Rechtbank Noord-Nederland, 16-03-2016 / 4778626 AR 16-23; 4824929 AR 16-40; 4824939 AR 16-41


ECLI:NL:RBNNE:2016:1126

Inhoudsindicatie
Ontbinding op g-grond (verstoorde arbeidsverhouding), verzwijgen relatie MT-lid, schending integriteit, onherstelbare vertrouwensbreuk
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Uitspraakdatum
2016-03-16
Publicatiedatum
2016-03-16
Zaaknummer
4778626 AR 16-23; 4824929 AR 16-40; 4824939 AR 16-41
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechtsgebied
Civiel recht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • AR 2016/785
  • AR-Updates.nl 2016-0272
Uitspraak RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Privaatrecht


Locatie Leeuwarden


zaaknummers: 4778626 \ AR VERZ 16-23; 4824929 \ AR VERZ 16-40;

4824939 \ AR VERZ 16-41


beschikking van de kantonrechter van 16 maart 2016


inzake


[verzoekster]

gevestigd te [plaats] ,

verzoekster ex art. 7:671 b BW,

verweerster ex art. 7:686 a lid 3 BW en 223 Rv,

gemachtigde: mr. K.E. de Vries,


tegen


[verweerster]

wonende te [woonplaats 1] ,

verweerster ex art. 7:671 b BW,

verzoekster ex art. 7:686 a lid 3 BW en 223 Rv,

gemachtigde: mr. J.H. Plantenga.


Partijen zullen hierna [verzoekster] en [verweerster] worden genoemd.


1Het procesverloop


1.1.

[verzoekster] heeft een verzoek ingediend, ingekomen op 25 januari 2016, om de arbeidsovereenkomst tussen partijen te ontbinden, onder toekenning van een transitievergoeding aan [verweerster] van € 5.965,56 bruto.


1.2.

[verweerster] heeft een verweerschrift ingediend, ingekomen op 8 februari 2016, primair strekkende tot afwijzing van het ontbindingsverzoek, tevens houdende een tegenverzoek tot

betaling van door [verweerster] gemaakte advocaatkosten alsmede overhandiging van een lijst van personen en organisaties met wie [verzoekster] heeft gesproken over [verweerster] en het plaatsen van een rectificatie, op verbeurte van een dwangsom.

Tevens heeft [verweerster] een voorwaardelijk tegenverzoek gedaan tot betaling van een billijke vergoeding, van een transitievergoeding ad € 6.961,00 bruto, van openstaande overuren, alsmede tot het opstellen van een eindafrekening, rekening houdend met de opzegtermijn en de proceduretijd, en tot vernietiging van een relatiebeding.


1.3.

Gelijktijdig heeft [verweerster] - bij wijze van incidentele vordering ex artikel 223 Rv - verzocht om voor de duur van het geding een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende wedertewerkstelling van [verweerster] op verbeurte van een dwangsom alsmede opschorting/schorsing van de werking van het relatiebeding.


1.4.

Op 15 februari 2016 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden, waarbij de verzoeken zijn behandeld. Namens [verzoekster] waren hierbij aanwezig de heer

[bestuurder A] , statutair bestuurder van [verzoekster] (hierna: [bestuurder A] ), de heer [C] , manager Finance & Control bij [verzoekster] (hierna: [C] ) (die tijdens een schorsing van de zitting voortijdig is vertrokken wegens andere verplichtingen), bijgestaan door

mr. De Vries, alsmede [verweerster] , bijgestaan door mr. Plantenga. Partijen hebben hun standpunten toegelicht, aan de zijde van [verzoekster] deels aan de hand van een pleitnota. De griffier heeft van het ter zitting verhandelde aantekeningen gemaakt.


1.5.

Tot slot is beschikking bepaald op heden.


2De feiten


2.1.

[verweerster] , geboren 14 juli 1974, is op 1 januari 2013 in dienst getreden bij [verzoekster] in de functie van accountmanager. Met ingang van 1 januari 2014 is zij benoemd tot Manager Interne Organisatie, met een salaris van € 5.127,48 bruto per maand exclusief vakantiebijslag en enkele overige emolumenten.


2.2.

Artikel 18 van de arbeidsovereenkomst, getiteld 'Non-concurrentiebeding' bevat een beding dat - samengevat - [verweerster] verbiedt om gedurende een periode van een jaar na het eindigen van de arbeidsovereenkomst zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van [verzoekster] cliënten van [verzoekster] te benaderen of te (doen) bedienen.

Voorts is bij de arbeidsovereenkomst een door partijen geparafeerde, gevoegde functiebeschrijving gevoegd die onder 'werkzaamheden en verantwoordelijkheden' onder meer vermeldt:


- draagt bij aan het optimaliseren van cultuur, integriteitsnormen en bewaken (waarborgen) van reputatierisico's (…)


2.3.

Op de arbeidsovereenkomst is de CAO Verzekeringsbedrijf Buitendienst van toepassing (hierna: de CAO). In de CAO is, voor zover thans van belang, het volgende bepaald:


" Artikel 2.2 Schorsing

1. De werkgever kan de werknemer uitsluitend schorsen wanneer het vermoeden bestaat van een zodanig ernstig vergrijp, dat dit na onderzoek zou kunnen leiden tot ontslag op staande voet als bedoeld in artikel 7:678 BW.

2. Deze schorsing kan slechts plaatsvinden voor de tijd van ten hoogste 14 dagen met behoud van salaris.

(…)".


2.4.

[verzoekster] is een financiële instelling die valt onder het toezicht van De Nederlandsche Bank (DNB) en de Autoriteit Financiële Markten (AFM). [verweerster] maakt sinds 1 januari 2014 (de datum van haar benoeming tot Manager Interne Organisatie) deel uit van het management team (hierna: MT) van de organisatie, dat op dat moment verder bestond uit [C] en twee statutair bestuurders, [bestuurder A] en de heer [bestuurder B] (hierna: [bestuurder B] ).


2.5.

Naar aanleiding van vermeende frauduleuze handelingen van [bestuurder B] met betrekking tot onrechtmatige toe-eigening van een aan [verzoekster] toebehorend bedrag van ruim € 550.000,00 over de jaren 2011 tot en met 2015, heeft [verzoekster] in september 2015 Hoffmann Bedrijfsrecherche (hierna: Hoffmann) ingeschakeld, dat [bestuurder B] en de overige managementteamleden heeft gehoord. Naar aanleiding van de uitkomsten van het onderzoek is [bestuurder B] door [verzoekster] op staande voet ontslagen.


2.6.

[verweerster] en [bestuurder B] hebben vanaf enig moment gelegen vóór de indiensttreding van [verweerster] bij [verzoekster] tot omstreeks het moment dat [bestuurder B] door [verzoekster] is ontslagen een liefdesrelatie met elkaar gehad.


2.7.

Op 16 september 2015 heeft Hoffmann gesproken met [verweerster] . In het, door [verweerster] ondertekende, verslag dat naar aanleiding van dit gesprek door Hoffmann is opgesteld, staat, voor zover thans van belang, het volgende vermeld:


"Ik heb verschillende functies gehad bij verschillende bedrijven voordat ik hier kwam werken. Zo heb ik ook (…) in Huizen gewerkt. Daar ken ik [voornaam] [kantonrechter: [bestuurder B] ] ook van. Ik was daar manager van het commerciële bedrijf. [voornaam] was daar 'manager Interne Organisatie'. Ik heb vijf jaar bij (…) gewerkt en ben daar in 2012 weggegaan. [voornaam] was toen al uit dienst. Daarna heb ik een tijdje voor mezelf gewerkt, maar ik wilde liever in loondienst werken. Ook miste ik de samenwerking met andere mensen. [voornaam] zat inmiddels hier en benaderde mij voor een commerciële functie hier. Daar had ik wel oren naar en vervolgens heb ik verschillende gesprekken gehad (…).

(…)

U vraagt naar de autorisaties in ANVA van [voornaam] . Hij heeft een beheerdersrol in ANVA. [naam] [kantonrechter: [bestuurder A] ] heeft dat bijvoorbeeld niet. [voornaam] had die autorisatie al. Wat de reden daarvan is, dat weet ik niet. [voornaam] heeft vanuit het verleden wel kennis en ervaring met de implementatie en het testen van ANVA. Vorig jaar heb ik in het kader van het automatiseringsbeleid ook het autorisatiebeleid beschreven. We hebben eind vorig jaar ook een audit gehad waar een plan van aanpak uit voort gekomen is. In alle drukte is het autorisatieplan ANVA nog niet volledig uitgewerkt. Een paar weken geleden ben ik daarmee aan de slag gegaan. Het stond allemaal nog in de planning om op te pakken.

(…)

U vraagt of ik wel eens iets gekregen heb van [voornaam] wat een relatie kan hebben met deze casus. Daar vraagt u me wat. Hij heeft me wel eens gesteund met dingen. Ik herinner me dat [voornaam] mij, volgens mij in 2012, geholpen heeft met een forse rekening van de garage. Ik weet het niet meer zeker, maar ik meen dat het ging om iets van € 2.500,-. Ik geloof dat ik van [voornaam] een bedrag op mijn rekening gestort kreeg. Ik werkte hier toen nog niet. Andere zaken, anders dan een keer uit eten of € 100,- voor mijn vakantie, zijn langer geleden van 2012. Die € 100,- was dan bijvoorbeeld om op vakantie van uit eten te gaan met mijn dochter. Recentere zaken zijn er niet.

U vraagt naar zaken van langer geleden dan 2012. Dan moet je denken aan 2008, 2009, ondersteunen bij de afhandeling van juridische kosten ten gevolge van mijn scheiding. Ik ben ervan uitgegaan dat [voornaam] mij dit privé betaalde. Ik ben er ook nooit van uitgegaan dat [voornaam] het geld dat hij aan mij gaf, op onrechtmatige manier had verkregen. Ik ben altijd overtuigd geweest van de integriteit van [voornaam] . Ik heb daar nooit aan getwijfeld.

U vraagt mij naar mijn leaseauto. Toen ik hier begon had ik een functie waar een leaseauto bij hoorde. Toen [naam] mij vroeg voor deze functie, waar geen leaseauto bij hoort, zijn [naam] , [voornaam] en ik overeengekomen om in de buitendienst-Cao te blijven. Zo maak ik bijvoorbeeld geen aanspraak op ADV-uren, maar kan ik wel de beschikking hebben over een leaseauto. Ik had ook nog heel veel vakantiedagen staan. In een soort uitruil heb ik met [naam] afgesproken dat de vakantiedagen weggestreept werden en dat ik dan in de buitendienst-CAO kon blijven. (…)".


2.8.

Na ontdekking van de fraude van [bestuurder B] is door [verzoekster] een crisisteam gevormd waarvan [bestuurder A] en [C] deel uitmaakten. Op 23 en 30 november 2015 hebben gesprekken plaatsgevonden tussen enerzijds [verzoekster] , in de persoon van [bestuurder A] en [C] , en anderzijds [verweerster] . In voormelde gesprekken, waarvan beide partijen (interne) verslagen in het geding hebben gebracht die enigszins van elkaar verschillen, is de aard van de relatie tussen [bestuurder B] en [verweerster] aan de orde geweest en heeft [verweerster] aan [verzoekster] gemeld dat zij haar mede MT-leden eerder had willen informeren over de liefdesrelatie tussen haar en [bestuurder B] , maar dat [bestuurder B] dit niet wilde. In voormelde gesprekken heeft [verzoekster] kenbaar gemaakt dat het verzwijgen van deze privébanden het vertrouwen in [verweerster] ernstig heeft beschadigd en dat [verzoekster] de arbeidsrelatie met [verweerster] in onderling overleg minnelijk wenst te beëindigen.


2.9.

Bij brief van 7 december 2015 heeft [verzoekster] , bij monde van [bestuurder A] , voor zover thans van belang, geschreven:


"De afgelopen weken hebben jij, [C] , en ondergetekende een aantal keren me elkaar gesproken. Wij hebben aangegeven dat er wat ons betreft tussen jou en ons sprake is van een onherstelbare breuk in het vertrouwen en dat de arbeidsovereenkomst tussen jou en [verzoekster] om deze reden zal moeten eindigen.


Zoals bekend is recentelijk ons mede MT-lid en algemeen bestuurder de heer [bestuurder B] op staande voet ontslagen (…)


Tijdens de verhoren is ons gebleken dat jullie een relatie hebben (gehad) die jullie voor mij en [C] , alsook de recht van de organisatie, geheim hebben gehouden. In het verhoor door de bedrijfsrecherche heb je verder verklaard in het verleden geld in ontvangst te hebben genomen van de heer [bestuurder B] .


Op onze vraag waarom je jullie relatieverleden niet aan ons kenbaar hebt gemaakt, heb je geantwoord dat dit niet mocht van de heer [bestuurder B] . Voor ons is dat geen excuus. Je verklaring, ook in combinatie met financiële banden met de heer [bestuurder B] , geeft daarmee aan dat er een zekere mate van afhankelijkheid tussen jullie bestaat c.q. heeft bestaan en dat raakt aan kwesties van integriteit. Ik vind ook dat wij jou hiervan een verwijt kunnen maken. Je had het vanaf de eerste dag aan mij moeten melden.


Uit eigen onderzoek is gebleken dat voorafgaand aan je indiensttreding ook sprake is geweest van regelmatig contact tussen jou en de heer [bestuurder B] , waarbij - met voorbijgaan aan mij - via onder andere e-mail is overlegd over de arbeidsvoorwaarden. (…)


Gelet op die omstandigheden komt jouw rol en eerdere besluitvorming binnen het MT in een ander daglicht te staan. Het vertrouwen in jou dat we samen op integere en open wijze hebben kunnen komen tot besluitvorming is ernstig geschaad.


Jouw gedrag rond de ontdekking van de gedragingen van de heer [bestuurder B] heeft ook bijgedragen aan verdieping van de vertrouwensbreuk. (…) Het is mij en [C] erg opgevallen dat je op de dag dat de heer [bestuurder B] werd verhoord bij [C] kwam met de mededeling dat je het met hem over de autorisaties in ANVA wilde hebben terwijl toen nog niets bekend was gemaakt over de achtergrond van de fraude. (…)"


2.10.

Tezamen met de brief heeft [verzoekster] een beëindigingsvoorstel aan [verweerster] gestuurd en haar vrijgesteld van werk met behoud van salaris, met als reden - kort gezegd - dat er een onherstelbare vertrouwensbreuk tussen partijen was ontstaan.


2.11.

Partijen hebben geen overeenstemming over een minnelijke beëindiging van de arbeidsrelatie bereikt.


3Het verzoek van [verzoekster]


3.1.

verzoekt de arbeidsovereenkomst met [verweerster] te ontbinden op grond van artikel 7:671b lid 1, onderdeel a, van het Burgerlijk Wetboek (BW), primair in verbinding met artikel 7:669 lid 3, onderdeel g BW (een verstoorde arbeidsverhouding), subsidiair in verbinding met artikel 7:669 lid 3, onderdeel h BW (andere omstandigheden), onder toekenning van een transitievergoeding van € 5.965,65 bruto ten gunste van [verweerster] en ten laste van [verzoekster] , kosten rechtens.


3.2.

Aan haar primaire verzoek heeft [verzoekster] - samengevat - ten grondslag gelegd dat sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding die zodanig is dat van de werkgever redelijkerwijs niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Ter onderbouwing daarvan heeft [verzoekster] het volgende naar voren gebracht. Het gebrek aan openheid en transparantie aan de zijde van [verweerster] ligt ten grondslag aan het ontbindingsverzoek. Voor het goed functioneren van het MT is essentieel dat op basis van onafhankelijkheid, onpartijdigheid en in openheid wordt gediscussieerd over belangrijke beslissingen die in het belang van de continuïteit van de onderneming zijn en dat vrijelijk en zonder last met elkaar wordt gecommuniceerd, hetgeen kennelijk niet het geval is geweest. [verweerster] - die onder meer als taak heeft de integriteit en de cultuur bij [verzoekster] te bewaken - heeft haar liefdesrelatie met [bestuurder B] verzwegen tot het moment dat zij daar rechtstreeks op aangesproken werd, terwijl zij - zeker op het moment van haar toetreding tot het MT - op voorhand openheid van zaken hierover had moeten geven. Dat zij aangaf dat wel te hebben gewild maar niet te hebben gedaan omdat [bestuurder B] haar dit verbood, geeft eens te meer haar afhankelijke positie ten opzichte van hem aan. Als [verzoekster] had geweten van de aard van de relatie tussen [verweerster] en [bestuurder B] was dat reden geweest om haar niet tot het MT te laten toetreden. Ook de financiële banden tussen [verweerster] en [bestuurder B] - die een indicatie zijn van de afhankelijke positie van [verweerster] ten opzichte van [bestuurder B] - heeft [verweerster] in eerste instantie verzwegen en later zelfs ontkend. Het vertrouwen in [verweerster] is hierdoor volledig verdwenen. Het voorgaande klemt te meer nu voorafgaande aan de indiensttreding van [verweerster] (e-mail)contact is geweest tussen haar en [bestuurder B] over (de invulling van) haar aanstaande functie, waarvan [bestuurder A] niet op de hoogte was. Bovendien speelt het gedrag van [verweerster] rondom de fraude een rol bij het ontstaan van de vertrouwensbreuk. [verweerster] had opdracht de autorisaties van [bestuurder B] te beperken, hetgeen zij eerst pas wilde gaan doen op de dag van het verhoor en de schorsing van [bestuurder B] . Tevens was [verweerster] opvallend geïnteresseerd in alle feiten rondom de fraude, hetgeen ongepast is en veel wantrouwen heeft gecreëerd ten opzichte van [verweerster] . Wegens voornoemde feiten en omstandigheden heeft [verzoekster] het intiatief genomen tot beëindiging van het dienstverband, waarbij zij rekening heeft willen houden met de belangen van [verweerster] . Gelet op de fundamentele twijfels omtrent de betrouwbaarheid en integriteit van [verweerster] is mediation niet zinvol en ligt plaatsing elders in de organisatie niet in de rede.


3.3.

Subsidiair stelt [verzoekster] dat er dusdanige omstandigheden zijn dat van [verzoekster] in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Ter onderbouwing daarvan stelt [verzoekster] dat blijkens de parlementaire behandeling van de Wwz de h-grond kan worden gebruikt op het moment dat sprake is van een verschil van inzicht, bijvoorbeeld binnen een MT. Tussen [bestuurder A] en [C] enerzijds en [verweerster] anderzijds bestaat op zijn zachtst gezegd een verschil van inzicht over de interpretatie en waarde van de integriteitsnormen van [verzoekster] . Iedere werknemer, en zeker een MT-lid van [verzoekster] , dient collega's te informeren over feiten of omstandigheden die van belang kunnen zijn in de werkrelatie. Dit heeft [verweerster] nagelaten nu ze de (liefdes)relatie tussen haar en [bestuurder B] heeft verzwegen als ook haar kennelijke afhankelijkheid van hem die blijkt uit het feit dat ze van [bestuurder B] niets mocht zeggen over hun relatie, het feit dat zij geld van hem heeft gekregen waardoor ze zich mogelijk loyaal aan hem voelde alsmede het feit dat zij door toedoen van [bestuurder B] een dienstbetrekking bij [verzoekster] heeft gekregen.


4. Het verweer van [verweerster] en haar verzoek ex artikel 223 Rv tot wedertewerkstelling


4.1.

[verweerster] verweert zich tegen het verzoek en stelt dat de verzochte ontbinding moet worden afgewezen. Zij voert daartoe – samengevat – het volgende aan. Het is juist dat [verweerster] - op uitdrukkelijk verzoek van [bestuurder B] - niet pro-actief heeft gesproken over het liefdeselement van haar vriendschappelijke relatie met hem, maar dat zij buiten het werk met elkaar omgingen was geen geheim. Voorts is [verweerster] na het ontslag van [bestuurder B] op 16 september 2015 juist heel open geweest over haar privé-aangelegenheden. Er is geen sprake van een voldragen g-grond, nu alleen het niet gemelde liefdeselement in de relatie tussen [verweerster] en [bestuurder B] overblijft van al hetgeen [verzoekster] ten grondslag legt aan de ontbinding. Het is niet zonder meer een verplichting van een werknemer om privé informatie te delen met de werkgever. Bovendien zijn er andere mogelijkheden denkbaar om het vertrouwen bij [verzoekster] terug te winnen - temeer nu er inmiddels geen sprake meer is van een privérelatie tussen [verweerster] en [bestuurder B] (die ook niet langer werkzaam is bij [verzoekster] ) - zoals begeleiding en mediation, waartoe [verweerster] op 30 november 2015 een concreet voorstel heeft gedaan. [verzoekster] is daar ten onrechte niet op ingegaan. De overige elementen - namelijk de verwijten die zien op financiële banden, het aangaan van het dienstverband, de meer dan gewone belangstelling rondom het ontslag van [bestuurder B] en het (nog niet) intrekken van ICT autorisaties worden gemotiveerd betwist. De verwijten van [verzoekster] berusten op niet onderbouwde - maar voor [verweerster] wel zeer beschadigende - geruchten, hetgeen onder andere blijkt uit de door [verweerster] opgestelde en overgelegde verslagen van de gesprekken van 23 en 30 november 2015. Het in het geding brengen door [verzoekster] van het confidentiële rapport van Hoffmann is in strijd met goed werkgeverschap. Daarbij komt dat een verstoorde arbeidsrelatie volgens de bedoelingen van de wetgever beperkt moet worden uitgelegd, hetgeen bevestigd wordt in de eerste jurisprudentie over de Wwz, en zeker niet door de werkgever kan worden veroorzaakt. Voorts heeft [verzoekster] in de gesprekken van 23 en 30 november 2015 steeds aangegeven dat [verweerster] zakelijk altijd zeer goed gefunctioneerd heeft. Tevens is van belang dat [verweerster] , die op dat moment het aanspreekpunt was voor het personeel en de dagelijkse operatie aanstuurde, nog twee en een halve maand normaal en zonder problemen heeft doorgewerkt na het ontslag van [bestuurder B] op 16 september 2015 met behoud van alle verantwoordelijkheden, hetgeen onder meer blijkt uit een als productie 1 overgelegde lijst met werkzaamheden die [verweerster] in voormelde periode heeft verricht en haar aanwezigheid bij een strategische sessie op 29 oktober 2015. Bovendien dienen volgens artikel 7:669 lid 1 BW voor ieder ontslag de herplaatsingsmogelijkheden te worden onderzocht, hetgeen [verzoekster] niet heeft gedaan.


4.2.

Indien het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst wordt afgewezen of aangehouden, verzoekt [verweerster] , zo nodig bij wijze van voorlopige voorziening en uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van [verzoekster] om [verweerster] binnen 48 uur na betekening van de beschikking weer toe te laten tot haar gebruikelijke werkzaamheden, op verbeurte van een aan [verweerster] te betalen dwangsom van € 10.000,00 voor iedere overtreding vermeerderd met € 1.000,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat [verzoekster] in gebreke blijft met de voldoening daarvan. [verweerster] stelt in dit verband dat haar vrijstelling van werkzaamheden juridisch geduid moet worden als een schorsing. Gelet op de toepasselijke CAO is schorsing in casu niet mogelijk omdat geen sprake is van een dringende reden. [verweerster] heeft dan ook recht op wedertewerkstelling en heeft daar ook belang bij omdat zij op die manier eventuele reputatieschade ten gevolge van de schorsing kan beperken of herstellen.


5. De voorwaardelijke tegenverzoeken van [verweerster] en haar verzoek ex artikel 223 Rv tot opschorting/schorsing van het relatiebeding tussen partijen


5.1.

Voor zover de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden, verzoekt [verweerster]

- samengevat - subsidiair bij wijze van tegenverzoek, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, om:

a. [verzoekster] te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [verweerster] te betalen een transitievergoeding ad € 6.961,00 bruto ex artikel 7:673 BW;

b. [verzoekster] te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [verweerster] te betalen een billijke vergoeding ex artikel 7:671b lid 8 sub c BW ad € 50.000,00 althans een door de kantonrechter te bepalen bedrag;

c. bij het bepalen van de einddatum rekening te houden met de geldende opzegtermijn van vier maanden, onder aftrek van de proceduretijd van het onderhavige verzoekschrift;

d. [verzoekster] te veroordelen de gebruikelijke eindafrekening op te stellen en daarbij 247 openstaande overuren uit te betalen indien het gebruik van de lease-auto vervalt;

e. het tussen partijen bestaande relatiebeding te vernietigen, althans voor zover nodig als voorlopige voorziening de werking daarvan op te schorten/te schorsen.


5.2.

[verweerster] legt aan haar voorwaardelijke tegenverzoeken onder meer de volgende stellingen ten grondslag.

[verweerster] heeft recht op een billijke vergoeding, nu sprake is van ernstig verwijtbaar gedrag van [verzoekster] , hetgeen blijkt uit de volgende feiten en omstandigheden:

- [verweerster] heeft nog twee en een halve maand doorgewerkt na het ontslag van [bestuurder B] ;

- pas na die twee en een halve maand wordt de vermeende vertrouwensbreuk toegeschreven aan niet nader toegelichte geruchten;

- daarop wordt besloten tot directe vrijstelling hetgeen - nu geen sprake is van een dringende reden - in strijd is met de toepasselijke cao-bepalingen;

- in de brief van 7 december 2015 (r.o. 2.9.) worden onjuiste en onterechte verwijten over financiële banden en integriteit geuit;

- [verzoekster] heeft geen enkele poging ondernomen om het vertrouwen tussen partijen te herstellen, zelfs niet terwijl [verweerster] dat uitdrukkelijk heeft aangeboden, hetgeen - mede blijkens jurisprudentie - zeker op managementniveau mogelijk moet zijn, waarmee de werkgever het risico neemt een billijke vergoeding te moeten betalen;

- [verzoekster] heeft geruchten in de markt gebracht die beschadigend voor [verweerster] zijn;

- door de ongegronde non-actiefstelling kan [verweerster] zichzelf niet beschermen tegen de geruchten.

Voorts heeft [verweerster] in geval van ontbinding recht op een bedrag aan overuren ten gevolge van het alsdan eerder moeten inleveren van haar leaseauto. Tussen partijen is namelijk overeengekomen dat [verweerster] vanaf januari 2015 gedurende vier jaren een leaseauto zou mogen gebruiken. Als tegenprestatie zou [verweerster] haar overuren inleveren, hetgeen zij heeft gedaan voor een totaal aantal uren van 395,75. Indien de leaseauto eerder dan de afgesproken vier jaar wordt ingeleverd, dient het resterende saldo aan overuren, zijnde (395 - 148=) 247, alsnog in geld aan haar te worden uitgekeerd.

Ten aanzien van het relatiebeding geldt dat dit dient te worden vernietigd. [verweerster] heeft namelijk niet gekozen voor beëindiging van de arbeidsovereenkomst maar verliest door de ernstige verwijtbaarheid van [verzoekster] haar baan. Vernietiging van het relatiebeding wordt dan ook primair op grond van de ernstige verwijtbaarheid van de werkgever ex artikel 7:653 lid 4 BW verzocht, subsidiair op grond van de belangenafweging van partijen

ex artikel 7:653 lid 3 BW.


5.3.

[verzoekster] heeft verweer gevoerd met conclusie tot afwijzing van de voorwaardelijke tegenverzoeken alsmede tot afwijzing van het verzoek ex artikel 223 Rv, met veroordeling van [verweerster] in de kosten.


6De (onvoorwaardelijke) tegenverzoeken van [verweerster]


6.1.

Indien de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden als ook wanneer dat niet het geval is verzoekt [verweerster] - samengevat - primair en subsidiair bij wijze van tegenverzoek, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [verzoekster] te veroordelen:

a. om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [verweerster] te betalen advocaatkosten ad € 3.469,22 inclusief btw, te vermeerderen met het bedrag aan honorarium tot aan het moment dat ARAG de betalingen overneemt;

b. om aan [verweerster] een namenlijst te overhandigen van personen en organisaties met wie [verzoekster] heeft gesproken over [verweerster] en op enigerlei wijze een relatie heeft gelegd met de malversaties van [bestuurder B] , met de verplichting om aan die personen een aantoonbare rectificatie ter zake te sturen, op verbeurte van een dwangsom van € 10.000,00 voor iedere overtreding vermeerderd met een bedrag van € 1.000,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat [verzoekster] in gebreke blijft daaraan te voldoen;

c. in de proceskosten.


6.2.

[verweerster] legt aan haar (onvoorwaardelijke) tegenverzoeken het volgende ten grondslag.

Ter zake de advocaatkosten heeft [verzoekster] aanvankelijk toegezegd aan [verweerster] dat zij - gelet op de zakelijke relatie tussen [verzoekster] en ARAG, zijnde tevens de rechtsbijstandsverzekeraar van [verweerster] - op kosten van [verzoekster] een externe advocaat mocht inschakelen die op 4 december 2015 paraat moest staan voor overleg. Op 7 december 2015 heeft [verzoekster] haar toezegging echter eenzijdig ingetrokken. Onder voormelde omstandigheden wordt nakoming van [verzoekster] van haar toezegging gevorderd. Mocht onvoldoende bewezen zijn dat voormelde toezegging is gedaan dan brengt de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid (artikel 6:248 lid 1 BW) met zich dat [verzoekster] de kosten tot en met december 2015 dient te vergoeden. Ter onderbouwing van de gemaakte kosten overlegt [verweerster] een factuur van haar gemachtigde ad € 3.469,22.

De verzochte namenlijst en rectificatie zijn zeer belangrijk voor [verweerster] , opdat in ieder geruchten worden ontzenuwd dat zij betrokken is (geweest) bij malversaties van [bestuurder B] . Voor [verweerster] is met het oog op haar toekomst van belang dat haar naam, zeker bij de toezichthouders, niet beschadigd wordt.


6.3.

[verzoekster] heeft verweer gevoerd met conclusie tot afwijzing van de (onvoorwaardelijke) tegenverzoeken van [verweerster] , met veroordeling van [verweerster] in de kosten.


6.4.

De overige stellingen en verweren van partijen komen hierna, voor zover van belang, aan de orde.


7De beoordeling


ten aanzien van het verzoek tot ontbinding


7.1.

Gesteld noch gebleken is dat het verzoek verband houdt met één van de opzegverboden van artikel 7:670 BW of met enig ander verbod tot opzegging van de arbeidsovereenkomst.


7.2.

Het gaat in deze zaak primair om de vraag of de arbeidsovereenkomst tussen partijen moet worden ontbonden. In geval van ontbinding moet voorts ook worden geoordeeld over de hoogte van de aan [verweerster] toekomende transitievergoeding almede of [verweerster] aanspraak kan maken op een billijke vergoeding.


7.3.

De kantonrechter stelt voorop dat uit artikel 7:669 lid 1 BW volgt dat de arbeidsovereenkomst alleen kan worden ontbonden indien daar een redelijke grond voor is en herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt. In artikel 7:669 lid 3 BW is nader omschreven wat onder een redelijke grond moet worden verstaan. Bij regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 23 april 2015 (Stcrt. 2015/12685) zijn daarvoor nadere regels gesteld (Ontslagregeling).


7.4.

[verzoekster] voert aan dat de redelijke grond voor ontbinding primair is gelegen in een verstoorde arbeidsverhouding, die zodanig is dat van [verzoekster] als werkgever in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. [verzoekster] voert daartoe kort gezegd aan dat door het gebrek aan openheid en transparantie van [verweerster] inzake de aard en omvang van haar relatie met de inmiddels wegens fraude ontslagen directeur en het tevens mede MT-lid [bestuurder B] (door [verweerster] omschreven als een 'vriendschappelijke relatie met liefdeselement') een onherstelbare, structurele vertrouwensbreuk is ontstaan, met name gezien de positie van [verweerster] binnen [verzoekster] en het belang van [verzoekster] als financiële instelling bij het handhaven van de integriteitsnormen. [verzoekster] heeft ook gewezen op de eed/belofte die [verweerster] heeft afgelegd op basis van de Wijzigingswet Financiële Markten, waarin zij onder meer zweert/belooft om haar functie integer en zorgvuldig uit te oefenen. Door het handelen en zwijgen van [verweerster] kan de arbeidsrelatie tussen partijen niet langer in stand blijven. Naar het oordeel van de kantonrechter leveren de door [verzoekster] in dat verband naar voren gebrachte feiten en omstandigheden een redelijke grond voor ontbinding op, zoals bedoeld in artikel 7:669 lid 3, onderdeel g BW. Daartoe wordt het volgende overwogen.


7.5.

Ter zitting heeft [verweerster] bevestigd dat haar liefdesrelatie met [bestuurder B] (hierna ook: de verhouding) reeds vóór aanvang van haar indiensttreding bij [verzoekster] is ontstaan. Partijen verschillen enigszins van mening over de vraag wanneer de volledige omvang van de aard van de relatie tussen [verweerster] en [bestuurder B] aan [verzoekster] kenbaar is geworden (volgens [verweerster] reeds bij het onderzoek van Hoffmann op of omstreeks 16 september 2015 en volgens [verzoekster] pas bij de nadien, in november 2015, met haar gevoerde gesprekken) maar op grond van de stellingen van partijen en de in het geding gebrachte stukken is vast komen te staan dat [verweerster] in ieder geval niet eerder dan op of omstreeks 16 september 2015, en ook pas nadat daar expliciet naar werd gevraagd, [verzoekster] heeft geïnformeerd over haar verhouding met [bestuurder B] . Daarmee staat vast dat de verhouding pas bekend is geworden aan de andere twee leden van het MT na de toetreding van [verweerster] tot het MT, zodat deze leden van het MT ( [bestuurder A] en [C] ) gedurende een periode van zo'n 21 maanden na die toetreding geen weet hadden van de op dat moment bestaande verhouding tussen [verweerster] en [bestuurder B] . Alhoewel het feit dat [verweerster] de verhouding heeft verzwegen ten tijde van haar indiensttreding en gedurende de periode dat zij werkzaam was als accountmanager mogelijk nog te billijken is, nu zij in die positie een meer ondergeschikte rol binnen de organisatie vervulde, had het naar het oordeel van de kantonrechter in ieder geval op de weg van [verweerster] gelegen om, vanaf het moment dat werd gesproken over een mogelijke toetreding van haar tot het MT, volledige openheid van zaken te geven jegens [bestuurder A] en [C] over haar verhouding met [bestuurder B] . Dit nalaten is een ernstige schending van de door [verweerster] in acht te nemen integriteitsnorm. Immers, door de verhouding tussen twee van de vier MT-leden is beïnvloeding over en weer mogelijk, terwijl deze eventuele beïnvloeding - nog daargelaten of deze daadwerkelijk heeft plaatsgevonden - niet is te doorgronden voor de andere - slechts twee - MT-leden die immers niet op de hoogte waren van de verhouding.


7.6.

Het verweer van [verweerster] dat [bestuurder B] haar had verboden de overige MT-leden in te lichten over hun verhouding kan haar niet baten. Integendeel, het benadrukt de invloed die [bestuurder B] had op het handelen van [verweerster] waardoor zij kennelijk onvoldoende in staat of bereid was om de voor haar functie noodzakelijke afwegingen te maken tussen privé belangen en de belangen van [verzoekster] en toont daarmee eens te meer de integriteitsschending aan. [verweerster] had en heeft hierin als werknemer, en met name als MT-lid van [verzoekster] , een eigen verantwoordelijkheid. Ook het verweer van [verweerster] dat zij na 16 september 2015 juist heel open is geweest over haar verhouding met [bestuurder B] wordt verworpen, nu het kwaad op dat moment al was geschied en niet ongedaan kan worden gemaakt door alsnog openheid van zaken te geven. Het argument van [verweerster] dat het binnen [verzoekster] geen geheim was dat zij en [bestuurder B] een vriendschappelijke relatie buiten het werk hadden wordt gepasseerd, nu het karakter van een liefdesrelatie tussen twee personen en de wederzijdse beïnvloeding die hiervan uitgaat verschilt en aanmerkelijk verder gaat dan bij een vriendschappelijke relatie het geval is. Het feit dat [verweerster] , gezien haar verweer op dit punt, dit verschil kennelijk niet aanvoelt, althans het gevolg daarvan bagatelliseert, draagt naar het oordeel van de kantonrechter bij aan het door [verzoekster] gestelde gebrek aan vertrouwen. Het voorgaande klemt te meer nu - gelet op de verklaring van [verweerster] aan Hoffmann (r.o. 2.7.) - als onweersproken vast staat dat [bestuurder B] in het verleden enkele (niet verwaarloosbaar kleine) betalingen voor [verweerster] heeft verricht. Nu sprake is van een gefundeerde vertrouwensbreuk, veroorzaakt door een ernstige schending van de integriteitsnorm door [verweerster] , brengt dit naar het oordeel van de kantonrechter ook mee dat [verzoekster] terecht het voorstel van [verweerster] om een mediationtraject in te gaan heeft afwezen. De vertrouwensbreuk is zodanig ernstig dat die door [verzoekster] terecht als onherstelbaar is bestempeld.


7.7.

[verweerster] heeft nog aangevoerd dat, gelet op het stilzitten gedurende twee en een halve maand van [verzoekster] , namelijk in de periode tussen 16 september 2015 en

7 december 2015 waarin [verweerster] met behoud van al haar verantwoordelijkheden heeft doorgewerkt, er kennelijk andere redenen zijn om afscheid te willen nemen van [verweerster] dan het verzwijgen van de verhouding. [verzoekster] heeft hier tegenovergesteld dat [verweerster] vanaf 16 september 2015 bewust buiten het crisisteam is gehouden en is ontheven van haar taken ten aanzien van het autorisatiebeheer, zodat de overgebleven MT-leden, zijnde [bestuurder A] en [C] , de gelegenheid hadden de zaak nader te onderzoeken. Gelet op de verklaring van [verzoekster] ter mondelinge behandeling van de gang van zaken in de periode tussen 16 september 2015 en 7 december 2015, waaronder de hectiek rond de ontdekking van de fraude door [bestuurder B] en de daarnaast in die tijd ook nog spelende persoonlijke omstandigheden van [bestuurder A] en [C] , is voldoende onderbouwd door [verzoekster] dat voornoemde periode nodig was om uiteindelijk op 7 december 2015 tot het besluit van vrijstelling van werk van [verweerster] te kunnen komen, onder het gelijktijdig doen van een voorstel tot het in der minne beëindigen van de arbeidsrelatie. Daarbij is tevens van belang dat niet gesteld of gebleken is dat voornoemd tijdsverloop enig nadeel voor [verweerster] met zich heeft gebracht. Sterker nog, zoals [verzoekster] heeft gesteld, is er zelfs wellicht sprake van voordeel voor [verweerster] door dit tijdsverloop, gezien het feit dat een direct op het ontslag van [bestuurder B] volgende non-actiefstelling anders mogelijk zou worden gekoppeld aan de malversaties van [bestuurder B] met wie zij immers een verhouding had. Daarbij betrekt de kantonrechter tevens het feit dat het ontslag van [bestuurder B] de nodige media-aandacht heeft gekregen, en een min of meer gelijktijdig vertrek van [verweerster] bij die aandacht zeker ook ter sprake zou zijn gekomen. Dit terwijl [verzoekster] heeft bevestigd dat er op het functioneren van [verweerster] als zodanig, in tegenstelling tot dat van [bestuurder B] , geen kritiek is.


7.8.

De kantonrechter is voorts van oordeel dat herplaatsing van [verweerster] binnen een redelijke termijn niet in de rede ligt. Daarbij is het volgende van belang. Zoals hiervoor is geoordeeld heeft [verzoekster] terecht gesteld dat een structurele onherstelbare vertrouwensbreuk tussen [verzoekster] en [verweerster] is ontstaan. Nu deze vertrouwensbreuk zich op managementniveau heeft afgespeeld behoort herplaatsing - nog daargelaten of er binnen de organisatie van [verzoekster] een andere plek voor [verweerster] beschikbaar zou zijn, nu dit door [verweerster] ook niet is aangevoerd - reeds om die reden niet tot de mogelijkheden. Immers, op welke andere (per definitie: lagere) plek in de organisatie [verweerster] ook herplaatst zou worden, zij zou daarmee altijd, direct of indirect, onder het management vallen waarmee door haar eigen toedoen een vertrouwensbreuk is ontstaan, nu ook niet is gesteld of gebleken van nevenvestigingen van [verzoekster] onder ander management dan dat van (thans) [bestuurder A] en [C] . In het licht hiervan bezien kan de omstandigheid dat [verzoekster] geen herplaatsingsmogelijkheden heeft onderzocht, zoals door [verweerster] als verweer is aangevoerd, niet tot afwijzing van het verzoek van [verzoekster] leiden.

7.9.

De conclusie is dat de kantonrechter het verzoek van [verzoekster] zal toewijzen en dat de arbeidsovereenkomst met toepassing van artikel 7:671b lid 8, onderdeel a, BW zal worden ontbonden met ingang van 1 juni 2016. Dat is de datum waarop de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging - uitgaande van de onweersproken door [verweerster] gestelde opzegtermijn van vier maanden - zou zijn geëindigd, verminderd met de duur van deze procedure (te weten: vier maanden vanaf 16 maart 2016 = 16 juli 2016, verminderd met zeven weken en twee dagen is 26 mei 2016, gerekend naar het einde van de kalendermaand).


7.10.

Nu hiermee het primaire verzoek van [verzoekster] wordt ingewilligd, wordt aan de beoordeling van de subsidiair verzochte ontbinding op de h-grond niet meer toegekomen.


7.11.

Uit artikel 7:673 lid 1 BW volgt dat [verzoekster] onder de gegeven omstandigheden een transitievergoeding is verschuldigd, nu [verzoekster] zich niet op het standpunt heeft gesteld dat het handelen van [verweerster] als ernstig verwijtbaar dient te worden bestempeld. [verzoekster] heeft de verschuldigde transitievergoeding berekend op een bedrag van € 5.965,56 bruto, terwijl [verweerster] om een bedrag van € 6.961,00 bruto heeft verzocht. Ter mondelinge behandeling is aan de orde geweest dat de reden van dit verschil gelegen is in het moment van ontbinden van de overeenkomst, waarbij [verweerster] is uitgegaan van het (iets hogere) salaris zoals dat zou gelden in geval van ontbinding per 1 juli 2016. Nu hiervoor de ontbindingsdatum is vastgesteld op 1 juni 2016 betekent dit de transitievergoeding op het door [verzoekster] berekende bedrag van € 5.965.56 bruto wordt vastgesteld.


7.12.

De kantonrechter is van oordeel dat het in deze redelijk is dat partijen ieder hun eigen proceskosten dragen.


ten aanzien van de voorwaardelijke tegenverzoeken


transitievergoeding

7.13.

Voor zover [verweerster] bij wijze van tegenverzoek heeft gevraagd om toekenning van een transitievergoeding, behoeft dit verzoek niet te worden behandeld, omdat daarop al is beslist in het kader van het verzoek tot ontbinding.


billijke vergoeding

7.14.

[verweerster] heeft voorts verzocht om een billijke vergoeding. De kantonrechter ziet geen aanleiding om aan de werknemer een billijke vergoeding toe te kennen. Gelet op artikel 7:671b lid 8, onderdeel c, BW is voor toekenning van een billijke vergoeding alleen plaats indien de ontbinding van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van een werkgever zich slechts zal voordoen in uitzonderlijke gevallen, bijvoorbeeld als een werkgever grovelijk de verplichtingen niet nakomt die voortvloeien uit de arbeidsovereenkomst en er als gevolg daarvan een verstoorde arbeidsverhouding ontstaat of als een werkgever een valse grond voor ontslag aanvoert met als enig oogmerk een onwerkbare situatie te creëren (zie: Kamerstukken II, 2013-2014, 33 818, nr. 3, pag. 34). Een dergelijke situatie doet zich hier niet voor. Daarover wordt het volgende overwogen.


7.15.

De kantonrechter acht de door [verweerster] gestelde feiten en omstandigheden onvoldoende om te concluderen dat sprake is van ernstig verwijtbaar handelen van [verzoekster] . Zoals hiervoor al is geoordeeld valt [verzoekster] niet te verwijten dat er een periode van twee en een halve maand heeft gezeten tussen het haar bekend worden van de verhouding tussen [verweerster] en [bestuurder B] en de beslissing tot non-actiefstelling van [verweerster] . Voorts is in dit verband van belang dat [verzoekster] ook onmiddellijk na 16 september 2015 maatregelen heeft genomen - namelijk de vorming van een crisisteam waar [verweerster] geen deel van uitmaakte en het elders onderbrengen van haar ICT-autorisatie taken - waaruit duidelijk moest zijn voor [verweerster] dat er nog nadere stappen zouden (kunnen) worden genomen. Voorts heeft [verzoekster] naar het oordeel van de kantonrechter correct en zorgvuldig gehandeld door [verweerster] - zoals blijkt uit de overgelegde verslagen van beide partijen - in de gesprekken van 23 en 30 november 2015 een minnelijke oplossing als uitweg te bieden. Onvoldoende gesteld door [verweerster] is - mede gelet op de gemotiveerde betwisting ervan door [verzoekster] - dat [verzoekster] geruchten zou hebben verspreid die uiteindelijk de grondslag voor de vertrouwensbreuk zouden vormen. Nog daargelaten dat [verzoekster] de vermeende geruchten niet ten grondslag legt aan haar ontbindingsverzoek, acht de kantonrechter de enkele stelling van [verweerster] dat zij vragen uit de markt krijgt over haar positie bij [verzoekster] en de onderbouwing in de vorm van door haarzelf opgestelde gespreksverslagen - die verschillen van de door [verzoekster] opgestelde verslagen - onvoldoende. Het had op de weg van [verweerster] gelegen haar stellingen ter zake nader te onderbouwen, bijvoorbeeld in de vorm van getuigenverklaringen.


7.16.

Het gebruik maken van de door [verweerster] ten opzichte van Hoffmann afgelegde verklaring wordt evenmin als verwijtbaar aan de zijde van [verzoekster] geoordeeld, nu - behoudens enkele algemene zinsnedes - slechts dat deel is overgelegd waar [verweerster] inzage in heeft gehad en haar handtekening onder heeft gezet.


7.17.

[verweerster] verwijt haar werkgever verder dat geen pogingen zijn ondernomen om het vertrouwen tussen partijen te herstellen, hetgeen volgens haar op managementniveau mogelijk zou moeten zijn, onder verwijzing naar een uitspraak van de kantonrechter te Dordrecht van 11 december 2015. Mede gelet op de gemotiveerde betwisting van onder andere de toepasselijkheid van voormelde uitspraak op de onderhavige casus, wordt geoordeeld dat [verzoekster] hier geen blaam treft. Zoals hierboven overwogen is de vertrouwensbreuk die is ontstaan door een schending van de integriteit door [verweerster] en die zich afspeelt op het hoogste niveau binnen de organisatie naar het oordeel van de kantonrechter zodanig ernstig dat niet denkbaar is dat deze breuk op enigerlei wijze zou kunnen worden gelijmd.


7.18.

Het enkele feit dat [verzoekster] de CAO heeft overtreden, zoals [verweerster] heeft gesteld, acht de kantonrechter in dit verband voorts onvoldoende voor het oordeel dat sprake zou zijn van ernstig verwijtbaar handelen van [verzoekster] . Daartoe wordt overwogen dat begrijpelijk is dat [verzoekster] , bij een dergelijke onherstelbare vertrouwensbreuk die zich afspeelt op managementniveau, overgaat tot een op non-actiefstelling van [verweerster] die, gezien het daarop volgende (mislukte) traject van onderhandelingen over een regeling in der minne met een aansluitend ontbindingsverzoek, nu eenmaal gauw langer zal duren dan de in de CAO bepaalde termijn van twee weken. Daarbij wordt nog van belang geacht dat [verzoekster] zich, zoals blijkt uit de gespreksverslagen van beide partijen van 23 en 30 november 2015, alsmede uit het in de brief van 7 december 2015 gedane aanbod aan [verweerster] , steeds correct tegenover [verweerster] heeft gedragen, onder andere op het gebied van geheimhouding en discretie. Het standpunt van [verweerster] dat in voormelde brief onterechte verwijten zouden zijn gemaakt over financiële banden en integriteit deelt de kantonrechter, gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen, niet. Nu geoordeeld is dat, op grond van het voorgaande, geen sprake is van ernstig verwijtbaar gedrag door [verzoekster] , zal het verzoek van [verweerster] om haar een billijke vergoeding toe te kennen, worden afgewezen.


7.19.

Omdat aan de ontbinding geen vergoeding wordt verbonden, hoeft [verzoekster] geen gelegenheid te krijgen het verzoek in te trekken.


einddatum

7.20.

Op het tegenverzoek van [verweerster] om bij het bepalen van de einddatum rekening te houden met de opzegtermijn en proceduretijd is reeds beslist in de zaak van het verzoek, zodat het tegenverzoek hier niet hoeft te worden behandeld.


eindafrekening inclusief overuren

7.21.

[verweerster] heeft bij wijze van tegenverzoek gevraagd om een eindafrekening waarin een bedrag voor 247 openstaande overuren is opgenomen. [verweerster] heeft in dit verband gesteld dat overeengekomen is tussen partijen dat zij gebruik maakte van een leaseauto vanaf 2015 gedurende vier jaren in ruil voor door haar ingeleverde overuren, die nu naar rato dienen te worden terugbetaald door [verzoekster] , omdat het dienstverband eerder eindigt. [verzoekster] heeft gemotiveerd betwist dat [verweerster] aanspraak kan maken op uitbetaling van overuren, aangezien partijen destijds een package deal waren overeengekomen, waarvan behalve de leaseauto nog andere zaken deel uitmaakten en waarbij [verweerster] afstand heeft gedaan van haar claim op overuren. Bovendien heeft [verweerster] het door haar gestelde saldo aan overuren onvoldoende onderbouwd. De kantonrechter is van oordeel dat onvoldoende is gesteld door [verweerster] , mede gelet op de gemotiveerde betwisting, dat afgesproken is tussen partijen dat de afspraak gold voor een periode van vier jaar en dat bij een eerdere beëindiging van de arbeidsrelatie, terugbetaling van overuren zou plaatsvinden. Bovendien volgt deze stelling van [verweerster] ook niet uit de door haar ondertekende verklaring die zij jegens Hoffmann heeft afgelegd. Met de beëindiging van de arbeidsrelatie wordt ook de package deal beëindigd, waarbij het - gezien de aan de ontbinding ten grondslig liggende feiten en omstandigheden - redelijk is dat de gevolgen van de beëindiging van de deal voor rekening en risico van [verweerster] komen. De kantonrechter zal het tegenverzoek, voor zover dat ziet op uitbetaling van de overuren, dan ook afwijzen. De verzochte eindafrekening als zodanig zal worden toegewezen op de wijze als in het dictum bepaald.


relatiebeding

7.22.

Ten aanzien van de verzochte vernietiging van het relatiebeding wordt als volgt overwogen. Blijkens de stellingen van partijen zijn zij het erover eens dat, hoewel in de titel van artikel 18 van de arbeidsovereenkomst wordt vermeld dat het een non-concurrentiebeding betreft, er gelet op de inhoud van het beding in feite sprake is van een relatiebeding (r.o. 2.2.). Dit relatiebeding wordt - evenals een concurrentiebeding - geacht onder de werking van artikel 7:653 BW te vallen, nu het [verweerster] beperkingen oplegt in de uitoefening van haar werk ten aanzien van bepaalde cliënten gedurende een bepaalde periode. Aangezien hiervoor is geoordeeld dat geen sprake is van ernstige verwijtbaarheid aan de zijde van de werkgever, is evenmin sprake van schadeplichtigheid van [verzoekster] en zal het verzoek voor zover dat gegrond is op artikel 7:653 lid 4 BW worden afgewezen. Ook een redelijke belangenafweging op grond van de subsidiair door [verweerster] aangevoerde grondslag van artikel 7:653 BW lid 3 kan niet leiden tot vernietiging van het relatiebeding. [verweerster] heeft onvoldoende onderbouwd dat zij onbillijk wordt benadeeld door handhaving van het relatiebeding. Daartoe wordt in aanmerking genomen dat [verweerster] niet heeft aangegeven waarom juist het niet kunnen benaderen van cliënten van [verzoekster] gedurende een periode van 12 maanden na beëindiging zo nadelig voor haar uitpakt, nu zij niet heeft gemotiveerd dat en waarom juist de contacten met die cliënten zo’n wezenlijk onderdeel van haar werk vormden, terwijl dit ook niet volgt uit de benaming van haar functie (Manager Interne Organisatie). De verzochte vernietiging van het relatiebeding zal dan ook worden afgewezen.


ten aanzien van de (onvoorwaardelijke) tegenverzoeken van [verweerster]


advocaatkosten

7.23.

De kantonrechter acht de stelling van [verweerster] dat partijen (aanvankelijk) waren overeengekomen dat [verzoekster] de daadwerkelijk gemaakte advocaatkosten van [verweerster] zou betalen onvoldoende onderbouwd. Daartoe wordt in aanmerking genomen dat tegenover de enkele stelling van [verweerster] dat voornoemde afspraak was gemaakt, ter mondelinge behandeling de gang van zaken rond de vermeende afspraken over advocaatkosten door [verzoekster] uitdrukkelijk is betwist en toegelicht, niet alleen door [bestuurder A] maar ook door [C] , die een gedetailleerde toelichting heeft gegeven op voormelde gang van zaken. De verzochte vergoeding van de door [verweerster] gemaakte en te maken advocaatkosten zal dan ook worden afgewezen.


rectificatie

7.24.

De door [verweerster] verzochte rectificatie en een daarmee verband houdende door [verzoekster] op te stellen namenlijst acht de kantonrechter onvoldoende bepaald om voor toewijzing in aanmerking te kunnen komen. Daartoe wordt overwogen dat, zoals hiervoor al is geoordeeld, niet is komen vast te staan dat [verzoekster] geruchten heeft verspreid omtrent betrokkenheid van [verweerster] bij de malversaties van [bestuurder B] . Niet valt in te zien derhalve, op welke grond [verzoekster] gehouden zou kunnen of moeten worden een rectificatie op te stellen.


ten aanzien van de voorlopige voorzieningen ex artikel 223 Rv


7.25.

Nu in deze beschikking al een beslissing wordt gegeven over het verzoek van [verzoekster] , is er geen reden meer om met toepassing van artikel 223 Rv een voorlopige voorziening te treffen. Een voorlopige voorziening op grond van dat artikel kan immers alleen worden getroffen voor de duur van het geding. De verzoeken van [verweerster] tot wedertewerkstelling en opschorting/schorsing van het relatiebeding zullen derhalve worden afgewezen.


ten aanzien van (de proceskosten van) de tegenverzoeken en de voorlopige voorzieningen


7.26.

De conclusie is dat de vorderingen van [verweerster] , behoudens die terzake van het verstrekken van een eindafrekening, zullen worden afgewezen.


7.27.

Als (grotendeels) in het ongelijk te stellen partij ter zake van de door haar ingediende tegenverzoeken en de voorlopige voorzieningen zal [verweerster] in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [verzoekster] worden tot op heden vastgesteld op

€ 600,00 ter zake van salaris gemachtigde.


6De beslissing


De kantonrechter:


op het verzoek van [verzoekster] (4778626 AR 16-23):


6.1.

ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 juni 2016;


6.2.

veroordeelt [verzoekster] om aan [verweerster] een transitievergoeding te betalen van € 5.965,56 bruto;


6.3.

compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;


6.4.

wijst af het meer of anders gevorderde;


op de tegenverzoeken van [verweerster] en het verzoek ex artikel 223Rv (4824929 AR 16-40 en 4824939 AR 16-41)


6.5.

veroordeelt [verzoekster] om de gebruikelijke eindafrekening op te stellen binnen een maand na datum einde dienstverband;


6.6.

verklaart deze beschikking voor wat betreft het onder 6.5. bepaalde uitvoerbaar bij voorraad;


6.7.

veroordeelt [verweerster] in de proceskosten, aan de zijde van [verzoekster] tot op heden vastgesteld op € 600,00;


6.8.

wijst af het meer of anders gevorderde.



Aldus gegeven te Leeuwarden en in het openbaar uitgesproken op 16 maart 2016 door mr. E.Th.M. Zwart-Sneek, kantonrechter, in tegenwoordigheid van de griffier.





426