Rechtbank Noord-Holland, 11-09-2018 / AWB - 17 _ 2947


ECLI:NL:RBNHO:2018:7741

Inhoudsindicatie
De nageheven loonheffing is verrekenbaar met de ib/pvv. Per saldo heeft eiser geen voordeel genoten uit de aandelenswap.Geen strijdigheid met een van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Uitspraakdatum
2018-09-11
Publicatiedatum
2018-09-26
Zaaknummer
AWB - 17 _ 2947
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Belastingrecht


Wetsverwijzing

Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • Viditax (FutD), 27-09-2018
  • FutD 2018-2574
  • V-N Vandaag 2018/2052
Uitspraak Rechtbank noord-holland

Zittingsplaats Haarlem


zaaknummer: HAA 17/2947


uitspraak van de meervoudige kamer van 11 september 2018 in de zaak tussen
[X] , wonende te [Z] , eiser

(gemachtigde: mr. M.J.C. Merkus),


en


de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Utrecht, verweerder.


Procesverloop


Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2014 met dagtekening 5 april 2016 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna ib/pvv) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 158.992.


Verweerder heeft op 25 januari 2017 een verzoek om ambtshalve vermindering ontvangen.


Bij brief van 12 april 2017, door verweerder ontvangen op 13 april 2017, heeft eiser verweerder in gebreke gesteld wegens het niet (tijdig) nemen van een beslissing.


De rechtbank heeft op 28 juni 2017 een beroepschrift ontvangen gericht tegen het uitblijven van een beslissing op het verzoek om ambtshalve vermindering.


Verweerder heeft bij beschikking van 10 juli 2017 alsnog beslist en daarbij het verzoek om ambtshalve vermindering afgewezen. Gelijktijdig heeft verweerder – bij afzonderlijke beschikking – een dwangsom toegekend van € 1.260.


Verweerder heeft op 13 juli 2017 een verweerschrift ingediend en een aanvulling daarop op 29 september 2017.


De rechtbank heeft op 6 november 2017 een nader stuk van eiser ontvangen en in afschrift doorgezonden naar verweerder.


De rechtbank heeft op 9 november 2017 een nader stuk van verweerder ontvangen en in afschrift een dag later doorgezonden naar eiser.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 november 2017 te Haarlem.

Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde en [A] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.I. Ramaker, drs. R.P. Bitter en mr. W. Koelewijn. Op dezelfde zitting is het beroep van eiser met zaaknummer 16/1993 behandeld.

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst. Door tussenkomst van de griffier hebben beide partijen stukken gewisseld. Partijen hebben niet verzocht om een tweede mondelinge behandeling. De rechtbank heeft de behandeling gesloten.



Overwegingen


Feiten

1. Op 18 mei 2009 is [A BEDRIJF] B.V. ( [A BEDRIJF] ) opgericht door [B BEDRIJF] B.V. ( [B BEDRIJF] ) en [C BEDRIJF] B.V. ( [C BEDRIJF] ).


2. [B BEDRIJF] is opgericht op 4 april 1999. In de periode 21 december 2007 tot 1 oktober 2013 worden alle aandelen in [B BEDRIJF] gehouden door [D BEDRIJF] B.V. Vanaf 1 oktober 2013 houdt [E BEDRIJF] B.V. ( [E BEDRIJF] ) 100 percent van de aandelen [B BEDRIJF] . Alle aandelen van [E BEDRIJF] worden gehouden door [D BEDRIJF] B.V.


3. Eiser treedt op 15 juni 2009 in dienst bij [A BEDRIJF] . In de periode van 15 juni 2009 tot en met 31 december 2012 is hij werkzaam als algemeen directeur. Met ingang van 1 januari 2013 is eiser werkzaam voor [B BEDRIJF] in de functie van algemeen directeur.


4. Op 5 maart 2009 is [C BEDRIJF] opgericht door eiser. Eiser is enig aandeelhouder van [C BEDRIJF] . Vanaf de datum van oprichting tot 22 april 2014 is [C BEDRIJF] aandeelhouder van [A BEDRIJF] . Met ingang van 22 april 2014 worden alle aandelen [A BEDRIJF] gehouden door [E BEDRIJF] .


5. Het maatschappelijke aandelenkapitaal van [A BEDRIJF] bedraagt bij oprichting € 90.000 (= 90.000 aandelen van € 1,-). Het maatschappelijke aandelenkapitaal omvat 85.500 aandelen A en 4.500 aandelen B.


6. Bij oprichting worden 17.100 aandelen A en 900 aandelen B geplaatst. De aandelen A [A BEDRIJF] worden tot 7 september 2009 gehouden door [B BEDRIJF] en vanaf genoemde datum door [F BEDRIJF] B.V.


7. [C BEDRIJF] is houder van de 900 aandelen B [A BEDRIJF] .


8. [C BEDRIJF] betaalt voor de 900 aandelen B die zij bij de oprichting van [A BEDRIJF]

verkrijgt, een bedrag van € 150.000. Van dit totaalbedrag wordt € 900 betaald in de vorm van aandelenkapitaal en € 149.100 in de vorm van agio.


9. Op 22 april 2014 verkoopt [C BEDRIJF] alle 900 aandelen B [A BEDRIJF] , en daarmee haar (5 percent) aandelenbelang in [A BEDRIJF] , voor € 225.000 aan [E BEDRIJF] .

Er is geen waarderingsrapport opgemaakt op basis waarvan de (ver)koopprijs is bepaald.


10. [C BEDRIJF] /eiser verwerft op 22 april 2014 een (indirect) belang in [G BEDRIJF] B.V. door certificaten van (gewone en preferente) aandelen [G BEDRIJF] B.V. ( [G BEDRIJF] ) te kopen.


11. De gewone en (verschillende soorten) preferente aandelen [G BEDRIJF] worden door Stichting Administratiekantoor [G BEDRIJF] MPP (STAK [G BEDRIJF] ) gehouden. De door de STAK [G BEDRIJF] gehouden gewone aandelen [G BEDRIJF] worden in de certificaathouderovereenkomst die is gesloten tussen STAK [G BEDRIJF] en [G BEDRIJF] enerzijds en eiser en [C BEDRIJF] anderzijds (hierna: certificaathouderovereenkomst) Commons genoemd.


12. In de certificaathouderovereenkomst is onder meer het volgende bepaald:

“ACHTERGROND:

(A) [ [G BEDRIJF] ] is de houder van alle geplaatste aandelen in het kapitaal van [I BEDRIJF] , [H BEDRIJF] en [E BEDRIJF] . [I BEDRIJF] is houder van alle geplaatste aandelen in het kapitaal van [D BEDRIJF] ;

(B) [Eiser] is werkzaam bij de [D BEDRIJF] en krijgt in deze hoedanigheid de gelegenheid om te participeren in de waarde ontwikkeling van [D BEDRIJF] ;

(C) De participatie heeft de vorm van de verwerving van een (indirect) belang in [ [G BEDRIJF] ] in de vorm van door STAK uit te geven:

- certificaten (de “Certificaten-C”) van 157.500 Commons tegen betaling van een bedrag van in totaal tweehonderdvijfentwintig duizend euro (EUR 225.000) (de “Inleg-C”);

- certificaten (de “Certificaten-P”) van 150.000 CumPrefs 8 subklasse I

tegen betaling van een bedrag van in totaal eenhonderdvijftg duizend euro (EUR 150.000) (de “Inleg-P”);

(D) {Eiser] is met [D BEDRIJF] overeengekomen dat zijn participatie voor een deel (en wel de Certificaten-P) zal geschieden via en worden gehouden door [ [C BEDRIJF] ], een door hem gehouden vennootschap;

(E) Partijen wensen in deze overeenkomst de voorwaarden en bepalingen met betrekking tot de hiervoor omschreven participatie in [ [G BEDRIJF] ] door middel van de Certificaten neer te leggen.

(…)”


13. De Certificaten-C houdt eiser in privé. De Certificaten-P houdt eiser via [C BEDRIJF] .


14. Blijkens onderdeel 3.1 van de certificaathouderovereenkomst wordt de koopprijs van de Certificaten-C en de Certificaten-P (€ 375.000 in totaal) door eiser respectievelijk [C BEDRIJF] als volgt aan [G BEDRIJF] voldaan:

i. i) [C BEDRIJF] draagt de vordering (ten bedrage van € 225.000) die zij heeft op [E BEDRIJF] in verband met de verkoop van de 900 aandelen B [A BEDRIJF] op 22 april 2014 over aan [G BEDRIJF] .

ii) Eiser leent een bedrag van € 150.000 van [E BEDRIJF] . Het bedrag dat eiser leent, wordt door [E BEDRIJF] direct aan [G BEDRIJF] betaald.


15. [G BEDRIJF] is via [I BEDRIJF] B.V. houder van alle aandelen [D BEDRIJF] B.V. en heeft een aandelenbelang (een indirect meerderheidsbelang) in [E BEDRIJF] en [B BEDRIJF] .


16. De financieel directeur van de [D BEDRIJF] heeft in een e-mail van 22 januari 2016 gericht aan verweerder aangegeven dat [A BEDRIJF] de laatste drie jaren verliesgevend is geweest. Dit blijkt ook uit de geconsolideerde commerciële jaarrekening 2014 van [G BEDRIJF] B.V.


17. Blijkens de geconsolideerde balans van [A BEDRIJF] was het eigen vermogen van [A BEDRIJF] aan het einde van het boekjaar 2014 (30 april 2014) gedaald tot € 3.626.000 negatief.


18. [A BEDRIJF] heeft in 2013 een middellange termijnplanning opgesteld waarin de verwachtingen voor de toekomst zijn opgenomen voor wat betreft de ontwikkeling van de omzet en de EBITDA. Eiser is betrokken geweest bij het opstellen van de toekomstverwachtingen voor [A BEDRIJF] . Deze verwachtingen zijn in datzelfde jaar aan de bank gepresenteerd ter verkrijging van een lening. In opdracht van de bank is de opgestelde toekomstverwachting door [J BEDRIJF] beoordeeld. De gevraagde lening is verstrekt. Volgens de financieel directeur zou [A BEDRIJF] een zeer kleine winst maken wanneer overeenkomstig de middellange termijnplanning een omzet gerealiseerd wordt van € 9.000.000.


19. Vanwege de reeds geleden verliezen en de slechte vooruitzichten - de actuele (omzet)cijfers bleven achter bij de verwachtingen die in 2013 zijn opgesteld -, zijn volgens de financieel directeur de activiteiten van [A BEDRIJF] gestaakt.


20. Op 23 april 2014 is het besluit genomen om de activiteiten van [A BEDRIJF] binnen afzienbare tijd te staken en voor die activiteiten een koper dan wel een licentienemer te vinden. Eiser was aanwezig bij het overleg waarin is besloten om de activiteiten te staken.


21. De financieel directeur heeft in een e-mail van 14 januari 2016 gericht aan verweerder met betrekking tot waarde van de aandelen [A BEDRIJF] op 22 april 2014 bericht:

“(…)

Niet veel lang later hebben we als directie besloten deze aktiviteiten te staken vanwege de verliezen en de slechte outlook (want budget is slechts een voorspelling, actueel ging het slechter). Daarom hebben we vorig jaar reeds bij de heer [B] dit pro aktief aangegeven en gesteld dat er geen waarde zat in de aandelen van deze BV.

(…)”


22. Per 5 september 2014 zijn de statutaire posities van eiser binnen [B BEDRIJF] (en iedere andere vennootschap waarvan de aandelen in handen zijn van de [D BEDRIJF] B.V.) beëindigd. [B BEDRIJF] heeft op 5 september 2014 de arbeidsovereenkomst opgezegd per 1 april 2015. In verband met deze beëindiging was [B BEDRIJF] aan eiser een beëindigingsvergoeding van € 105.000 (bruto) verschuldigd.


23. Eiser en [C BEDRIJF] hebben wegens de beëindiging van de arbeidsovereenkomst de Certificaten-C en de Certificaten-P - op grond van het bepaalde in de artikelen 9.1 en 9.2 van de certificaathouderovereenkomst - te koop aangeboden aan [G BEDRIJF] en STAK [G BEDRIJF] . Naar aanleiding van de beëindiging van de dienstbetrekking van eiser is een vaststellingsovereenkomst gesloten tussen [B BEDRIJF] , [A BEDRIJF] , [E BEDRIJF] , STAK [G BEDRIJF] en [D BEDRIJF] Holding B.V. (voorheen: [G BEDRIJF] ) enerzijds en [C BEDRIJF] en eiser anderzijds. Uit deze vaststellingsovereenkomst volgt dat [D BEDRIJF] Holding B.V.

zowel de Certificaten-C als de Certificaten-P heeft gekocht voor € 1 en dat deze koopprijs door een onafhankelijke waarderingsdeskundige (ir. [C] ) is vastgesteld.


Geschil 24. In geschil is de waarde in het economische verkeer van de aandelen [A BEDRIJF] welke eiser op 22 april 2014 heeft verkocht aan [E BEDRIJF] B.V. en van de - in ruil daarvoor door eiser verkregen - certificaten van aandelen [G BEDRIJF] en of er zake van deze transactie sprake is van een als loon in aanmerking te nemen voordeel uit dienstbetrekking.

Daarnaast houdt partijen verdeeld of de op eiser verhaalde loonheffing als voorheffing mag worden verrekend met de aanslag ib/pvv. Evenzo is in geschil of het gelijktijdig met de naheffingsaanslag loonheffing in rekening gebrachte bedrag aan belastingrente als voorheffing mag worden verrekend.


25. Eiser betoogt primair – zakelijk weergegeven – dat de aandelen [A BEDRIJF] in oktober 2013 zijn gewaardeerd en een waarde vertegenwoordigden van € 225.000. [A BEDRIJF] heeft in de omzet over het jaar 2014 ten opzichte van het jaar 2013 een stijging van 24 percent laten zien. De omzet is gestegen van € 3.438.000 in 2013 naar € 4.268.00 in 2014. Dit betreft de gerealiseerde omzet en niet, zoals verweerder stelt, (toekomst)verwachtingen.

Subsidiair stelt eiser – wederom zakelijk weergegeven – dat de verkregen aandelen in [G BEDRIJF] /de [D BEDRIJF] vijf maanden na de verkrijging € 0 waard waren en derhalve op het moment van de verkrijging al aanzienlijk minder waard waren dan

€ 225.000. Het bedrag van € 225.000 was derhalve een fictieve waarde, zodat in elk geval geen sprake is geweest van een voordeel.

Het resultaat van [A BEDRIJF] zoals door verweerder weergegeven geeft geen goed beeld van het werkelijke operationele resultaat, aangezien er boekhoudkundig winsten in andere BV’s zijn geboekt. De conclusie dat [A BEDRIJF] verlies maakte, is dus verre van juist. Voorts heeft verweerder niet meegenomen dat de royalty’s die [A BEDRIJF] diende af te dragen, in een aparte BV werden geboekt evenals de koersverschillen.

Verweerder maakt een fout in de berekening onder het kopje ‘kostprijs van de omzet’; de marge van de schoenen ligt tussen de 45 en 50 percent (exclusief koersvoordelen) en de marge van de kleding ligt tussen de 55 en 60 percent.

Verweerder heeft zich ten onrechte volledig laten leiden door de informatie verstrekt door de [D BEDRIJF] , die er geen belang bij heeft om openheid te geven in hun netwerk van BV’s.

Overigens is ook de conclusie van verweerder dat een bedrijf dat verlies maakt, niets waard zou zijn, onjuist.


26. Verweerder stelt - eveneens zakelijk weergegeven - dat de aandelen [A BEDRIJF] ten tijde van de overdracht niets waard waren. Bepalend is de waarde op basis van de verwachtingen op 22 april 2014. Grote betekenis komt toe aan het besluit d.d. 23 april 2014 (7 dagen voor het einde van het boekjaar) om de activiteiten [A BEDRIJF] te staken. Voor de (meerderheid van de) aandeelhouders moet op dat moment duidelijk zijn geweest dat [A BEDRIJF] in de nabije toekomst niet voldoende vrije geldstromen zou opleveren. Dat betekent dat voor het vaststellen van de waarde van de onderneming kan worden volstaan met het vaststellen van de intrinsieke waarde / het eigen vermogen. Uit de geconsolideerde balans van [A BEDRIJF] volgt dat het eigen vermogen van [A BEDRIJF] per 30 april 2014 was gedaald tot € 3.626.000 negatief. De aandelen [A BEDRIJF] vertegenwoordigden derhalve geen waarde.

Inkomsten die elders in het concern zijn geboekt, kunnen niet worden toegerekend aan de waarde van aandelen [A BEDRIJF] .

Het is niet aannemelijk dat een willekeurige derde bereid zou zijn op 22 april 2014 een bedrag van € 225.00 voor 900 aandelen [A BEDRIJF] te betalen. Het verlies dat eiser met betrekking tot de aandelen [G BEDRIJF] heeft geleden, is niet aan de dienstbetrekking toe te rekenen. Op het moment van verkoop bedroeg de marktwaarde € 1, gelijk aan het bedrag dat eiser heeft ontvangen. De nageheven loonbelasting kan in casu niet als voorheffing worden verrekend met de inkomstenbelasting, aangezien het loon ter zake waarvan de naheffingsaanslag is opgelegd, niet in de ib/pvv is betrokken.


27. Voor het overige verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.


Beoordeling van het geschil


Beroep tegen het niet (tijdig) nemen van een beslissing en prorogatie

28. Eiser heeft in eerste instantie beroep ingesteld tegen het niet (tijdig) nemen van een beslissing door verweerder. Hangende het beroep heeft verweerder alsnog beslist en bij voor bezwaar vatbare beschikking van 10 juli 2017 het verzoek om ambtshalve vermindering afgewezen. Nu verweerder alsnog, hangende het beroep, heeft beslist, dient het beroep voor zover gericht tegen het niet (tijdig) nemen van een beslissing niet-ontvankelijk te worden verklaard nu eiser bij dit beroep in zoverre geen belang meer heeft.


29. Eiser heeft geen bezwaarschrift ingediend tegen de beschikking, hetgeen op grond van artikel 7:1 van de Awb had moeten gebeuren alvorens beroep kan worden ingesteld. De rechtbank begrijpt evenwel dat eiser, met toestemming van verweerder d.d. 21 augustus 2017, ervoor heeft gekozen het geschil op de voet van artikel 7:1a van de Awb via prorogatie rechtstreeks aan de rechtbank voor te leggen. Nu partijen om proceseconomische redenen deze eensluidende wens hebben, volgt de rechtbank partijen hierin (vgl. HR 25 november 2011, nr. 10/01510, ECLI:NL:HR:2011:BP3053), mede gelet op het bepaalde in artikel 6:20, derde lid, van de Awb.


Verrekening nageheven loonheffing en belastingrente met de ib/pvv

30. Eiser heeft zich – zakelijk weergegeven – op het standpunt gesteld dat de nageheven loonheffing groot € 117.000 met de door hem op aanslag verschuldigde ib/pvv kan worden verrekend. Vaststaat immers dat het nageheven bedrag door zijn (voormalige) werkgever op hem is verhaald via verrekening met de hem toegekende ontslagvergoeding en aldus te zijnen laste is gekomen. Het gegeven dat geen looninkomsten in zijn belastbare inkomen uit werk en woning zijn begrepen, doet aan het vorenstaande niet af.


31. Verweerder betoogt met verwijzing naar het arrest van 26 september 2003, nr. 38532, ECLI:NL:HR:2003:AL2130, dat verrekening met de aanslag ib/pvv niet is toegestaan omdat het loon waarop de naheffingsaanslag ziet, niet in de aanslag ib/pvv is betrokken. De rechtbank overweegt het navolgende.


32. Op grond van artikel 9.2, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001) wordt als voorheffing in aanmerking genomen de geheven loonbelasting met uitzondering van de als eindheffing geheven loonbelasting. Indien tegelijk premie volksverzekeringen is geheven, wordt op grond van het zesde lid van genoemd wetsartikel die ingehouden premie ook als voorheffing aangemerkt. Ingevolge artikel 15 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) wordt de geheven loonbelasting/premie volksverzekeringen verrekend met de aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.

Tussen partijen is in confesso dat de loonbelasting/premie volksverzekeringen waarover het geschil gaat, is nageheven van de BV en vervolgens via verrekening met een ontslagvergoeding op eiser is verhaald en dat deze derhalve niet als eindheffing is geheven. Onder deze omstandigheden heeft eiser zich op het rechtens juiste standpunt gesteld dat – los van het antwoord op de vraag of de waarde van de afgestane aandelen [A BEDRIJF] een waarde in het economisch verkeer representeren – hij de nageheven loonbelasting/premie volksverzekeringen mag verrekenen met de verschuldigde ib/pvv. In zoverre is het gelijk aan eiser.


33. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 26 september 2003, nr. 38532, ECLI:NL:HR:2003:AL2130, BNB 2004/65, overwegingen 3.5 tot en met 3.10, zijn oordeel gegeven over de vraag wanneer nageheven loonbelasting verrekenbaar is met de aanslag in de ib/pvv. De nageheven loonbelasting/premie volksverzekering ter zake van het in de aanslag begrepen loon komt aldus de Hoge Raad voor verrekening in aanmerking. Het arrest maakt in rechtsoverweging 3.7 duidelijk dat loonbelasting niet alleen verrekenbaar is met de inkomstenbelasting als zij is ingehouden of nageheven, maar ook als zij anderszins is betaald door de inhoudingsplichtige.

Dit geldt zelfs als het loon niet tot het belastbare inkomen in de inkomstenbelasting wordt gerekend. Hierdoor wordt het tekort gecompenseerd dat voor de betreffende ‘werknemer’ is ontstaan doordat ten onrechte loonheffing op zijn loon is ingehouden. Uit de in de onderdelen 3.7 tot en met 3.9 geciteerde jurisprudentie volgt dat nageheven loonheffing verrekenbaar is. Met het karakter van de loonheffing is strijdig dat indien deze ten laste van de werknemer (eiser) is nageheven en feitelijk zoals in het voorliggende geval te zijnen laste is gekomen, niet voor verrekening met de verschuldigde ib/pvv in aanmerking komt. De rechtbank wijst er in dit verband op dat in artikel 9.2 van de Wet IB 2001, anders dan in artikel 63 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, niet de voorwaarde wordt gesteld dat de geheven loonbelasting betrekking heeft op bestanddelen van het (onzuivere) inkomen.


34. Voor zover nodig merkt de rechtbank nog op dat uit het voormelde arrest moet worden afgeleid dat de voorwaarde dat het loonbestanddeel in de aanslag ib/pvv moet zijn betrokken, alleen wordt gesteld indien de loonheffing niet is afgedragen. Indien de loonheffing wel is ingehouden en afgedragen respectievelijk is nageheven en afgedragen, is de loonheffing derhalve verrekenbaar als voorheffing.


35. Anders dan eiser heeft bepleit, ziet de rechtbank geen wettelijke mogelijkheid om het in samenhang met de naheffing in rekening gebrachte bedrag aan belastingrente groot

€ 3.133 welke door de voormalige werkgever is verrekend met de ontslagvergoeding, als voorheffing met de verschuldigde ib/pvv te verrekenen. In zoverre faalt het standpunt van eiser.


Waarde van de aandelen [A BEDRIJF] d.d. 23 april 2014

36. Partijen houdt verdeeld of aan het aandelenpakket [A BEDRIJF] een waarde in het economische verkeer moet worden toegekend, in het bijzonder of deze waarde overeenkomt met een bedrag van € 225.000. Voorts houdt hen verdeeld of aan het daartegenover ontvangen pakket certificaten van aandelen [G BEDRIJF] eveneens een waarde in het economische verkeer kan worden toegekend. Daarbij heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat een eventueel voordeel uit de aandelenswap als loon uit dienstbetrekking bij eiser in aanmerking dient te worden genomen. Voor de onderbouwing van de wederzijdse standpunten verwijst de rechtbank naar hetgeen hiervoor onder 25 en 26 is vermeld.


37. De kern van verweerders betoog is dat op 23 april 2014 het besluit tot staking van de activiteiten van [A BEDRIJF] is genomen, dat is één dag na de aandelenswap. Dan kan niet worden gezegd dat de waarde moet worden bepaald op basis van winstverwachtingen, maar is louter het eigen vermogen van [A BEDRIJF] van belang. Vaststaat dat het eigen vermogen op 30 april 2014 € 3.626.000 negatief was. Evenzo staat vast dat [A BEDRIJF] in de voorliggende boekjaren louter verliezen heeft geleden, met uitzondering van het (korte) boekjaar van 1 januari 2011 tot en met 31 januari 2011. De rechtbank is van oordeel dat nu eiser stelt dat de afgestane aandelen een waarde in het economische verkeer vertegenwoordigen, op hem de bewijslast rust.

Naar het oordeel van de rechtbank is eiser niet in zijn bewijslast geslaagd. Daarbij merkt de rechtbank ter onderbouwing nog nader het volgende op.


38. De (deel)vraag die hierbij moet worden beantwoord, is welke datum bepalend is voor de vaststelling van de waarde in het economische verkeer van de afgestane aandelen: oktober 2013, zoals eiser in zijn primaire standpunt verdedigt waarbij naar zeggen van eiser het aandelenpakket [A BEDRIJF] een waarde in het economische verkeer vertegenwoordigde van

€ 225.000, of de datum van de aandelenoverdracht, 22 april 2014, zoals verweerder betoogt. De rechtbank is van oordeel dat deze laatste datum beslissend is. Immers op 22 april 2014 hebben eiser en zijn werkgever overeenstemming bereikt over de aandelenswap. Bijgevolg gaat de rechtbank voorbij aan de door [K BEDRIJF] vervaardigde waardebepaling van de aandelen [A BEDRIJF] (bijlage 12 bij het beroepschrift). Verweerder heeft zich op het feitelijk juiste standpunt gesteld dat op de transactiedatum van 22 april 2014 een document ontbreekt waaruit de gestelde waarde van € 225.000 van de afgestane aandelen [A BEDRIJF] kan worden herleid. Een zodanig bescheid is niet in geding gebracht. Voor wat betreft de waarde in het economische verkeer van de afgestane aandelen is het gelijk daarom aan verweerder. Voor de daaraan te verbinden gevolgen voor de aanslag ib/pvv zal de rechtbank hierna ingaan op de vraag welke waarde aan het als tegenprestatie ontvangen pakket van certificaten van aandelen [G BEDRIJF] moet worden toegekend.


39. Eisers subsidiaire standpunt, namelijk dat de verkregen certificaten van aandelen in [G BEDRIJF] vijf maanden na de verkrijging € 0 waard waren en derhalve op het moment van de verkrijging al aanzienlijk minder waard waren dan € 225.000, dient eiser met feiten en/of omstandigheden te onderbouwen. Hij heeft daartoe onder meer aangevoerd dat hij zich in een dwangpositie bevond om de voorwaarden van de aandelenswap en de in dat verband gestelde voorwaarden te accepteren. Datzelfde geldt voor de andere werknemers/managers die eveneens een identiek pakket certificaten van aandelen [G BEDRIJF] hebben moeten afnemen; dit in het kader van het behoud van zijn respectievelijk hun dienstbetrekking. Voorts is tussen partijen in geschil of de certificaten van aandelen [G BEDRIJF] een intrinsieke waarde vertegenwoordigden op of omstreeks 22 april 2014 of dat louter sprake is van ongewisse toekomstverwachtingen. Naar het oordeel van de rechtbank staat niet dan wel onvoldoende weersproken vast dat het eigen vermogen van het volledige bedrijf op 30 april 2014 negatief € 3,6 miljoen bedroeg. Daarnaast is van belang dat vaststaat dat de waarde in het economische verkeer van de certificaten van aandelen [G BEDRIJF] per 1 april 2015 (de datum waarop de arbeidsovereenkomst van eiser werd beëindigd) door een onafhankelijke deskundige is vastgesteld op € 0,-. Partijen hebben deze waarde als uitgangspunt genomen bij de financiële afwikkeling van de arbeids- en aandeelhoudersrelatie. Naar het oordeel van de rechtbank staat niet dan wel onvoldoende weersproken vast dat de waarde van de certificaten van aandelen [G BEDRIJF] minder dan een jaar voorafgaand aan de datum waarop de waarde van de certificaten is vastgesteld (substantieel) hoger was. Onder die omstandigheden kan aan de ontvangen certificaten van aandelen [G BEDRIJF] slechts een verwachtingswaarde worden toegekend, uitsluitend ingegeven door de hoop dat de winstgevendheid van het concern weer een stijgende lijn zou gaan vertonen.


40. Per saldo heeft eiser derhalve geen voordeel genoten uit de vorenvermelde aandelenswap. De vraag of een eventueel voordeel tot het belastbaar inkomen uit werk en woning dient te worden gerekend behoeft derhalve geen beantwoording. Ook op dit punt is het gelijk aan eiser.


Slotsom

Het beroep dient daarom gegrond te worden verklaard.


Schending algemene beginselen van behoorlijk bestuur

41. Voor zover eiser heeft betoogd dat verweerder in strijd heeft gehandeld met een of meer algemene beginselen van behoorlijk bestuur, meer in het bijzonder het zorgvuldigheidsbeginsel, het evenredigheidsbeginsel is de rechtbank van oordeel dat eiser deze stelling - gelet op de gemotiveerde weerspreking van verweerder, niet aannemelijk heeft gemaakt. Het enkele gegeven dat partijen langdurig met elkaar in dispuut zijn geweest maakt dat niet anders. Niet kan worden geoordeeld dat het standpunt van verweerder een redelijke grondslag heeft ontbeerd. Dat alles afwegend de rechtbank het beroep gegrond verklaard maakt dat evenmin anders.


Schadevergoeding ex artikel 8:73 van de Awb

42. Eiser heeft zich in zijn tiendagenstuk nader op het standpunt gesteld, onder verwijzing naar artikel 8:73 van de Awb, dat hij recht heeft op een vergoeding van door hem geleden schade in verband met de gestelde renteschade groot € 6.973,30 (rente over het geleende bedrag bij [C BEDRIJF] , namelijk een bedrag van € 69.733, zijnde het saldo van de naheffingsaanslag inclusief belastingrente en de netto ontslagvergoeding van € 50.400). Verweerder heeft dat in zijn pleitnota bestreden en aangegeven dat eiser dit bedrag voor eigen rekening moet nemen omdat de naheffingsaanslag eiser en niet [C BEDRIJF] regardeert. De rechtbank oordeelt dat standpunt als rechtens juist en maakt dat tot het hare.


Immateriële schadevergoeding

43. Eiser heeft de rechtbank verzocht om hem schadeloos te stellen met betrekking tot de door hem geleden immateriële schade. Een onderbouwing ontbreekt. Verweerder heeft gemotiveerd bestreden dat er geen aanleiding is om dit verzoek te honoreren.


44. Voor het toekennen van een schadevergoeding in verband met geleden immateriële schade gebaseerd op een overschrijding van de redelijke termijn in de bezwaar- en de beroepsfase bestaat ook geen aanleiding. Bij de beoordeling van de vraag of de redelijke termijn is overschreden moet worden aangesloten bij de uitgangspunten als neergelegd in het arrest van de Hoge Raad van 22 april 2005, nr. 37984, ECLI:NL:HR:2005:AO9006. Voor een uitspraak in eerste aanleg heeft te gelden dat deze niet binnen een redelijke termijn geschiedt indien de rechtbank niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen uitspraak doet, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. Deze procedure is feitelijk aangevangen met het instellen van het beroep nu de bezwaarfase is overgeslagen. Het beroepschrift is op 28 juni 2017 door de rechtbank ontvangen. Sindsdien zijn minder dan 24 maanden verstreken. Hieruit volgt dat geen sprake is van overschrijding van de redelijke termijn zodat geen grond bestaat voor toekenning van een immateriële schadevergoeding.


Proceskosten

45. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. De rechtbank acht geen termen aanwezig voor een veroordeling van verweerder in de integrale proceskosten. De kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.002 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 501 en een wegingsfactor 1).












Beslissing


De rechtbank:

- verklaart het beroep voor zover gericht tegen het niet (tijdig) nemen van een beslissing niet-ontvankelijk;

- verklaart het beroep voor zover gericht tegen de beschikking gegrond;

- vernietigt de beschikking waarbij het verzoek om ambtshalve vermindering is

afgewezen;

- vermindert de belastingaanslag tot een berekend naar een belastbaar

inkomen uit werk en woning van € 158.992, met verrekening van een bedrag van loonheffing ad € 214.144 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.002;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 46 aan eiser te vergoeden.





Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Walderveen, voorzitter, mr. S.K.A. Efstratiades en mr. J. Gooijer, leden, in aanwezigheid van mr. M.C. Anema, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 september 2018.






griffier voorzitter





Afschrift verzonden aan partijen op:






Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312,

1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.