Jurisprudentie Vreemdelingenrecht

Uitgever Sdu
Tijdschrift Jurisprudentie Vreemdelingenrecht
Datum 01-10-2011
Aflevering 13
TitelEuropees Hof voor de Rechten van de Mens, 28-06-2011, 55597/09
Citeertitel«JV» 2011/402
SamenvattingUitzetting. Openbare orde. Ongewenstverklaring. Gezinsleven, inmenging. Gezinsleven, positieve verplichting. Kinderen, belang van. Onjuiste gegevens, verstrekken.

(Nunez / Noorwegen)
Samenvatting (Bron)Violation of Art. 8 (in case of expulsion)
AnnotatorS.K. van Walsum
Pagina1749-1762
UitspraakECLI:CE:ECHR:2011:0628JUD005559709
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelEuropees Hof voor de Rechten van de Mens, 28-06-2011, 577/11
Citeertitel«JV» 2011/403
SamenvattingWet arbeid vreemdelingen, bestuurlijke boete. Werkgever, begrip. Lex certa-beginsel. Redelijke termijn.

(Het Financieele Dagblad B.V. / Nederland)
AnnotatorJ.S. Nan
Pagina1762-1777
UitspraakECLI:CE:ECHR:2011:0628JUD000057711
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelEuropees Hof voor de Rechten van de Mens, 26-07-2011, 41416/08
Citeertitel«JV» 2011/404
SamenvattingUitzetting. Nationale veiligheid. Afghanistan. Gezinsleven, inmenging. Rechtsmiddelen.

(M. / Bulgarije)
Samenvatting (Bron)Violation of Art. 5-1;Violation of Art. 5-4;Violation of Art. 8 (in case of expulsion to Afghanistan);Violation of Art. 13;Non-pecuniary damage - award
AnnotatorB. van Dokkum
Pagina1777-1790
UitspraakECLI:CE:ECHR:2011:0726JUD004141608
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelEuropean Free Trade Association, 26-07-2011, E-4/11
Citeertitel«JV» 2011/405
SamenvattingGezinshereniging. Liechtenstein. Richtlijn, Verblijfs-. Vrij verkeer van personen. Middelen van bestaan.

(Clauder / Liechtenstein)
AnnotatorC.A. Groenendijk
Pagina1790-1800
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelRaad van State, 15-06-2011, 201000791/1/V3
Citeertitel«JV» 2011/406
SamenvattingMachtiging tot voorlopig verblijf, vereiste. Medisch advies. Medische omstandigheden. Marokko. Rechtsgevolgen, in stand laten van.
AnnotatorM.A.G. Reurs
Pagina1800-1805
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelRaad van State, 04-08-2011, 201102362/1/V3
Citeertitel«JV» 2011/407
SamenvattingVreemdelingenbewaring, gronden. Uitzetting. Marokko.
Samenvatting (Bron)Vreemdelingenbewaring / gronden bewaring / frustratie uitzetting / toelichting ter zitting In dit geval heeft de minister er ter zitting van de rechtbank op gewezen dat een eerdere uitzetting niet is geslaagd door frustratie van de zijde van de vreemdeling. Uit het op ambtsbelofte opgemaakte en ondertekende proces-verbaal van staandehouding, overbrenging en ophouding van 1 februari 2011 blijkt dat de vreemdeling de vlucht waarmee hij zou worden uitgezet naar Marokko in Parijs heeft gefrustreerd. Vervolgens is hij geweigerd op de vlucht en is hij met escorts terug gevlogen naar Nederland. De rechtbank heeft terecht overwogen dat deze omstandigheid als zodanig niet aan de maatregel ten grondslag is gelegd. Weliswaar dient bij de beoordeling of de bewaringsgronden voldoende dragend zijn, te worden uitgegaan van de omstandigheden die in het besluit tot inbewaringstelling zijn vermeld, maar dit doet er anders dan de rechtbank heeft overwogen niet aan af dat de minister, ter zitting van de rechtbank dan wel anderszins, zoals hij in deze zaak ook heeft gedaan, kan toelichten waarom de in de maatregel vermelde gronden hem aanleiding hebben gegeven de vreemdeling in bewaring te stellen. Deze toelichting dient vervolgens te worden betrokken bij de beoordeling van de vraag of de vreemdeling de voorbereiding van de terugkeer of de verwijderingsprocedure ontwijkt of belemmert. In het licht van de gegeven toelichting kan uit de onder 2.1.1. genoemde omstandigheden worden afgeleid dat de vreemdeling de voorbereiding van de terugkeer of de verwijderingsprocedure ontwijkt of belemmert.
Pagina1805-1807
UitspraakECLI:NL:RVS:2011:BR5035
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelRaad van State, 08-08-2011, 201105576/1/V3
Citeertitel«JV» 2011/408
SamenvattingVreemdelingenbewaring, zicht op uitzetting. Marokko.
Samenvatting (Bron)Vreemdelingenbewaring / zicht op uitzetting / beschikbaar zijn voor OM in strafzaak / OM geen bezwaar tegen uitzetting Evenals het geval was in het bevel tot schorsing van de voorlopige hechtenis dat aan de orde was in de uitspraak van de Afdeling van 25 januari 2007 in zaak nr. 200609109/1, heeft de rechtbank Amsterdam in haar beschikking van 8 november 2010 niet uitdrukkelijk de voorwaarde gesteld dat de vreemdeling Nederland niet mag verlaten zolang in de op hem betrekking hebbende strafzaak nog niet onherroepelijk is beslist. Voorts volgt uit paragraaf A4/6.2 van de Vc 2000 dat voor de beantwoording van de vraag of het zicht op uitzetting van de vreemdeling wegens een strafrechtelijke verdenking niet ontbreekt, slechts van belang is dat het OM geen bezwaar heeft tegen uitzetting. Aan dat vereiste is voldaan. Bij brief van 26 juli 2011, die door de minister in hoger beroep is overgelegd, heeft het OM bevestigd dat het aan de regievoerder van de DT&V op 21 april 2011 te kennen heeft gegeven geen bezwaar te hebben tegen de uitzetting van de vreemdeling, op voorwaarde dat de vreemdeling zou worden meegedeeld dat hij verplicht is te verschijnen ter terechtzitting, dat hem door verlening van een laissez passer de gelegenheid zal worden geboden gedurende de periode van de terechtzitting in Nederland te verblijven en dat van hem een postadres in Marokko zou worden verkregen. Onder deze omstandigheden heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het zicht op uitzetting van de vreemdeling niet ontbreekt. Dat het OM eerst drie dagen na de inbewaringstelling toestemming heeft gegeven om de vreemdeling uit te zetten, leidt niet tot een ander oordeel. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 8 oktober 2003 in zaak nr. 200305639/1, JV 2003/535), is in paragraaf A4/6.2 van de Vc 2000 het ontbreken van bezwaar bij het OM als voorwaarde gesteld voor uitzetting, niet voor inbewaringstelling. Nu de in artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 genoemde grond ten tijde van de inbewaringstelling aanwezig was en geen grond bestaat voor het oordeel dat tijdige voldoening aan de in paragraaf A4/6.2 van de Vc 2000 gestelde voorwaarde op dat moment niet te verwachten was, leidt het aanvankelijke ontbreken van toestemming van het OM niet tot het oordeel dat het zicht op uitzetting ten tijde van de inbewaringstelling ontbrak.
Pagina1807-1809
UitspraakECLI:NL:RVS:2011:BR5037
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelRaad van State, 08-08-2011, 201105768/1/V2
Citeertitel«JV» 2011/409
SamenvattingAanvraag, asiel. Rust- en voorbereidingstijd. Rechtsbijstand. Rechtsgevolgen, in stand laten van.
Samenvatting (Bron)Asielprocedure / vreemdelingen voor aanvang eerste gehoren ten onrecht niet door rechtsbijstandverlener voorbereid / instandlating rechtsgevolgen Door de vreemdelingen voor aanvang van de eerste gehoren niet in de gelegenheid te stellen met een rechtsbijstandverlener te spreken, heeft de minister niet gehandeld in overeenstemming met zijn op grond van artikel 3.109, tweede lid, van het Vb 2000 gevoerde beleid, zoals weergegeven in onderdeel C11/5 van de Vc 2000. De voorzieningenrechter heeft niet onderkend dat, behoudens bijzondere omstandigheden, waarvan in dit geval geen sprake is, van dat beleid niet kon worden afgeweken. De Afdeling ziet aanleiding te bezien of uit een oogpunt van finale geschilbeslechting reden bestaat met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb te bepalen dat de rechtsgevolgen van de vernietigde besluiten in stand blijven. Zij overweegt hiertoe als volgt. De vreemdelingen zijn voor aanvang van de eerste gehoren door de gehoorambtenaar geďnformeerd over de gang van zaken bij die gehoren en vervolgens zijn deze gehoren met een rechtsbijstandverlener besproken. Uit de correcties en aanvullingen op deze gehoren blijkt niet dat het niet spreken van een rechtsbijstandverlener voor aanvang van de eerste gehoren tot enig nadeel heeft geleid voor de vreemdelingen. Nu de voorzieningenrechter de gemachtigde van de vreemdelingen daarnaast nog ter zitting heeft gevraagd welke gevolgen het niet spreken met een rechtsbijstandverlener voor aanvang van de eerste gehoren specifiek voor de vreemdelingen heeft gehad en de gemachtigde hierop niet heeft kunnen antwoorden, moet redelijkerwijs uitgesloten worden geacht dat hernieuwde behandeling van de aanvragen van de vreemdelingen leidt tot een andere uitkomst dan die, waartoe de vernietigde besluiten strekken.
Pagina1810-1812
UitspraakECLI:NL:RVS:2011:BR5029
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelRaad van State, 10-08-2011, 201010400/1/V4
Citeertitel«JV» 2011/410
SamenvattingAanvraag, asiel. Benin. Vrouwenbesnijdenis. Toetsingskader.
Samenvatting (Bron)Asielrelaas / toetsing vermoedens / onjuiste bewoordingen besluit laten onverlet dat feitelijk een juiste toetsing is verricht Gelet op de door haar genoemde uitspraak van de Afdeling van 17 februari 2010 in zaak nr. 200906650/1/V2 (www.raadvanstate.nl), heeft de rechtbank terecht overwogen dat de minister de vermoedens van de vreemdeling over wat haar bij terugkeer naar het land van herkomst te wachten staat niet in het kader van de beoordeling van de geloofwaardigheid van het asielrelaas, maar in het kader van de zogeheten kwalificatievraag, door de rechtbank aangeduid als de zwaarwegendheid van het asielrelaas, dient te beoordelen. De minister heeft de gestelde vrees van de vreemdeling in het voornemen, waarnaar het besluit verwijst, onder het kopje "geloofwaardigheid van de verklaringen" beoordeeld en heeft geconcludeerd dat het asielrelaas geen positieve overtuigingskracht heeft, zodat het erop lijkt dat hij een onjuist beoordelingskader heeft gehanteerd. Echter, uit voormelde motivering die de minister aan zijn standpunt ten grondslag heeft gelegd, kan worden opgemaakt dat hij inhoudelijk heeft beoordeeld of de geloofwaardig geachte verklaringen van de vreemdeling kwalificeren als rechtsgrond voor verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) en die kwalificatievraag ontkennend heeft beantwoord, met als conclusie dat de vreemdeling niet voor een verblijfsvergunning asiel op de voet van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 in aanmerking komt. Gelet hierop heeft de minister in dit geval inhoudelijk bezien een juist beoordelingskader gehanteerd. Onder die omstandigheden bestaat, anders dan de rechtbank heeft overwogen, geen grond voor het oordeel dat het besluit op dit punt een deugdelijke motivering ontbeert.
Pagina1812-1814
UitspraakECLI:NL:RVS:2011:BR5031
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelRaad van State, 12-08-2011, 201010819/1/V1
Citeertitel«JV» 2011/411
SamenvattingProcesbelang. Redelijke termijn. Schadevergoeding. Rechtsgevolgen, in stand laten van.
Samenvatting (Bron)De omstandigheid dat het beroep van de vreemdeling tegen de afwijzing van de aanvraag om hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen niet heeft geleid tot een inhoudelijke beoordeling door de rechtbank van het besluit van 31 juli 2009 betekent niet dat de door de vreemdeling in beroep aangedragen grond dat de redelijke termijn is geschonden niet voor beoordeling in aanmerking komt. Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 4 maart 2009 in zaak nr. 200803215/1 (www.raadvanstate.nl) dient de rechtbank, in gevallen als dit, waarin in beroep bij de rechtbank is aangevoerd dat de redelijke termijn is geschonden, daarover haar oordeel te geven.
Pagina1814-1816
UitspraakECLI:NL:RVS:2011:BR5427
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelRaad van State, 17-08-2011, 201005185/1/V2
Citeertitel«JV» 2011/412
SamenvattingAanvraag, asiel. Oeganda. Omvang van het geschil. Marteling. Toetsing, intensiteit van.
Samenvatting (Bron)Uit het MOG-rapport blijkt dat de vreemdeling verspreid over haar lichaam zeer uitgebreide littekens heeft. Volgens dit rapport komen de littekens duidelijk voort uit een moedwillige verbranding van een grote hoeveelheid hete vloeistof en zijn de littekens typisch voor de vertelde foltering. Ondersteunend zijn de als consistent met het door de vreemdeling vertelde gevonden littekens van foltering met hete ijzers, aldus het MOG-rapport. Het MOG-rapport - waarvan de minister de juistheid niet heeft bestreden - biedt aldus een sterke indicatie dat de littekens zijn veroorzaakt door folteringen die overeenkomen met de folteringen die de vreemdeling stelt te hebben ondergaan. Nu de verklaringen van de vreemdeling over de door haar ondergane folteringen worden ondersteund door medisch bewijs, heeft de minister zich, in het licht van de onder 2.5.3. weergegeven jurisprudentie van het EHRM, in dit geval ten onrechte zonder nadere motivering op het standpunt gesteld dat de verklaringen van de vreemdeling over genoemde folteringen ongeloofwaardig zijn. Aangezien dat standpunt mede dragend is geweest voor het standpunt van de minister dat ook de overige verklaringen van de vreemdeling geen positieve overtuigingskracht hebben en derhalve ongeloofwaardig zijn, kan dat standpunt evenmin deugdelijk gemotiveerd worden geacht.
Pagina1816-1820
UitspraakECLI:NL:RVS:2011:BR5421
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelRaad van State, 18-08-2011, 201107198/1/V3
Citeertitel«JV» 2011/413
SamenvattingVreemdelingenbewaring, zicht op uitzetting. China. Nationaliteit.
Samenvatting (Bron)Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 17 december 2004 in zaak nr. 200409206/1; JV 2005/68), is, omdat bewaring krachtens artikel 59 van de Vreemdelingenwet 2000 moet zijn gericht op uitzetting van de betrokken vreemdeling, inbewaringstelling in strijd met dat artikel indien zicht op uitzetting ontbreekt. Gelet op het vorenoverwogene kon de rechtbank dan ook niet louter op de grond dat volgens de minister de nationaliteit van de vreemdeling niet vaststaat, overwegen dat de vraag of een redelijk vooruitzicht op verwijdering naar China bestaat niet relevant is. De rechtbank had die vraag dienen te beantwoorden. In zoverre is de klacht terecht voorgedragen. De vraag of een redelijk vooruitzicht op verwijdering naar China bestaat, heeft de Afdeling bij uitspraak van 29 juli 2011 in zaak nr. 201106456/1/V3 (www.raadvanstate.nl) bevestigend beantwoord. De verwijzing van de vreemdeling naar de uitspraak van 15 maart 2011 treft geen doel, omdat hetgeen daarin is overwogen ziet op de situatie dat geen sprake is van een redelijk vooruitzicht op verwijdering.
Pagina1820-1822
UitspraakECLI:NL:RVS:2011:BR5910
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelRaad van State, 19-08-2011, 201108537/3/V4
Citeertitel«JV» 2011/414
SamenvattingGrensdetentie. Toegang, weigering. Aanvraag, asiel. Richtlijn, Terugkeer-. Voorlopige voorziening. Belangenafweging.
Samenvatting (Bron)De beoordeling van de in hoger beroep tegen het oordeel van de rechtbank voorgedragen grieven, in het bijzonder het betoog van de minister dat de terugkeerrichtlijn in deze zaak niet van toepassing is, vergt nader onderzoek, waartoe deze procedure zich niet leent. Indien de maatregel wordt opgeheven heeft dat tot gevolg dat door de vreemdeling feitelijk toegang tot Nederland wordt verkregen, in welk geval in beginsel moet worden aangenomen dat het grensbewakingsbelang niet kan worden veiliggesteld. Voorts heeft de vreemdeling ter zitting van 16 augustus 2011 geen bijzondere feiten of omstandigheden aannemelijk gemaakt, die in de weg staan aan voortduring van de vrijheidsontnemende maatregel. Hoewel de voortduring van de maatregel voor de vreemdeling ingrijpend is, dient onder de gegeven omstandigheden, aan de belangen die worden gediend door die voortduring een groter gewicht te worden toegekend dan aan het belang van de vreemdeling bij onmiddellijke opheffing ervan.
AnnotatorG.N. Cornelissens
Pagina1822-1825
UitspraakECLI:NL:RVS:2011:BR5911
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelRaad van State, 02-09-2011, 201007667/1/V3
Citeertitel«JV» 2011/415
SamenvattingLeges, restitutie. Ne bis in idem. Nova.
Samenvatting (Bron)Bij besluit van 22 mei 2008 heeft de staatssecretaris van Justitie een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd te verlenen ingewilligd.
AnnotatorB.K. Olivier
Pagina1826-1830
UitspraakECLI:NL:RVS:2011:BR6949
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelCentrale Raad van Beroep, 16-08-2011, 10/5248 INBURG + 10/5249 INBURG + 10/6123 INBURG + 10/6124 INBURG
Citeertitel«JV» 2011/416
SamenvattingInburgering. Discriminatie. Associatieovereenkomst EEG-Turkije, Besluit 1/80. Standstill-bepaling. Besluit.
Samenvatting (Bron)De inburgeringsplicht voor Turkse staatsburgers in Nederland is in strijd met verschillende bepalingen van het associatierecht tussen de EU en Turkije.
AnnotatorK.M. de Vries
Pagina1830-1842
UitspraakECLI:NL:CRVB:2011:BR4959
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelRechtbank 's-Gravenhage, 25-08-2011, AWB 09/14864
Citeertitel«JV» 2011/417
SamenvattingRichtlijn, Verblijfs-. Termijn, bezwaar. Termijn, beroeps. Termijnen. Ontvankelijkheid. Discriminatie.
Pagina1843-1846
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelRechtbank 's-Gravenhage, zittingsplaats Amsterdam, 22-07-2011, AWB 11/13714
Citeertitel«JV» 2011/418
SamenvattingRichtlijn, Terugkeer-. Terugkeerbesluit. Irak. Rechtmatig verblijf. Procesbelang. Ontvankelijkheid.
Samenvatting (Bron)Illegaal verblijf in de zin van de Terugkeerrichtlijn. De rechtbank overweegt dat het besluit van 21 juli 2009 is aan te merken als een terugkeerbesluit in de zin van artikel 3, vierde lid, van de Terugkeerrichtlijn, nu daarin de door de Terugkeerrichtlijn vereiste administratieve vaststelling is vervat dat het verblijf van eiser onrechtmatig is of wordt verklaard en er een terugkeerverplichting wordt opgelegd. Naar het oordeel van de rechtbank werd het verblijf van eiser met de uitvaardiging van het besluit op 21 juli 2009 illegaal verklaard. Vastgesteld werd immers dat hij niet voldeed aan de voorwaarden voor verblijf. Ten tijde van de uitreiking van voornoemd besluit was aldus sprake van illegaal verblijf in de zin van de Terugkeerrichtlijn, zodat verweerder - anders dan eiser stelt - een terugkeerbesluit aan eiser heeft kunnen uitreiken. De omstandigheid dat eiser gedurende de beroepstermijn en hangende de beroepsprocedure tegen het besluit van 21 juli 2009 rechtmatig verblijf heeft gehad, maakt dat niet anders. Immers, in artikel 13, tweede lid, van de Terugkeerrichtlijn is in de mogelijkheid van tijdelijke opschorting van een terugkeerbesluit hangende een tegen het terugkeerbesluit ingesteld rechtsmiddel voorzien.
Pagina1846-1849
UitspraakECLI:NL:RBSGR:2011:BR4588
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelRechtbank 's-Gravenhage, zittingsplaats Haarlem, 12-08-2011, 11/12153
Citeertitel«JV» 2011/419
SamenvattingAanvraag, herhaalde. Nova. Somalië. Bloedwraak. Onmenselijke behandeling. Richtlijn, Definitie. Vestigingsalternatief.
Samenvatting (Bron)Herhaalde asielaanvraag. Sprake van nova. 3 EVRM. Vestigingsalternatief Noord-Somalië. Niet in geschil is dat eiser geboren is in Mogadishu, dat hij vanaf 1984 tot 2006 heeft gewoond in de provincie Togdheer en vanaf 2006 tot 10 april 2009, dus tot aan zijn vertrek, gewoond heeft in de provincie Galguduud. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat er voor eiser een vestigingsalternatief is in Togdheer. Het is aan verweerder om aannemelijk te maken dat het vestigingsalternatief door eiser veilig kan worden bereikt. Daarbij dient verweerder concreet aan te geven op welke wijze, dus via welke route, het vestigingsalternatief Togdheer veilig bereikt kan worden. Daar verweerder dit heeft nagelaten en eiser verwijzend naar jurisprudentie gemotiveerd het standpunt heeft ingenomen dat het vestigingsalternatief niet veilig bereikt kan worden, is het bestreden besluit op dit punt onzorgvuldig voorbereid en wordt het niet gedragen door een deugdelijke en kenbare motivering. Beroep gegrond.
Pagina1849-1853
UitspraakECLI:NL:RBSGR:2011:BR5474
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelRechtbank 's-Gravenhage, 19-08-2011, AWB 11/15231
Citeertitel«JV» 2011/420
SamenvattingVerblijfsvergunning, wijziging beperking. Verblijfsvergunning, ingangsdatum. Verblijfsgat.
Pagina1853-1856
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelRechtbank 's-Gravenhage, zittingsplaats Haarlem, 22-08-2011, AWB 11 / 24752
Citeertitel«JV» 2011/421
SamenvattingGrensdetentie, onttrekkingsgevaar. Toegang, weigering. Aanvraag, asiel. Richtlijn, Terugkeer-. Schadevergoeding. Irak.
Samenvatting (Bron)Vervolgberoep artikel 6 Vw / Terugkeerrichtlijn / Toegangweigering / Grensbewaking / Risico op onderduiken of ontwijken of belemmeren van de voorbereiding van de terugkeer of verwijderingsprocedure Hoewel de rechtbank er van uit gaat dat het in artikel 6 Vreemdelingenwet vastgelegde wettelijke criterium van toegangsweigering voor oplegging en voortduring van de vrijheidsontnemende maatregel kan impliceren dat er risico op onderduiken bestaat of dat de vreemdeling de voorbereiding van de terugkeer of de verwijderingsprocedure ontwijkt of belemmert, heeft verweerder daarvoor ten aanzien van eiser thans geen motivering gegeven. De rechtbank heeft onderzocht of er aanwijzingen zijn voor deze conclusie. Uit het dossier blijkt naar het oordeel van de rechtbank evenmin dat sprake is van risico op onderduiken of dat de vreemdeling de voorbereiding van de terugkeer of de verwijderingsprocedure ontwijkt of belemmert. Gelet op het voorgaande is de voortduring van de maatregel in strijd met het bepaalde in artikel 15 van de Terugkeerrichtlijn.
Pagina1856-1859
UitspraakECLI:NL:RBSGR:2011:BR5887
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelRechtbank 's-Gravenhage, zittingsplaats Rotterdam, 10-08-2011, AWB 11/23669
Citeertitel«JV» 2011/422
SamenvattingVoorlopige voorziening. Terugkeerbesluit. Richtlijn, Terugkeer. Suriname. Rechtsmiddelen. Vertrekplicht.
Samenvatting (Bron)In 2007 is aan verzoeker een aanzegging uitgereikt waarin hij wordt aangezegd Nederland binnen twee dagen te verlaten. Zo al die aanzegging als een terugkeerbesluit kan worden aangemerkt, dan stond daar destijds geen rechtsmiddel tegen open. Dat biedt voldoende grond om het bezwaar gericht tegen het terugkeerbesluit van 19 juli 2011 ontvankelijk te achten. In het terugkeerbesluit is verzoeker aangezegd Nederland onmiddellijk te verlaten. Artikel 7, vierde lid, van de Terugkeerrichtlijn biedt echter geen grondslag om de vertrektermijn te bekorten. Verzoeker kan niet worden tegengeworpen dat er een risico op onderduiken bestaat, omdat de criteria daarvoor niet zijn vastgelegd in nationale wetgeving. Van andere redenen om de termijn te bekorten is niet gebleken. De uitspraak in de bewaringszaak is geregistreerd onder AWB 11/23535
Pagina1859-1861
UitspraakECLI:NL:RBSGR:2011:BR4831
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelRechtbank 's-Gravenhage, zittingsplaats Dordrecht, 16-08-2011, 11/25840
Citeertitel«JV» 2011/423
SamenvattingVoorlopige voorziening. Spoedeisend belang. Richtlijn, Terugkeer-. Terugkeerbesluit. Vertrektermijn. China. Kinderen, rechten van. Motivering.
Samenvatting (Bron)wettelijk kader: artikel 7 Terugkeerrichtlijn Samenvatting: ten onrechte vertrektermijn op nul dagen gesteld In tegenstelling tot verweerder, kan naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter in artikel 62, derde lid, van de Vw 2000 geen objectief criterium worden gevonden op grond waarvan een risico op onderduiken kan worden aangenomen. Dit artikellid beschrijft slechts de situatie van illegaal verblijf en de vertrektermijn die daar naar Nederlands recht aan wordt verbonden. De voorzieningenrechter verwijst onder meer naar de uitspraak van de voorzieningenrechter van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Amsterdam, van 5 juli 2011, LJN BR 3396. Ook indien artikel 62, derde lid, van de Vw 2000 richtlijnconform moet worden uitgelegd, kan daarin geen objectief criterium gevonden worden waaruit het risico op onderduiken kan worden afgeleid. De voorzieningenrechter wijst er op dat ingevolge artikel 3, zevende lid, een individuele beoordeling van het risico op onderduiken noodzakelijk is en dat de enkele omstandigheid van illegaal verblijf, zoals voortvloeit uit het bepaalde in artikel 62, derde lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000, hieraan niet voldoet. Verweerder heeft voorts niet gesteld dat zich andere omstandigheden als omschreven in artikel 7, vierde lid, van de Terugkeerrichtlijn voordoen, die maken dat de vertrektermijn kan worden bekort. Op grond van het verhandelde ter zitting staat vast dat verzoekster een Nederlandse partner heeft, met wie zij een zeer jong Nederlands kind heeft. De Nederlandse partner van verzoeker is bekend bij verweerder en heeft verklaard voor haar kosten garant te willen staan. Tevens is uit de stukken gebleken dat verzoekster ongeveer zeven maanden zwanger is. Verzoekster is in het bezit van een Chinees paspoort, waarvan verweerder een kopie in bezit heeft. Verweerder heeft, mede gelet op het bepaalde in artikel 5 en artikel 7, tweede lid, van de Terugkeerrichtlijn ten onrechte niet gemotiveerd waarom deze omstandigheden niet zouden moeten leiden tot verlening, dan wel verlenging van de vertrektermijn. Los van de vraag of artikel 5 voldoende nauwkeurig is geformuleerd, is het aan verweerder om in situaties waarin afgeweken wordt van de hoofdregel van artikel 7, eerste lid, van de Terugkeerrichtlijn, deze beslissing voldoende te motiveren. Nu verweerder genoemde omstandigheden op geen enkele wijze meegewogen heeft in de bestreden beslissing en ook ter zitting geen blijk gegeven heeft van een weging van deze omstandigheden in het licht van het bepaalde van de Terugkeerrichtlijn, is de voorzieningenrechter van oordeel dat het bestreden besluit op dit punt onvoldoende is gemotiveerd.
Pagina1861-1865
UitspraakECLI:NL:RBSGR:2011:BR6032
Artikel aanvragenVia Praktizijn