Nederlands Juristenblad

Uitgever Wolters Kluwer
Tijdschrift Nederlands Juristenblad
Datum 11-03-2011
Aflevering 10
RubriekVooraf
TitelCyberwantrouwen
CiteertitelNJB 2011, 517
SamenvattingHeeft u ooit de webpagina www.fiod.nl bezocht? Vast niet. En mocht u de pagina hebben opgeroepen, dan is uw bezoek waarschijnlijk van zeer tijdelijke duur geweest. "Under construction" is alles wat er te lezen valt. Maar aan de pagina wordt allesbehalve gewerkt. Het webadres bestaat enkel en alleen omdat er iemand is die maar al te graag het emailadres @fiod.nl in handen heeft. En dat is iemand anders dan de betreffende overheidsinstantie zelf. Een medewerker van de Belastingdienst vertelde me dat de persoon zich als de FIOD voordoet om belastingplichtgen in verwarring te brengen, onder druk te zetten of mogelijk af te persen. Fraude dus met de 'indentiteit' van een overheidsinstelling.
Auteur(s)J.E.J. Prins
Pagina607-607
LinkVolledige tekst (uvt.nl)
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekWetenschap
TitelWaar gaat het debat over het Europees Hof voor de Rechten van de Mens nu eigenlijk over?
CiteertitelNJB 2011, 518
SamenvattingVoor zover de kritiek op het EHRM voortkomt uit onvrede over enkele 'slechte' of 'ongewenste' uitspraken van het Hof, is dat niet voldoende om de positie van het EHRM als zodanig ter discussie te stellen of om te pleiten voor een radicaal andere politieke benadering van het Hof. Er is genoeg ruimte om de oordeelsvorming door het EHRM in concreet voorgelegde zaken te beïnvloeden. Pleidooi voor een constructieve bijdrage aan de dialoog tussen staten en Hof.
Auteur(s)J. Gerards
Pagina608-612
LinkVolledige tekst artikel (ru.nl)
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekEssay
TitelEen nieuwe rechtsorde binnen Nederland - De toetreding van Bonaire, Sint Eustatius en Saba tot het Nederlandse staatsbestel
CiteertitelNJB 2011, 519
SamenvattingHet voor de BES-eilanden gekozen staatkundige model hinkt vanaf de aanvang op twee gedachten. Enerzijds zijn de eilanden onderdeel van het Nederlandse staatsbestel. Anderzijds wijst art. 1 lid 2 Statuut op de noodzaak om rekening te houden met de bijzondere omstandigheden op de BES-eilanden, en is mede tegen die achtergrond merendeels de Antilliaanse wetgeving van toepassing gebleven.
Auteur(s)S. Hillebrink , A. Roos , L. Verhey
Pagina613-619
LinkVolledige tekst tijdschriftnummer (njb.nl)
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekFocus
TitelUitdijende aansprakelijkheid in het bestuursrecht: bestuurders de klos?
CiteertitelNJB 2011, 520
SamenvattingIn de Awb is de kring van overtreders aanzienlijk verruimd. De nieuwe aansprakelijkheidsvormen zijn overgenomen uit het strafrecht, maar zijn ook voor herstelsancties van belang. Betwijfeld kan worden of de wetgever hjierover goed heeft nagedacht. Een regresmogelijkheid blijkt namelijk te ontbreken.
Auteur(s)H. Bröring , S. de Valk
Pagina620-623
LinkVolledige tekst tijdschriftnummer (njb.nl)
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekReacties
TitelDe zaak Polanski
CiteertitelNJB 2011, 521
SamenvattingProf. Witteveen en dr. Van Lenning hebben in NJB 2011/228, afl. 5, p. 283 e.v. zonder meer een fraai en leerzaam essay geschreven over de zaak Polanski, een (verkrachtings)zaak uit 1977, welke in september 2009 een Zwitsers-Amerikaanse uitleveringszaak werd. De zaak wordt belicht vanuit diverse ook contemporaine perspectieven.
Auteur(s)W. van Tongeren
Pagina624-624
LinkVolledige tekst tijdschriftnummer (njb.nl)
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekNaschrift
TitelNaschrift
CiteertitelNJB 2011, 522
SamenvattingWij kunnen ons in dit commentaar wel vinden. Inderdaad is het van belang na te gaan wat Polanski zelf heeft gedaan om de oplossing van het door hem veroorzaakte probleem te bemoeilijken; wij wijzen daar ook al op. Echter: ook als hij zijn eigen zaak schade gedaan heeft, worden de overige perspectieven daarmee niet irrelevant. Voor het laten meewegen van de ernst van de verkrachting is veel te zeggen als men voorbij de bewezenverklaring van het strafbare feit toekomt aan de vraag hoe zwaar de straf moet zijn. De teneur van ons stuk is dat met de proliferatie van relevante perspectieven en na verloop van lange tijd ook die vraag onhanteerbaarder wordt.
Auteur(s)A. van Lenning , W. Witteveen
Pagina624-624
LinkVolledige tekst tijdschriftnummer (njb.nl)
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak
TitelEuropees Hof voor de Rechten van de Mens, 07-12-2010, 15966/06
CiteertitelNJB 2011, 523
SamenvattingVrijheid van meningsuiting van een ambtenaar inzake een beroepsmatig opgesteld rapport waarin kritiek op een specifieke rechter is opgenomen.Civielrechtelijk vonnis waarbij ambtenaar schadevergoeding moet betalen aan desbetreffende rechter is noodzakelijk ter bescherming van 'de goede naam van anderen'. Geen schending.

(Poyraz / Turkije)
Samenvatting (Bron)Remainder inadmissible;Violation of Art. 6-1;No violation of Art. 10
Pagina625-625
UitspraakECLI:CE:ECHR:2010:1207JUD001596606
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak
TitelEuropees Hof voor de Rechten van de Mens, 14-12-2010, 44614/07
CiteertitelNJB 2011, 524
SamenvattingHerhaalde aanvallen op aanhanger Hare Krisna beweging. Verzuim autoriteiten om aanvallen te voorkomen. Ondeugdelijk onderzoek. Ongelijke behandeling slachtoffers van religieus geweld.

(Milanoviç / Servië)
Samenvatting (Bron)Violation of Art. 3;Violation of Art. 14+3;Non-pecuniary damage - award
Pagina625-626
UitspraakECLI:CE:ECHR:2010:1214JUD004461407
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak
TitelHoge Raad, 25-02-2011, 09/02092
CiteertitelNJB 2011, 525
SamenvattingUitleg huwelijkse voorwaarden. In de huwelijkse voorwaarden is bepaald dat een beperkte gemeenschap van goederen bestaat betreffende de woning. HR: het Hof heeft de bepaling aldus uitgelegd dat de gemeenschap mede de hypothecaire lening omvat. Dit oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting, is niet onbegrijpelijk en is toereikend gemotiveerd.
Samenvatting (Bron)Familierecht; echtscheiding; huwelijkse voorwaarden; verdeling beperkte gemeenschap; Haviltex. Oordeel hof dat onderhavige gemeenschap, te weten algehele gemeenschap van goederen ten aanzien van door partijen bewoonde woning, ook omvat de schulden aangegaan ter financiering (en tot onderhoud) van de woning, niet onjuist, niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.
Pagina627-627
UitspraakECLI:NL:HR:2011:BO7277
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak
TitelHoge Raad, 25-02-2011, 09/05047
CiteertitelNJB 2011, 526
SamenvattingOnteigening. Non-usus. Een aantal percelen wordt op vordering van de Gemeente onteigend ten behoeve van de uitbreiding van een militair vliegveld. Na onteigening draagt de gemeente de percelen over aan de Staat. De onteigenden vorderen teruggave ex art. 61 OW, omdat het werk waarvoor onteigend is, meer dan drie jaar heeft stilgelegen. HR: 1. Terugvordering van wie. Het recht van terugvordering ex art. 61 OW kan alleen tegen de onteigenende partij worden ingesteld. 2. Vereenzelviging. Voor vereenzelviging zou alleen plaats kunnen zijn onder meer bijzondere omstandigheden. 3. Werkzaamheden. Tot werkzaamheden in de zin van art. 61 OW behoren alleen werkzaamheden die dienen ter uitvoering van het werk zelf, dus geen voorbereidende werkzaamheden.
Samenvatting (Bron)Onteigening. Vordering tot teruggave onteigende dan wel schadevergoeding in aanvulling op verkregen schadeloosstelling; art. 61 Ow en art. 6:162 BW. Vordering tot teruggave ex art. 61 Ow kan alleen tegen de onteigenende partij worden ingesteld. Hetzelfde geldt ten aanzien van de vordering tot betaling van aanvullende schadevergoeding. Vereenzelviging van belanghebbende en onteigenende partij bij toepassing art. 61 Ow alleen onder zeer bijzondere omstandigheden die zich naar kennelijk en niet onbegrijpelijk oordeel hof in dit geval niet hebben voorgedaan. Tot werkzaamheden in de zin van art. 61 Ow behoren alleen die werkzaamheden die dienen ter uitvoering van het werk zelf; voorbereidende werkzaamheden kunnen daar niet toe worden gerekend.
Pagina627-628
UitspraakECLI:NL:HR:2011:BO9554
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak
TitelHoge Raad, 25-02-2011, 09/05048
CiteertitelNJB 2011, 527
SamenvattingGelijke beslissing als HR 25 februari 2011, nr. 90/05047, LJN BO9554, hiervoor weergegeven, maar dan betreffende andere onteigende partijen.
Samenvatting (Bron)Onteigening. Vordering tot teruggave onteigende dan wel schadevergoeding in aanvulling op verkregen schadeloosstelling; art. 61 Ow en art. 6:162 BW. Vordering tot teruggave ex art. 61 Ow kan alleen tegen de onteigenende partij worden ingesteld. Hetzelfde geldt ten aanzien van de vordering tot betaling van aanvullende schadevergoeding. Vereenzelviging van belanghebbende en onteigenende partij bij toepassing art. 61 Ow alleen onder zeer bijzondere omstandigheden die zich naar kennelijk en niet onbegrijpelijk oordeel hof in dit geval niet hebben voorgedaan. Tot werkzaamheden in de zin van art. 61 Ow behoren alleen die werkzaamheden die dienen ter uitvoering van het werk zelf; voorbereidende werkzaamheden kunnen daar niet toe worden gerekend.
Pagina628-628
UitspraakECLI:NL:HR:2011:BO9555
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak
TitelHoge Raad, 25-02-2011, 10/01343
CiteertitelNJB 2011, 528
SamenvattingEnquête. Onmiddellijke voorziening. De ondernemingskamer heeft een onderzoek bevolen, vooralsnog zonder een onderzoeker te benoemen, en bij wijze van onmiddellijke voorziening het bestuur gemachtigd om aandelen uit te geven. HR: 1. Procesgang. De door de ondernemingskamer bevolen gang van zaken is niet in strijd met het stelsel van de wet. 2. Inhoud voorzieining. De ondernemingskamer mag iedere voorziening van voorlopige aard treffen mits met het oog op de gevolgen ervan een billijke afweging van de belangen van partijen heeft plaatsgevonden en de noodzaak van deze voorziening voldoende is gebleken. 3. Recht op eigendom. Het op art. 1 EP gebaseerde betoog kan niet voor het eerst in cassatie aan de orde komen.
Samenvatting (Bron)Enquêterecht. Onmiddellijke voorzieningen. Art. 2:349a lid 2 BW. Onderzoek naar wanbeleid vooralsnog niet aangevangen. Geen strijd met stelsel van de wet (vgl. HR 27 september 2000, LJN AA7245, NJ 2000/653(Gucci)). Onmiddelijke voorziening inhoudend dat bestuur bevoegd is tot het zonder besluit van ava uitgeven van aandelen blijft in dit geval binnen grenzen vrijheid Ondernemingskamer. Maatstaf (vgl. HR 19 oktober 2001, LJN AD 5138, NJ 2002/92 (Skygate).
Pagina628-629
UitspraakECLI:NL:HR:2011:BO7067
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak
TitelHoge Raad, 25-02-2011, 10/01435
CiteertitelNJB 2011, 529
SamenvattingOneigenlijke lossing. Verleggingsregeling. Tussen de curator en de bank is onderhandse verkoop overeengekomen van de aan de bank verpande zaken van de failliet. Ter beoordeling staat of ter zake van omzetbelasting de verleggingsregeling dient te worden toegepast. HR: Als de curator en de pandhouder zijn overeengekomen dat onderhandse verkoop door de pandgever zal geschieden (oneigenlijke lossing), is sprake van executie als bedoeld in de verleggingsregeling van het Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968. Richtlijn 2006/112/EG maakt een dergelijke verleggingsregeling mogelijk.
Samenvatting (Bron)Faillissement (art. 57 F.); verleggingsregeling als bedoeld in art. 12 lid 4 Wet op de omzetbelasting 1968 jo. art. 24ba lid 1, aanhef en onder d, Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968; Richtlijn 2006/112/EG. Onderhandse verkoop door curator krachtens overeenstemming met pandhouder valt binnen toepassingsbereik art. 57 F. en moet worden beschouwd als (een vorm van) uitoefening van het recht van parate executie van de pandhouder; oneigenlijke lossing is dus een vorm van executie die moet worden aangemerkt als levering tot executie van zekerheid als bedoeld in art. 24ba lid 1, aanhef en onder d, Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968. Deze uitleg is in overeenstemming met het bepaalde in art. 199 lid 1, aanhef en onder e, Richtlijn 2006/112/EG.
Pagina629-630
UitspraakECLI:NL:HR:2011:BO7109
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak
TitelHoge Raad, 15-02-2011, 08/04782
CiteertitelNJB 2011, 530
Samenvatting(Weer) nader onderzoek was nodig om er zeker van te zijn dat de getuige B toch kon worden opgeroepen tegen een nadere zitting van het hof.
Samenvatting (Bron)Afwijzing getuigenverzoek. s Hofs oordeel dat niet aannemelijk is dat de getuige binnen aanvaardbare termijn ter terechtzitting zal verschijnen is niet zonder meer begrijpelijk nu de stukken van het geding niets inhouden waaruit kan volgen dat na de vergeefse oproeping van de getuige voor het verhoor door de rechter-commissaris is onderzocht of van de getuige inmiddels nog een adres bekend was geworden opdat hij kon worden opgeroepen voor de nadere terechtzitting van het hof.
Pagina630-631
UitspraakECLI:NL:HR:2011:BN9173
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak
TitelHoge Raad, 15-02-2011, 09/02280 P
CiteertitelNJB 2011, 531
SamenvattingNiet zonder meer begrijpelijke overweging van het hof dat in het dossier geen steun was te vinden voor een driedeling van het wederrechtelijk verkregen voordeel nu in de kwalificatie van de hoofdzaak sprake was van medeplegen.
Samenvatting (Bron)Profijtontneming. Het Hof heeft het wederrechtelijk verkregen voordeel geheel aan de betrokkene toegerekend. Het heeft in dat verband geoordeeld dat de stelling dat de uiteindelijke opbrengst door drieën moest worden gedeeld niet aannemelijk is geworden, onder meer op de grond dat die stelling geen steun vindt in het dossier. Dat is niet zonder meer begrijpelijk, gelet op de door het Hof genoemde kwalificatie van het bewezenverklaarde in de hoofdzaak die inhoudt dat sprake was van medeplegen.
Pagina631-631
UitspraakECLI:NL:HR:2011:BP0076
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelHoge Raad, 15-02-2011, 09/01529
CiteertitelNJB 2011, 532
SamenvattingDe nieuwe werkwijze van de opzet van vonnis of arrest voldoet in dit geval, wat het onder 1 bewezenverklaarde betreft, aan de eisen van bewijsvoering, terwijl de bezwaren daartegen onvoldoende zijn geconcretiseerd.
Samenvatting (Bron)Promis. Het hof heeft het Promis-vonnis van de rechtbank bevestigd. De klacht dat het hof terzake van de bewijsredenering van het onder 1 bewezenverklaarde heeft verwezen naar volledige processen-verbaal mist feitelijke grondslag. Ook overigens faalt het middel nu het hof de eisen die aan de door hem gevolgde werkwijze door de HR zijn gesteld niet heeft miskend.
Pagina631-632
UitspraakECLI:NL:HR:2011:BO4020
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak
TitelHoge Raad, 15-02-2011, 08/04784
CiteertitelNJB 2011, 533
SamenvattingDe proeftijd van twee jaren opgelegd bij het arrest van het hof van 17 juni 2004 werd bij het arrest van dat hof van 29 oktober 2008 met een jaar verlengd. Het (vermoedelijk) einde van de proeftijd was bepaald op 2 juli 2006. Als ook het vermoeden wordt meegerekend, is toch 'in ieder geval' de proeftijd meer dan twee jaar na het vermoedelijk einde van de proeftijd, geëindigd.
Samenvatting (Bron)Verlenging proeftijd. Gelet op hetgeen op het extract-arrest is vermeld, moet het ervoor worden gehouden dat de proeftijd in ieder geval ten tijde van de bestreden uitspraak was geëindigd. Aangezien een beslissing tot verlenging van de proeftijd in de zin van art. 14f, eerste lid, Sr slechts gedurende de proeftijd gegeven kan worden, is het middel terecht voorgesteld. De HR doet de zaak zelf af en wijst de vordering tot tenuitvoerlegging af.
Pagina632-632
UitspraakECLI:NL:HR:2011:BP4445
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak
TitelHoge Raad, 15-02-2011, 10/01384
CiteertitelNJB 2011, 534
SamenvattingAlleen de intentie om heroïne binnen Nederland te brengen terwijl die heroïne de verdachte nooit bereikt heeft, is onvoldoende om een strafrechtelijke poging aan te nemen.
Samenvatting (Bron)Poging. Begin van uitvoering. In het licht van de uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkende toedracht dat de verdachte geld, navigatiemateriaal en een GSM met SIM-kaart heeft ontvangen/aangenomen en dat hij met een auto is afgereisd naar Roemenië en/of Hongarije met de bedoeling aldaar een hoeveelheid van 59 kg heroïne in ontvangst te nemen voor vervoer naar Nederland, maar onverrichterzake is teruggekeerd omdat hij de vrachtauto met heroïne niet heeft kunnen vinden, is s Hofs oordeel dat er een begin van uitvoering was van het binnen Nederland brengen van heroïne niet begrijpelijk. Daaraan doet niet af dat verdachte wel de intentie tot invoer had.
Pagina632-633
UitspraakECLI:NL:HR:2011:BO9971
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak
TitelHoge Raad, 15-02-2011, 09/02300
CiteertitelNJB 2011, 535
SamenvattingDe mogelijkheid die art. 416 lid 3 Sv aan de feitenrechter open laat om het OM niet-ontvankelijk te verklaren, is maar in beperkte mate toetsbaar door de Hoge Raad.
Samenvatting (Bron)OM-cassatie. Appelschriftuur. In aanmerking genomen dat ingevolge art. 410 Sv een appelschriftuur de grieven tegen het vonnis moet bevatten, is het oordeel van het hof dat het de zich bij de stukken bevindende opgave van bezwaren niet heeft aangemerkt als appelschriftuur niet onbegrijpelijk. Het middel richt zich voorts tegen het oordeel van het hof dat het belang van het ingestelde beroep in casu niet prevaleert boven het belang van sanctionering van het verzuim en het door het hof aan het verzuim verbonden rechtsgevolg. HR: De beantwoording van de vraag of het belang van het appel zwaarder dient te wegen dan het belang dat is gemoeid met het verbinden van niet-ontvankelijkheid in het hoger beroep aan het verzuim van het OM om een appelschriftuur in te dienen, is in hoge mate afhankelijk van de aan de feitenrechter voorbehouden weging en waardering van de omstandigheden van het geval. Dat brengt mee dat het oordeel van de feitenrechter daaromtrent in cassatie slechts in beperkte mate kan worden getoetst (vgl. HR LJN BK0910). s Hofs oordeel dat het belang van het ingestelde beroep i.c. niet vergt dat een niet-ontvankelijkverklaring van de OvJ in het beroep achterwege dient te blijven, is ook zonder nadere motivering niet onbegrijpelijk.
Pagina633-634
UitspraakECLI:NL:HR:2011:BP0079
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak
TitelHoge Raad, 15-02-2011, 09/03669
CiteertitelNJB 2011, 536
SamenvattingOplegging van de ISD-maatregel eist onder meer dat in het peiljaar één proces-verbaal wordt opgemaakt. Als daarna vrijspraak volgt, is het proces-verbaal niet (meer) een proces-verbaal in de zin van de richtlijn.
Samenvatting (Bron)ISD-maatregel. HR herhaalt relevante overwegingen m.b.t. de Richtlijn voor strafvordering bij meerderjarige zeer actieve veelplegers (hierna: de Richtlijn) uit HR LJN BH9943. De Richtlijn vermeldt een aantal eisen waaraan moet zijn voldaan, voordat sprake kan zijn van een stelselmatige dader tegen wie de oplegging van de ISD-maatregel kan worden gevorderd. Eén van deze eisen is dat in het zogenoemde peiljaar tenminste één proces-verbaal tegen de verdachte is opgemaakt. Dat vereiste hangt kennelijk samen met de omstandigheid dat de rechtvaardiging van de ISD-maatregel is gelegen in de frequentie, hardnekkigheid en intensiteit van het criminele gedrag. Het Hof heeft vastgesteld dat in het peiljaar weliswaar éénmaal proces-verbaal tegen de verdachte is opgemaakt, maar dat de verdachte in een later stadium is vrijgesproken van het feit ter zake waarvan dit proces-verbaal is opgemaakt. Een redelijke, met het doel van de Richtlijn overeenstemmende uitleg van het hierboven weergegeven vereiste brengt mee dat in een dergelijk geval geen sprake is van een proces-verbaal in de hiervoor weergegeven zin. Het andersluidende oordeel van het Hof is dus onjuist.
Pagina633-634
UitspraakECLI:NL:HR:2011:BO9885
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak
TitelHoge Raad, 15-02-2011, 08/05127 E
CiteertitelNJB 2011, 537
SamenvattingVerzuim om op een verweer - inzake de uitlegging van een vergunning - te responderen, leidt tot nietigheid.
Samenvatting (Bron)Economische zaak. Het in hoger beroep door de raadsvrouwe van de verdachte aangevoerde betreft onmiskenbaar de uitleg van het vergunningsvoorschrift dat zou zijn overtreden. Aldus is een verweer gevoerd waaromtrent het Hof op straffe van nietigheid uitdrukkelijk een met redenen omklede beslissing had moeten geven. Aangezien zodanige beslissing in de bestreden uitspraak niet voorkomt, is het middel gegrond. Het Hof heeft terzake van twee bewezenverklaarde feiten afzonderlijk straffen opgelegd. Nu die feiten misdrijven betreffen had het Hof evenwel op de voet van art. 57.1 Sr één straf dienen op te leggen. De HR vindt daarin aanleiding de gehele strafoplegging te vernietigen.
Pagina634-635
UitspraakECLI:NL:HR:2011:BO2598
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak
TitelHoge Raad, 15-02-2011, 09/03293
CiteertitelNJB 2011, 538
SamenvattingDe benadeelde partij moet zijn schade inzichtelijk maken in het bijzonder voor wat betreft de door het strafbaar feit rechtstreeks geleden schade.
Samenvatting (Bron)1. Gegronde bewijsklacht. 2. Vordering benadeelde partij. Ad 2. Voor toewijzing van een vordering tot schadevergoeding als bedoeld in art. 51a.1 Sv komt alleen die schade in aanmerking die rechtstreeks is geleden door het strafbare feit. Van rechtstreekse schade is sprake indien iemand is getroffen in een belang dat door de overtreden strafbepaling wordt beschermd (HR LJN AV4007 en HR LJN BB7077). s Hofs toewijzing van de vordering van de benadeelde partij behoeft nadere motivering nu het hof heeft nagelaten inzichtelijk te maken welke door en namens de benadeelde partij aangevoerde schadeposten het hof als rechtstreekse schade heeft aangemerkt.
Pagina635-635
UitspraakECLI:NL:HR:2011:BP0095
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak
TitelHoge Raad, 15-02-2011, 09/00648
CiteertitelNJB 2011, 539
Samenvatting(1) Weliswaar heeft het hof ten onrecht bij zijn afwijzende beslissing van vrijstelling van leerplicht het college van burgemeesters en wethouders betrokken, maar dat is, naar het oordeel van de Hoge Raad, een vergissing die de afwijzing niet raakt.
(2) De verwerping van het verweer inzake vrijstelling van onderwijs op deze of andere scholen in de nabijheid is door het hof terecht verworpen onder meer omdat de ouders zelf een school hadden kunnen oprichten dat aan zijn godsdienstige en levensbeschouwelijke bezwaren tegemoet zou komen.
Samenvatting (Bron)Artt. 5 en 8 Leerplichtwet (Lpw). Art. 9 EVRM. Art. 2 Eerste Protocol EVRM. Het derde middel klaagt er onder meer over dat het Hof in zijn oordeel een afwijzende beslissing van het college van burgemeester en wethouders heeft betrokken. De HR geeft een samenvatting van relevante jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Hieruit volgt dat het Hof een schrijven van het college van burgemeester en wethouders ten onrechte heeft aangemerkt als een beslissing inzake onderscheidenlijk een afwijzing van verdachtes beroep op vrijstelling van de verplichting om te zorgen dat een jongere als leerling van een school is ingeschreven. Gelet evenwel op hetgeen het Hof voorts heeft overwogen, moet worden aangenomen dat in zoverre sprake is van een kennelijke vergissing die geen zelfstandige betekenis heeft in de door het Hof gebezigde redenering en daarom geen afbreuk doet aan de begrijpelijkheid van 's Hofs motivering. In zoverre faalt het middel. Ingevolge art. 8.1 Lpw kan een beroep op vrijstelling op grond van art. 5.b Lpw slechts worden gedaan indien de kennisgeving de verklaring bevat dat tegen de richting van het onderwijs op alle binnen redelijke afstand van de woning gelegen scholen waarop de jongere geplaatst zou kunnen worden, overwegende bedenkingen bestaan, doch volgens het tweede lid is deze verklaring niet geldig indien de jongere in het jaar, voorafgaande aan de dagtekening van de kennisgeving, geplaatst is geweest op een school van de richting waartegen bedenkingen worden geuit. N.a.v. het vierde en vijfde middel overweegt de HR: Gelet op de in Nederland bestaande vrijheid van ouders hun kinderen de school van hun keuze dan wel een zelf opgerichte school waar volgens hun godsdienstige of levensbeschouwelijke opvattingen wordt lesgegeven, te doen bezoeken, en in aanmerking genomen voorts de vrijheid van ouders hun kinderen na schooltijd en in het weekend onderwijs te laten volgen dat in overeenstemming is met hun opvattingen, maakt in een geval als het onderhavige art. 8.2 Lpw geen inbreuk op de door art. 9.1 EVRM en art. 2 Eerste Protocol EVRM gewaarborgde rechten. De enkele omstandigheid dat - naar de verdachte heeft aangevoerd - de school waarvan de richting aansluit bij haar levensbeschouwing, niet binnen een redelijke afstand van haar woning is gelegen, noopt niet tot een ander oordeel. De HR merkt voorts nog op dat, anders dan de middelen veronderstellen, de omstandigheid dat ouders op grond van art. 9 EVRM de vrijheid hebben om hun - al dan niet gewijzigde - godsdienst of levensbeschouwing in het onderwijs aan hun kinderen tot uitdrukking te (laten) brengen en dat de overheid volgens art. 2 Eerste Protocol EVRM het recht van ouders om zich van dat onderwijs dat overeenstemt met hun eigen godsdienstige of levensbeschouwelijke overtuiging te verzekeren, dient te eerbiedigen, niet tot gevolg heeft dat ingeval zich binnen redelijke afstand van de woning niet een school bevindt waar onderwijs wordt gegeven dat overeenstemt met hun eigen godsdienstige of levensbeschouwelijke overtuiging, zij zijn vrijgesteld van de in art. 2 Lpw bedoelde inschrijfplicht en dat zij gerechtigd zijn hun kind uitsluitend huisonderwijs te (laten) geven, noch dat de overheid gehouden is om een binnen redelijke afstand van de woning gelegen school van de door die ouders gewenste godsdienstige of levensbeschouwelijke richting op te richten.
Pagina635-637
UitspraakECLI:NL:HR:2011:BM6898
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak
TitelCentrale Raad van Beroep, 09-02-2011, 09/2086 AWBZ
CiteertitelNJB 2011, 540
SamenvattingProcesbelang. Toekomstige aanvragen. Verstrekking van AWBZ-zorg.
Samenvatting (Bron)Afwijzing aanvraag om zorg. De Raad is van oordeel dat appellante onvoldoende feitelijke gegevens heeft aangedragen om tot de conclusie te komen dat kan worden gezegd dat de weigering van zorg als bedoeld in de AWBZ tot effect had dat de normale ontwikkeling van haar privéleven ten tijde van belang onmogelijk werd gemaakt. Daarbij speelt de omstandigheid dat appellante ten tijde van belang geen rechtmatig verblijf had in Nederland een rol. Voorts is naar het oordeel van de Raad niet gebleken dat het voor appellante onmogelijk was terug te keren naar het land van herkomst. Naar het oordeel van de Raad kan in die omstandigheden in redelijkheid niet worden volgehouden dat de weigering van zorg als bedoeld in de AWBZ geen blijk geeft van een fair balance tussen de publieke belangen betrokken bij de weigering van zorg als bedoeld in de AWBZ en de particuliere belangen van appellant. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat het beroep van appellante op artikel 8 van het EVRM niet slaagt.
Pagina637-638
UitspraakECLI:NL:CRVB:2011:BP3990
Artikel aanvragenVia Praktizijn