekrachtigen. Dat brengt mee dat ook het verstekvonnis van 19 december 2012 in stand blijft.


4.11.2.

[appellant] wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de kosten van het hoger beroep. Servatius heeft vergoeding van wettelijke rente over die proceskosten gevorderd. Die vordering zal op de na te melden wijze worden toegewezen.


5De uitspraak


Het hof:


bekrachtigt het door de rechtbank Limburg, sector kanton, locatie Maastricht tussen partijen gewezen verzetvonnis van 12 juni 2013, waarvan beroep;


veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep, aan de zijde van Servatius tot op heden begroot op € 683,-- aan vast recht en € 894,-- aan salaris advocaat, en bepaalt dat deze bedragen binnen een termijn van veertien dagen na de dag van deze uitspraak moeten zijn voldaan, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der voldoening;


verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad;


wijst af het meer of anders gevorderde.


Dit arrest is gewezen door mrs. P.Th. Gründemann, I.B.N. Keizer en M. van Ham en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 24 september 2013.