Raad van State, 29-06-2005 / 200406974/1


ECLI:NL:RVS:2005:AT8446

Inhoudsindicatie
Bij besluit van 17 mei 2000 is de huursubsidie aan [wederpartij] te [plaats] over het subsidiejaar 1996/1997 vastgesteld op een bedrag van ƒ 2700,-- en is, gelet op de reeds aan appellante uitbetaalde huursubsidie, een bedrag van ƒ 1740,-- van [wederpartij] teruggevorderd.
Instantie
Raad van State
Uitspraakdatum
2005-06-29
Publicatiedatum
2005-06-29
Zaaknummer
200406974/1
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • AB 2006/43 met annotatie van A.M.L. Jansen
Uitspraak

200406974/1.

Datum uitspraak: 29 juni 2005


AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK


Uitspraak op het hoger beroep van:


De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

appellant,


tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 8 juli 2004 in het geding tussen:


appellant


en


[wederpartij], wonende te [woonplaats].


1.    Procesverloop


Bij besluit van 17 mei 2000 is de huursubsidie aan [wederpartij] te [plaats] over het subsidiejaar 1996/1997 vastgesteld op een bedrag van ƒ 2700,-- en is, gelet op de reeds aan appellante uitbetaalde huursubsidie, een bedrag van ƒ 1740,-- van [wederpartij] teruggevorderd.


Bij besluit van 4 december 2000 is ten aanzien van het voornoemde bedrag van ƒ 1740,-- een terugbetalingsregeling vastgesteld. Deze regeling hield in dat [wederpartij] ingaande 25 januari 2001 gedurende een periode van 25 maanden maandelijks een bedrag van ƒ 69,-- en de maand daarna een bedrag van ƒ 15,-- moest terugbetalen.


Bij besluit van 25 september 2003 (hierna: het bestreden besluit) is het tegen laatstgenoemd besluit gemaakte bezwaar van [wederpartij] gegrond verklaard en is een nieuwe terugbetalingsregeling vastgesteld, welke inhoudt dat [wederpartij] op basis van een machtiging tot automatische incasso gedurende drie jaar maandelijks een bedrag van € 6,-- dient terug te betalen en dat na drie jaar de alsdan resterende schuld (€ 573,58) zal worden kwijtgescholden.


Bij uitspraak van 8 juli 2004, verzonden op die dag, heeft de rechtbank Maastricht (hierna: de rechtbank) het daartegen door [wederpartij] ingestelde beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.


Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 18 augustus 2004, bij de Raad van State ingekomen op die dag, hoger beroep ingesteld. Bij schrijven van 23 september 2004 zijn de gronden aangevuld. Deze brieven zijn aangehecht.


Bij schrijven van 30 november 2004 heeft [wederpartij] van antwoord gediend.


De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 april 2005, waar appellant, vertegenwoordigd door mr. R.F. Thunnissen, advocaat te Den Haag, is verschenen.


2.    Overwegingen


2.1.    De rechtbank heeft het bestreden besluit vernietigd, omdat dit onbevoegd is genomen. De rechtbank heeft verder - kort samengevat - overwogen dat appellant bij brief van 22 maart 2004 heeft meegedeeld dat hij het - door een ambtenaar die onder zijn verantwoordelijkheid werkzaam is - genomen besluit geheel voor zijn rekening neemt. Toch heeft zij er van afgezien om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) te bepalen dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven, omdat zij heeft geoordeeld dat de behandeling van het bezwaar geenszins heeft plaatsgevonden binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens (hierna: EVRM).


2.2.    Appellant heeft betoogd dat de rechtbank ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan artikel 8:72, derde lid, van de Awb. De 10 weken termijn als bedoeld in artikel 7:10 van de Awb was onvoldoende om op het bezwaar te beslissen, anders zou die termijn in acht zijn genomen. De rechtbank heeft aldus appellant miskend dat er weliswaar sprake is geweest van een lange procesgang, maar dat dit geen enkel nadeel voor [wederpartij] heeft opgeleverd. Het geringe bedrag dat [wederpartij] ingevolge de bij het bestreden besluit gewijzigde betalingsregeling moet terugbetalen heeft zij gedurende de behandeling van haar bezwaar en beroep nog niet hoeven terug te betalen. Voor zover er al sprake zou zijn van enig subjectief nadeel, had [wederpartij], aldus appellant, bovendien de mogelijkheid om een procedure wegens fictieve weigering om op het bezwaar te beslissen aanhangig te maken, hetgeen zij heeft nagelaten.


2.3.    Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat de behandeling van de zaak niet heeft plaatsgevonden binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM. Het bestreden besluit is pas ruim tweeëndertig weken na de indiening van het bezwaarschrift genomen. De hele procesgang, gerekend vanaf het moment van het indienen van het bezwaarschrift tegen het primaire besluit van 17 mei 2000, had reeds bij de rechtbank ongeveer drie en een half jaar bestreken. Thans is aan de totale duur nog ongeveer een jaar toegevoegd. Het gaat in dit geval om een niet ingewikkelde zaak, waarbij de procesgang niet door [wederpartij] is gefrustreerd en waarbij zich geen bijzondere en onvoorziene complicaties hebben voorgedaan. Dat appellant te kampen had met een grote werkvoorraad kan niet als een bijzondere omstandigheid worden aangemerkt. Dat [wederpartij] geen gebruik heeft gemaakt van de haar op grond van artikel 6:2 van de Awb ten dienste staande mogelijkheid om rechtsmiddelen aan te wenden tegen het uitblijven van de beslissing op bezwaar teneinde de voortgang te versnellen, kan evenmin leiden tot de conclusie dat geen sprake was van het overschrijden van een "redelijke termijn" als bedoeld in artikel 6 EVRM.


2.4.    De vraag is vervolgens wat hiervan de consequenties dienen te zijn. De bij het bestreden besluit herziene betalingsregeling is een rechtstreeks uitvloeisel van de beslissing tot terugvordering van de onverschuldigd betaalde huursubsidie, welke beslissing in rechte onaantastbaar is. Vast staat dat [wederpartij] over het teruggevorderde bedrag geen rente verschuldigd is. Gelijk appellant heeft betoogd, is in deze procedure verder bij gebreke van enige onderbouwing dienaangaande niet aannemelijk geworden dat [wederpartij] nadeel heeft ondervonden van de lange duur van de behandeling van haar zaak. Voor compensatie als door de rechtbank in de aangevallen uitspraak aangegeven bestond derhalve geen aanleiding. De rechtbank heeft dit niet onderkend.


2.5.    Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat er reden is om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, in samenhang met artikel 6:24, eerste lid, van de Awb te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven.


2.6.    De Afdeling zal derhalve de aangevallen uitspraak vernietigen voor zover daarbij geen toepassing is gegeven aan artikel 8:72, derde lid, van de Awb en alsnog tot die toepassing overgaan. Nu het dictum van de aangevallen uitspraak verder juist is, aangezien de rechtbank het bestreden besluit terecht heeft vernietigd, dient zij voor het overige te worden bevestigd.


2.7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.


3.    Beslissing


De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State


Recht doende in naam der Koningin:


I.    verklaart het hoger beroep gegrond;


II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 8 juli 2004, voor zover daarbij niet is bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;


III.    bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 25 september 2003 geheel in stand blijven;


IV.    bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige.


Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, Voorzitter, en


mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen en mr. M.A.A. Mondt-Schouten, Leden, in tegenwoordigheid van mr. E.M. Ouwehand, ambtenaar van Staat.


w.g. Polak    w.g. Ouwehand

Voorzitter    ambtenaar van Staat


224.