Hoge Raad, 28-01-2011 / 10/00648


ECLI:NL:HR:2011:BP2132

Inhoudsindicatie
Awb art. 7:2 en 8:72, lid 3 en 4; AWR art. 27q, lid 1; Wet WOZ art. 17, lid 2 en 3. Belanghebbende is ten onrechte niet gehoord op haar bezwaar, maar wenst geen terugwijzing op die grond naar de bezwaarfase. Hof mag dan niet aan de overige geschilpunten voorbijgaan. Als de overige klachten ongegrond zijn, kan art. 8:72, lid 3, Awb worden toegepast. Waarderingsmix niet toegestaan bij waardering van één object (samenstel). In bijzondere gevallen kan de belastingrechter een zaak wegens onvoldoende onderbouwing terugwijzen naar het bestuursorgaan.
Instantie
Hoge Raad
Uitspraakdatum
2011-01-28
Publicatiedatum
2011-01-28
Zaaknummer
10/00648
Procedure
Cassatie
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Belastingrecht

Formele relatie


Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • NTFR 2011, 396 met annotatie van Okhuizen
  • NJB 2011, 373
  • AB 2011/107 met annotatie van R.J.G.M. Widdershoven
  • FED 2011/22
  • V-N 2011/8.5 met annotatie van Redactie
  • BNB 2011/100 met annotatie van W.J.N.M. SNOIJINK
  • Belastingblad 2011/718 met annotatie van Noordermeer Van Loo
  • FutD 2011-0190 met annotatie van Fiscaal up to Date
Uitspraak

nr. 10/00648

28 januari 2011


Arrest


gewezen op het beroep in cassatie van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam te Rotterdam (hierna: het College) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 5 januari 2010, nrs. 09/00212, 09/00213 en 09/00214, betreffende ten aanzien van X Beheer B.V. te Z (hierna: belanghebbende) genomen beschikkingen op grond van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) en aan belanghebbende opgelegde (voorlopige) aanslagen in de onroerendezaakbelastingen.


1. Het geding in feitelijke instanties


Ten aanzien van belanghebbende zijn bij beschikking de waarden van de onroerende zaken b-straat 1 en a-straat 1 te Z voor het tijdvak 1 januari 2006 tot en met 31 december 2006 vastgesteld. Aan belanghebbende zijn voorts (voorlopige) aanslagen in de onroerendezaakbelastingen van de gemeente Rotterdam voor het jaar 2006 opgelegd.

Na door belanghebbende daartegen gemaakt bezwaar heeft de heffingsambtenaar van de gemeente Rotterdam bij uitspraken de beschikkingen en (voorlopige) aanslagen gehandhaafd.

De Rechtbank te Rotterdam (nrs. AWB 06/1933 OZB-T2, AWB 07/3318 OZB-T2 en AWB 07/3319 OZB-T2) heeft het tegen die uitspraken ingestelde beroep gegrond verklaard, de uitspraken van de heffingsambtenaar vernietigd, de beschikkingen alsmede de voorlopige en definitieve aanslagen in de onroerendezaakbelastingen vernietigd en de heffingsambtenaar opgedragen ten aanzien van belanghebbende een nieuwe waardebeschikking voor de onroerende zaak b-straat 1 te nemen alsmede ter zake van het gebruik van deze onroerende zaak een nieuwe aanslag in de onroerendezaakbelastingen aan belanghebbende op te leggen.

De heffingsambtenaar heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof.

Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank vernietigd, de uitspraken van de heffingsambtenaar vernietigd en de zaak naar de Rechtbank verwezen voor verdere behandeling. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.


2. Geding in cassatie


Het College heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

Het College heeft een conclusie van repliek ingediend.

Belanghebbende heeft een conclusie van dupliek ingediend.


3. Beoordeling van de middelen


3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.


3.1.1. Ten aanzien van belanghebbende zijn bij beschikkingen op de voet van de Wet WOZ de waarden van de onroerende zaken b-straat 1 en a-straat 1 te Z (hierna: de onroerende zaken) voor het tijdvak 1 januari 2006 tot en met 31 december 2006 vastgesteld.


3.1.2. Voorts zijn aan belanghebbende ter zake van zowel het gebruik als het genot krachtens eigendom, bezit of beperkt recht van de onroerende zaken voorlopige aanslagen en aanslagen in de onroerendezaakbelastingen opgelegd voor het jaar 2006.


3.2. Belanghebbende heeft voor de Rechtbank en het Hof bestreden dat zij genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is van de onroerende zaken. Voorts heeft zij bestreden dat zij gebruiker is van de onroerende zaak a-straat 1. Daarnaast heeft belanghebbende zich voor de Rechtbank en het Hof op het standpunt gesteld dat zij ten onrechte niet is gehoord op haar bezwaar tegen de voorlopige aanslagen. Zij heeft, voor het geval deze klacht gegrond wordt verklaard, het Hof verzocht de zaak terug te wijzen naar de Rechtbank. Verder was bij de Rechtbank en het Hof in geschil of de waarde van de onroerende zaken door de heffingsambtenaar op het juiste bedrag was vastgesteld. Daarbij ging het onder meer om de vraag of bij een waardebepaling op basis van de vervangingswaarde als bedoeld in artikel 17, lid 3, van de Wet WOZ ten aanzien van een onroerende zaak die bestaat uit een samenstel van twee of meer eigendommen, gebruik mag worden gemaakt van een zogenoemde waarderingsmix. Deze waarderingsmix houdt in dat de waarde van sommige eigendommen die tot het samenstel behoren wordt vastgesteld volgens de vergelijkingsmethode die wordt toegepast bij waardering naar de waarde in het economische verkeer, en dat alleen voor het resterende deel van het samenstel de vervangingswaarde wordt vastgesteld.


3.3. Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank vernietigd en de zaak teruggewezen naar de Rechtbank omdat belanghebbende door de heffingsambtenaar niet op haar bezwaren is gehoord. Het derde middel, onderdeel b, klaagt over deze terugwijzing.


3.4.1. Indien een hof een uitspraak van een rechtbank vernietigt, geeft artikel 27o van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) als uitgangspunt dat het hof doet wat de rechtbank had behoren te doen.


3.4.2. Artikel 27q, aanhef en letter b, van de AWR geeft een hof de bevoegdheid de zaak terug te wijzen naar de rechtbank indien het hof om enige reden van oordeel is dat de zaak opnieuw door de rechtbank moet worden behandeld. In het onderhavige geval heeft het Hof echter geen oordeel gegeven over enige door de Rechtbank genomen beslissing, afgezien van overwegingen ten overvloede die niet meebrengen dat de beslissing van de Rechtbank naar het oordeel van het Hof onjuist is. Onder deze omstandigheden had het Hof niet mogen overgaan tot terugwijzing naar de Rechtbank voor een nieuwe behandeling van de zaak, aangezien de oordelen van het Hof de Rechtbank niet noopten tot heroverweging van haar uitspraak.


3.4.3. Het Hof mocht de zaak evenmin terugwijzen naar de heffingsambtenaar, nu het de vernietiging van de uitspraken op bezwaar enkel baseerde op de omstandigheid dat belanghebbende in de bezwaarfase niet is gehoord, en belanghebbende te kennen had gegeven dat zij geen terugwijzing naar het bestuursorgaan wenste om alsnog te worden gehoord (vgl. HR 18 april 2003, nr. 37790, LJN AF7495, BNB 2003/267).


3.4.4. Het Hof had derhalve ook overige onderdelen van het geschil moeten beoordelen.


3.4.5. Opmerking verdient nog dat het Hof in dat geval vervolgens wel had kunnen besluiten gebruik te maken van zijn bevoegdheid de zaak op de voet van artikel 27q, aanhef en letter b, van de AWR naar de Rechtbank terug te wijzen, indien het op grond van zijn beoordeling van één of meer van de overige, inhoudelijke geschilpunten tot de slotsom zou zijn gekomen dat de uitspraak van de Rechtbank ook om die reden voor vernietiging in aanmerking kwam.

Voor het geval het Hof daarentegen na beoordeling van overige onderdelen van het geschil geen aanleiding had gevonden de zaak naar de Rechtbank terug te wijzen, en tot de slotsom zou zijn gekomen dat de bestreden uitspraken op bezwaar inhoudelijk juist zijn, verdient verder opmerking dat het Hof de zaken definitief had kunnen afdoen. Dat geldt ook voor zover het beroep gegrond zou worden verklaard wegens het niet-naleven van de voorschriften over het horen in de bezwaarfase. Indien de rechter tot de slotsom komt dat een uitspraak op bezwaar enkel om die reden moet worden vernietigd, en hij geen aanleiding vindt de zaak in verband daarmee terug te wijzen naar het bestuursorgaan, ligt het in de rede dat hij op de voet van artikel 8:72, lid 3, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) bepaalt dat de rechtsgevolgen van de vernietigde uitspraak op bezwaar in stand blijven.


3.5. Uit hetgeen in 3.4.1 tot en met 3.4.4 is overwogen vloeit voort dat het derde middel, onderdeel b, slaagt. De middelen behoeven voor het overige geen bespreking.


3.6. 's Hofs uitspraak kan niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen voor een nieuwe behandeling van het hoger beroep in volle omvang.


3.7. Voor zover na verwijzing nog een oordeel moet worden gegeven over de waardering van de onroerende zaken, dient te worden opgemerkt dat het Hof terecht heeft overwogen dat in gevallen waarin een object bij toepassing van de Wet WOZ als één geheel moet worden gewaardeerd, de waarde van dat object dient te worden bepaald op de waarde in het economische verkeer, zoals omschreven in artikel 17, lid 2, van de Wet WOZ, dan wel op de vervangingswaarde als bedoeld in het derde lid van dat artikel indien deze hoger is, en dat beide maatstaven niet afzonderlijk mogen worden toegepast op één of meer onderdelen van een object. De waarderingsvoorschriften die zijn neergelegd in artikel 17, leden 2 en 3, van de Wet WOZ zien immers, voor zover die wet niet anders voorschrijft, op de bepaling van de waarde van "een onroerende zaak". Daaronder moet worden verstaan de gehele onroerende zaak, zoals die is afgebakend op de voet van artikel 16 van de Wet WOZ, aangezien in dat artikel is bepaald wat voor de toepassing van deze wet als één onroerende zaak moet worden aangemerkt. De omstandigheid dat ten aanzien van in de commerciële sfeer gebezigde courante onroerende zaken de gecorrigeerde vervangingswaarde in beginsel niet kan afwijken van de waarde in het economische verkeer (vgl. HR 31 mei 1995, nr. 29224, BNB 1995/228), en beide waarderingsvoorschriften dus in zoverre leiden tot eenzelfde uitkomst, maakt dit niet anders.


3.8.1. Voor het geval het verwijzingshof tot de slotsom komt dat de heffingsambtenaar de door hem verdedigde waarde van één of meer van de onroerende zaken onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt, en dat hetzelfde geldt voor de door belanghebbende verdedigde waarde, dient het de vraag te beantwoorden wie vervolgens alsnog de juiste waarde moet vaststellen. Naar aanleiding daarvan wordt het volgende opgemerkt.


3.8.2. Met het oog op een definitieve afdoening van geschillen binnen een redelijke termijn dient de rechter in belastingzaken indien hij het beroep gegrond verklaart het juiste bedrag van de aanslag of van een voor bezwaar vatbare beschikking, bijvoorbeeld een beschikking als bedoeld in artikel 22 van de Wet WOZ, als regel zelf vast te stellen op de voet van artikel 8:72, lid 4, van de Awb. De rechter zal daartoe in het algemeen in staat zijn, aangezien het bestuursorgaan bij het vaststellen van belastingaanslagen en andere beschikkingen in belastingzaken in het algemeen geen beleidsvrijheid toekomt. Een uitzondering op de zojuist vermelde regel zal zich voordoen in gevallen waarin de rechter over zo weinig relevante feitelijke gegevens beschikt, dat hij zich - desgeraden na inwinning van deskundigenbericht en/of andere informatie - redelijkerwijs niet in staat acht zelf het bedrag van de belastingaanslag of beschikking (in dit geval: betreffende de waarde van een onroerende zaak) vast te stellen, ook niet door middel van schatting van (elementen van) de belastinggrondslag of de grondslag van de beschikking (in dit geval: de waarde). Indien hij geen aanleiding ziet voor toepassing van de zogenoemde bestuurlijke lus, kan de rechter in dergelijke bijzondere gevallen op grond van artikel 8:72, lid 4, van de Awb gebruik maken van zijn bevoegdheid om na vernietiging van de uitspraak op bezwaar het bestuursorgaan op te dragen opnieuw op het bezwaar te beslissen.


4. Proceskosten


De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.


5. Beslissing


De Hoge Raad:

verklaart het beroep in cassatie gegrond,

vernietigt de uitspraak van het Hof, en

verwijst het geding naar het Gerechtshof te Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest.


Dit arrest is gewezen door de vice-president J.W. van den Berge als voorzitter, en de raadsheren C. Schaap, J.W.M. Tijnagel, M.W.C. Feteris en R.J. Koopman, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 28 januari 2011.