Rechtbank 's-Gravenhage, 19-07-2011 / AWB-10_2673 LB-PVV


ECLI:NL:RBSGR:2011:24462

Inhoudsindicatie
bodemprocedure
Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Uitspraakdatum
2011-07-19
Publicatiedatum
2017-06-01
Zaaknummer
AWB-10_2673 LB-PVV
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Belastingrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak Rechtbank 's-Gravenhage

Sector bestuursrecht


Afdeling 4, meervoudige kamer


Procedurenummer: AWB 10/2673LB/PVV


Uitspraakdatum: 20 juli 2011


Uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

in het geding tussen


V.o.f. [eiseres], gevestigd te [vestigingsplaats] , eiseres,


en


de inspecteur van de Belastingdienst/Zuidwest, kantoor [kantoorplaats] , verweerder.

10/2673


IPROCESVERLOOP

1.1 Verweerder heeft aan eiseres over het tijdvak 16 april 2008 tot en met 16 oktober 2008 een naheffingsaanslag loonheffingen ten bedrage van € 17.219 opgelegd (aanslagnummer [aanslagnummer] ), alsmede bij beschikking een vergrijpboete van € 8.609.


1.2 Verweerder heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 17 maart 2010 de naheffingsaanslag en de boetebeschikking gehandhaafd.


1.3 Eiseres heeft daartegen bij brief van 13 april 2010, ontvangen bij de rechtbank op 14 april 2010, beroep ingesteld. Zij heeft de rechtbank bij brief van 9 mei 2010 de gronden van het beroep doen toekomen.


1.4 Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.


1.5 Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 juni 2011 te 's-Gravenhage.

Namens eiseres is daar verschenen [persoon 1] , bijgestaan door mr. R.A.A. Maat, advocaat te Middelburg. Namens verweerder zijn verschenen [persoon 2] en [persoon 3] .



IIOVERWEGINGEN

Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast.


2.1 Eiseres exploiteerde van 1 januari 2008 tot 26 januari 2009 een Chinees-Indisch restaurant onder de naam [Restaurant X] . De firmanten in de vennootschap waren [persoon 1] en [persoon 4] . Met ingang van 26 januari 2009 wordt de onderneming in de vorm van een eenmanszaak geëxploiteerd door [persoon 1] (hierna: C).


2.2 Op 16 oktober 2008 heeft bij eiseres een zogenoemde waarneming ter plaatse plaatsgevonden. In het rapport met dagtekening 31 oktober 2008 dat ter zake van de waarneming ter plaatse is opgemaakt (hierna: het rapport) en waarvan een kopie tot de gedingstukken behoort, is onder meer het volgende vermeld:


“4Personeel en loonheffing


Tijdens de WTP zijn twee medewerksters aangetroffen in de onderneming achter de toonbank. Deze medwerksters waren bezig met het bedienen van de klanten in het afhaalgedeelte, het aannemen, inpakken en afrekenen van bestellingen en andere voorkomende werkzaamheden.

In de keuken werden vier personen aangetroffen waarvan er twee zijn gevlucht naar het privé-gedeelte van het pand. Bij de achteruitgang van het pand is door de controlerend ambtenaar geen activiteit waargenomen wat betreft de twee vluchtende personen. Daarom is het vermoeden gerezen dat de twee keukenmedewerkers zich in de woning hebben teruggetrokken na aanvang van de waarneming ter plaatse.


4.1 Illegale werknemers


Direct na aanvang van de controle hebben de medewerkers van de Arbeidsinspectie via de doorgeefluikjes links en rechts van de toegangsdeur naar de keuken geconstateerd dat in de keuken vier manspersonen bezig zijn met het bereiden van voedsel waaronder het bakken van bami, het frituren van diverse gerechten, het bakken van vleesgerechten, het vullen van kunststof bakjes met bestelde waren, opscheppen van saus en andere voorkomende werkzaamheden.

Nadat het voor de medewerkers achter de counter duidelijk is wat er gaande is wordt door hen in de vermoedelijk Chinese taal een en ander gezegd tegen de keukenmedewerkers. Er ontstaat wat chaos waarbij twee van de vier koks zich met grote spoed de keuken uitlopen in de richting van de spiltrap en zij begeven zich naar de boven de keuken gelegen opslagruimte. Hierna zijn zij uit het zicht verdwenen.


Hierop is door mij, [naam controlemedewerker], aan vennoot [C] gevraagd wie deze mannen zijn en wat zij in het bedrijf doen. [C] bleef op deze vraag het antwoord schuldig en verwees naar haar partner.


Hierop heb ik, [controlemedewerker], met behulp van een telefonische tolk van het Tolk- en Vertaalcentrum Nederland, met [echtgenoot van C] (hierna: G) gesproken. [G] verklaarde aan de hand van de aan hem gestelde vragen desgevraagd als volgt:

“Deze zaak is van mijn vrouw, [C], geboren [geboortedatum] -1977. Er zijn inderdaad twee mannen uit de keuken gevlucht toen jullie kwamen. De ene man is de bamibakker en de tweede man is de frituurkok. Ik heb van hen geen ID-bewijs gezien. Ik weet niet waarom ze zijn weggelopen. Ik geef u toestemming om in de woning boven de zaak te kijken. Ze werken hier langer dan één week, maar korter dan één maand. Ik weet niet hoe zij heten. Ik weet ook niet hoeveel zij verdienen. Mijn vrouw weet dat wel. Ik weet niet hoe vaak ze al loon hebben ontvangen. Dat weet mijn vrouw. Ik denk dat deze mannen nu bijna één maand werken. Zij werken 6 dagen per week. Zij beginnen om 10:00 uur en zij zijn klaar om 22:00 uur. Dit is hun vaste werktijd. Zij werken ongeveer 72 uur ja. Ik bedoel dat zij om 16:00 uur beginnen. Dat is 36 uur per week. De bamibakker moet zijn eigen voorbereidingen doen. Dat geldt ook voor de frituurkok. Zij doen hun eigen voorbereiding”.


Vervolgens is [C] gevraagd om de vragen die haar echtgenoot niet kon beantwoorden alsnog verder toe te lichten. Voordat [C] deze vragen beantwoordde, voerde zij met [G] een kort gesprek in de Chinese taal. De telefonische tolk heeft dit gesprek niet kunnen vertalen vanwege het specifieke Chinese dialect dat de echtelieden spraken.


Nadat [C] kennelijk was bijgepraat door [G], verklaarde zij desgevraagd als volgt:

“De twee weggelopen koks zijn illegaal. Ik heb geen legitimatiebewijzen gecontroleerd. Die hebben ze ook niet. Ze werken hier want dat is makkelijk voor ons. Ze krijgen er wel wat voor. Moet ik verklaren wat ik hun uitbetaal? Ik betaal hun 500 euro in de maand. Ze krijgen ook loon in natura zoals eten en inwoning. Ze werken hier twee weken. Ze zijn illegaal, ze waren bang want u kon wel van de politie zijn. Daarom zijn zij weggerend. Natuurlijk zijn zij niet opgenomen in mijn loonadministratie. Dat kan toch niet met illegalen”.


[C] is gewezen op de gevolgen van het tewerkstellen van personeel zonder dat voldaan is aan de ID-plicht, het anoniementarief, het niet doen van een eerstedagsmelding en het niet opnemen in de loonadministratie.”


2.3 In het rapport is aangekondigd dat de inspecteur voornemens is om ten aanzien van de twee illegale medewerkers een naheffingsaanslag loonheffing op te leggen over een periode van zes maanden. Blijkens het rapport is de grondslag van deze naheffing gebaseerd op het netto minimumloon inclusief vakantietoeslag en vakantierechten voor personen van 23 jaar en ouder, zijnde € 1.325 per maand. Omdat niet is voldaan aan de verplichtingen genoemd in artikel 28 van de Wet op de loonbelasting 1964 (hierna: de Wet) is over het nettoloon een gebruteerd anoniementarief van 108,3% toegepast.


2.4 Bij brief van 12 februari 2009 is aan eiseres een kennisgeving van het voornemen om een vergrijpboete op te leggen toegezonden.



Geschil2.5In geschil is of de naheffingsaanslag en de vergrijpboete terecht en tot het juiste bedrag aan eiseres zijn opgelegd.


2.6 Eiseres stelt zich op het standpunt dat de omstandigheid dat voor dezelfde belastingschuld reeds op 21 april 2009 een naheffingsaanslag loonheffingen aan C is opgelegd in de weg staat aan het opleggen van de onderhavige naheffingsaanslag met dagtekening 6 mei 2009. Voorts is bij de berekening van de verschuldigde loonheffingen ten onrechte het gebruteerde tabeltarief toegepast. Met betrekking tot de boete voert eiseres aan dat deze dient te vervallen, nu aan C noch haar echtgenoot de cautie is verleend bij de waarneming ter plaatse en voorts sprake is van strijd met het una-via beginsel, aangezien voor het ontbreken van een eerstedagsmelding reeds een verzuimboete is opgelegd. Eiseres voert tot slot aan dat sprake is van schending van het gelijkheidsbeginsel, nu verweerder bij een andere belastingplichtige in een soortgelijke situatie de naheffingsaanslag heeft verminderd en de boete heeft teruggebracht tot 25%.


2.7 Eiseres concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vermindering van de belastingaanslag en de vergrijpboete tot nihil.


2.8 Verweerder heeft de standpunten van eiseres gemotiveerd bestreden. Verweerder concludeert primair tot ongegrondverklaring van het beroep en subsidiair tot vermindering van de boete tot € 4.304.


2.9 Voor het overige verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.



Beoordeling van het geschil

Dubbele heffing

2.10 De rechtbank overweegt allereerst dat zij eiseres niet volgt in haar opvatting dat de onderhavige op 6 mei 2009 opgelegde naheffingsaanslag dient te worden vernietigd op de grond dat reeds eerder op 21 april 2009 aan C een naheffingsaanslag voor dezelfde belastingschuld is opgelegd. Niet in geschil is dat eiseres voor het tijdvak als vermeld op de naheffingsaanslag als inhoudingsplichtige heeft te gelden. De aan [persoon 1] opgelegde naheffingsaanslag is derhalve aan de verkeerde (rechts)persoon opgelegd en als gevolg daarvan nietig. Voor zover in de onderhavige periode sprake is van een loonheffingsschuld bestaat er dan ook geen grond voor het oordeel dat de op die schuld betrekking hebbende naheffingsaanslag ten onrechte aan eiseres is opgelegd. Nu de naheffingsaanslag van 21 april 2009 nietig is, komt aan de omstandigheid dat deze eerst is verminderd tot nihil nadat de thans bestreden naheffingsaanslag aan eiseres was opgelegd geen zelfstandige betekenis toe.


Zesmaandenfictie van artikel 30a van de Wet

2.11 Ingevolge artikel 30a van de Wet (tekst 2008) bestaat - indien op enig tijdstip wordt geconstateerd dat een werknemer tot een inhoudingsplichtige in dienstbetrekking staat, maar de werknemer niet in de loonadministratie van de inhoudingsplichtige is opgenomen of voor de werknemer geen eerstedagsmelding is gedaan - het wettelijke vermoeden dat de werknemer voor de toepassing van de Wet en de daarop berustende bepalingen gedurende ten minste zes maanden voorafgaande aan het tijdstip van de constatering loon uit dienstbetrekking heeft genoten tot per loontijdvak ten minste het bedrag van het loon dat de werknemer geniet in het loontijdvak van het tijdstip van de constatering.


2.12 Gezien de onder 2.2 aangehaalde verklaringen van C en G uit het rapport is de rechtbank van oordeel dat de twee weggelopen koks tot eiseres in dienstbetrekking stonden. Vast staat dat zij niet in de loonadministratie van eiseres waren opgenomen. De rechtbank volgt eiseres niet in haar stelling dat de onder 2.2 aangehaalde verklaringen niet tot bewijs mogen dienen, omdat de cautie niet is gegeven. De rechtbank overweegt daartoe dat niet is gebleken dat andere vragen zijn gesteld dan die betrekking hebben op de heffing respectievelijk dat op het tijdstip van het stellen van de vragen al een vermoeden bestond dat een strafbaar feit was gepleegd.


2.13 Blijkens het slot van artikel 30a van de Wet geldt het hiervoor onder 2.11 vermelde wettelijke bewijsvermoeden behoudens voorzover blijkt dat de werknemer niet gedurende die periode tot de inhoudingsplichtige in dienstbetrekking heeft gestaan of dat een lager loon is genoten dan het loon dat de werknemer genoot in het loontijdvak van het tijdstip van de constatering.


2.14 Uit de wetsgeschiedenis van artikel 30a blijkt dat het op de weg van de werkgever ligt te bewijzen dat de fictie ten onrechte is toegepast. Zo valt daarin te lezen:

“De fictie houdt in dat aangenomen wordt dat een werknemer die ten onrechte niet is opgenomen in de loonadministratie geacht wordt reeds ten minste zes maanden in dienstbetrekking te zijn bij de werkgever, met gevolg dat zonder nader bewijs over die zes maanden naheffingsaanslagen kunnen worden opgelegd. Mocht de fictie niet juist zijn, dan kan de werkgever tegenbewijs leveren door aan te tonen dat de dienstbetrekking van jongere datum is.” (zie TK 2005 - 2006, 30322, nr. 3, blz. 7-8).


2.15 Eiseres verwijst ter weerlegging van de zogenoemde zesmaandenfictie naar de verklaringen van C en G ten tijde van de waarneming ter plaatse als opgenomen in het rapport, waaruit blijkt dat C heeft verklaard dat de twee koks ten tijde van de controle twee weken in het restaurant werkten en dat G heeft verklaard dat de twee koks langer dan een week maar minder dan een maand werkzaam waren. Nu deze verklaringen met elkaar in overeenstemming zijn, had verweerder de naheffingsaanslag niet over een periode van zes maanden, maar over een periode van twee weken moeten opleggen, aldus eiseres.


2.16 Met hetgeen eiseres heeft aangevoerd heeft zij naar het oordeel van de rechtbank niet doen blijken dat de twee koks niet zes maanden maar slechts gedurende een periode van twee weken voorafgaande aan de constatering tot haar in dienstbetrekking stonden. Evenmin heeft zij daarmee doen blijken dat door hen een lager loon is genoten dan het loon waarvoor de naheffingsaanslag is opgelegd.

De rechtbank overweegt daartoe allereerst dat anders dan eiseres meent de verklaringen van C en G niet met elkaar in overeenstemming zijn. Bovendien kan - zo daarvan wel sprake is - aan de juistheid van de afgelegde verklaringen worden getwijfeld, nu C en G - blijkens het rapport - mogelijk hun verklaringen op elkaar hebben afgestemd. Eiseres heeft voorts niets aangevoerd op grond waarvan moet worden getwijfeld aan de juistheid van het door verweerder opgemaakte overzicht verloonde uren en mandagen, waaruit blijkt dat in de periode van zes maanden voorafgaande aan de constatering van een onderbezetting in het restaurant sprake was. Derhalve is de aanslag naar het oordeel van de rechtbank terecht naar het hiervoor vermelde loon over een periode van zes maanden opgelegd.


Gebruteerde anoniementarief

2.17 Eiseres heeft daarnaast nog aangevoerd dat verweerder bij het opleggen van de naheffingsaanslag ten onrechte het gebruteerde tabeltarief heeft toegepast, aangezien hij heeft verzuimd bij eiseres navraag te doen naar haar mogelijkheden om te kunnen verhalen.


2.18 Ten aanzien van de stelling dat verweerder ten onrechte heeft nageheven op basis van eindheffing tegen tabeltarief (brutering) en met toepassing van het anoniementarief, overweegt de rechtbank als volgt. Vast staat dat sprake is van anonieme werknemers, van wie de gegevens niet zijn opgenomen in de loonadministratie. Door het ontbreken van identiteitsgegevens van de twee koks in de administratie van eiseres heeft eiseres het onmogelijk gemaakt om de nageheven loonheffingen op hen te verhalen. Zij moet op het moment van betaling hebben beseft en aanvaard dat de loonheffing voor haar rekening zou komen. Dit brengt mee dat verweerder terecht het gebruteerde anoniementarief heeft toegepast. De stelling van eiseres dat verweerder bij eiseres navraag had moeten doen naar eventuele modaliteiten die eiseres had om te veel betaald loon alsnog te revindiceren, faalt. Deze veronderstelde verplichting volgt niet uit het bepaalde in artikel 31 van de Wet. Overigens is gesteld noch gebleken dat eiseres verweerder onder verstrekking van de daartoe noodzakelijke gegevens heeft verzocht brutering achterwege te laten.


2.18 De rechtbank is van oordeel dat verweerder, gelet op hetgeen hiervoor onder 2.12 is overwogen, het anoniementarief van artikel 26b van de Wet terecht heeft toegepast. Voorst volgt de rechtbank eiseres niet in haar opvatting dat op grond van het zorgvuldigheidsbeginsel brutering achterwege had dienen te blijven. Anders dan eiseres kennelijk meent, ligt het gezien het bepaalde in artikel 31 van de Wet niet op de weg van verweerder bij eiseres naar de mogelijkheden van verhaal te informeren. Gesteld noch gebleken is dat eiseres verweerder onder verstrekking van de daartoe noodzakelijke gegevens heeft verzocht brutering achterwege te laten. Ook overigens is de rechtbank niet gebleken dat verweerder ten onrechte het gebruteerde tabeltarief heeft toegepast.


Gelijkheidsbeginsel

2.19 Voor een geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel is vereist dat sprake is van een begunstigend beleid, een oogmerk van begunstiging of een gunstiger behandeling in een meerderheid van de met het geval van eiseres vergelijkbare gevallen.


2.20 Eiseres heeft aangevoerd dat ten tijde van onderhavige waarneming ter plaatse meerdere restaurants in Vlissingen zijn gecontroleerd. Eiseres weet van één geval waarin eveneens twee werkzame koks niet op de loonlijst zouden hebben gestaan. In dat geval is een compromis gesloten waarbij zowel de naheffingsaanslag als de boete met de helft is gematigd, terwijl verweerder in het onderhavige geval in het kader van onderhandelingen slechts de boete heeft willen matigen. Ter zitting heeft eiseres verklaard niet nog een geval te kennen waarin het compromis is toegepast.


2.21 Gesteld noch gebleken is dat bij het door eiseres bedoelde compromis sprake is van een begunstigend beleid of van een oogmerk van begunstiging. Nu het hier voorts slechts één geval betreft is, nog daargelaten de vraag of hier daadwerkelijk sprake is van gelijke gevallen, niet aan de meerderheidsregel voldaan. Het beroep van eiseres op het gelijkheidsbeginsel faalt derhalve.


Vergrijpboete

2.22 Ingevolge artikel 67f, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: Awr) kan aan een inhoudingsplichtige een vergrijpboete worden opgelegd indien het aan opzet van de inhoudingsplichtige is te wijten dat belasting welke op aangifte moet worden afgedragen niet of gedeeltelijk niet is betaald. Van opzettelijk niet-betalen van belasting is sprake indien een willens en wetens handelen of nalaten van de inhoudingsplichtige tot niet-betaling van de belasting heeft geleid (opzet) dan wel indien de inhoudingsplichtige willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat zijn handelen of nalaten tot niet-betaling van de belasting zou leiden (voorwaardelijk opzet). De rechtbank stelt voorop dat de bewijslast ter zake op verweerder rust.


2.23 De vergrijpboete is opgelegd op de voet van artikel 67f van de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Dienaangaande heeft verweerder zich primair op het standpunt gesteld dat eiseres opzettelijk, en subsidiair dat eiseres grofschuldig, belasting welke op aangifte moet worden afgedragen niet heeft betaald. De rechtbank overweegt allereerst dat de bewijslast ter zake op verweerder rust.


2.24 Voor de rechtbank hieraan toekomt, behandelt zij eerst de stelling van eiseres dat in het onderhavige geval de vergrijpboete dient te vervallen omdat reeds een verzuimboete is opgelegd voor het ontbreken van een eerstedagsmelding. Vooropgesteld dient te worden dat ingevolge vaste jurisprudentie voor eenzelfde gedraging niet zowel een verzuimboete als een vergrijpboete kan worden opgelegd. In het onderhavige geval is anders dan eiseres meent geen sprake van eenzelfde gedraging. De verzuimboete is opgelegd in verband met de omstandigheid dat eiseres niet ingevolge het voorschrift van artikel 28, aanhef en onder f, van de Wet vóór de aanvang van de werkzaamheden van de betrokken werknemers aan verweerder de gegevens heeft verstrekt die voor de heffing van belasting van belang kunnen zijn. De vergrijpboete is daarentegen opgelegd omdat het aan (voorwaardelijk) opzet van eiseres is te wijten dat een belasting die op aangifte moet worden voldaan niet, gedeeltelijk niet of niet tijdig is betaald. De opvatting van eiseres dat beide gedragingen zodanig in elkaars verlengde liggen dat voor de toepassing van het ne bis in idem beginsel moet worden uitgegaan van een en dezelfde gedraging volgt de rechtbank niet. De omstandigheid dat geen eerstedagsmelding is gedaan brengt niet mee dat de betreffende werknemers niet meer in de loonadministratie kunnen worden opgenomen, noch dat de inhoudingsplichtige geen loonheffing zou kunnen inhouden en afdragen.


2.25 De stelling van eiseres dat verweerder bij de waarneming ter plaatse heeft verzuimd de cautie te geven, zodat de boete op die grond reeds dient te worden verminderd tot nihil, faalt. Tegenover de gemotiveerde betwisting door verweerder heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat bij de waarneming ter plaatse aan C en G andere vragen zijn gesteld dan die welke betrekking hebben op de belastingheffing. De stukken en het verhandelde ter zitting bieden onvoldoende aanknopingspunten voor de conclusie dat met de beantwoording van de gestelde vragen ongewild aan de beboeting is meegewerkt.


2.26 De rechtbank is van oordeel dat verweerder aannemelijk heeft gemaakt dat het aan (voorwaardelijk) opzet van eiseres is te wijten dat te weinig loonbelasting is afgedragen. Daarbij is in aanmerking genomen dat het van algemene bekendheid is dat over loon loonheffingen ingehouden en afgedragen moeten worden, alsmede dat voordelen zoals het verstrekken van maaltijden in de loonheffing moeten worden betrokken. Naar uit het rapport volgt is loon (waaronder verstrekte maaltijden) van twee medewerkers buiten de loonadministratie gehouden. Eiseres moet geacht worden zich daarvan bewust te zijn geweest. De rechtbank kent in dit verband gewicht toe aan het feit dat eiseres bij de waarneming ter plaatse op 16 oktober 2008 twee medewerkers zich aan controle heeft laten onttrekken. Voorts heeft verweerder op grond van het onder 2.16 vermelde overzicht verloonde uren en mandagen aannemelijk gemaakt dat er in onderhavige periode meer personeel is geweest dan uit de administratie van eiseres blijkt. Verweerder heeft dan ook terecht aangenomen dat in deze periode voor twee personeelsleden opzettelijk geen afdracht loonheffing heeft plaatsgevonden. Nu sprake is van (voorwaardelijk) opzet aan de zijde van eiseres heeft verweerder, gelet op het bepaalde in artikel 67f van de Awr, in samenhang bezien met § 25 en § 28 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998, de vergrijpboete terecht vastgesteld op 50% van de nageheven belasting. De rechtbank acht de boete ook passend en geboden. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat de naheffingsaanslag is opgelegd met toepassing van de fictie als opgenomen in artikel 30a van de Wet.


2.27 De rechtbank overweegt ambtshalve het navolgende met betrekking tot de boete. Op grond van de uitgangspunten zoals geformuleerd door de Hoge Raad in zijn arrest van 22 april 2005, nr. 37 984 (LJN: AO9006) heeft voor de berechting van de zaak in eerste aanleg als uitgangspunt te gelden dat deze niet binnen een redelijke termijn geschiedt indien niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen uitspraak wordt gedaan, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. De boete is aangekondigd in de brief van 12 februari 2009 waarbij eiseres in kennis werd gesteld van verweerders voornemen een vergrijpboete op te leggen. De rechtbank gaat dan ook uit van deze datum als het moment waarop de redelijke termijn is aangevangen. De uitspraak op het bezwaar is gedaan op 17 maart 2010. Op dat moment was de redelijke termijn nog niet verstreken. Verweerder heeft bij de uitspraak op bezwaar dan ook terecht geen vermindering wegens overschrijding van de redelijke termijn toegepast.

Tussen de uitspraak op bezwaar en deze uitspraak van de rechtbank liggen ongeveer een jaar en vier maanden. Nu niet is gebleken van bijzondere omstandigheden, is de redelijke termijn met ongeveer vijf maanden overschreden. Gelet hierop en gezien het arrest van de Hoge Raad van 19 december 2008, nr. 42 763, LJN: BD0191, vermindert de rechtbank de vergrijpboete met 10%.


2.28 Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard en dient de boete te worden verminderd tot € 7.748.


2.29 De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.



IIIBESLISSING


De rechtbank:

  • - verklaart het beroep ongegrond;
  • - vermindert de boete tot € 7.748.



Aldus vastgesteld door mr K.M. Braun, mr.I. Obbink-Reijngoud en mr.S.E. Postema, in tegenwoordigheid van de griffier mr. M.A.H. Strik.









Uitgesproken in het openbaar op 20 juli 2011.





RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ’s-Gravenhage (belastingkamer), Postbus 20021, 2500 EA Den Haag.


Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. -

bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. -

het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.





Afschrift verzonden op: