Rechtbank 's-Gravenhage, 09-05-2012 / AWB 11/947 en AWB 11/955


ECLI:NL:RBSGR:2012:BW7045

Inhoudsindicatie
Navorderingsaanslagen ter zake van verzwegen banktegoeden zijn tijdig en voortvarend opgelegd.
Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Uitspraakdatum
2012-05-09
Publicatiedatum
2012-05-30
Zaaknummer
AWB 11/947 en AWB 11/955
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Belastingrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • NTFR 2012/1754 met annotatie van Kop
  • V-N Vandaag 2012/1332
  • V-N 2012/35.21.6
  • FutD 2012-1485
Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE


Sector bestuursrecht


zaaknummers: AWB 11/947 en AWB 11/955


uitspraak van de meervoudige kamer van 9 mei 2012 in de zaken tussen


[X], wonende te [Z], eiseres

(gemachtigde: [A]),


en


de inspecteur van de Belastingdienst [te P], verweerder.


Procesverloop


Verweerder heeft met dagtekening 23 juli 2010 aan eiseres een navorderingsaanslag inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen over het jaar 1997 (aanslagnummer [nummer a]) en een navorderingsaanslag vermogensbelasting over het jaar 1998 (aanslagnummer [nummer b]) opgelegd.


Verweerder heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 23 december 2010 de navorderingsaanslagen gehandhaafd.


Eiseres heeft daartegen bij brief van 28 januari 2011, ontvangen bij de rechtbank op

31 januari 2011, beroep ingesteld. Eiseres heeft de gronden van haar beroepen aangevuld bij brieven van 18 februari 2011, ingekomen bij de rechtbank op 21 februari 2011.


Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.


Eiseres heeft, na daartoe door de rechtbank in de gelegenheid te zijn gesteld, schriftelijk gerepliceerd, waarna verweerder schriftelijk heeft gedupliceerd.


Eiseres heeft vóór de zitting de rechtbank haar brieven van 23 maart 2012 doen toekomen. Deze brieven zijn in afschrift verstrekt aan verweerder.


Verweerder heeft vóór de zitting bij fax van 2 april 2012, ingekomen bij de rechtbank op dezelfde datum, een nader stuk ingediend. Dit stuk is door verweerder in afschrift verstrekt aan eiseres.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 april 2012 te 's-Gravenhage.

Namens eiseres is verschenen haar gemachtigde [A], bijgestaan door

[B] en [C]. Namens verweerder zijn verschenen

[D] en [E].


Overwegingen


Feiten


1. Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

Eiseres is rekeninghoudster, dan wel is rekeninghoudster geweest, van twee Zwitserse bankrekeningen. Het saldo van eiseres' Zwitserse bankrekeningen bedroeg op

31 januari 1996 en op 31 december 1997 respectievelijk ƒ 17.442.052 (€ 7.914.858) en

ƒ 18.757.248 (€ 8.511.668). Het saldo van eiseres' Zwitserse bankrekening(en) bedroeg in de periode 31 december 1998 tot en met 31 december 2007 minimaal € 9.105.193.


2. De gemachtigde van eiseres heeft bij brief van 29 juli 2009 aan verweerder meegedeeld dat eiseres tot vrijwillige verbetering van niet eerder aangegeven buitenlandse tegoeden wenst over te gaan (hierna: de inkeerverklaring). Verweerder heeft de inkeerverklaring op 30 juli 2009 ontvangen. In de inkeerverklaring staat het volgende - voor zover van belang - vermeld:

"(...)

[Eiseres] is op leeftijd (87 jaar). Zij is doende orde op zaken te stellen. Dat geldt ook voor de ordening van haar fiscale positie.

In dat kader maakt zij melding van het feit, dat er door haar substantiële tegoeden worden aangehouden op een buitenlandse rekening. Daarover is, zo realiseert cliënte zich nu, ten onrechte geen verantwoording afgelegd in haar fiscale aangiften. Cliënte heeft daarom besloten tot de vrijwillige verbetering daarvan.".


3. Op 9 september 2009 heeft verweerder aan de gemachtigde van eiseres vragen gesteld omtrent het buitenlandse vermogen van eiseres.


4. Bij brief van 9 december 2009 heeft verweerder de gemachtigde van eiseres verzocht om te bevestigen dat voor het indienen van de aangifte inkomstenbelasting / premieheffing volksverzekeringen en vermogensbelasting 1997/1998 uitstel is gevraagd en verleend tot 1 maart 1999 en dat voor het indienen van de aangifte inkomstenbelasting / premieheffing 2004 uitstel is gevraagd en verleend tot 1 maart 2006. Bij brief van 14 december 2009 heeft de gemachtigde van eiseres hierop gereageerd. In die brief staat - voor zover hier van belang - het volgende vermeld:

"Voor zover ik kon nagaan (en dat is niet eenvoudig omdat het gaat om oude jaren, waarbij ik/mijn kantoor nimmer betrokken was) kloppen de data genoemd in uw brief van 9 december 2009. Ik vond cliënte bereid dat te bevestigen. Dat doe ik namens haar bij deze.".


5. Verweerder heeft medio maart 2010 alle relevante gegevens van eiseres ontvangen.


6. Eiseres heeft met verweerder met betrekking tot de verschuldigde inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen over de jaren 1998 tot en met 2007 en de verschuldigde vermogensbelasting over de jaren 1999 en 2000 een vaststellingsovereenkomst gesloten. De voor die jaren verschuldigde belasting heeft verweerder middels één navorderingsaanslag inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen over het jaar 2005 geheven. De onderhavige navorderingsaanslagen maken geen deel uit van de vaststellingsovereenkomst.


7. Met dagtekening 23 juli 2010 zijn de onderhavige navorderingsaanslagen opgelegd.


8. Na ontvangst van de bezwaarschriften tegen de onderhavige navorderingsaanslagen heeft verweerder bij brief van 24 augustus 2010 gemotiveerd aangegeven voornemens te zijn om de bezwaarschriften af te wijzen. Daarbij heeft verweerder de gemachtigde van eiseres in de gelegenheid gesteld om te worden gehoord. Verweerder heeft de gemachtigde van eiseres daarbij verzocht om vóór 1 december 2010 hierop te schriftelijk te reageren. Bij brief van 3 december 2010 heeft de gemachtigde van eiseres hierop gereageerd en aangegeven dat hij wil worden gehoord en dat hij inzage van het dossier wenst.


9. Bij uitspraak op bezwaar van 23 december 2010 heeft verweerder, zonder vooraf de gemachtigde van eiseres te horen, de bezwaren van eiseres afgewezen.


Geschil


10. In geschil is of:

- sprake is van een nieuw feit;

- de navorderingsaanslagen tijdig zijn opgelegd;

- verweerder met betrekking tot de navorderingsaanslagen gebruik mocht maken van de twaalfjaarstermijn (hierna: de verlengde navorderingstermijn) als bedoeld in artikel 16, vierde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: Awr);

- sprake is van schending van het hoor- en inzagerecht.


11. Eiseres concludeert tot gegrondverklaring van de beroepen, vernietiging van de uitspraken op bezwaar en vernietiging van de navorderingsaanslagen. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van de beroepen.


Beoordeling van het geschil


Nieuw feit

12. Eiseres heeft gesteld dat een nieuw feit als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de Awr ontbreekt, omdat verweerder niet heeft bewezen dat eiseres de inkomsten en tegoeden van haar buitenlandse rekeningen niet in haar aangiften heeft aangegeven dan wel dat die inkomsten en tegoeden niet reeds in de aan haar opgelegde primitieve aanslagen waren betrokken. Voorts heeft verweerder evenmin bewezen dat sprake is van kwade trouw.


13. Naar het oordeel van de rechtbank levert de inkeerverklaring een nieuw feit op dat navordering rechtvaardigt, nu daarin is verklaard dat eiseres ten onrechte geen verantwoording heeft afgelegd in haar fiscale aangiften over de door haar aangehouden substantiële tegoeden van de buitenlandse bankrekening(en). Uit de inkeerverklaring kan geenszins worden afgeleid dat, naar eiseres kennelijk betoogt, zij in de onderhavige jaren wel aangifte zou hebben gedaan van de inkomsten en tegoeden van haar buitenlandse bankrekeningen. Ook uit het, tot de gedingstukken behorende, rapport van verweerder van 13 juli 2010 valt op te maken dat eiseres de inkomsten en tegoeden van haar buitenlandse bankrekeningen niet in de onderhavige jaren heeft aangegeven. Immers het bij de primitieve aanslagen vastgestelde belastbare inkomen over 1997 en het vastgestelde belastbare vermogen over 1998 wijken niet substantieel af van de vastgestelde inkomens en vermogens over de latere jaren, over welke jaren niet in geschil is dat eiseres geen aangifte van de inkomsten en tegoeden van haar buitenlandse bankrekeningen heeft gedaan. Ook de omvang van het bij de primitieve aanslag vastgestelde belastbare inkomen over 1997 en het vastgestelde belastbare vermogen over 1998 afgezet tegen de omvang van de Zwitserse banktegoeden in 1997 en 1998 doet vermoeden dat de inkomsten hieruit noch het saldo hiervan in het belastbare inkomen dan wel het belastbare vermogen van de primitieve aanslagen is betrokken. Daar komt nog bij dat eiseres de hoogte van de door verweerder aangebrachte correcties voor de onderhavige jaren niet heeft bestreden. De enkele omstandigheid dat de originele aangiften over de onderhavige jaren ontbreken, kan aan voormeld oordeel niet afdoen.


14. De rechtbank kan voorts de verwijzing van eiseres ter zitting naar onderdeel 4.17. van de conclusie van Advocaat-Generaal Wattel van 18 augustus 2009 inzake X en E.H.A. Passenheim-van Schoot, nrs. 43.050bis en 43.670bis, LJN: BJ9092 en BJ9120, niet volgen, nu die passage uitsluitend betrekking heeft op de toepassing van de verlengde navorderingstermijn. Die passage is voor de beoordeling van de vraag of hier sprake is van een nieuw feit dan ook niet relevant.


Verbindendheid verlengde navorderingstermijn

15. Eiseres heeft, onder verwijzing naar de hiervoor onder 14. genoemde passage uit de conclusie van A-G Wattel en de strafrechtelijke verjaringstermijn van het misdrijf van belastingontduiking van 12 jaar, gesteld dat het de vraag is of de verlengde navorderingstermijn kan worden toegepast in situaties waarin geen sprake is van "belastingfraude of belastingontduiking". In een dergelijke situatie zou toepassing van de verlengde navorderingstermijn, aldus eiseres, als rechtens onverbindend moeten worden beschouwd.


16. Wat daar ook van zij, nu eiseres, naar volgt uit de feiten en hetgeen hiervoor onder 13. is overwogen, in de onderhavige jaren twee bankrekeningen had in een land met een bankgeheim en zij de inkomsten en tegoeden van die rekeningen niet in haar aangiften heeft aangegeven, en het voorts van algemene bekendheid is dat banktegoeden en inkomsten daaruit moeten worden aangegeven voor de heffing van de inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen en de vermogensbelasting, kan niet anders worden geconcludeerd dan dat hier sprake was van belastingfraude of belastingontduiking. Dat eiseres, naar zij kennelijk betoogt, later tot inkeer is gekomen en alsnog de voor de belasting benodigde gegevens heeft verstrekt, brengt niet mee dat van belastingfraude of belastingontduiking geen sprake meer is. Aldus mocht verweerder in beginsel de verlengde navorderingstermijn, los van de beantwoording van de onder 17. en 22. genoemde grieven van eiseres, toepassen.


Aanslagtermijn

17. Vaststaat dat de onderhavige navorderingsaanslagen met dagtekening 23 juli 2010 zijn opgelegd. Gelet op de in artikel 16, vierde lid, van de Awr opgenomen verlengde navorderingstermijn dienden deze navorderingsaanslagen in beginsel uiterlijk op

31 december 2009 te zijn vastgesteld. Partijen verschillen van mening over de vraag of de verlengde navorderingstermijn ook wordt verlengd met de duur van eventueel verleend uitstel voor het indienen van een aangifte, en zo ja, of aan eiseres kenbaar uitstel is verleend.


18. Naar het oordeel van de rechtbank kan uit de wettekst van artikel 16, derde en vierde lid, van de Awr niets anders worden afgeleid dan dat de verlengde navorderingstermijn, net als de reguliere navorderingstermijn, met de duur van het verleende uitstel wordt verlengd. Artikel 16, vierde lid, grijpt terug op het bepaalde in artikel 16, derde lid, van de Awr. Gelet hierop en op de duidelijke bewoordingen van beide bepalingen, is de rechtbank van oordeel dat de stelling van eiseres dat de verlengde navorderingstermijn niet met de duur van het (eventueel) verleende uitstel kan worden verlengd, faalt omdat daarvoor geen steun kan worden gevonden in de wettekst. Hetgeen eiseres overigens nog op dit punt heeft aangevoerd, leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel.


19. De rechtbank leidt uit de inhoud van de brief van de gemachtigde van eiseres van

14 december 2009, waarin de datum van uitstel tot 1 maart 1999 door eiseres wordt bevestigd, af dat aan eiseres voor de onderhavige jaren kenbaar uitstel voor het indienen van het aangiftebiljet inkomstenbelasting / premieheffing volksverzekeringen 1997 en vermogensbelasting 1998, is verleend tot 1 maart 1999. Een redelijke verdeling van de bewijslast brengt alsdan mee dat eiseres aannemelijk dient te maken dat van een kenbaar verleend uitstel als in vorenbedoelde zin geen sprake is geweest. Eiseres heeft dit laatste niet aannemelijk gemaakt. Dat de gemachtigde van eiseres thans zijn eerdere verklaring op dit punt in twijfel trekt, omdat hij niet daadwerkelijk in staat was om de door verweerder aangedragen datum van het verleende uitstel na te gaan, hij wilde voorkomen dat eiseres tijdens de feestdagen zou worden geconfronteerd met penaanslagen, en hij slechts op een verklaring van eiseres is afgegaan, die ten tijde van de inkeerverklaring 87 jaar was en zich, naar haar gemachtigde heeft gesteld, daarbij onder druk voelde gezet en daarom tot bevestiging bereid was, acht de rechtbank daartoe onvoldoende.


20. Ook overigens blijkt uit de door verweerder overgelegde schermprints en zijn toelichting daarop dat aan eiseres voor de indiening van de aangifte uitstel is verleend tot

1 maart 1999.


21. Nu verweerder aannemelijk heeft gemaakt dat tot 1 maart 1999 uitstel is verleend, eindigde de termijn voor het opleggen van de onderhavige navorderingsaanslagen op

30 november 2010. Derhalve zijn de navorderingsaanslagen tijdig opgelegd.


Toepassing verlengde navorderingstermijn

22. Eiseres heeft voorts, onder verwijzing naar de arresten van de Hoge Raad van

26 februari 2010, nrs. 43 050bis en 43 670bis, LJN: BJ9092 en LJN: BJ9120, gesteld dat verweerder in dit geval geen gebruik mocht maken van de verlengde navorderingstermijn, nu verweerder niet voldoende voortvarend is geweest met het opleggen van de navorderingsaanslagen.


23. Naar aanleiding van het arrest van het Hof van Justitie van 11 juni 2009, X en E.H.A. Passenheim-van Schoot, C-155/08 en C-157/08, BNB 2009/222, heeft de Hoge Raad in genoemde arresten regels geformuleerd die in verband met het door het Hof van Justitie genoemde evenredigheidsbeginsel in acht moeten worden genomen bij het opleggen van een navorderingsaanslag met gebruikmaking van de verlengde navorderingstermijn op een tijdstip waarop de ten aanzien van binnenlandse tegoeden geldende vijfjaarstermijn is verstreken. Op grond van deze regels moet, na het verkrijgen van aanwijzingen van het bestaan van de in het buitenland aangehouden spaartegoeden, het tijdsverloop worden aanvaard dat noodzakelijkerwijs is gemoeid met:

(i) het verkrijgen van de inlichtingen die nodig zijn voor het bepalen van de verschuldigde belasting, en tevens

(ii) het met redelijke voortvarendheid voorbereiden en vaststellen van een navorderingsaanslag aan de hand van de gegevens die de inspecteur ter beschikking staan.

Niet van belang is of de aanwijzingen zijn verkregen voor of na afloop van de reguliere navorderingstermijn van 5 jaar en of sprake is van een bankgeheim in het land waar de tegoeden zich bevinden.


24. Gesteld noch gebleken is dat verweerder in het onderhavige geval al eerder dan op het moment waarop de inkeerverklaring werd ontvangen over aanwijzingen beschikte over het bestaan van de buitenlandse bankrekeningen van eiseres. Vaststaat dat verweerder de inkeerverklaring op 30 juli 2009 heeft ontvangen. Tussen dat moment en het moment waarop de onderhavige navorderingsaanslagen zijn opgelegd, is een periode van ongeveer één jaar verstreken. Na ontvangst van de inkeerverklaring heeft verweerder ongeveer 1,5 maand later om nadere gegevens verzocht. Medio maart 2010 heeft eiseres alle relevante gegevens van haar buitenlandse bankrekeningen verstrekt. Vervolgens heeft verweerder 4 maanden later de onderhavige navorderingsaanslagen opgelegd.


25. Het totale tijdsverloop van bijna één jaar acht de rechtbank hier niet onredelijk, aangezien verweerder, naast het door het Hof van Justitie genoemde evenredigheidsbeginsel, bij het opleggen van navorderingsaanslagen tevens de benodigde zorgvuldigheid dient te betrachten, waarbij hij zoveel als mogelijk dient aan te sluiten bij de daadwerkelijk verschuldigde belasting. De rechtbank acht het in het kader van de te betrachten zorgvuldigheid dan ook niet onredelijk dat verweerder er in het onderhavige geval voor heeft gekozen om in eerste instantie de gegevens van eiseres af te wachten, alvorens de onderhavige navorderingsaanslagen op te leggen, daar verweerder zoveel mogelijk heeft willen aansluiten bij een juiste omvang van de verschuldigde belasting over de verschillende jaren. Daarnaast dient ook aan verweerder enige tijd te worden gegund om alle door eiseres verstrekte gegevens zorgvuldig te verwerken ten einde tot een juiste belastingheffing te kunnen komen. Gelet op de hiervoor onder 24. beschreven gang van zaken is de rechtbank van oordeel dat verweerder de onderhavige navorderingsaanslagen, een en ander bezien in het kader van de zorgvuldigheid die verweerder bij het opleggen van navorderingsaanslagen dient te betrachten, met redelijke voortvarendheid heeft voorbereid en vastgesteld. Dat verweerder, naar eiseres heeft gesteld, eind december 2009 in staat is geweest om de onderhavige navorderingsaanslagen op te leggen, faalt, nu eiseres alle relevante gegevens, welke aan de onderhavige navorderingsaanslagen ten grondslag liggen, niet eerder dan medio maart 2010 aan verweerder heeft verstrekt.


26. Gelet op het vorenoverwogene mocht verweerder de onderhavige navorderingsaanslagen met gebruikmaking van de verlengde navorderingstermijn opleggen.


Schending hoor- en inzagerecht

27. Eiseres heeft ten slotte gesteld dat verweerder haar hoor- en inzagerecht heeft geschonden en dat deze schending dient te leiden tot een integrale proceskostenvergoeding.


28. Met betrekking tot de hoorplicht stelt de rechtbank voorop dat eiseres geen terugwijzing naar verweerder wenst. Verweerder heeft blijkens zijn brief van 24 augustus 2010 de gemachtigde van eiseres in de gelegenheid gesteld om vóór 1 december 2010 aan te geven of hij wenst te worden gehoord. Nu de gemachtigde van eiseres ruim 3 maanden de tijd heeft gehad om aan te geven dat hij wil worden gehoord en hij pas bij brief van

3 december 2010, derhalve buiten de door verweerder gestelde termijn van

1 december 2010, hierom heeft verzocht, is naar het oordeel van de rechtbank de hoorplicht niet geschonden.


29. Uit de gedingstukken blijkt voorts dat de gemachtigde van eiseres pas na

1 december 2010, zijnde de door verweerder in de bezwaarfase uiterste gestelde termijn voor het indienen van een reactie, voor het eerst om inzage van het dossier heeft verzocht. Van schending van het inzagerecht kan dan ook geen sprake zijn, nu eiseres niet tijdig hierom heeft verzocht.


Slotsom

30. Gelet op het vorenoverwogene zijn de beroepen ongegrond.


Proceskosten en schadevergoeding

31. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.


32. Voor een immateriële schadevergoeding, zoals door eiseres ter zitting is verzocht, ziet de rechtbank evenmin aanleiding, nu sinds de datum van ontvangst van de bezwaarschriften (6 augustus 2010) en de datum van de onderhavige uitspraak nog geen 2 jaar is verstreken en derhalve van een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in de arresten van de Hoge Raad van 10 juni 2011, nrs. 09/02639, 09/05112 en 09/05113, LJN: BO5046, LJN: BO5080 en LJN: BO5087, geen sprake is.



Beslissing


De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door mr. T. van Rij, voorzitter, mr. M.A. Dirks en

mr. I. Obbink-Reijngoud, leden, in aanwezigheid van mr. U.A. Salomons, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 mei 2012.


griffier voorzitter


Afschrift verzonden aan partijen op:


Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te 's-Gravenhage (belastingkamer), Postbus 20021, 2500 EA Den Haag.


Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.