Hoge Raad, 01-10-2010 / 09/00927


ECLI:NL:HR:2010:BM9528

Inhoudsindicatie
Antillenzaak. Cassatie; geding na verwijzing; na cassatie en verwijzing geen wijziging van eis mogelijk; uitzondering van HR 2 oktober 1998, nr. C97/152, LJN ZC2721, NJ 1999, 683 doet zich niet voor.
Instantie
Hoge Raad
Uitspraakdatum
2010-10-01
Publicatiedatum
2010-10-01
Zaaknummer
09/00927
Procedure
Cassatie
Rechtsgebied
Civiel recht

Formele relatie

Wetsverwijzing

Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • RvdW 2010/1127
  • NJB 2010, 1815
  • JWB 2010/395
Uitspraak

1 oktober 2010

Eerste Kamer

09/00927

DV/EE


Hoge Raad der Nederlanden


Arrest


in de zaak van:


[Eiseres],

wonende op Curaçao, Nederlandse Antillen,

EISERES tot cassatie,

advocaat: mr. P. Garretsen,


t e g e n


[Verweerster],

wonende op Curaçao, Nederlandse Antillen,

VERWEERSTER in cassatie,

niet verschenen.


Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiseres] en [verweerster].


1. Het geding


Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:

a. het arrest in de zaak R06/177HR, LJN BD1845, van de Hoge Raad van 11 juli 2008,

b. het vonnis in de zaak met de zaaknummers AR 437, 851/04 H-4 en 4A/06 van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba van 6 januari 2009.

Het vonnis van het hof is aan dit arrest gehecht.


2. Het tweede geding in cassatie


Tegen het vonnis van het hof heeft [eiseres] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Tegen [verweerster] is verstek verleend.

De zaak is voor [eiseres] toegelicht door haar advocaat.

De conclusie van de Advocaat-Generaal F.F. Langemeijer strekt tot verwerping van het beroep.


3. Beoordeling van de middelen


3.1 De Hoge Raad verwijst voor de feiten waarvan in cassatie kan worden uitgegaan, naar rov. 3.1 van zijn hiervoor onder 1 genoemde arrest van 11 juli 2008, R06/177, LJN BD1845. Het gaat in dit geding, kort samengevat en voor zover thans van belang, om het volgende.

(i) Partijen, [eiseres] en [verweerster], zijn zusters. Hun ouders huurden in [plaats], Curaçao, een perceel grond dat in eigendom toebehoorde aan de erven [van betrokkene 1]. Op dit perceel zijn woningen gebouwd, waaronder een appartement met huisnummer [001]. Dit appartement was in gebruik bij [eiseres].

(ii) Op 25 februari 2002 hebben de ouders van partijen hun rechten met betrekking tot (onder meer) appartement nr. [001] verkocht aan [verweerster].

(iii) Daarna zijn het perceel en de daarop gebouwde woningen door de erven [van betrokkene 1], de ouders van partijen en [verweerster] verkocht aan [A].

(iv) [Verweerster] heeft een vordering ingesteld tegen [eiseres], kort gezegd strekkende tot ontbinding van de huur/gebruiksovereenkomst tussen haar en [eiseres], met veroordeling van [eiseres] tot ontruiming van het appartement. Voorts vorderde [verweerster] de veroordeling van [eiseres] tot betaling van een huursom dan wel een gebruiksvergoeding over de periode vanaf 1 juli 2002. [Eiseres] vorderde in reconventie in de eerste plaats een verklaring voor recht dat de overeenkomst van 25 februari 2002 ongeldig is en dat zij, [eiseres], geen huur is verschuldigd aan [verweerster]; daarnaast vorderde zij schadevergoeding. In de tweede plaats vorderde [eiseres] primair een verklaring voor recht dat de overeenkomst met [A] ongeldig is en subsidiair schadevergoeding.

(v) Het gerecht in eerste aanleg heeft voor recht verklaard dat [eiseres] geen huur aan [verweerster] verschuldigd is, en heeft de overige reconventionele vorderingen van [eiseres] alsmede de conventionele vorderingen van [verweerster] afgewezen. Nadat het hof dit vonnis grotendeels had bevestigd, heeft de Hoge Raad op 11 april 2008 het vonnis van het hof vernietigd en het geding ter verdere behandeling en beslissing naar het hof verwezen.


3.2 Na verwijzing heeft [eiseres] een memorie ingediend waarbij zij haar eis heeft gewijzigd. Zij heeft onder meer gevorderd een verklaring voor recht dat [verweerster] jegens haar onrechtmatig heeft gehandeld door, kort gezegd, de ouders te bewegen tot het sluiten van de overeenkomst van 25 februari 2002 en de overeenkomst met [A].

Het hof heeft in het thans bestreden vonnis in rov. 2.1.1 vooropgesteld dat sinds het arrest van de Hoge Raad van 11 juli 2008 vaststaat dat de overeenkomst van 25 februari 2002 en de overeenkomst met [A] geldig zijn alsmede dat [eiseres] voor het appartement nr. [001] geen huur aan [verweerster] verschuldigd is. Volgens het hof (rov. 2.1.2) behoefde nog slechts geoordeeld te worden over de schadevergoedingsvordering van [eiseres], die was gebaseerd op de stelling dat de aan de woningen en appartementen bestede (ver)bouwkosten door [eiseres] uit haar eigen vermogen zijn betaald.

In rov. 2.1.3 heeft het hof overwogen dat het geen recht zal doen op grond van hetgeen [eiseres] in haar memorie na cassatie en verwijzing meer of anders heeft gevorderd, aangezien het een partij na cassatie en verwijzing niet meer vrijstaat haar eis te wijzigen.


3.3 De in het eerste middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.


3.4.1 Het tweede middel klaagt onder meer over rov. 2.1.3. Het betoogt dat (ook) in de procedure na cassatie en verwijzing de mogelijkheid bestaat de eis te wijzigen, mits men blijft binnen de grenzen van art. 130 Rv.

De klacht faalt omdat het oordeel van het hof juist is.

Volgens vaste rechtspraak is na cassatie en verwijzing een wijziging van eis niet mogelijk.

De rechter naar wie de zaak is verwezen, moet deze behandelen in de stand waarin de zaak zich bevond toen de door de Hoge Raad vernietigde uitspraak werd gewezen.

De Hoge Raad heeft weliswaar in zijn arrest van 2 oktober 1998, nr. C97/152, LJN ZC2721, NJ 1999/683 een uitzondering aanvaard op de genoemde regel maar een situatie als in dat arrest aan de orde doet zich in het onderhavige geval niet voor.


3.4.2 Ook de andere in het middel aangevoerde klacht kan niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klacht niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.


4. Beslissing


De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt [eiseres] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerster] begroot op nihil.


Dit arrest is gewezen door de vice-president D.H. Beukenhorst als voorzitter en de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, E.J. Numann, A. Hammerstein en F.B. Bakels, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 1 oktober 2010.