Delikt en Delinkwent

Uitgever Wolters Kluwer
Tijdschrift Delikt en Delinkwent
Datum 11-07-2012
Aflevering 6
RubriekEditorial
TitelConsistentie en differentiatie: ondermaatse prestaties in de strafrechtsketen
CiteertitelDD 2012, 44
Samenvatting1. Mag ik deze keer eens gewoon heel saai beginnen? Ik vat gewoon samen wat er de laatste maanden in de krant en in de vakpers is gerapporteerd over het optreden van de bewindslieden op het departement van Veiligheid en Justitie. De minister en de staatssecretaris worden in Den Haag wel aangeduid als ‘het stoerste duo uit de kroeg’. Die niet ongeestige en niet onbegrijpelijke typering hebben zij vooral te danken aan de ongekende dadendrang die ze uitstralen. Zij hebben een ‘wetgevingstrein’ op gang gebracht zoals nooit eerder vertoond. Wie het heeft bijgehouden, weet dat het niet overdreven is: echt iedere week zijn er maandenlang plannen over ons land uitgestrooid die de strafrechtspleging harder en efficiënter moeten maken. De voornemens worden kordaat per persbericht aangekondigd. Vrijwel direct daarna wordt een desbetreffend concept-wetsvoorstel in consultatie gegeven. De uitkomst van die consultatie is overigens niet van belang. Vooral wanneer de materie deel uitmaakt van het regeer- of het gedoogakkoord is bijstelling van de ideeën geen reële optie. Zelfs inhoudelijke argumentatie voor het vasthouden aan het eigen gelijk blijft vaak achterwege. Ik noem maar even de gang van zaken rond de mogelijke invoering van bijzondere minimumstraffen. Staatsrechtsgeleerden zouden zich zo langzaamaan moeten gaan afvragen of inmiddels niet de democratische grens is bereikt indien een regeerakkoord wordt opgevat als een algeheel verbod op verder nadenken over de afspraken die daarin zijn vastgenageld.
Auteur(s)M.S. Groenhuijsen
Pagina461-469
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekReactie
TitelCausaal verband in de Groninger HIV-zaak: een reactie
CiteertitelDD 2012, 45
SamenvattingIn het meinummer van Delikt en Delinkwent is een bijdrage van Erik Witjens opgenomen over het bewijs van het causale verband in de Groninger HIV-zaak. In die zaak had de Rechtbank Groningen de verdachten veroordeeld wegens poging zware mishandeling (artikel 45 juncto artikel 303 Sr). De verdachten was onder andere ten laste gelegd dat zij de slachtoffers opzettelijk hadden besmet door de slachtoffers te injecteren met besmet bloed. De rechtbank achtte echter niet bewezen dat het latere ernstige lichamelijke letsel (de HIV-besmetting) inderdaad was veroorzaakt door het injecteren van het besmette bloed, omdat andere scenario’s allerminst konden worden uitgesloten (zoals onveilige seks met andere besmette partners). Het Hof Leeuwarden achtte het causale verband tussen het injecteren met besmet bloed en de latere HIV-besmetting echter wel te bewijzen en veroordeelde de verdachten ter zake van het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. De Hoge Raad heeft het arrest van het Hof Leeuwarden vervolgens gecasseerd wegens een motiveringsgebrek. Het hof had volgens de Hoge Raad moeten aantonen dat het hoogst onwaarschijnlijk was dat de HIV-besmetting door iets anders (onveilige seks met anderen) was veroorzaakt dan door het injecteren met het besmette bloed. De zaak werd verwezen naar het Hof Arnhem.
Auteur(s)N.J.M. Kwakman
Pagina470-476
LinkVolledige tekst artikel (rug.nl)
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekArtikelen
TitelDe hybride structuur van de rapportage pro Justitia: over toerekeningsvatbaarheid en risico
CiteertitelDD 2012, 46
SamenvattingDe vraagstelling aan de gedragsdeskundige in het kader van een pro Justitia rapportage heeft, zo wordt in deze bijdrage betoogd, een hybride structuur. Enerzijds heeft de rapportage betrekking op de mate van invloed van een psychische stoornis op een in het verleden begaan delict. Anderzijds dient de rapportage inzicht te verschaffen in factoren – waarvan de stoornis er slechts één van vele is – die een bijdrage kunnen leveren aan een eventueel recidiverisico. In deze bijdrage wordt deze hybride structuur geproblematiseerd aan de hand van de gangbare vraagstelling aan de gedragskundige. Er lijkt een spanning zichtbaar te worden tussen de vragen over het verleden en die over de toekomst wanneer we nagaan welke rol de stoornis hierbij speelt.
Auteur(s)T. Kooijmans , G. Meynen
Pagina477-489
LinkVolledige tekst artikel (uvt.nl)
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekArtikelen
TitelHet feitsbegrip bij ne bis in idem en eendaadse samenloop: Tussen nationale uitlegging en internationale verplichtingen
CiteertitelDD 2012, 47
SamenvattingHet Nederlandse strafrecht bevat verschillende waarborgen tegen het meervoudig aansprakelijk stellen van personen voor ‘hetzelfde feit’. Meest bekend is artikel 68 Sr. Deze bepaling beschermt tegen een tweede vervolging voor een feit ten aanzien waarvan jegens de betreffende persoon reeds onherroepelijk is beslist. Deze waarborg geldt niet alleen ten aanzien van rechterlijke gewijsden die in de Nederlandse rechtsorde tot stand zijn gekomen (artikel 68 lid 1 Sr), ook een eerdere onherroepelijke rechterlijke beslissing afkomstig uit een andere jurisdictie kan een tweede vervolging voor hetzelfde feit beletten (artikel 68 lid 2 en 3 Sr). Maar hoe verhoudt artikel 68 Sr zich tot andere bronnen van bescherming tegen dubbele vervolging en bestraffing voor hetzelfde feit? In hoeverre nopen deze bronnen tot aanpassing van de door de Hoge Raad ontwikkelde (en recentelijk nog bevestigde) maatstaf ter beoordeling van ‘hetzelfde feit’? Die vragen staan centraal in deze bijdrage.
Auteur(s)J.W. Ouwerkerk
Pagina490-507
LinkVolledige tekst artikel (leidenuniv.nl)
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekBoekbespreking
TitelJ.H. Crijns, De strafrechtelijke overeenkomst. De rechtsbetrekking met het Openbaar Ministerie op het grensvlak van publiek- en privaatrecht (diss. Leiden), Deventer: Kluwer 2010
CiteertitelDD 2012, 48
Auteur(s)F.W. Bleichrodt
Pagina508-511
LinkVolledige tekst proefschrift (leidenuniv.nl)
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekBoekbespreking
TitelR. Otte, Organiseren en verantwoorden door de strafrechter. Enkele gedachten over de organisatie van het strafproces (oratie Groningen), Den Haag: Boom Juridische uitgevers 2010
CiteertitelDD 2012, 49
Auteur(s)L.E. de Groot-van Leeuwen
Pagina512-515
LinkVolledige tekst oratie (rug.nl)
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRubrieken
TitelBehandelen en straffen
CiteertitelDD 2012, 51
SamenvattingA. Vrijheidsstraffen
Recidivecijfers ISD en ex-gedetineerden

Samenvatting uit het advies van 10 februari 2012 van de RSJ aan de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie betreffende detentiefasering

Aanwijzing voorwaardelijke invrijheidstelling (Stcrt. 2012, 5379, 21 maart 2012)

Brief van de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal van 16 april 2012

b. Rechtspraak rechtspositie van gedetineerden
1. Interne rechtspositie

2. Plaatsing en overplaatsing

3. Andere rechtspraak

c. Forensische Psychiatrie en Psychologie
Forensische Verslavingszorg

Promoties

Seksueel delinquenten

Historisch perspectief

Literatuur

d. Straftoemeting
Auteur(s)J.P. Balkema , A.G. van Bergen , M.J.A. Duker , S. Jousma , F. Koenraadt , I. Lispet , H.M.J.D. Maes , B.C. Raes , P.M. Schuyt , S. Struijk
Pagina518-542
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRubrieken
TitelFiscaal strafrecht
CiteertitelDD 2012, 52
SamenvattingIn deze aflevering wordt aandacht geschonken aan enige relevante fiscaal strafrechtelijke uitspraken van de Hoge Raad en de Rechtbank Dordrecht. Afgesloten wordt met een beslissing van de Nationale ombudsman naar aanleiding van een klacht van een belastingplichtige.
Auteur(s)A.A. Feenstra , W.E.C.A. Valkenburg
Pagina542-549
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak
TitelDe verkorte bewijsmotivering bij bekennende verdachten: is er nog een toekomst?
CiteertitelDD 2012, 53
SamenvattingArtikel 359 lid 3, tweede volzin, Sv bepaalt sinds 1 januari 2005 dat voor zover de verdachte het bewezen verklaarde heeft bekend, de rechter bij de motivering daarvan kan volstaan met een opgave van bewijsmiddelen, tenzij de verdachte nadien anders heeft verklaard dan wel hij of zijn raadsman vrijspraak bepleit. Van een bekentenis zoals hier bedoeld, is niet alleen sprake wanneer de verdachte een bekennende verklaring op het onderzoek ter terechtzitting aflegt. Ook wanneer de verdachte in het vooronderzoek heeft bekend en later niet anders verklaart of bij verstek wordt veroordeeld, kan met een opgave van bewijsmiddelen worden volstaan. Met de woorden ‘voor zover’ (de verdachte heeft bekend) is met name beoogd om ook in die gevallen waarin er meerdere feiten op de tenlastelegging staan en de verdachte er slechts één of enkele daarvan bekent, een opgave mogelijk te maken ten aanzien van die erkende feiten. Een opgave van bewijsmiddelen houdt tot slot in dat de rechter in zijn bewijsmotivering slechts de bewijsmiddelen aanduidt, waaruit hij de redengevende feiten en omstandigheden voor de bewezenverklaring heeft geput, zonder dat hij die redengevende feiten en omstandigheden zelf ook moet weergeven. Het weergeven van de redengevende passages uit bewijsmiddelen, zoals dat in de klassieke kop-staart vonnissen gebeurt, kan dus achterwege blijven.
Auteur(s)M.J.A. Duker
Pagina550-567
LinkVolledige tekst artikel (Vrije Universiteit)
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak
TitelHoge Raad, 23-10-2007, 03175/06
CiteertitelDD 2012, 53.1
Samenvatting“3.1. Het middel behelst de klacht dat het Hof ten onrechte heeft volstaan met een opgave van de gebezigde bewijsmiddelen als bedoeld in art. 359, derde lid, Sv.
Samenvatting (Bron)Opgave van bewijsmiddelen. In het licht van de wetsgeschiedenis moet art. 359.3 Sv aldus worden verstaan dat slechts kan worden volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen indien de verdachte het bewezenverklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, tenzij sprake is van de aan het slot van die bepaling genoemde gevallen. De beantwoording van de vraag of de verdachte het bewezenverklaarde heeft bekend in de zin van genoemde bepaling, is mede afhankelijk van de - in cassatie slechts op zijn begrijpelijkheid te toetsen - uitleg door de feitenrechter van de door de verdachte afgelegde verklaring (vgl. HR LJN AX5776). Nu de verklaring van de verdachte niet alle onderdelen van het bewezenverklaarde betreft – zij houdt immers niet in dat de verdachte erkent dat zijn opzet t.t.v. het plegen van de feiten was gericht op het door een of meer feitelijkheden veroorzaken dat het slachtoffer tegen haar wil de seksuele handelingen heeft ondergaan - is 's-Hofs oordeel dat de verdachte de bewezenverklaarde verkrachting heeft bekend i.d.z.v. art. 359.3 Sv, onbegrijpelijk. Daaraan doet niet af dat de raadsvrouwe ttz. in hoger beroep heeft verklaard: "Ter zitting hoor ik mijn cliënt het primair tenlastegelegde erkennen" en evenmin dat de raadsvrouwe zich in haar pleidooi heeft beperkt tot het voeren van een strafmaatverweer.
Pagina550-551
UitspraakECLI:NL:HR:2007:BB3070
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak
TitelHoge Raad, 26-05-2009, 07/11241
CiteertitelDD 2012, 53.2
Samenvatting“2.1. Het middel bevat de klacht dat het Hof ten onrechte toepassing heeft gegeven aan art. 359, derde lid, Sv en heeft volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen, terwijl door de raadsman vrijspraak is bepleit.
Samenvatting (Bron)Art. 359.3 Sv. Uit de bewoordingen van art. 359.3 Sv volgt dat deze bepaling in ieder geval geen toepassing kan vinden indien door of namens verdachte t.t.z. vrijspraak is bepleit. In die bepaling wordt niet onderscheiden naar de grond waarop die vrijspraak is bepleit. ’s Hofs oordeel dat i.c. kon worden volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen a.b.i. art. 359.3 Sv, is - nu de raadsman vrijspraak heeft bepleit - derhalve onjuist. De bewezenverklaring is daarom ontoereikend gemotiveerd (vgl. HR LJN AY8901). Conclusie AG: anders.
Pagina551-552
UitspraakECLI:NL:HR:2009:BH3686
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak
TitelHoge Raad, 25-10-2011, 10/00918 J
CiteertitelDD 2012, 53.3
Samenvatting“2.1. Het middel klaagt dat de bewezenverklaring van feit 5 ontoereikend is gemotiveerd, omdat het Hof ten onrechte heeft volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen als bedoeld in art. 359, derde lid, Sv.
Samenvatting (Bron)Opgaaf van bewijsmiddelen, art. 359.3 Sv. 's Hofs oordeel dat t.a.v. feit 5 kon worden volstaan met een opgave van bm a.b.i. art. 359.3 Sv is onjuist, nu hetgeen door de raadsman is aangevoerd bezwaarlijk anders kan worden verstaan dan als strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde bespugen van X.
Pagina553-553
UitspraakECLI:NL:HR:2011:BR2215
Artikel aanvragenVia Praktizijn