Nederlands Juristenblad

Uitgever Wolters Kluwer
Tijdschrift Nederlands Juristenblad
Datum 26-08-2011
Aflevering 28
RubriekVooraf
TitelSchuldenbremse
CiteertitelNJB 2011, 1469
SamenvattingJe kunt ook niet even op vakantie gaan of de beurzen en de politici maken er weer een zooitje van. Bijna was de Amerikaanse federale overheid gesloten net toen ik er zat. Ondertussen waren de beleggers en politici in Europa druk bezig mijn pensioen en woningwaarde te vernietigen.
Maar Merkel en Sarkozy hebben iets bedacht. Het juridisch interessantste is verplichte grondwetswijziging vóór 2013 in alle Eurostaten behalve Duitsland, dat al een Schuldenbremse in zijn Verfassung heeft staan, en het niet invoeren van Eurobonds. Zouden de markten echt gerustgesteld worden door (mogelijke; we moeten het ook nog zien) opstarting van héél trage grondwetswijzigingsprocedures die op geduldig papier begrotingsevenwicht gaan voorschrijven? Het lijkt op de vrachtrederij die de ladingeigenaren geruststelt met: "Alle schepen maken slagzij, maar geen zorgen, wij gaan over twee jaar in onze corporate mission statement laten opnemen dat we voortaan alleen nog schepen met kiel gebruiken." Alsof dat op tijd zou zijn voor de huidige lading. En alsof een kiel zou helpen tegen ijsbergen of incompetente stuwadoors.
Auteur(s)P. Wattel
Pagina1857-1857
LinkVolledige tekst artikel (njb.nl)
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekWetenschap
TitelSchaarse publieke rechten - Wat Bard, Betfair en BNR met elkaar gemeen hebben
CiteertitelNJB 2011, 1470
SamenvattingSteeds weer blijkt dat er gemakkelijk conflicten kunnen ontstaan rond de verdeling van een schaars publiek recht zoals een vergunning of een subsidie: een schaar recht toedelen aan de ene aanvrager betekent automatisch teleurstelling en groot financieel nadeel voor de ander. Een analyse van enkele spraakmakende voorbeelden maakt duidelijk dat problemen bij de verdeling veel gemeenschappelijke hebben. Waarom dan telkens het verdelingswiel opnieuw uitvinden in plaats van de verdeling van schaarse publieke rechten tot een algemeen leerstuk van het bestuursrecht maken?
Auteur(s)F. van Ommeren , W. den Ouden , J. Wolswinkel
Pagina1858-1866
LinkVolledige tekst artikel (leidenuniv.nl)
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekFocus
TitelPolitiek correct vonnis
CiteertitelNJB 2011, 1471
SamenvattingIn de Wilderszaak heeft de rechtbank prioriteit gegeven aan de bescherming van het politieke maatschappelijke debat ten koste van de bescherming van minderheden, zelfs wanneer het gaat om uitlatingen die volgens de rechtbank op zichzelf aanzetten tot discriminatie of haat. De keuze om voor het anker van het maatschappelijke debat te gaan liggen en niet voor de bescherming van minderheden is er daarmee een die past in de huidige tijdgeest.
Auteur(s)G. Molier
Pagina1867-1869
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekWetenschap
TitelHarmonisatie van menselijke waardigheid in het Europees privaatrecht?
CiteertitelNJB 2011, 1472
SamenvattingAls een contract over commercieel draagmoederschap in de ene lidstaat afdwingbaar is en in de andere niet wegens een inbreuk op de menselijke waardigheid kan dit een afschrikwekkend effect hebben op grensoverschrijdend draagmoederschap. Harmonisatie van het begrip 'menselijke waardigheid' lijkt dus noodzakelijk. Maar is het ook mogelijk?
Auteur(s)J. Klijnsma
Pagina1870-1876
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekOpinie
TitelAfrekenen met de linkse kerk
CiteertitelNJB 2011, 1473
SamenvattingHet budget voor de kleine levensbeschouwelijke omroepen wordt gehalveerd. Aanvaarding creëert een gevaarlijk precedent dat de staat zich met de interne aangelegenheden van kerken mag bemoeien en impliceert dat het bereik van de godsdienstvrijheid ingrijpend wordt ingeperkt.
Auteur(s)W. van der Burg
Pagina1877-1878
LinkVolledige tekst artikel (ridms.nl)
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak
TitelEuropees Hof voor de Rechten van de Mens, 05-05-2011, 29598/08
CiteertitelNJB 2011, 1474
SamenvattingDoorzoeking van onderneming wegens verdenking overtreding mededingingsrecht. Inbeslagneming stukken. Ontbreken effectieve rechterlijke controle. Schending art. 6 lid 1 EVRM.

(Société Métallurgique Liotard frères vs. Frankrijk)
Samenvatting (Bron)Violation of Art. 6-1
Pagina1879-1879
UitspraakECLI:CE:ECHR:2011:0505JUD002959808
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak
TitelHoge Raad, 08-07-2011, 09/02407
CiteertitelNJB 2011, 1475
SamenvattingVerkeersongeval. Rood licht. Twee auto's komen met elkaar in aanrijding op een met verkeerslichten beveiligde kruising. Het hof oordeelt op basis van waardering van getuigenbewijs dat niet vastgesteld kan worden wie van beide bestuurders door rood licht is gereden acht een van de bestuurders aansprakelijk voor 65% van de schade van de andere bestuurder.
Samenvatting (Bron)Verkeersaansprakelijkheid; art. 5 WVW 1994, art. 6:162 BW. Aanrijding tussen twee automobilisten op een kruising. Oordeel hof dat geen van partijen bewijs heeft geleverd met betrekking tot de vraag welke partij door rood licht is gereden, voldoende gemotiveerd. Bij beantwoording vraag of ene automobilist aansprakelijk is tegenover de andere, dient te worden uitgegaan van veronderstelling dat aansprakelijk gestelde automobilist door groen licht is gereden. Gedaagde is aansprakelijk indien hij onmiddellijk voor aanrijding gevaarzettend heeft gehandeld en daardoor een situatie in het leven heeft geroepen waarin mate waarschijnlijkheid ongeval als gevolg van dat handelen zo groot was dat hij zich naar maatstaven van zorgvuldigheid van dat gedrag had moeten onthouden. Alle omstandigheden van het geval moeten hierbij in aanmerking worden genomen. Rechter dient mee te wegen: (a) verkeersgedrag partijen onmiddellijk voorafgaand aan aanrijding, waarbij van belang is (i) of gedaagde concrete aanleiding had om verdacht te zijn op mogelijkheid dat eiser het voor hem rood licht uitstralende stoplicht zou negeren en kruising zou oprijden, en (ii) snelheid beide automobilisten en afstand die zij beiden op desbetreffende kruising hadden op moment waarop zij elkaar opmerkten; (b) overzichtelijkheid kruising, en (c) of ter plaatse mede waarschuwingsborden waren geplaatst. Bij beantwoording vraag of schade mede gevolg is van omstandigheid die aan benadeelde/eiser kan worden toegerekend als bedoeld in art. 6:101 BW, moet eveneens ervan worden uitgegaan dat eiser door groen licht is gereden. Voor beide partijen geldt daarom dat gevolgen ongeval slechts voor hun rekening komen voorzover zij, bij het (hypothetische) uitgangspunt dat zij door groen licht zijn gereden, verkeersgedrag hebben vertoond dat die toerekening wettigt. Middel, dat beoogt Hoge Raad te doen terugkomen van deze rechtspraak, faalt. Klachten deels verworpen met toepassing van art. 81 RO. Waardering wederzijds gemaakte fouten berust in belangrijke mate op intuïtieve inzichten rechter zodat slechts beperkte motiveringseisen kunnen worden gesteld (HR 4 mei 2001, LJN AB1426, NJ 2002/214). Opvatting dat in situatie als waarvan in dit geding sprake is, moet worden uitgegaan van een schuldverdeling van 50/50, vindt geen steun in het recht.
Pagina1879-1880
UitspraakECLI:NL:HR:2011:BP6996
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak
TitelHoge Raad, 08-07-2011, 10/00491
CiteertitelNJB 2011, 1476
SamenvattingNa aanschrijvingen van bestuursdwang worden in opdracht van de gemeente alle woonwagens van een woonwagencentrum verhuis naar een ander woonwagencentrum in één doorlopende actie met inzet van politie en ME. Vervolgens vaardigt de gemeente aan de bewoners dwangbevelen uit voor kostenverhaal. Een bewoner doet verzet tegen het dwangbevel en vordert schadevergoeding wegens beschadiging van zijn (later gesloopte) woonwagen.
Samenvatting (Bron)Verbintenissenrecht. Schadevergoeding. Bestuursdwang. Kosten voor toepassing bestuursdwang voor rekening overtreder, tenzij die redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoren te komen (vgl. ABRS 21 september 2005, AB 2005/393). Bij bepalen van de wijze waarop toepassing wordt gegeven aan aangezegde bestuursdwang komt het betrokken bestuursorgaan grote vrijheid toe, binnen de grenzen die de eisen van evenredigheid en proportionaliteit stellen. Voor antwoord op de vraag of de redelijkheid meebrengt dat niet alle gemaakte kosten op de overtreder worden verhaald, is de inhoud van de aanzegging of van het besluit niet van belang. Abstracte begroting van schade aan woonwagen ontstaan als gevolg van verplaatsing woonwagen ter uitoefening van bestuursdwang.
Pagina1880-1881
UitspraakECLI:NL:HR:2011:BQ4372
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak
TitelHoge Raad, 08-07-2011, 10/00525
CiteertitelNJB 2011, 1477
SamenvattingLast onder dwangsom. Aanvang verjaringstermijn. In verband met overtredingen van een milieuvergunning wordt een last onder dwangsom opgelegd, met dwangsommen van € 100 000 per maand. De begunstigingstermijn loopt tot en met 15 april 2003. De overtreder betoogt dat op diezelfde datum de verjaringstermijn is aangevangen van de bevoegdheid tot invordering van de eerste dwangsom.
Samenvatting (Bron)Verzet tegen dwangbevel (voor invordering dwangsommen). Aanvang verjaringstermijn als bedoeld in art. 5:35 lid 1 (oud) Awb indien dwangsom is vastgesteld op een bedrag per maand dat de last niet is uitgevoerd. Art. 5:32 lid 4 (oud) Awb, voor zover hier van belang, moet aldus worden uitgelegd dat eerst als gedurende een maand niet aan de last is voldaan, de dwangsom wordt verbeurd.
Pagina1881-1882
UitspraakECLI:NL:HR:2011:BQ5076
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak
TitelHoge Raad, 08-07-2011, 10/02015
CiteertitelNJB 2011, 1478
SamenvattingEnquêteverzoek. Ontvankelijkheid. Twee verzoekers doe gezamenlijk een enquêteverzoek. voordat de enquête is bevolen, trekt een van hen zijn verzoek in. Zonder die verzoeker voldoet de overblijvende verzoeker niet aan de kapitaalseis van art. 2:346, aanhef en onder b BW.
Samenvatting (Bron)Enquêterecht. Aandelenkapitaal van verzoeksters tezamen voldoet aan kapitaalseis van art. 2:346, aanhef en onder b, BW. Intrekking verzoek van één der beide verzoeksters maakt geen einde aan de aanhangigheid van het geding, maar leidt tot niet-ontvankelijkheid van de desbetreffende verzoekster in haar verzoek. Voor ontvankelijkheid van medeverzoekster niet bepalend dat zij ten tijde van de indiening van het verzoek tezamen met andere verzoekster, van wie het verzoek nadien is ingetrokken, aan de kapitaalseis voldeed. Op het moment van beslissen moet nog aan deze kapitaalseis van art. 2:346, aanhef en onder b, BW worden voldaan.
Pagina1882-1883
UitspraakECLI:NL:HR:2011:BQ0505
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak
TitelHoge Raad, 08-07-2011, 10/02454
CiteertitelNJB 2011, 1479
SamenvattingMededinging. Groepsvrijstelling. De provincie heeft twee percelen grond verhuurd aan X, die ze heeft onderverhuurd aan de oliemaatschappij BP. BP heeft de op die percelen gerealiseerde tankstations in exploitatie gegeven aan Y, een zustermaatschappij van X, met het beding dat Y de te verkopen brandstof uitsluitend mag betrekken van BP. In geschil is of dit exclusieve afnamebeding nietig is wegens strijd met het mededingingsrecht, of onder een vrijstelling valt.
Samenvatting (Bron)EG-recht. Uitleg art. 5 onder a van verordening (EG) nr. 2790/1999 van de Commissie van 22 december 1999 betreffende de toepassing van artikel 81, lid 3, van het Verdrag op groepen verticale overeenkomsten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen, PbEG 1999, L 336/21-25, nadien gewijzigd (Groepsvrijstelling). Valt het tussen partijen overeengekomen exclusieve afnamebeding voor motorbrandstoffen, dat een niet-concurrentiebeding is in de zin van art. 1 onder b van de Groepsvrijstelling, op grond van art. 5 van de Groepsvrijstelling onder het bereik van de in art. 2 van de Groepsvrijstelling opgenomen vrijstelling? Het begrip eigendom in art. 5 onder a is geen communautair begrip. Voor de betekenis daarvan moet te rade worden gegaan bij het recht van de desbetreffende lidstaat. Naar Nederlands recht is economische eigendom geen eigendom (vgl. HR 5 maart 2004, NJ 2004/316).
Pagina1883-1884
UitspraakECLI:NL:HR:2011:BQ2809
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak
TitelHoge Raad, 08-07-2011, 11/00567
CiteertitelNJB 2011, 1480
SamenvattingWet griffierechten burgerlijke zaken. Hoedanigheid van procespartij.
Samenvatting (Bron)Wet griffierechten burgerlijke zaken. Verzet maatschap tegen hanteren tarief dat geldt voor rechtspersonen. Een redelijke wetstoepassing leidt er toe dat voor een maatschap het hoge voor rechtspersonen te heffen tarief geldt, en niet het lage, bedoeld voor natuurlijke personen.
Pagina1884-1884
UitspraakECLI:NL:HR:2011:BQ2800
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak
TitelHoge Raad, 08-07-2011, 11/00605
CiteertitelNJB 2011, 1481
SamenvattingWet griffierechten burgerlijke zaken. Ondertoezichtstelling.
Samenvatting (Bron)Wet griffierechten burgerlijke zaken. Dat eerst na ommekomst van de termijn van vier weken griffierecht is bijgeschreven op de rekening van de Hoge Raad staat aan de ontvankelijkheid van het beroep niet in de weg, nu dit betrekking heeft op de ondertoezichtstelling van een minderjarige als bedoeld in art. 1 lid 1, aanhef en onder f, van de regeling griffierechten burgerlijke zaken en dus is vrijgesteld van heffing van griffierechten.
Pagina1884-1884
UitspraakECLI:NL:HR:2011:BQ3890
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak
TitelHoge Raad, 08-07-2011, 11/00648
CiteertitelNJB 2011, 1482
SamenvattingWet griffierechten burgerlijke zaken. Nonbetaling.
Samenvatting (Bron)Cassatie. Wet griffierechten burgerlijke zaken; art. 3 lid 4. Nu verschuldigde griffierecht niet tijdig door verzoeker is bijgeschreven of gestort, dient hij ingevolge art. 282a lid 2 in verbinding met art. 427b Rv. niet-ontvankelijk te worden verklaard in zijn beroep.
Pagina1884-1885
UitspraakECLI:NL:HR:2011:BQ7311
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak
TitelHoge Raad, 08-07-2011, 11/00894
CiteertitelNJB 2011, 1483
SamenvattingWet griffierecht burgerlijke zaken. Schuldsaneringsregeling.
Samenvatting (Bron)Wet griffierechten burgerlijke zaken (Wgbz). Verzet op de voet van art. 29 lid 1 Wgbz tegen beslissing griffier bij de Hoge Raad om griffierechten te heffen bij verzoek de toepasselijkheid van de schuldsaneringsregeling uit te spreken, gegrond. Art. 4 lid 2, aanhef en onder i, Wgbz dient aldus te worden uitgelegd dat niet alleen in eerste aanleg, maar ook in hoger beroep en in cassatie geen griffierecht verschuldigd is door personen wier verzoekschrift is gericht op toepassing van de schuldsaneringsregeling.
Pagina1885-1885
UitspraakECLI:NL:HR:2011:BQ3883
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak
TitelHoge Raad, 05-07-2011, 09/03287
CiteertitelNJB 2011, 1484
SamenvattingIn hoger beroep kunnen door de verdediging en door het Openbaar Ministerie nieuwe stukken worden overgelegd, tenzij de eisen van een behoorlijke procesorde zich daartegen verzetten. Of van dat laatste sprake is, moet per geval worden beoordeeld. In deze zaak is het het belang van privacy dat het overleggen van stukken en toevoegen aan het dossier verbiedt, tenzij de daarbij betrokkene daartoe haar of zijn toestemming geeft.
Samenvatting (Bron)Verzoek tot toevoeging stukken aan het dossier, art. 414.1, tweede volzin Sv. HR herhaalt de relevante overwegingen uit NJ 2000/214. Tegen de achtergrond van de gang van zaken ttz. in h.b., zoals daarvan blijkt uit het p.v. van de tz. in h.b., moeten de overwegingen van het Hof aldus worden begrepen dat het de overlegging van de aan de brief van de raadsman van verdachte gehechte privacygevoelige stukken bij gebreke van toestemming van degene op wie stukken betrekking hebben niet in overeenstemming heeft geacht met de beginselen van een behoorlijke procesorde. Aldus verstaan heeft het Hof bij zijn beslissing de juiste maatstaf aangelegd en is zijn oordeel niet onbegrijpelijk. De rechter of het OM zal gegevens van zeer persoonlijke en vertrouwelijke aard immers niet, althans niet zonder toestemming van de betrokkene, aan een dossier in een tegen een ander lopende strafzaak kunnen toevoegen, aangezien het in art. 8.1 EVRM gewaarborgde recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zich ertegen verzet dat dergelijke gegevens zonder meer ten behoeve van een ander doel dan waarvoor zij zijn verschaft, worden gebruikt en in een wijdere kring bekend worden (vgl. HR LJN BB8765).
Pagina1886-1886
UitspraakECLI:NL:HR:2011:BQ6562
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak
TitelHoge Raad, 05-07-2011, 09/03846
CiteertitelNJB 2011, 1485
SamenvattingUitleg wanneer er sprake is van een persoon wiens identiteit niet blijkt en wat er voor nodig is om de verklaring van zo'n persoon voor het bewijs te gebruiken. Tevens een geval waarin de verklaring van zo'n persoon (een meisje) van zo ondergeschikte betekenis is, dat dit aan de toereikendheid van de bewijsvoering niet afdoet.
Samenvatting (Bron)Art. 344a.3 Sv. Gebruik voor het bewijs van een schriftelijk bescheid houdende de verklaring van een persoon wiens identiteit niet blijkt. HR herhaalt relevante overwegingen uit LJN ZA1460 m.b.t. motiveringsplicht rechter en LJN AE1195 m.b.t. de term een persoon wiens identiteit niet blijkt. Het Hof behoefde de in het gewraakte bewijsmiddel weergegeven verklaring van een getuige niet op te vatten als een verklaring van een persoon wiens identiteit niet blijkt, nu het bewijsmiddel immers inhoudt dat de verklaring is afgelegd door een vaste klant van de aangever van wie de persoonsgegevens bekend zijn. T.a.v. de in het andere gewraakte bewijsmiddel weergegeven verklaring van een meisje, heeft het Hof i.s.m. art. 360.1 Sv nagelaten het gebruik van dat bewijsmiddel nader te motiveren. Dit verzuim behoeft evenwel niet tot cassatie te leiden nu de daarin genoemde omstandigheid in het licht van de gehele bewijsvoering een omstandigheid van zo ondergeschikte aard betreft dat het aan de toereikendheid van de bewijsmotivering niet afdoet.
Pagina1886-1887
UitspraakECLI:NL:HR:2011:BQ5731
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak
TitelHoge Raad, 05-07-2011, 09/02281
CiteertitelNJB 2011, 1486
SamenvattingOp zich genomen is de toepassing van art. 359 lid 2 Sv geen novum dat tot opname in dit kader noopt. Het gaat er echter om a. dat de beslissing met vijf raadsheren is genomen; b. dat na het wijzen van het vonnis door de politierechter nieuwe argumenten naar voren zijn gekomen; waardoor c. het vonnis van de politierechter in zake de (on)betrouwbaarheid van de getuigen niet in stand kon blijven.
Samenvatting (Bron)Art. 359.2 Sv, uos. Hetgeen door de raadsman ttz. in h.b. is aangevoerd kan bezwaarlijk anders worden verstaan dan als een standpunt dat duidelijk, door argumenten geschraagd en voorzien van een ondubbelzinnige conclusie ten overstaan van het Hof naar voren is gebracht. Het Hof is in zijn arrest van dit u.o.s. afgeweken, maar heeft i.s.m. art. 359.2 tweede volzin Sv niet i.h.b. de redenen opgegeven die daartoe hebben geleid. Nu het bij het Hof naar voren gebrachte uos ook nieuwe argumenten bevatte n.a.v. het verhoor van beide getuigen door de R-C, kan de motivering door de Pr in het door het Hof bevestigde vonnis niet als een zodanige opgave gelden. Dat verzuim heeft ingevolge art. 359.8 Sv nietigheid tot gevolg.
Pagina1887-1887
UitspraakECLI:NL:HR:2011:BN8383
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak
TitelHoge Raad, 05-07-2011, 09/04767 J
CiteertitelNJB 2011, 1487
SamenvattingOp het voorwaardelijk verzoek tot het horen van twee getuigen (portier en eigenaar van discotheek) had het hof moeten responderen, nu de voorde vervuld was.
Samenvatting (Bron)Afwijzing voorwaardelijk getuigenverzoek. Verzoek a.b.i. art. 328 jo. 331 Sv en art. 415 Sv. Uitdrukkelijke beslissing vereist nu de aan het verzoek verbonden voorwaarde is vervuld. Noch het p.v. van de tz. in h.b. noch het bestreden arrest houdt een beslissing van het Hof in over het door de raadsman gedane verzoek voor zover dit verzoek de portier en de eigenaar van de discotheek betreft. Dat verzuim heeft ingevolge art. 330 jo. 415 Sv nietigheid tot gevolg. Conclusie AG: anders.
Pagina1887-1887
UitspraakECLI:NL:HR:2011:BQ7975
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak
TitelHoge Raad, 05-07-2011, 09/02240
CiteertitelNJB 2011, 1488
SamenvattingHet Openbaar Ministerie is niet-ontvankelijk indien de vreemdeling als vluchteling over valse papieren beschikkend, het land binnenkomst en aan de voorwaarden voldoet om -without delay - in het veilige land asiel aan te vragen.
Samenvatting (Bron)Art. 31 Vluchtelingenverdrag. 1. N-o-verweer. 2. Overmacht verweer. Ad. 1. HR herhaalt relevante overwegingen uit LJN BO2915. s Hofs oordeel dat de bescherming die verdachte o.g.v. art. 31.1 Vluchtelingenverdrag toekomt () geen omstandigheid [is] die de ontvankelijkheid van het OM raakt is onjuist. Ad. 2. s Hofs oordeel dat in een geval als het onderhavige, waarin verdachte NL is ingereisd met valse identiteitspapieren, de bescherming van art. 31 Vluchtelingenverdrag slechts kan worden ingeroepen indien verdachte dadelijk bij de inreiscontrole door de marechaussee aangeeft (of poogt aan te geven) dat het door hem overhandigde paspoort vals is, geeft blijk van een onjuiste, want te beperkte uitleg van art. 31 Vluchtelingenverdrag.
Pagina1888-1888
UitspraakECLI:NL:HR:2011:BP7855
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak
TitelHoge Raad, 05-07-2011, 09/04903 B
CiteertitelNJB 2011, 1489
SamenvattingIn de kern gaat het over het verschoningsrecht van de arts en wanneer de daarmee samenhangende geheimhoudingsplicht kan worden doorbroken door zeer bijzondere omstandigheden. Dan kan het belang van waarheidsvinding prevaleren boven het belang van een ieder om vrijelijk en zonder vrees zijn problemen aan de geheimhoudende arts mee te delen. Wanneer er sprake is van zeer bijzonder omstandigheden moet van geval tot geval bezien worden. In deze zaak waarin de nog op niemand gerichte verdenking van door door schuld met betrekking tot een patiënt, die als verzorgende op een raadselachtige manier uit zijn bed gevallen door is aangetroffen zijn er naar het oordeel van de rechtbank (zeer) bijzondere omstandigheden. De medische dossiers en verzorgingsdossiers moeten daarom uitgeleverd worden (blijven) aan justitie en de zeer bijzondere omstandigheden, die de rechtbank aanwezig achtte om de geheimhouding te doorbreken, worden door de Hoge Raad genoegzaam geoordeeld. Ook komt ter sprake het nemo-tenetur-beginsel dat er echt op afstuit dat er (nog) geen concrete verdachte(n) is of zijn.
Samenvatting (Bron)Beklag, beslag. Casus: niet natuurlijke dood verpleegd persoon. OM vordert medisch zorgdossier van (nog) niet verdachte(n). 1. Artt. 105, 96a.3 en 218 Sv. Bevel tot uitlevering. Verschoningsgerechtigde. 2. Maatstaf. 3. Nemo tenetur-beginsel. Ad 1. Noch de tekst van de wet noch de daaraan ten grondslag liggende wetsgeschiedenis biedt steun aan de opvatting dat een bevel tot uitlevering a.b.i. art. 105 Sv niet mag worden gegeven aan een verschoningsgerechtigde t.z.v. voorwerpen die gegevens inhouden waarvan de wetenschap de verschoningsgerechtigde als zodanig is toevertrouwd. Volgens de bewoordingen van de wet kan ook aan personen met een bevoegdheid tot verschoning a.b.i. art. 218 Sv een bevel tot uitlevering worden gegeven zoals bedoeld in art. 105 Sv, maar zijn deze personen niet verplicht aan een dergelijk bevel te voldoen vzv. de uitlevering met hun plicht tot geheimhouding in strijd zou zijn. Het in deze bepalingen neergelegde systeem van wet biedt de verschoningsgerechtigde dus in geval van een bevel tot uitlevering de mogelijkheid een selectie te maken van de stukken ten aanzien waarvan hij van oordeel is dat zij onder zijn verschoningsrecht vallen en stukken waarvoor dat niet geldt. Ad. 2. HR herhaalt de relevante overwegingen uit o.m. LJN BC1370 m.b.t. het verschoningsrecht, de relevante overwegingen uit LJN BG5979 m.b.t zeer uitzonderlijke omstandigheden en de relevante overwegingen uit HR LJN BD7817 m.b.t. de betekenis van de toestemming van de direct betrokkene om wiens persoonlijke levenssfeer het gaat voor het verstrekken van gegevens. Voorts moet een en ander in onderhavig geval mede worden bezien tegen de achtergrond van de uit art. 2 EVRM voortvloeiende verplichting van de Staat tot het doen van een effectief en onafhankelijk onderzoek. De Rb heeft toepassing gegeven aan genoemd toetsingskader, en haar oordeel komt erop neer dat sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden waarin het belang dat de waarheid aan het licht komt prevaleert boven de met het verschoningsrecht gemoeide belangen. Gelet daarop komt geen zelfstandige betekenis toe aan het ontbreken van het woord zeer in de door de Rb gebezigde uitdrukking uitzonderlijke omstandigheden. Voorts geeft het oordeel van de Rb dat in dit geval sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden, geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting, terwijl het ook zonder nadere motivering niet onbegrijpelijk is. Daaraan doet, gelet op doel en strekking van genoemde rechtspraak, niet af dat kla(a)g(st)er in deze zaak (nog) niet als verdachte kan worden aangemerkt. Conclusie AG: anders.
Pagina1888-1890
UitspraakECLI:NL:HR:2011:BP6144
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak
TitelHoge Raad, 05-07-2011, 09/04911
Samenvatting1. Als bewijsmiddel voor het handelen in vervalste merkkleding zijn niet gebezigd de verklaringen van een deskundige in de zin van art. 343 Sv, maar een deskundige getuige
2. De vaststellingen van het hof leveren niet voldoende gegevens op om bewezen te oordelen dat de verdachte tezamen en in vereniging met een ander (haar partner) hennep en hasjiesj opzettelijk aanwezig heeft gehad.
Samenvatting (Bron)1. Valse merkkleding, deskundigheid getuige. 2. Medeplegen (opzettelijk aanwezig hebben hennep). Ad. 1. Het middel ziet eraan voorbij dat het hier niet gaat om een verklaring van een deskundige ex art. 343 Sv. Het Hof heeft vastgesteld dat het onderzoek van de kleding is verricht door een coördinator opsporing van een bedrijf dat optreedt tegen handel in namaakkleding en dat diens tot bewijs gebezigde bevindingen zijn gedaan o.g.v. door het Hof vermelde en in cassatie niet betwiste objectief waarneembare kenmerken. Gelet daarop moet het aangevallen oordeel van het Hof aldus worden verstaan dat het daarmee, zij het in minder gelukkige bewoordingen, tot uitdrukking heeft gebracht dat het hier gaat om bevindingen van een deskundige getuige, gedaan o.g.v. diens ervaring op het gebied van valse merkkleding. Aldus heeft het Hof het verweer op toereikende gronden verworpen. Ad. 2. Anders dan het Hof ter verwerping van het verweer heeft overwogen, bieden de vaststaande feiten waarvan het Hof bij de bewijsvoering is uitgegaan onvoldoende grond voor het oordeel dat verdachte de hasjiesj en hennep tezamen en in vereniging met een ander aanwezig heeft gehad.
Pagina1890-1891
UitspraakECLI:NL:HR:2011:BP8793
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak
TitelHoge Raad, 05-07-2011, 09/05225
CiteertitelNJB 2011, 1491
SamenvattingOf er sprake is van smaad nu de verdachte voor 20 à 25 betrekkelijk 'willekeurige' derden (familieleden, vrienden en bevriende ex-collega's) op haar Hyves-pagina heeft geplaatst: ik moet mijn kind aan een pedo meegeven, wordt door het hof en door de Hoge Raad bevestigend beantwoord. Daarbij conformeert de Hoge Raad zich aan de brede motivering van het hof.
Samenvatting (Bron)Art. 261.1 Sr. ruchtbaarheid geven. Hyves, smaad. HR herhaalt relevante overwegingen uit LJN BC9186. s Hofs oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting omtrent art. 261 Sr, terwijl het evenmin onbegrijpelijk is.
Pagina1891-1892
UitspraakECLI:NL:HR:2011:BQ2009
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak
TitelHoge Raad, 05-07-2011, 08/04258
CiteertitelNJB 2011, 1492
SamenvattingOok een onverplicht gedane aangifte, zoals het geval is bij inzending van een T-biljet, heeft te gelden als een bij de Belastingwet voorziene aangifte.
Samenvatting (Bron)Art. 69.2 (oud) AWR. bij de Belastingwet voorziene aangifte. De opvatting van het middel dat onder een aangifte wordt verstaan een op uitnodiging van de inspecteur gedane schriftelijke (elektronische) opgave door een burger of onderneming die belastingplichtig of inhoudingsplichtig is is onjuist. Immers, ook een onverplicht gedane aangifte, zoals een aangifte die is gedaan d.m.v. een zogenoemd T-biljet of een daarmee vergelijkbare, langs elektronische weg gedane aangifte, heeft te gelden als een bij de belastingwet voorziene aangifte a.b.i. art. 69.2. (oud) AWR. Conclusie AG: anders.
Pagina1892-1892
UitspraakECLI:NL:HR:2011:BP3746
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak
TitelHoge Raad, 05-07-2011, 10/04272
CiteertitelNJB 2011, 1493
SamenvattingOok al bevinden de sluit-en identiteitszegels bestemd voor onderzoek in het NFI zich niet in het dossier, dan heeft dat geen gevolgen als er geen sprake is van onzekerheid van de identiteit van de betrokkene, wiens celmateriaal wordt verzonden.
Samenvatting (Bron)Art. 5 en 6 Besluit DNA-onderzoek in strafzaken en art. 6 Regeling DNA-onderzoeken in strafzaken. s Hofs overwegingen dat o.g.v. de vastgestelde gang van zaken geen sprake is van onzekerheid omtrent de identiteit van het onderzochte celmateriaal en dat de enkele omstandigheid dat de sluit-en identiteitszegels die betrekking hebben op de verzending van DNA-materiaal naar het NFI zich niet in het dossier bevinden, niet ertoe leidt dat het door het NFI opgemaakte onderzoeksrapport onbruikbaar is voor het bewijs, geven geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting.
Pagina1892-1894
UitspraakECLI:NL:HR:2011:BQ0839
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak
TitelHoge Raad, 05-07-2011, 09/04431
CiteertitelNJB 2011, 1494
SamenvattingBesnijdenis: er is geen sprake van het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel en ook niet van mishandeling als voor mishandeling (in de vorm van besnijdenis) een rechtvaardigingsgrond bestaat. Die grond bestaat - zoals ik het begrijp - als (ook) de moeder die het gezag over de jongetjes uitoefent in de besnijdenis had toegestemd, wat niet het geval is.
Samenvatting (Bron)OM-cassatie. Besnijdenis kinderen tegen de wens van de alleen met het gezag belaste moeder. Uitleg begrippen. 1. Art. 300-303 Sr. Mishandeling en toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, 2. Motivering vrijspraak, 3. Art. 301 Sr; Mishandeld. Ad 1. De opvatting dat de in de t.l.l. voorkomende begrippen mishandeling en toebrengen van zwaar lichamelijk letsel geen neutrale begrippen zijn, in die zin dat daarin - mede - de wederrechtelijkheid van de gedraging tot uitdrukking wordt gebracht, is juist wat betreft het begrip mishandeling, doch niet wat betreft het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Of bijv. de toestemming van de betrokkene eraan in de weg staat dat een dergelijke gedraging kan worden gekwalificeerd als zware mishandeling i.d.z.v. art. 302 Sr, kan in het midden blijven nu het Hof verdachte heeft vrijgesproken van het in de primaire en subsidiaire t.l.l omschreven toebrengen van zwaar lichamelijk letsel en de daartoe gegeven motivering niet blijk geeft van een onjuiste opvatting omtrent die termen. Ad 2. De vraag of de motivering van de vrijspraak zich verdraagt met de aan de bewezenverklaring van feit 2 gegeven motivering kan in cassatie niet ten toets komen, nu de bewezenverklaring van feit 2 en de daaraan gegeven motivering niet aan het oordeel van de HR zijn onderworpen (vgl. voor het spiegelbeeldige geval HR LJN BI4736). Ad 3. Onder mishandeling in de zin van art. 300-301 Sr moet worden verstaan het aan een ander toebrengen van lichamelijk letsel of pijn zonder dat daarvoor een rechtvaardigingsgrond bestaat. Het Hof heeft, door te overwegen dat niet ter zake doet dat de besnijdenis heeft plaatsgevonden zonder toestemming van de moeder die over de zoontjes het gezag uitoefende, een onjuiste betekenis toegekend aan de in de t.l.l. voorkomende term mishandeling die aldaar is gebezigd in dezelfde betekenis als daaraan toekomt in art. 301 Sr. Door verdachte vrij te spreken van het onder 1 meer en meest subsidiair tenlastegelegde heeft het Hof vrijgesproken van iets anders dan was tlgd.
Pagina1893-1893
UitspraakECLI:NL:HR:2011:BQ6690
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak
TitelHoge Raad, 05-07-2011, 07/11296
CiteertitelNJB 2011, 1495
Samenvatting1 De toewijzing van schadevergoeding aan de benadeelde partij kan niet in stand blijven omdat deze zich noch in eerste aanleg noch in hoger beroep op de voorgeschreven wijze heeft gevoegd.
2 Als een voorwaardelijk opgelegde jeugddetentie tot een last tot tenuitvoerlegging leidt, kan de rechter niet bij die gelegenheid de jeugddetentie omzetten in gevangenisstraf.
Samenvatting (Bron)Art. 46 Wte 1995. Besluit Marktmisbruik. Voorwetenschap. Uitlokken van het met voorwetenschap bewerkstelligen van transacties. Voordeelvereiste. Tussenpersoon. HR herhaalt regel uit LJN BJ3301 over het handelen met voorwetenschap. Voor een veroordeling t.z.v. art. 46.2 Wte 1995 is niet vereist dat komt vast te staan dat uit de transacties zelf (geldelijk) voordeel wordt of kan worden gehaald. Conclusie AG: anders.
Pagina1893-1894
UitspraakECLI:NL:HR:2011:BL8997
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak
TitelHoge Raad, 05-07-2011, 07/11296
CiteertitelNJB 2011, 1496
SamenvattingVoorwetenschap
Niet juist is de opvatting dat uit de gebezigde bewijsmiddelen moet kunne worden afgeleid dat het opzet van de uitlokker er ook opgericht was dat de bijzonderheden waaruit de voorwetenschap bestond nog niet voldoende openbaar en wel voldoende koersgevoelig was
Niet juist is dat voorwetenschap niet strafbaar is als de transactie(s) verliesgevend is (zijn).
Het is niet onbegrijpelijk dat het hof niet heeft gerespondeerd op het beroep op art. 46 lid 3 onderdeel a (oud) Wte, omdat door de verdediging niet is uiteengezet waarom de verdachte als tussenpersoon moet worden aangemerkt.
Samenvatting (Bron)Art. 46 Wte 1995. Besluit Marktmisbruik. Voorwetenschap. Uitlokken van het met voorwetenschap bewerkstelligen van transacties. Voordeelvereiste. Tussenpersoon. HR herhaalt regel uit LJN BJ3301 over het handelen met voorwetenschap. Voor een veroordeling t.z.v. art. 46.2 Wte 1995 is niet vereist dat komt vast te staan dat uit de transacties zelf (geldelijk) voordeel wordt of kan worden gehaald. Conclusie AG: anders.
Pagina1894-1895
UitspraakECLI:NL:HR:2011:BL8997
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak
TitelHoge Raad, 05-07-2011, 10/00458
CiteertitelNJB 2011, 1497
SamenvattingHet verwijt dat de verdachte gedurende twaalf jaren heeft geleefd van uit misdrijf verkregen geld en goed van M., verdachtes ex-vrouw met wie hij (al die tijd) samenwoonde, is niet door bewijsmiddelen gestaafd.
Samenvatting (Bron)Slagende bewijsklacht art. 416.2. Sr, uit de opbrengst van enig door misdrijf verkregen goed voordeel trekken.
Pagina1895-1896
UitspraakECLI:NL:HR:2011:BQ6015
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak
TitelHoge Raad, 05-07-2011, 10/00813
CiteertitelNJB 2011, 1498
SamenvattingUit de veroordeling van de verdachte wegens deelneming aan een criminele organisatie kan niet zonder meer worden afgeleid dat hij ter zake van afzonderlijke delicten deze heeft medegepleegd.
Samenvatting (Bron)Bewijsklacht medeplegen. Uit de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen kan niet volgen dat verdachte zo bewust en nauw met een ander heeft samengewerkt dat sprake is van handelen door twee of meer verenigde personen a.b.i. art. 311.1 onder 4 Sr. Uit hetgeen het Hof heeft overwogen m.b.t. de deelneming door verdachte aan een criminele organisatie, zoals eveneens is bewezenverklaard, kan de bewezenverklaarde betrokkenheid van verdachte bij het onder 1 bewezenverklaarde evenmin worden afgeleid. De bewezenverklaring van de onder 1 en 2 bewezenverklaarde feiten is derhalve niet naar de eis der wet met redenen omkleed.
Pagina1896-1896
UitspraakECLI:NL:HR:2011:BQ0676
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak
TitelRaad van State, 06-07-2011, 201106895/1/R1
CiteertitelNJB 2011, 1499
SamenvattingGeconcentreerde rechtsbescherming, beslissing tot ontheffing van de Provinciale Ruimtelijke Verordening Structuurvisie kan aan de orde worden gesteld in het kader van het besluit tot vaststelling an het bestemmingsplan.
Samenvatting (Bron)Geen aanleiding voor vovo. Tegen het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan, waarvoor de ontheffing nodig is, kunnen geconcentreerd rechtsmiddelen worden aangewend. In het kader van die procedure kunnen de bezwaren tegen de verleende ontheffing ten volle aan de orde worden gesteld en zal kunnen worden beoordeeld of het college van gedeputeerde staten in redelijkheid de ontheffing heeft kunnen verlenen en of de raad bij de vaststelling van het bestemmingsplan gebruik heeft mogen maken van de verleende ontheffing.
Pagina1896-1897
UitspraakECLI:NL:RVS:2011:BR0814
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak
TitelRaad van State, 06-07-2011, 200801014/1-A/V6
CiteertitelNJB 2011, 1500
SamenvattingDe eis van een tewerkstellingsvergunning in geval van dienstverrichting die bestaat uit het ter beschikking stellen van arbeidskrachten in de zin van art. 1e lid 1 aanhef en onderdeel c Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen is niet in strijd met art. 56 en 57 VWEU.
Samenvatting (Bron)Bij verwijzingsuitspraak van 29 juli 2009 in deze zaak heeft de Afdeling het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (thans: het Hof van Justitie van de Europese Unie; hierna: het Hof) verzocht bij wege van prejudiciële beslissing uitspraak te doen op twee vragen, de behandeling van het hoger beroep geschorst tot het Hof uitspraak heeft gedaan en iedere verdere beslissing aangehouden. Voor het procesverloop voorafgaande aan deze uitspraak wordt verwezen naar de verwijzingsuitspraak, die is aangehecht.
Pagina1897-1899
UitspraakECLI:NL:RVS:2011:BR0522
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak
TitelRaad van State, 24-06-2011, 201103005/3/V1
CiteertitelNJB 2011, 1501
SamenvattingNiet tijdig een nieuw besluit op aanvraag genomen. Omdat de rechtbank de opdracht heeft gegeven om binnen zes weken een nieuw besluit op de aanvraag te nemen, kon redelijkerwijs niet van appellante worden gevergd dat zij de minister in gebreke stelt alvorens het beroepschrift in te dienen.
Pagina1899-1900
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak
TitelCentrale Raad van Beroep, 30-06-2011, 10/4270 AW enz.
CiteertitelNJB 2011, 1502
SamenvattingGeen extra pensioen voor doorwerkende rechters. Geen compensatie in verband met het 'Vendrik-effect'. Geen vergoeding voor de 'pensioenval'bij de voortzetting van de aanstelling als rechterlijk ambtenaar na het bereiken van de leeftijd van 64 jaar en 11 maanden.
De uitspraak van de Raad gaat over de verzoeken van achttien rechters om compensatie in verband met het Vendrik-effect en is het vervolg op de uitspraak van 3 december 2009, LJN BK4789. De bestreden besluiten zijn de beslissingen op de bezwaren tegen de afwijzing door de Minister van Justitie om met toepassing van art. 46 Wrra een vergoeding toe te kennen voor de 'pensioenval' bij de voortzetting van de aanstelling als rechterlijk ambtenaar na het bereiken van de leeftijd van 64 jaar en 11 maanden.
De besturen van rechtbanken en gerechtshoven achten zich niet bevoegd omdat art. 46 Wrra niet beoogt aan de gerechtsbesturen te te staan naar eigen billijkheidsopvatting de gevolgen van een bindende regeling inzake pensioen en FPU teniet te doen. De Raad acht deze motivering niet draagkrachtig. Art. 46 lid 1 Wrra heeft sinds de wet van 30 januari 2002, Stb. 2002, 65 eenzelfde materiële inhoud als art. 69 ARAR. Er is geen aanknopingspunt voor een door de wetgever beoogd beperkt bereik, zoals door de besturen bedoeld. De Raad beoordeelt vervolgens of met toepassing van art. 8:72 lid 3 Awb de rechtsgevolgen van de vernietigde besluiten in stand kunnen blijven.
Voor zover appellanten de regelingen inzake de FPU-uitkering en het pensioen is strijd achten met Richtlijn 2000/78/EG en de Wet gelijke behandeling op grond van leeftijd bij de arbeid, gaat de Raad daaraan voorbij omdat de besluiten geen betrekking hebben op die regelingen en de Raad over die regelingen geen rechtsmacht heeft. Omdat de inhoud en toepassing van de regelingen over FPU en pensioen buiten de invloedsfeer liggen van de besturen en appellanten geen individuele omstandigheden hebben genoemd die nopen tot een andere keuze en gegeven de discretionaire bevoegdheid van de besturen, houden de weigeringen van de besturen stand. De Raad bepaalt dat de rechtsgevolgen van de besluiten op bezwaar in stand blijven.
Samenvatting (Bron)Geen extra pensioen voor doorwerkende rechters.
Pagina1900-1902
UitspraakECLI:NL:CRVB:2011:BR0776
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak
TitelCentrale Raad van Beroep, 23-06-2011, 09/6221 GWSP-T
CiteertitelNJB 2011, 1503
SamenvattingOntbreken rechtsmiddelenverwijzing. Verschoonbare termijnoverschrijding. CRvB gaat om.
Ten aanzien van de verschoonbaarheid van de overschrijding van de bezwaartermijn overweegt de Raad dat, anders dan voorheen en in lijn met de rechtspraak van de Hoge Raad in belastingzaken (bijvoorbeeld het arrest van 19 maart 2010, LJN BL7954, BNB 2010/240 en AB 2010/244), het ontbreken van een rechtsmiddelverwijzing bij een besluit in beginsel leidt tot verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding, indien de belanghebbende daarop een beroep doet en stelt dat de termijnoverschrijding daarvan het gevolg is. De termijnoverschrijding zal in het algemeen niet verschoonbaar zijn in gevallen waarin redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de belanghebbende wist dat hij binnen een bepaalde termijn bezwaar moest maken. Van bekendheid met de termijn kan verder worden uitgegaan indien de belanghebbende al voor afloop van de termijn werd bijgestaan door een professionele rechtshulpverlener, aangezien redelijkerwijs mag worden aangenomen dat deze over de vereiste kennis beschikt en ook diens kennis in dit verband aan de belanghebbende kan worden toegerekend. Daarentegen ligt - onder omstandigheden ook bij een professionele rechtshulpverlener - het aannemen van verschoonbaarheid in de rede, als gerede twijfel mogelijk is omtrent het besluitkarakter van het door het bestuursorgaan aan de belanghebbende toegezonden stuk.
Samenvatting (Bron)Tussenuitspraak. De Raad acht de brief van 7 juli 2008, waarin het besluit tot stopzetting van de betaling van het garantiepensioen en de toeslag is vervat, door de bewoordingen en door de lay-out dusdanig verwarrend dat op die grond hier sprake is van verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding. Draagt de Raad van Bestuur op om binnen drie maanden na verzending van deze tussenuitspraak de gebreken in het bestreden besluit te herstellen. Termijnoverschrijding verschoonbaar, ontbreken rechtsmiddelenclausule.
Pagina1902-1903
UitspraakECLI:NL:CRVB:2011:BR0151
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak
TitelCollege van Beroep voor het bedrijfsleven, 16-06-2011, AWB 10/402 AWB 10/386
CiteertitelNJB 2011, 1504
SamenvattingBeoordeling van de rechtmatigheid van besluiten, die voortbouwen op een door het College vernietigd marktanalysebesluit. Geen afwijking van de hoofdregel, dat de terugwerkende kracht van de vernietiging van een besluit tot gevolg heeft dat het besluit geacht moet worden nooit te hebben bestaan en dat daardoor de grondslag komt te ontvallen aan daarop voortbouwende besluiten.
Samenvatting (Bron)Telecommunicatiewet Verplichtingen als bedoeld in hoofdstuk 6A
Pagina1903-1904
UitspraakECLI:NL:CBB:2011:BQ9602
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak
TitelCollege van Beroep voor het bedrijfsleven, 17-06-2011, AWB 10/967 AWB 10/968 AWB 10/969 AWB 10/970
CiteertitelNJB 2011, 1505
SamenvattingDatum van ontvangst aanvraag. Heeft de aanvraagster niet voldaan aan wettelijke voorschriften voor het in behandeling nemen van de aanvraag voor subsidie?
Samenvatting (Bron)Niet voldaan aan wettelijke voorschriften voor het in behandeling nemen van een aanvraag wegens het ontbreken van een ondertekende milieuvergunning en acceptatie van een melding ex artikel 8:19 Wm door de provincie? Datum van ontvangst aanvraag.
Pagina1904-1905
UitspraakECLI:NL:CBB:2011:BQ9603
Artikel aanvragenVia Praktizijn