Delikt en Delinkwent

Uitgever Wolters Kluwer
Tijdschrift Delikt en Delinkwent
Datum 17-02-2011
Aflevering 1
TitelVertrouwen in de strafrechtspraak. Een essay na een onrustbarend jaar
CiteertitelDD 2011, 1
SamenvattingAls we de stank van barbaren ruiken, neigen we er gewoonlijk toe die in verband te brengen met één, hooguit twee gebeurtenissen: we kiezen de gebeurtenis die ons het meest irriteert, of die het meest in het oog springt, en daar richten we ons op (...). Tja, in die houding zit iets wat ons altijd verre van enig echt begrip zal houden. In werkelijkheid is het waarschijnlijk zo dat geen van die gebeurtenissen in wezen afzonderlijk van de andere kan worden beschouwd, noch op zichzelf kan worden beoordeeld, en evenmin veroordeeld.
Auteur(s)Y. Buruma
Pagina1-20
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelDe ISD-rechtspraak anno 2010: een eigenstandige normering en invloed op het beleid
CiteertitelDD 2011, 2
SamenvattingEen jaar nadat de ISD-maatregel (hierna ook: ISD) wettelijk van kracht was geowrden, verschenen in 2005 in dit tijdschrift een eerste aanzet tot een analyse van de rechtspraak ter zake. In die bijdrage stond de vraag centraal 'of de rechter het signaal van de wetgever dat een strengere reeactie en dus een langduriger vrijheidsbeneming ten aanzien van het opleggen van de ISD-maatregel en de duur daarvan tot nu toe nog een zekere terughoudendheid heeft betracht'.
Auteur(s)S. Struijk
Pagina21-48
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekBoekbespreking
TitelA. Pemberton, The cross-over: an interdisciplinary approach to the study of victims of crime (diss. Tilburg), Apeldoorn/Antwerpen/Potland: Maklu, 2010
CiteertitelDD 2011, 3
Auteur(s)R.S.B. Kool
Pagina49-60
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekCriminologie
TitelOver dalende criminaliteitscijfers en speculerende criminologen
CiteertitelDD 2011, 5
SamenvattingSoms wordt de criminologie, zoals elke wetenschap, geconfronteerd met een fenomeen waarvoor nog geen goede verklaringen voorhanden zijn. Na een periode waarin het probleem grotendeels wordt genegeerd of zelfs ontkend, volgen verkennende onderzoeken en criminologische beschouwingen met een grotendeels speculatief karakter.
Auteur(s)W. Huisman , J.W. Keijser , F.M. Weerman
Pagina64-73
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekStraftoemeting
TitelStraftoemeting
CiteertitelDD 2011, 6
SamenvattingDeze rubriek bevat een overzicht van de voor de straftoemeting relevante rechtspraak. De andere ontwikkelingen, zoals wetsvoorstellen en wetswijzigingen, (strafvorderings)richtlijnen, aanwijzingen en landelijke oriëntatiepunten zijn reeds aan de orde gekomen in deze rubriek, zoals opgenomen in het oktobernummer van 2010 (DD 2010, 67). De rubriek is afgesloten op 7 december 2010.
Auteur(s)M.J.A. Duker , P.M. Schuyt
Pagina73-79
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak
TitelHet advocatenprivilege bedreigd
CiteertitelDD 2011, 7
Auteur(s)Y. Buruma
Pagina80-108
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak
TitelHof van Justitie EU, 26-06-2007, C-305/05 en NJ 2007, 476
CiteertitelDD 2011, 7.1
Samenvatting (Bron)Arrest van het Hof (Grote kamer) van 26 juni 2007.#Ordre des barreaux francophones et germanophone en anderen tegen Conseil des ministres.#Verzoek om een prejudiciele beslissing: Cour d'arbitrage, nu Cour constitutionnelle - Belgie.#Richtlijn 91/308/EEG - Voorkoming van gebruik van financieel stelsel voor witwassen van geld - Verplichting van advocaten om bevoegde autoriteiten in kennis te stellen van elk feit dat zou kunnen wijzen op het witwassen van geld - Recht op eerlijk proces - Beroepsgeheim en onafhankelijkheid van advocaten.#Zaak C-305/05.
Annotator Mok
Pagina80-83
UitspraakECLI:EU:C:2007:383
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak
TitelEuropees Hof voor de Rechten van de Mens, 13-01-2009, ---
CiteertitelDD 2011, 7.2
Samenvatting(Sorvisto v. Finland)
Pagina83-85
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak
TitelHoge Raad, 02-03-2010, 08/01859 B
CiteertitelDD 2011, 7.3
Samenvatting (Bron)Beslag. OM-cassatie. 1. Verschoningsrecht. 2. Onverenigbare beslissingen. Ad 1. OvJ laat eerst p-v bevindingen opmaken m.b.t. inbeslaggenomen stukken die vermoedelijk geheimhouderstukken betreffen alvorens de stukken naar de R-C te zenden. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR LJN AD5297. De Rb heeft geoordeeld dat toen het vermoeden rees dat zich tussen de inbeslaggenomen stukken geheimhouderstukken bevonden, de OvJ de inbeslaggenomen stukken onverwijld aan de R-C had behoren te zenden. Naar de kennelijke opvatting van de Rb had daarmee alsnog de naleving kunnen worden verzekerd van de regels die hiervoor zijn vooropgesteld. In dat verband heeft de Rb tevens geoordeeld dat de OvJ geen ruimte toekwam om de FIOD/ECD te verzoeken een p-v van bevindingen op te maken. Gelet op hetgeen de Rb verder heeft overwogen heeft het daarmee tot uitdrukking gebracht dat van de inhoud van de stukken waarvan werd vermoed dat het geheimhouderstukken betroffen geen kennis had mogen worden genomen en dat die bevindingen zich dus niet tot die inhoud hadden mogen uitstrekken. Een en ander is onjuist, noch onbegrijpelijk. Ad 2. De Rb heeft enerzijds het beslag opgeheven, hetgeen impliceert dat de inbeslaggenomen voorwerpen moeten worden teruggegeven aan de beslagene, en anderzijds gelast dat de originele stukken aan een R-C ter hand moeten worden gesteld. Deze beslissingen zijn niet met elkaar verenigbaar. Bovendien zou de teruggave van de inbeslaggenomen stukken aan de beslagene in strijd zijn met het oordeel van de Rb dat zij klagers primaire verzoek tot teruggave van die stukken niet zal toewijzen maar dat zij klager wel zal volgen in zijn subsidiaire verzoek.
Pagina85-86
UitspraakECLI:NL:HR:2010:BJ9262
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak
TitelHoge Raad, 20-04-2010, 09/00050
CiteertitelDD 2011, 7.4
Samenvatting (Bron)Art. 126aa jo. 218 Sv. Verschoningsrecht. Tapverbalen van gesprekken met advocaat. 1. Art. 126aa Sv en zeer uitzonderlijke omstandigheden. 2. Bevoegdheid zittingsrechter t.a.v. machtiging r-c tot ex art. 126aa Sv toevoeging van pvs aan dossier. De HR herhaalt relevante overwegingen uit HR LJN BA5632 en HR LJN BH2678. Ad 1. Is bij de toepassing van art. 126aa Sv plaats voor zeer uitzonderlijke omstandigheden waarin het belang dat de waarheid aan het licht komt moet prevaleren boven het belang van het verschoningsrecht? Indien de geheimhouder ttv. het opnemen en afluisteren van de telefoongesprekken zelf geen verdachte is, is in art. 126aa Sv noch in enige andere bepaling voorzien in de mogelijkheid voor de ovj om, al dan niet na machtiging van de r-c, onder omstandigheden mededelingen die onder het verschoningsrecht vallen niettemin aan het dossier toe te voegen op de grond dat het belang van de waarheidsvinding moet prevaleren boven het belang van het verschoningsrecht. I.c. waarin de advocaat zelf geen verdachte is, staat het de ovj en de r-c bij de toepassing van art. 126aa Sv niet vrij het belang van het verschoningrecht af te wegen tegen het belang van de waarheidsvinding in de zaak waarin is afgeluisterd en mededelingen die weliswaar onder het verschoningsrecht vallen aan het dossier toe te voegen op de grond dat het belang van het verschoningsrecht moet wijken voor het belang van de waarheidsvinding. Ad 2. De wet voorziet niet in een (raadkamer)procedure waarin de beslissing van de r-c tot het verstrekken van een zodanige machtiging kan worden getoetst. Verder kent de wet geen bepaling die de zittingsrechter bevoegd verklaart om bewijsmateriaal dat naar zijn oordeel onrechtmatig is verkregen alsnog uit het dossier te doen verwijderen. Wel zal de zittingsrechter, indien hij op die pvs acht wil slaan i.v.m. enige te nemen beslissing, ten volle moeten toetsen of de in die pvs vervatte mededelingen onder het verschoningsrecht vallen. Bij bevestigende beantwoording zal hij die mededelingen niet aan enige beslissing ten grondslag mogen leggen. Hij zal in een geval als i.c. waarin het niet gaat om een onderzoek tegen een geheimhouder die zelf verdachte is, die gegevens niet mogen gebruiken op de grond dat het belang van de waarheidsvinding moet prevaleren boven dat van het verschoningsrecht. I.c: Nu de desbetreffende pvs met machtiging van de r-c aan het dossier waren toegevoegd, had de Rb niet mogen bevelen dat zij alsnog uit het dossier moesten worden verwijderd. Het Hof heeft dus terecht geoordeeld dat die pvs aan het dossier toegevoegd dienden te blijven, wat er zij van de gronden waarop het Hof dat oordeel heeft doen steunen. De inhoud van die pvs betreft onmiskenbaar gesprekken tussen de toenmalige raadsman van verdachte, in zijn hoedanigheid van advocaat, en familieleden van verdachte omtrent de onderhavige zaak. Het betreft daarom mededelingen die onder het verschoningsrecht van de advocaat vallen. Vzv. moet worden aangenomen dat het Hof van het tegendeel is uitgegaan op de grond "dat het geen gesprekken betreft tussen de verdachte en diens raadsman" heeft het blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Het Hof heeft zich voorts ten onrechte begeven in de toetsing van de beslissing van de r-c tot het verstrekken van een machtiging. Voorts heeft het Hof miskend dat het hem i.c. bij de beantwoording van de vraag of de desbetreffende tapverbalen in het strafproces konden worden gebruikt, niet vrijstond het belang van het verschoningsrecht af te wegen tegen dat van de waarheidsvinding. Uiteindelijk is het Hof in zijn eindarrest tot het oordeel gekomen dat het de desbetreffende tapgesprekken niet voor het bewijs zal bezigen. Dat oordeel is op zichzelf in overeenstemming met hetgeen hiervoor omtrent de inhoud van die gesprekken en het (verbod tot het) gebruik daarvan is overwogen. Niettemin heeft het Hof, daarmee in strijd, de inhoud van die tapgesprekken betrokken bij zijn bewijsoverwegingen.
Pagina86-90
UitspraakECLI:NL:HR:2010:BK3369
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak
TitelHoge Raad, 28-09-2010, 08/00875
CiteertitelDD 2011, 7.5
Samenvatting (Bron)Verdachte geheimhouder (advocaat). Art. 125g Sv (oud), art. 126aa Sv. Besluit bewaren en vernietigen niet-gevoegde stukken (Stb. 1999, 548). HR herhaalt o.m. HR LJN BK3369 en HR LJN AM2533. Het verweer strekkende tot n-o is door het Hof op toereikende gronden verworpen.
Pagina90-91
UitspraakECLI:NL:HR:2010:BM6656
Artikel aanvragenVia Praktizijn