Rechtspraak Sociale Verzekeringen

Uitgever Wolters Kluwer
Tijdschrift Rechtspraak Sociale Verzekeringen
Datum 08-10-2012
Aflevering 10
RubriekBeroepsrecht
TitelCentrale Raad van Beroep, 20-06-2012, 11/4292 WW
CiteertitelRSV 2012/225
SamenvattingBip: niet bevoegd, bob: ongegrond.
Samenvatting (Bron)Verzoek om een bovenwettelijke WW-uitkering. Bij besluit heeft appellant betrokkene in aanmerking gebracht voor een WW-uitkering en ten aanzien van het verzoek om een bovenwettelijke WW uitkering meegedeeld dat het Uwv voor zijn sector de bovenwettelijke regeling niet meer uitvoert. Het bezwaar daartegen van betrokkene heeft appellant niet ontvankelijk verklaard. Daartoe is overwogen dat het uitvoeren van de bovenwettelijke regeling voor appellant geen uitvoeringstaak is als genoemd in hoofdstuk 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, zodat de mededeling ten aanzien van het verzoek om bovenwettelijke WW-uitkering toe te kennen geen besluit is in de zin van art. 1:3 Awb. De raad overweegt dat een mededeling van een bestuursorgaan dat het in een bepaald geval niet bevoegd is het door verzoeker gewenste rechtsgevolg te bewerkstelligen in beginsel moet worden aangemerkt als een besluit als bedoeld in art. 1:3 lid 1 Awb, aangezien een dergelijke mededeling in ieder geval een beoordeling inhoudt van de aanwezigheid en de reikwijdte van de door de aanvrager om een besluit veronderstelde bevoegdheid. De mededeling van appellant ten aanzien van de bovenwettelijke WW uitkering is dan ook een besluit nu daarin een beoordeling heeft plaatsgevonden ten aanzien van die veronderstelde publiekrechtelijke bevoegdheid. Naar aanleiding van het daartegen gemaakte bezwaar heeft appellant vervolgens bezien of dit standpunt juist was en heeft appellant terecht het eerder ingenomen standpunt gehandhaafd dat niet op het verzoek kon worden beslist en dat hier geen sprake is van een besluit in de zin van art. 1:3 Awb. Appellant heeft dat bezwaar echter ten onrechte niet ontvankelijk verklaard nu een volledige heroverweging heeft plaatsgevonden die in het bestreden besluit leidde tot de herhaalde en terechte conclusie dat appellant de desbetreffende aanvraag niet in behandeling neemt omdat hij daartoe niet de publiekrechtelijke bevoegdheid heeft. Appellant had het bezwaar dan ook ongegrond moeten verklaren.
Pagina893-895
UitspraakECLI:NL:CRVB:2012:BW9092
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekBeroepsrecht
TitelCentrale Raad van Beroep, 27-06-2012, 10/1755 AWBZ
CiteertitelRSV 2012/226
SamenvattingBezwaar- of beroepschrift in vreemde taal - vertaling niet noodzakelijk
Samenvatting (Bron)Besluit waarbij aan betrokkene is meegedeeld dat zijn indicatie voor ondersteunende begeleiding en activerende begeleiding vervalt per 1 januari 2010. Bij besluit heeft CIZ het bezwaar van betrokkene tegen dit besluit niet-ontvankelijk verklaard omdat het niet in de Nederlandse taal is opgesteld. Bij de aangevallen uitspraak heeft de Rb. het beroep van betrokkene gegrond verklaard, de beslissing op bezwaar vernietigd en opgedragen een nieuw besluit op het bezwaar van betrokkene te nemen. De Rb. ziet niet in dat vertaling van het bezwaarschrift van betrokkene noodzakelijk is voor een goede behandeling van het bezwaar, nu het bezwaarschrift in eenvoudig Engels is gesteld en van geringe omvang is. De Raad stelt voorop dat uit art. 6:5, lid 3 Awb moet worden afgeleid dat een in een vreemde taal gesteld bezwaarschrift niet zonder meer om deze reden kan worden geweigerd. Van belang is of vertaling voor een goede behandeling ervan noodzakelijk is. De Raad ziet evenals de Rb. niet in dat een vertaling van het bezwaarschrift voor een goede behandeling van het bezwaar noodzakelijk zou zijn, nu dit in eenvoudig Engels is opgesteld en van geringe omvang is. Dat de term eenvoudig Engels ruimte voor interpretatie laat, doet aan het voorgaande niet af. De Raad verwijst daarbij naar de parlementaire geschiedenis, meer in het bijzonder op de memorie van toelichting (TK 1988-1989, 21 221, nr. 3). Daarin heeft de regering onder meer verwoord dat er sprake is van een glijdende schaal. Aan de ene kant van de schaal staat het geval dat een bestuursorgaan geconfronteerd wordt met een schriftelijk stuk in bij voorbeeld de Japanse taal, waarvan de strekking volstrekt onduidelijk is; aan de andere kant staat het geval dat in een aanvraag voor bij voorbeeld een subsidie enkele Engelse termen voorkomen, die voor degene die de aanvraag in behandeling neemt geheel begrijpelijk zijn. In dat laatste geval zal de aanvraag meestal eenvoudig in behandeling genomen kunnen worden, terwijl dat bij het eerstbedoelde stuk in de praktijk niet mogelijk zal zijn. Naar het oordeel van de Raad bevindt het bezwaarschrift zich onmiskenbaar op het gedeelte van de glijdende schaal waarin behandeling nog mogelijk is. De vraag of van betrokkene verwacht mag worden dat hij de Nederlandse taal in woord en geschrift beheerst, nu hij in Nederland woonachtig is, is voor een beoordeling van de vraag of een vertaling van het bezwaarschrift voor een goede behandeling van het bezwaar noodzakelijk is, niet van belang. In art. 8 van het Zorgindicatiebesluit is geregeld dat het onderzoek wordt verricht door personen dan wel organisaties die over voldoende deskundigheid beschikken om de aanvraag om een indicatiebesluit te kunnen beoordelen. Uit de toelichting bij dit artikel (Stb 1997, 447) blijkt dat van beoordelaars van indicatie-aanvragen een zekere deskundigheid wordt verwacht. Dit gegeven kan niet leiden tot het oordeel dat van (administratief) medewerkers bezwaar niet verlangd kan worden dat zij een in eenvoudig Engels opgesteld beroepschrift kunnen lezen. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
Pagina895-896
UitspraakECLI:NL:CRVB:2012:BX1183
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekBeroepsrecht
TitelCentrale Raad van Beroep, 11-07-2012, 10/4369 ZW
CiteertitelRSV 2012/227
SamenvattingOpdracht nieuw besluit - nog niet gedane uitspraak - ander rechtscollege - strijd met art. 8:27 lid 4 Awb - zeewerkgever - gelijkstelling - loon tijdens ziekte - beding - arbeidsovereenkomst
Samenvatting (Bron)Appellante heeft erkend naar de letter geen zeewerkgever te zijn als bedoeld in artikel 309 lid 2 WvK, maar gesteld dat zij daarmee wel gelijk gesteld kan worden (een schepeling die in dienst is van een zeewerkgever behoudt alleen zijn volle loon tijdens ziekte voor zolang hij aan boord is). Het enkele feit dat appellante onder meer deelneemt aan de aansprakelijkheids-verzekering en het bedrijfspensioenfonds van de koopvaardij kan er echter, gelet op de duidelijke tekst van voornoemde bepaling, niet toe leiden dat appellante als zeewerkgever als eerder bedoeld is aan te merken. De Raad wijst er vervolgens op, dat een beding als bedoeld in artikel 691 lid 2 BW, krachtens welke de overeenkomst van rechtswege eindigt indien de inlener niet langer van de diensten van de werknemer gebruik wenst te maken, niet in de arbeidsovereenkomst is opgenomen, nog daargelaten of de artikelen 690 en 691 BW in dit geval wel van toepassing zijn. Wel bevat de overeenkomst de mogelijkheid van een tussentijdse beŽindiging, maar niet is gebleken van enige handeling door of namens de werkgever gericht op het tussentijds doen eindigen van de arbeidsovereenkomst. Er bestond derhalve voor de werknemer recht op loon tijdens ziekte op grond van artikel 629 lid 1 BW jegens de werkgever. Het door appellante gedane beroep op HR 09-12-2011, LJN BR6384 wordt niet gevolgd. In deze uitspraak heeft de HR juist geoordeeld, dat onder de toepassing van artikel 3 ZW ook dient te worden begrepen een nageleefde overeenkomst () die voldoet aan de kenmerken bedoeld in artikel 7:610 BW. Waarom zulks in strijd zou zijn met de opvatting van het Uwv dat voor de werkgever en werknemer in verband met het bestaan van een arbeidsovereenkomst ook artikel 7:629 lid 1 BW van toepassing is, ontgaat de Raad.
Pagina896-899
UitspraakECLI:NL:CRVB:2012:BX2171
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekBeroepsrecht
TitelCentrale Raad van Beroep, 25-07-2012, 11/7120 ZW
CiteertitelRSV 2012/228
SamenvattingDoorbreking appelverbod- geen kennelijke afdoening
Samenvatting (Bron)Doorbreking appelverbod. Voor doorbreking van het appelverbod van artikel 18, tweede lid, aanhef en onder c, van de Beroepswet kan ook grond bestaan indien de rechtbank is getreden buiten de reikwijdte van de bevoegdheid waarvan de aanwending van hoger beroep is uitgezonderd. De Raad is van oordeel dat deze uitzondering zich hier voordoet. Anders dan de rechtbank heeft vastgesteld, is van een kennelijk ongegrond beroep geen sprake. Gelet op de stukken en wat appellante in dat verband naar voren heeft gebracht, is de beantwoording van de vraag of de overschrijding van de bezwaartermijn door appellante al dan niet verschoonbaar was, evident niet zodanig van aard, dat een vereenvoudigde behandeling aangewezen was. Dit betekent dat de rechtbank geen gebruik had mogen maken van haar bevoegdheid tot vereenvoudigde afdoening van het beroep van appellante. Het verzet had niet ongegrond mogen worden verklaard.
Pagina899-900
UitspraakECLI:NL:CRVB:2012:BX2649
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekBeroepsrecht
TitelCentrale Raad van Beroep, 07-08-2012, 12/2793 ONBEK
CiteertitelRSV 2012/229
SamenvattingBevoegdheid voorzieningenrechter
Samenvatting (Bron)Verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk. Bij uitspraak van 10 juli 2012, nummer 12/250 ONBEK, heeft de Raad zich onbevoegd verklaard. Gegeven deze uitspraak in de bodemprocedure wordt geoordeeld dat niet langer is voldaan aan de voorwaarde dat met betrekking tot de uitspraak ten aanzien waarvan een voorlopige voorziening wordt gevraagd hoger beroep is ingesteld. Hoewel voor de bevoegdheid van de voorzieningenrechter van de Raad tot het treffen van een voorlopige voorziening voldoende is dat er op enig moment hoger beroep is ingesteld, dient deze voorwaarde aldus te worden verstaan dat er een hoger beroep aanhangig moet zijn, wil er een voorlopige voorziening kunnen worden getroffen.
Pagina900-901
UitspraakECLI:NL:CRVB:2012:BX3803
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekBijstand
TitelCentrale Raad van Beroep, 31-07-2012, 10/6507 WWB
CiteertitelRSV 2012/230
SamenvattingActualiteitenprincipe en sluitstukkarakter WW - afkoop levensverzekering
Samenvatting (Bron)Afwijzing aanvraag bijstand. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (CRvB 29 september 2009, LJN BK0488), moet de levensverzekering als in aanmerking te nemen vermogen worden beschouwd als deze afkoopbaar is en deze afkoop redelijkerwijs kan worden gevergd. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat aan de WWB het beginsel ten grondslag ligt dat een betrokkene in de eerste plaats zelf verantwoordelijk is voor de voorziening in de kosten van het bestaan. In dat verband komt aan het belang van een eventuele toekomstige voorziening in de vorm van een levensverzekering, gelet op het actualiteitsprincipe en het sluitstukkarakter van de WWB, geen betekenis toe. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat een eventuele afkoop niet van hem kan worden gevergd. Aan de omstandigheid dat met de afkoop van de levensverzekering in dit geval hoge kosten zijn gemoeid komt in het licht van het hiervoor geschetste karakter van de WWB geen betekenis toe.
Pagina901-902
UitspraakECLI:NL:CRVB:2012:BX3358
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekBijstand
TitelCentrale Raad van Beroep, 07-08-2012, 10/1541 WWB
CiteertitelRSV 2012/231
SamenvattingVertrouwensbeginsel - uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke toezegging door medewerker - geen gerechtvaardigde verwachting
Samenvatting (Bron)Maandelijkse inhouding op de bijstandsuitkering in verband met vordering. Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt niet. Appellant heeft redelijkerwijs moeten weten dat de brief van 14 augustus 2006 waarin aan appellant is meegedeeld dat de aan appellant opgelegde vordering zal worden afgeboekt haaks staat op de uitspraak van de Raad van 2 augustus 2005. Het lag dan ook op de weg van appellant om de juistheid van de inhoud van de brief te verifiŽren bij het college, mede omdat in de brief niet nader is toegelicht op grond waarvan de vordering is komen te vervallen. Gelet hierop kan niet worden geoordeeld dat met de brief van 14 augustus 2006 bij appellant de gerechtvaardigde verwachting is gewekt dat de gemeente Veendam geen vordering meer op hem heeft. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het verklaarbaar en niet onredelijk is te noemen dat het college heeft gewacht met invorderingsactiviteiten van ten onrechte aan appellant betaalde bijstand.
Pagina902-904
UitspraakECLI:NL:CRVB:2012:BX3805
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekBoeten, maatregelen, terug- en invorderingen
TitelCentrale Raad van Beroep, 18-07-2012, 11/1600 WW
CiteertitelRSV 2012/232
SamenvattingNiet verrekenen - geen dringende reden - afzie van terugvordering
Samenvatting (Bron)Geen recht op een WW-uitkering. Terugvordering. Appellant is met terugwerkende kracht in aanmerking gebracht voor een WIA-uitkering. Dat het Uwv niet heeft verrekend is geen dringende reden die noodzaakt tot het afzien van de terugvordering.
Pagina904-905
UitspraakECLI:NL:CRVB:2012:BX3402
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekBoeten, maatregelen, terug- en invorderingen
TitelCentrale Raad van Beroep, 01-08-2012, 11/1212 TW
CiteertitelRSV 2012/233
SamenvattingVerjaring terugvordering
Samenvatting (Bron)Herziening en terugvordering toeslag. Beroep op verjaring van de terugvordering slaagt. Vanaf 1 januari 2002 ontvangt appellante haar WAO-uitkering van het Uwv. Ook haar toeslag ontving zij van het Uwv. Het Uwv was vanaf 1 januari 2002 tevens belast met de uitvoering van het invaliditeitspensioen op grond van het Pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP. Het besluit van 29 januari 2004, waarbij aan appellante met ingang van 1 december 2002 een invaliditeitspensioen is toegekend, is namens de Stichting Pensioensfonds ABP genomen door het Uwv en ondertekend door de directeur van de divisie arbeidsgeschiktheid van het Uwv. Het Uwv was op 29 januari 2004 op de hoogte van het feit dat appellante vanaf 1 december 2002 recht had op een invaliditeitspensioen. Het Uwv kon voldoende duidelijk zijn dat dit consequenties zou hebben voor de door appellante ontvangen toeslag en dat een besluit omtrent terugvordering in de rede lag. Tussen 29 januari 2004 en het terugvorderingsbesluit van 3 december 2009 liggen meer dan vijf jaren. Van een stuiting van de verjaringstermijn op enig moment voor 3 december 2009 is de Raad niet gebleken. De rechtbank heeft appellantes beroep op verjaring ten onrechte afgewezen.
Pagina905-907
UitspraakECLI:NL:CRVB:2012:BX3448
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekWerkloosheid
TitelCentrale Raad van Beroep, 09-05-2012, 10/2307 WW
CiteertitelRSV 2012/234
SamenvattingZZP-er - onjuiste invulling werkbriefjes - geen verminderde verwijtbaarheid - oplegging boete - evenredigheid
Samenvatting (Bron)Intrekking WW-uitkering en terugvordering. Boete. Schending inlichtingenverplichting. Uit de feiten volgt dat appellant het voor de hoogte van de boete in aanmerking genomen benadelingsbedrag niet te hoog heeft vastgesteld. Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld is hier geen sprake van verminderde verwijtbaarheid. Vernietiging aangevallen uitspraak voor zover daarbij appellant is opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen. Het beroep tegen het nieuwe besluit waarbij de opgelegde boete is gehandhaafd is ongegrond. Geen overschrijding van de redelijke termijn.
Pagina907-910
UitspraakECLI:NL:CRVB:2012:BW5721
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekWerkloosheid
TitelCentrale Raad van Beroep, 09-05-2012, 11/1339 WW + 11/5695 WW
CiteertitelRSV 2012/235
SamenvattingGestelde defamerende werking van opgelegde maatregel - geen in rechte te honoreren belang - zeer trage reactie werkgever op misdraging betrokkene - geen subjectieve dringende reden - geen arbeidsrechtelijke dringende reden
Samenvatting (Bron)Verwijtbare werkloosheid. Plichtsverzuim. Strafrechtelijke veroordeling. Dringende reden voor ontslag? 1) Hoger beroep van appellant. De oplegging van de maatregel in de vorm van een tijdelijke verlaging (35%) van de WW-uitkering heeft voor appellant feitelijk geen betekenis, omdat herziening van zijn uitkering niet meer zal plaatsvinden. De oplegging van de maatregel heeft ook overigens geen betekenis voor de WW-uitkering die op 29 september 2011 is geŽindigd in verband met het verstrijken van de maximale duur. Appellant heeft ter zitting gesteld dat hij niettemin een belang heeft bij de beoordeling van de maatregel omdat deze defamerend ten opzichte van hem werkt. Dat is echter in het kader van de WW geen in rechte te honoreren belang. Ook overigens is van een relevant procesbelang niet gebleken. Het hoger beroep van appellant zal dan ook wegens verlies aan procesbelang niet-ontvankelijk worden verklaard. 2) Beroep ingesteld door de korpsbeheerder. De korpsbeheerder heeft (zeer) traag gereageerd op het plichtsverzuim. Van urgentie om het ontslag te verlenen is niet gebleken, zodat niet kan worden gezegd dat de gedragingen voor de werkgever ook subjectief een dringende reden vormden. Dit betekent dat aan het ontslag van appellant geen arbeidsrechtelijke dringende reden ten grondslag ligt en dat appellant dus niet verwijtbaar werkloos is geworden. Nu aan de werkloosheid geen dringende reden ten grondslag ligt, ontbeerde het Uwv de bevoegdheid om een maatregel op de WW-uitkering op te leggen. In zoverre is het bestreden besluit onjuist en zou dat besluit voor vernietiging in aanmerking komen. Dit is echter een resultaat dat door de korpsbeheerder niet is beoogd. Om die reden worden hier geen gevolgen aan verbonden. Het beroep van de korpsbeheerder tegen het bestreden besluit slaagt dus niet.
Pagina910-913
UitspraakECLI:NL:CRVB:2012:BW5792
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekWerkloosheid
TitelCentrale Raad van Beroep, 09-05-2012, 11/1852 WW + 12/1012 WW
CiteertitelRSV 2012/236
SamenvattingOnstlagname - geen overleg eigen werkgever - schriftelijke arbeidsovereenkomst met nieuwe werkgever niet afgewacht - verwijtbaar werkloos - benadelingshandeling - gehele weigering uitkering voor de duur dat betrokkene nog in dienst had kunnen zijn - toepassing beleidsregels
Samenvatting (Bron)Maatregel. Verwijtbaar werkloos. Weigering WW-uitkering voor de duur van twee maanden. Het Uwv heeft een nieuwe beslissing op bezwaar genomen ter uitvoering van de tussenuitspraak van de Raad (LJN BV0244). Appellant heeft met zijn handelwijze het risico genomen dat hij met lege handen zou staan indien werkgever 2 alsnog zou afzien van een arbeidsovereenkomst met hem, welk risico zich feitelijk heeft voorgedaan. Hij heeft niet aannemelijk gemaakt dat van hem in redelijkheid niet kon worden gevergd om met het indienen van zijn ontslag te wachten op het toegezegde arbeidscontract of een andere schriftelijke bevestiging van werkgever 2, noch dat aan voortzetting van zijn dienstbetrekking bij werkgever 1 zodanige bezwaren waren verbonden, dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van hem kon worden gevergd. Het Uwv heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat appellant verwijtbaar werkloos is geworden. Van verminderde verwijtbaarheid is geen sprake. Appellant heeft met zijn handelwijze tevens het Algemeen werkloosheidsfonds benadeeld. Een gehele weigering van de WW-uitkering voor de duur van de periode dat appellant nog in dienst had kunnen zijn bij werkgever 1 is in overeenstemming met het beleid van het Uwv. Geen strijd met het vertrouwensbeginsel.
Pagina913-915
UitspraakECLI:NL:CRVB:2012:BW5837
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekBeroepsrecht
TitelCentrale Raad van Beroep, 11-07-2012, 11/3625 WIA
CiteertitelRSV 2012/237
SamenvattingLoonsanctie - verzending besluit - einde wachttijd - geen verzendadministratie
Samenvatting (Bron)Geen bevoegdheid om loonsanctie op te leggen. Appellant heeft niet aangetoond dat het primaire besluit op 19 januari 2010 is verzonden. Er is geen sprake van een verzendadministratie. Evenmin is op andere wijze gebleken van registratie van uitgaande post. Evenmin staat vast dat het primair besluit voor afloop van de wachttijd is bekendgemaakt en derhalve uiterlijk een dag voor afloop van de wachttijd is verzonden.
Pagina915-917
UitspraakECLI:NL:CRVB:2012:BX1193
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekInternationaal
TitelCentrale Raad van Beroep, 15-07-2011, 08/6595 AKW enz.
CiteertitelRSV 2012/238
SamenvattingKoppelingsbeginsel AKW in strijd met het discriminatieverbod van EVRM
Samenvatting (Bron)Anders dan in eerdere rechtspraak (zie onder meer voornoemde uitspraak van 26 juni 2001) is de Raad echter thans van mening dat de gerechtvaardigdheid van de koppelingswetgeving zoals die gestalte heeft gekregen in artikel 6, tweede lid, van de AKW, niet opgaat voor ouders die met hun kind(eren) voor de overheid kenbaar al langere tijd in Nederland verblijven, waarvan in ieder geval een zekere tijd rechtmatig in de zin van artikel 8, onder f, g of h van de Vw, en inmiddels een zodanige band met Nederland hebben opgebouwd dat zij, mede met inachtneming van de arresten van de Hoge Raad van 21 januari 2011 (LJN BP1466) en 4 maart 2011 (LJN BP6285) geacht kunnen worden ingezetenen van Nederland te zijn. Voor ouders in deze omstandigheden die bovendien ten tijde in geding rechtmatig in Nederland verbleven, acht de Raad de in artikel 6, tweede lid, van de AKW neergelegde algemene uitsluiting van het recht op kinderbijslag op grond van hun verblijfsstatus geen evenredig middel om de doelstelling van de koppelingswetgeving te bereiken.
AnnotatorG.J. Vonk
Pagina917-924
UitspraakECLI:NL:CRVB:2011:BR1905
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekInternationaal
TitelHoge Raad, 23-11-2012, 11/03891
CiteertitelRSV 2012/239
SamenvattingVoorgesteld wordt vernietiging wegens schending of verkeerde toepassing van discriminatietoets die benodigd is voor de bepaling van de kring van verzekerden en terugwijzing naar de feitenrechter voor feitelijk onderzoek, benodigd voor geschiktheids- en propotionaliteitsoordelen.
Zie noot prof. dr. G.J. Vonk onder RSV 2012/238
Samenvatting (Bron)Art. 6 Algemene Kinderbijslagwet. Art. 8 en 14 EVRM. Art. 26 IVBPR. Koppelingswet. Kinderbijslag. Verblijfstitel. Gelijkheidsbeginsel.
Pagina924-958
UitspraakECLI:NL:HR:2012:BW7740
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekInternationaal
TitelHof van Justitie EU, 08-03-2011, C-34/09
CiteertitelRSV 2012/240
SamenvattingBurgerschap van de Europese Unie; verblijfsrecht bij minderjarig kind
Samenvatting (Bron)Arrest van het Hof (Grote kamer) van 8 maart 2011. # Gerardo Ruiz Zambrano tegen Office national de l'emploi (ONEm). # Verzoek om een prejudiciele beslissing: tribunal du travail de Bruxelles - Belgie. # Burgerschap van Unie - Artikel 20 VWEU - Toekenning van verblijfsrecht op grond van Unierecht aan minderjarig kind op grondgebied van lidstaat waarvan dit kind nationaliteit heeft ongeacht eerdere uitoefening van zijn recht op vrij verkeer op grondgebied van lidstaten - Toekenning, in dezelfde omstandigheden, van afgeleid verblijfsrecht aan bloedverwant in opgaande lijn, staatsburger van derde staat, die minderjarig kind ten laste heeft - Gevolgen van verblijfsrecht van minderjarig kind voor voorwaarden inzake arbeidsrecht waaraan moet worden voldaan door bloedverwant in opgaande lijn van deze minderjarige, staatsburger van derde staat. # Zaak C-34/09.
AnnotatorG.J. Vonk
Pagina959-965
UitspraakECLI:EU:C:2011:124
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekInternationaal
TitelHof van Justitie EU, 05-05-2011, C-434/09
CiteertitelRSV 2012/241
SamenvattingBurgerschap van de Europese Unie; dubbele nationaliteit; zuiver interne situatie
Samenvatting (Bron)Arrest van het Hof (Derde kamer) van 5 mei 2011. # Shirley McCarthy tegen Secretary of State for the Home Department. # Verzoek om een prejudiciele beslissing: Supreme Court of the United Kingdom - Verenigd Koninkrijk. # Vrij verkeer van personen - Artikel 21 VWEU - Richtlijn 2004/38/EG - Begrip ,begunstigde' - Artikel 3, lid 1 - Staatsburger die zijn recht op vrij verkeer nooit heeft uitgeoefend en die altijd in lidstaat van nationaliteit heeft verbleven - Gevolg van bezit van nationaliteit van andere lidstaat - Zuiver interne situatie. # Zaak C-434/09.
AnnotatorG.J. Vonk
Pagina966-973
UitspraakECLI:EU:C:2011:277
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelHof van Justitie EU, 15-11-2011, C-256/11
CiteertitelRSV 2012/242
SamenvattingBurgerschap van de Europese Unie; verblijfsrecht bij familielid; stand still-bepaling
Samenvatting (Bron)Arrest van het Hof (Grote kamer) van 15 november 2011. # Murat Dereci en anderen tegen Bundesministerium fur Inneres. # Verzoek om een prejudiciele beslissing: Verwaltungsgerichtshof - Oostenrijk. # Burgerschap van de Unie - Verblijfsrecht van staatsburgers van derde landen die familielid zijn van burgers van de Unie - Weigering op grond dat recht op vrij verkeer van burger niet is uitgeoefend - Mogelijk verschil in behandeling ten opzichte van burgers van de Unie die recht op vrij verkeer hebben uitgeoefend - Associatieovereenkomst EEG-Turkije - Artikel 13 van besluit nr. 1/80 van Associatieraad - Artikel 41 van aanvullend protocol - ,standstill'-clausule. # Zaak C-256/11.
AnnotatorG.J. Vonk
Pagina973-986
UitspraakECLI:EU:C:2011:734
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekInternationaal
TitelHof van Justitie EU, 05-05-2011, C-206/10
CiteertitelRSV 2012/243
SamenvattingNiet op premie- of bijdragebetaling berustende prestatie; uitkeringen bij ziekte
Samenvatting (Bron)Arrest van het Hof (Vijfde kamer) van 5 mei 2011. # Europese Commissie tegen Bondsrepubliek Duitsland. # Niet-nakoming - Verordening (EEG) nr. 1408/71 - Artikel 4, lid 1, sub a - Verordening (EEG) nr. 1612/68 - Artikel 7, lid 2 - Prestaties van Duitse deelstaten ten behoeve van blinden, doven en gehandicapten - Woonplaatsvereiste. # Zaak C-206/10.
AnnotatorG.J. Vonk
Pagina986-991
UitspraakECLI:EU:C:2011:283
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekInternationaal
TitelHof van Justitie EU, 05-05-2011, C-537/09
CiteertitelRSV 2012/244
SamenvattingNiet op premie- of bijdraebetaling berustende prestatie; gehandicaptenuitkering
Samenvatting (Bron)Arrest van het Hof (Vierde kamer) van 5 mei 2011. # Ralph James Bartlett en anderen tegen Secretary of State for Work and Pensions. # Verzoek om een prejudiciele beslissing: Upper Tribunal - Verenigd Koninkrijk. # Prejudiciele verwijzing - Verordening (EEG) nr. 1408/71 - ,Mobiliteitsbestanddeel' van onderhoudsuitkering voor gehandicapten (,disability living allowance') - Afzonderlijke prestatie - Bijzondere, niet op premie- of bijdragebetaling berustende prestatie - Niet-exporteerbaarheid. # Zaak C-537/09.
AnnotatorG.J. Vonk
Pagina991-997
UitspraakECLI:EU:C:2011:278
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekInternationaal
TitelCentrale Raad van Beroep, 13-08-2012, 10/1710 AOW
CiteertitelRSV 2012/245
SamenvattingKinderen van VN-medewerkers zijn niet automatisch verzekerd ingevolge van volksverzekeringen. Geen strijd met internationale discriminatieverboden
Samenvatting (Bron)Niet verzekerd ingevolge de AOW. Deze uitsluiting van de verzekeringsplicht ingevolge de volksverzekeringen is gebaseerd op artikel 14 van het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen. In dit artikel is bepaald dat de inwonende gezinsleden van personeelsleden van een volkenrechtelijke organisatie niet verzekerd zijn krachtens de volksverzekeringen indien dit in de zetelovereenkomst met die organisatie is bepaald. De Raad heeft vooropgesteld dat het hier in wezen gaat om de toetsing van de Zetelovereenkomst inzake het ICTY tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Naties aan de internationale discriminatieverboden. De Raad oordeelt dat, in het licht van de rechtspraak van de Hoge Raad, de Zetelovereenkomst kan worden getoetst aan andere internationale overeenkomsten. De besluitwetgever heeft in redelijkheid tot de aangevochten regeling kunnen komen en de toepassing van de regeling door de Svb jegens betrokkene is niet van redelijke grond ontbloot. Gelet hierop is van strijd met het discriminatieverbod geen sprake. Ten aanzien van het beroep op artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM oordeelt de Raad dat in het midden kan worden gelaten of in een geval als het onderhavige sprake is van een aantasting van het genot van de eigendom. Voor zover daarvan sprake is slaagt het beroep op deze bepaling niet. Naar het oordeel van de Raad kan worden aangenomen dat betrokkene voor haar verlies afdoende is gecompenseerd. Van een buitensporige last voor betrokkene is derhalve geen sprake.
Pagina997-1001
UitspraakECLI:NL:CRVB:2012:BX3783
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekArbeidsongeschiktheid
TitelCentrale Raad van Beroep, 06-07-2012, 11/6816 WIA
CiteertitelRSV 2012/246
SamenvattingAfwijzing aanvraag onderwijsvoorzieningen - dyslexie - toetsingskader
Samenvatting (Bron)Afwijzing aanvraag onderwijsvoorzieningen, omdat onderwijsvoorzieningen voor leerlingen met dyslexie niet worden vergoed. Het betreft een zogenaamde Dragon Naturally Speaking en Kurzweil 3000 USB stick. Ingevolge artikel 5, tweede lid, onder e, van het Uitvoeringsbesluit onderwijsvoorzieningen voor jongeren met een handicap worden onder voorzieningen als bedoeld in artikel 19a, tweede en derde lid, van de Wet overige OCW-subsidies niet verstaan: voorzieningen die verband houden met dyslexie. Vast staat dat appellant op grond van artikel 5, tweede lid, onder e, van het Uitvoeringsbesluit niet in aanmerking komt voor de gevraagde onderwijsvoorzieningen. Toetsingskader. Geen aanleiding artikel 5, tweede lid, onder e, van het Uitvoeringsbesluit buiten toepassing te laten. Zoals de Raad al eerder heeft geoordeeld is het ingevolge artikel 1 van de Gw niet alleen op de in dat artikel uitdrukkelijk genoemde gronden, maar op welke grond dan ook, verboden onderscheid te maken tussen vergelijkbare gevallen, tenzij dit gerechtvaardigd wordt door objectieve en redelijke gronden. De Raad is van oordeel dat, zou hier al sprake zijn van vergelijkbare gevallen, de uitsluiting van voorzieningen die verband houden met dyslexie, op basis van objectieve en redelijke gronden gerechtvaardigd is. Het treffen van voorzieningen voor onderwijsvolgende dyslectici is opgedragen aan de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, die verschillende vormen van opvang tot stand heeft gebracht. Voor zover die minister daarbij een ongerechtvaardigd onderscheid zou maken tussen vergelijkbare gevallen, dient dat bij die minister - en niet bij het Uwv - te worden aangekaart. Om dezelfde reden faalt het beroep van appellant op de artikelen 2 en 6 van de Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte.
Pagina1001-1004
UitspraakECLI:NL:CRVB:2012:BX2621
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekMaatschappelijke ondersteuning
TitelCentrale Raad van Beroep, 13-06-2012, 11/4877 WMO + 11/4878 WMO + 11/4880 WMO + 11/4881 WMO
CiteertitelRSV 2012/247
SamenvattingMaatschappelijke opvang - centrumgemeenten - exclusieve beslissingsbevoegdheid
Samenvatting (Bron)Afwijzing verzoek om opvang ingevolge de Wmo en de aanvraag voor bijstand, op de grond dat appellanten niet rechtmatig in Nederland verblijven. Raad: De Raad ziet zich eerst ambtshalve voor de vraag gesteld of het college ten aanzien van een verzoek om maatschappelijke opvang in het kader van de Wmo bevoegd is om te beslissen op de aanvraag. De Raad is van oordeel dat o.g.v. het bepaalde bij en krachtens art. 20, lid 1 van de Wmo aan daartoe aangewezen gemeenten een zorgtaak is opgedragen om beleid te realiseren ter zake van vormen van maatschappelijke opvang als bedoeld in art. 1, lid 1, onder c, van de Wmo. Uit de regelgeving blijkt dat de gemeente Noordoostpolder niet tot de daartoe aangewezen gemeenten behoort. De Raad heeft in r.o. 4.3.3 van zijn uitspraak van 15 april 2010, LJN: BM3583 geoordeeld dat de bevoegdheid om de zorgtaak uit te oefenen door middel van het nemen van besluiten over de toegang tot maatschappelijke opvang bij het college van burgemeester en wethouders van een aangewezen gemeente berust. Naar het oordeel van de Raad moet art. 20, lid 1 en 4 van de Wmo, mede in het licht van de op art. 20, lid 1 van de Wmo gebaseerde nadere regelgeving, zo worden uitgelegd dat de aan het college van burgemeester en wethouders van de aangewezen gemeenten toekomende bevoegdheid om te beslissen op een aanvraag om maatschappelijke opvang als bedoeld in de Wmo een exclusieve bevoegdheid is in die zin dat deze bevoegdheid niet toekomt aan het college van burgemeester en wethouders van een niet aangewezen gemeente. De Raad vindt voor dat oordeel steun in het volgende. Allereerst moet worden vastgesteld dat de centrumgemeenten aan wie op basis van art. 20, lid 1 van de Wmo een zorgtaak is toebedeeld, voor de uitvoering van die taak een specifieke uitkering, als bedoeld in die bepaling, ontvangen. Deze specifieke uitkering dient te worden gebruikt voor de bekostiging van voorzieningen op het terrein van onder meer maatschappelijke opvang die door instellingen wordt geboden. Voorts volgt uit art. 20, lid 4 van de Wmo dat de centrumgemeenten die deze specifieke uitkering ontvangen, ervoor zorgdragen dat de instellingen die op grond van die uitkering middelen ontvangen, hun werkzaamheden registreren en de geregistreerde gegevens verstrekken aan een door de minister aangewezen instelling. In de MvT bij de Wmo (Tweede Kamer, 2004-2005, 30131, nr. 3) staat met betrekking tot art. 20, lid 4 van de Wmo te lezen dat inzicht in gemeentelijk beleid op rijksniveau nodig is om te kunnen beoordelen of het met de uitkeringen beoogde doel - het voeren van een samenhangend en integraal beleid op de terreinen maatschappelijke opvang (inclusief vrouwenopvang) en verslavingsbeleid - ook daadwerkelijk wordt bereikt. Daartoe is volgens de regering van belang dat alleen centrumgemeenten beleid realiseren ten aanzien van vormen van maatschappelijke opvang als bedoeld in art. 1, lid 1, onder c, van de Wmo. Op die manier kan worden beoordeeld of sprake is van een evenwichtig patroon van voorzieningen gericht op alle doelgroepen van het beleid. Uit de nota naar aanleiding van het verslag van 11 oktober 2005 (Tweede Kamer, 2005-2006, 30 131, nr. 29) leidt de Raad af dat de wetgever bewust heeft gekozen voor concentratie van de voorziening van maatschappelijke opvang bij de centrumgemeenten om handhaving van de crisisopvangfunctie te kunnen waarborgen. In deze nota wordt het volgende overwogen: De middelen voor de beleidsterreinen maatschappelijke opvang, vrouwenopvang en verslavingsbeleid blijven naar centrumgemeenten gaan. Op deze manier is er een betere waarborg voor het handhaven van de crisisopvangfunctie bij dak- en thuisloosheid en bij geweld in de thuissituatie. Indertijd bestond bij de Tweede Kamer de vrees dat een verdeling van middelen via het gemeentefonds zou leiden tot een afbraak van het bestaande voorzieningenniveau op deze drie terreinen. De voorkeur ging uit naar een systeem waarin de middelen gericht toegedeeld worden aan de gemeente waar de voorzieningen geconcentreerd zijn. De afgelopen jaren is het bestuurlijk stelsel van maatschappelijke opvang, vrouwenopvang en verslavingsbeleid voorwerp geweest van onderzoek. Dat heeft geen aanleiding gegeven dat stelsel aan te passen. Nu uit het voorgaande volgt dat de gemeente Noordoostpolder geen zorgtaak heeft voor activiteiten op het gebied van de maatschappelijke opvang als bedoeld in de Wmo, is het college onbevoegd om op de aanvraag van 11 oktober 2010 om maatschappelijke opvang als bedoeld in de Wmo te beslissen. Ter zitting van de Raad heeft de gemachtigde van het college dat ook erkend. Dit betekent dat het besluit op bezwaar, inhoudende de handhaving van de afwijzing van de aanvraag van maatschappelijke opvang bij primair besluit van 28 oktober 2010, wegens strijd met de wet dient te worden vernietigd. De Rb. heeft dat niet onderkend, zodat ook de aangevallen uitspraak in zoverre dient te worden vernietigd. De Raad ziet aanleiding om zelf in de zaak te voorzien door het besluit van 28 oktober 2010, voor zover dit betrekking heeft op de aanvraag van maatschappelijke opvang als bedoeld in de Wmo, te herroepen en te bepalen dat het college niet bevoegd is om op die aanvraag een besluit te nemen.
Annotator Boersma
Pagina1004-1008
UitspraakECLI:NL:CRVB:2012:BW8950
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekSociale werkvoorziening
TitelCentrale Raad van Beroep, 05-07-2012, 11/2613 WSW
CiteertitelRSV 2012/248
SamenvattingIntrekking WSW-indicatie - niet beschikbaar - passende arbeid
Samenvatting (Bron)WSW-indicatie van appellante is ingetrokken, omdat zij niet beschikbaar was voor werk in het kader van de Wsw dan wel passende arbeid in dienstbetrekking onder aangepaste omstandigheden weigerde. Appellante heeft zich slechts bereid getoond om werkzaamheden van administratieve aard te verrichten. Dit soort werk was evenwel niet voor haar beschikbaar. De(...) benadering door het college van het - in de Wsw niet gedefinieerde - begrip passende arbeid sluit goed aan bij artikel 3 van de Wsw waarin is bepaald dat de arbeid gericht is op het behouden dan wel bevorderen van de arbeidsbekwaamheid van de werknemer.
AnnotatorC.W.C.A. Bruggeman
Pagina1008-1010
UitspraakECLI:NL:CRVB:2012:BX0502
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekBijstand
TitelCentrale Raad van Beroep, 14-08-2012, 10/4101 WWB
CiteertitelRSV 2012/249
SamenvattingHeroverweging maatregel ingevolge art. 18 lid 3 WWB - belang bij heroverweging in bezwaar
Samenvatting (Bron)Bezwaar tegen het besluit van 4 november 2009 (maatregel opgelegd 100% gedurende een maand) niet-ontvankelijk verklaard omdat appellant bij dat bezwaar geen belang meer heeft. Anders dan het college en de rechtbank is de Raad van oordeel dat door het besluit van 10 november 2009, waarbij de maatregel is teruggebracht van 100% gedurende drie maanden naar 50% gedurende een maand, het belang van appellant bij de heroverweging in bezwaar van het besluit van 4 november 2009 niet is komen te ontvallen. In het bezwaarschrift heeft appellant verzocht om vergoeding van de kosten die hij in verband met het bezwaarschrift heeft gemaakt. Op dit verzoek is bij het bestreden besluit afwijzend beslist met de motivering dat het besluit van 4 november 2009 niet wordt herroepen. Voorts heeft bij het besluit van 10 november 2009 geen heroverweging als bedoeld in artikel 18, derde lid, van de WWB plaatsgevonden, maar is beoordeeld of het besluit van 30 september 2009 kan worden gehandhaafd. Bij het besluit van 10 november 2009 is niet betrokken of in de hier van belang zijnde periode (oktober 2009) sprake was van gedragsveranderingen of gewijzigde omstandigheden die aanleiding geven de maatregel in zwaarte of duur bij te stellen.
Pagina1010-1013
UitspraakECLI:NL:CRVB:2012:BX4572
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekStudiefinanciering
TitelCentrale Raad van Beroep, 17-08-2012, 11/2590 WSF
CiteertitelRSV 2012/250
SamenvattingDiplomatermijn - afsluitend examen
Samenvatting (Bron)Geen omzetting prestatiebeurs van betrokkene na het behalen van het afsluitende diploma in een gift, omdat betrokkene het afsluitende diploma niet binnen de diplomatermijn heeft behaald. Raad: Appellant heeft zich in hoger beroep terecht op het standpunt gesteld dat de bevoegdheden ter zake van de vaststelling of, en zo ja wanneer het afsluitend examen is afgelegd, zijn neergelegd in de Wet op het hoger en wetenschappelijk onderwijs en zijn voorbehouden aan de examencommissie en het instellingsbestuur. Appellant heeft zich ook terecht op het standpunt gesteld dat deze wet, noch de Wsf 2000 enig aanknopingspunt bevat voor de opvatting dat appellant bevoegd of gehouden zou zijn de juistheid van vorenbedoelde vaststelling te toetsen. De examencommissie heeft verklaard dat het examen is afgelegd op 30 oktober 2009. Het instellingsbestuur heeft de graad van Master verleend op 30 oktober 2009. Door het instellingsbestuur is dit ook via het Centraal Register Inschrijvingen Hoger Onderwijs aan appellant gemeld. Appellant is bij het bestreden besluit er mitsdien terecht van uitgegaan dat het afsluitend examen is afgelegd op 30 oktober 2009. Voor enig nader onderzoek is geen plaats. Het afsluitend examen is mitsdien niet afgelegd binnen de diplomatermijn. Aangevallen uitspraak vernietigd.
Pagina1013-1014
UitspraakECLI:NL:CRVB:2012:BX4906
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekStudiefinanciering
TitelCentrale Raad van Beroep, 10-08-2012, 11/6119 WSF
CiteertitelRSV 2012/251
SamenvattingDuur aflosfase - debiteur - inkomen partner telt niet mee
Samenvatting (Bron)Terugbetaling schuld. Opschorting aflossingsfase. De Minister hanteert een juiste uitleg van artikel 10a.11, tweede lid, van de Wsf 2000. Op het moment dat de debiteur op grond van zijn draagkracht niet in staat is de vastgestelde termijn te betalen en op eigen verzoek geen rekening wordt gehouden met het inkomen van een partner wordt de aflosfase opgeschort en gaat deze pas weer lopen op het moment dat de debiteur (weer) gaat aflossen. De Raad volgt appellante dan ook niet in haar standpunt dat met deze toepassing sprake is van verboden ongelijke behandeling van debiteuren met verschillende samenlevingsvormen. In zoverre is er evenmin strijd met het EVRM. De beroepsgrond van appellante dat de aflosfase op grond van burgerrechterlijke bepalingen niet langer mag duren dan 20 jaar slaagt ook niet. Zoals in de aangevallen uitspraak terecht is geoordeeld bevat de Wsf 2000 een eigen regeling voor de duur van de aflosfase. Ook het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt niet. Appellante kan aan het voorbeeld in de brochure niet een gerechtvaardigd vertrouwen ontlenen dat haar aflosfase per 31 december 2009 zou eindigen.
Pagina1014-1017
UitspraakECLI:NL:CRVB:2012:BX4981
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekMaatschappelijke ondersteuning
TitelCentrale Raad van Beroep, 11-07-2012, 11/6203 WMO
CiteertitelRSV 2012/252
SamenvattingUitgeprocedeerde asielzoeker - maatschappelijke opvang - uitbreiding opvangvoorziening - medische voorzieningen - fair balance - vernederende of onmenselijke behandeling - koppelingsbeginsel - gelijkheidsbeginsel
Samenvatting (Bron)Afwijzing aanvraag toelating maatschappelijk opvang. Geen rechtmatig verblijf ongewenst verklaarde vreemdeling. De fysieke en psychische gezondheid van appellant wordt niet substantieel bedreigd indien hij verstoken blijft van verdergaande opvang dan nu door het college wordt geboden. Geen sprake van een vernederende of onmenselijke behandeling.
AnnotatorC.W.C.A. Bruggeman , H.F. van Rooij
Pagina1017-1021
UitspraakECLI:NL:CRVB:2012:BX1262
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekPremie en verzekeringsplicht
TitelCentrale Raad van Beroep, 08-08-2012, 11/4745 ZW
CiteertitelRSV 2012/253
SamenvattingWeigering ZW-uitkering - nietverzekerd - reintegratie-activiteiten tijdens het dienstverband - Baanplan
Samenvatting (Bron)Weigering ZW-uitkering. Niet verzekerd. Anders dan het Uwv heeft besloten moet betrokkene worden aangemerkt als werknemer in de zin van de ZW. Tussen betrokkene en zijn werkgever was sprake van een arbeidsovereenkomst. Partijen hebben ook de intentie gehad een arbeidsovereenkomst aan te gaan. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de omstandigheid dat betrokkene gedurende de eerste drie maanden van zijn dienstverband re-integratieactiviteiten heeft verricht daaraan niet kan afdoen. Dat betrokkene vanwege ziekte vervolgens niet of nauwelijks in staat is gebleken de bedoelde werkzaamheden uit te voeren leidt evenmin tot de conclusie dat reeds daarom geen sprake zou zijn van een arbeidsovereenkomst volgens het BW. Voor de beoordeling van de feitelijke uitvoering die partijen aan de overeenkomst hebben gegeven komt betekenis toe aan het gegeven dat FTS/Baanplan, in overeenstemming met artikel 12 van de tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst, ook tijdens de arbeidsongeschiktheid van betrokkene tot het einde van het dienstverband het loon van betrokkene uit eigen middelen heeft doorbetaald en over dat loon loonbelasting en premies heeft ingehouden.
Pagina1021-1023
UitspraakECLI:NL:CRVB:2012:BX4516
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekArbeidsongeschiktheid
TitelCentrale Raad van Beroep, 15-08-2012, 11/2638 WIA
CiteertitelRSV 2012/254
SamenvattingBekorting loonsanctie - herstel van onvoldoende re-integratieinspanningen - vertrouwen op mededeling re-integratiebureau
Samenvatting (Bron)Bekorting loonsanctie. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de tekortkomingen in de re-integratieverplichtingen niet zijn hersteld. Het standpunt van appellante dat zij redelijkerwijs mocht vertrouwen op het oordeel en de mededeling van het door haar ingeschakelde re-integratiebureau, kan niet worden gevolgd.
Pagina1023-1025
UitspraakECLI:NL:CRVB:2012:BX4606
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekArbeidsongeschiktheid
TitelCentrale Raad van Beroep, 03-08-2012, 10/6010 WIA
CiteertitelRSV 2012/255
SamenvattingToerekeningsbesluit - eigenrisicodrager - diensverband - ontslag alleen op papier - schening algemene beginselen van behoorlijk bestuur
Samenvatting (Bron)Toerekeningsbesluit. Eigenrisicodrager. Het Uwv wordt gevolgd in het standpunt dat het gestelde ontslag van werknemer alleen op papier heeft bestaan maar niet daadwerkelijk is doorgevoerd. De aan werknemer betaalde WGA-uitkeringen vanaf 1 januari 2008 (aanvang eigenrisicodragerschap) moeten daarom appellante worden toegerekend. Eventuele schending van algemene beginselen van behoorlijk bestuur zijn (nog) niet aan de orde. Deze beginselen kunnen eerst een rol spelen in de fase van verhaal op de werkgever van aan hem toegerekende Wet WIA uitkeringen.
Pagina1025-1027
UitspraakECLI:NL:CRVB:2012:BX3578
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekArbeidsongeschiktheid
TitelCentrale Raad van Beroep, 15-08-2012, 10/4505 ZW
CiteertitelRSV 2012/256
SamenvattingZiektemelding door werkgever - arbeidsgehandicapte - tijdige melding - terugwerkende kracht
Samenvatting (Bron)Toekenning met terugwerkende kracht. De tekst van artikel 38b, tweede lid, van de ZW, in samenhang bezien met de memorie van toelichting (zie bladzijde 60 en in het bijzonder bladzijde 115 (Kamerstukken II, 2004-2005, 30118, nr. 3)), moet, in aansluiting op hetgeen de Raad in zijn voornoemde uitspraak LJN BM2769 heeft beslist, aldus worden opgevat, dat er bij een tijdige melding door de werkgever maximaal tot ťťn jaar voorafgaand aan die melding van de werkgever (met terugwerkende kracht) ziekengeld kan worden verstrekt. Immers, de tweede volzin van artikel 38b, tweede lid, van de ZW is een vervolg op het bepaalde in de eerste volzin, zodat de zinsneden over de verstreken periode en ten hoogste over ťťn jaar kennelijk terugslaan op de in de eerste volzin bedoelde melding van de werkgever en geen betrekking hebben op (het begin of) het einde van de ziekteperiode waarop die melding betrekking heeft. Deze uitleg komt overeen met de systematiek van de toekenning met terugwerkende kracht van andere sociale zekerheidsuitkeringen zoals vastgelegd in artikel 25, tweede lid, van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet, artikel 35, tweede lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidverzekering en artikel 64, elfde lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen.
Pagina1027-1029
UitspraakECLI:NL:CRVB:2012:BX4894
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekBijstand
TitelCentrale Raad van Beroep, 21-08-2012, 10/6529 WWB + 11/3305 WWB
CiteertitelRSV 2012/257
SamenvattingTen onrechte ambtshalve toekenning bijzondere bijstand - schriftelijke aanvraag niet onmogelijk - herroeping toekennings- en terugvorderingsbesluit
Samenvatting (Bron)Vaststelling aflossingsbedrag geldlening voor de kosten van de schulden aan Nuon. Geen schriftelijke aanvraag. Het college heeft niet aannemelijk gemaakt dat in de situatie van appellante een schriftelijke aanvraag onmogelijk was. De enkele omstandigheid dat appellante was afgesloten van gas en elektriciteit en dat zij het koud had betekent niet dat de situatie zů spoedeisend was dat een schriftelijke aanvraag niet kon worden afgewacht, ook niet indien daarbij de gevorderde leeftijd van appellante in ogenschouw wordt genomen. Het college had appellante, die er tijdens een telefoongesprek blijk van gaf uitstekend haar wil kenbaar te kunnen maken, kunnen uitnodigen op het kantoor van de sociale dienst om haar in staat te stellen een schriftelijke aanvraag voor de kosten van schulden aan Nuon in te dienen. Het college heeft daar om hem moverende reden van afgezien. Dit betekent dat het college appellante ten onrechte bijzondere bijstand heeft toegekend in de vorm van een geldlening voor de kosten van de Nuon-schuld. Dat het college appellante ten onrechte bijzondere bijstand in de vorm van een geldlening heeft toegekend, betekent dat aan de terugvordering van de kosten van de in de vorm van een geldlening verstrekte bijzondere bijstand wegens het niet nakomen van de aan de geldlening verbonden aflossingsverplichtingen de grondslag is komen te ontvallen. Schadevergoeding.
Pagina1029-1032
UitspraakECLI:NL:CRVB:2012:BX5096
Artikel aanvragenVia Praktizijn