StAB, Jurisprudentietijdschrift voor omgevingsrecht

Uitgever Boom Juridische Uitgevers
Tijdschrift StAB, Jurisprudentietijdschrift voor omgevingsrecht
Datum 21-09-2012
Aflevering 3
RubriekArtikel
TitelDe gemeenteraad en de aanwijzing van gevallen waarin geen verklaring van geen bedenkingen is vereist. Een gecompliceerde bevoegdheid of vooral een rommelige bestuurspraktijk?
CiteertitelStAB 2012, nr.
SamenvattingDe Wabo introduceerde de 'verklaring van geen bedenkingen' in het omgevingsrecht. De wet is, als bekend, gebaseerd op het principe van ťť bevoegd gezag.
Auteur(s)T. Nijmeijer
Pagina7-14
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekMilieu/natuur/water
TitelRaad van State, 04-04-2012, 201003331/1/A4
CiteertitelStAB 2012, nr. 72
SamenvattingDe intrekking van een vergunning elders kan als mitigerende maatregel worden aangemerkt die bij de passende beoordeling mocht worden betrokken. Er is sprake van een directe samenhang tussen het bedrijf waarvan de vergunning is ingetrokken en het bedrijf waarvoor vergunning is verleend.
Samenvatting (Bron)Bij besluit van 18 februari 2010 heeft het college aan [vergunninghouder] een vergunning onder voorschriften verleend op grond van onder meer artikel 19d van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbw 1998) voor de vestiging van een varkenshouderij aan de verbindingsweg Kattenberg-Spoordonkseweg ongenummerd, te Oirschot. Dit besluit is op 24 februari 2010 ter inzage gelegd.
AnnotatorM. Kaajan
Pagina15-18
UitspraakECLI:NL:RVS:2012:BW0777
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekMilieu/natuur/water
TitelRaad van State, 04-04-2012, 201007614/1/A4
CiteertitelStAB 2012, nr. 73
SamenvattingEr is geen sprake van zodanige locatiespecifieke omstandigheden op grond waarvan verdergaande eisen dan de beste beschikbare technieken kunnen worden gesteld.
Samenvatting (Bron)Bij besluit van 21 juli 2010 heeft het college op verzoek van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Kuwait Petroleum Europoort B.V. (hierna: KPE), met toepassing van de artikelen 8.23 en 8.24 van de Wet milieubeheer, de voorschriften 4.3 en 5.1, verbonden aan de bij besluit van 8 augustus 2001 aan KPE verleende revisievergunning voor haar raffinaderij aan de Moezelweg 255 te Rotterdam-Europoort, gewijzigd en de voorschriften 5.7 en 5.8 aan deze vergunning verbonden. Dit besluit is op 29 juli 2010 ter inzage gelegd.
Pagina18-20
UitspraakECLI:NL:RVS:2012:BW0778
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekMilieu/natuur/water
TitelRechtbank 's-Gravenhage, 21-03-2012, AWB 11/8264
CiteertitelStAB 2012, nr. 74
SamenvattingHet door schepen bij het aan- en afmeren veroorzaakte geluid moet als indirecte hinder worden aangemerkt.
Samenvatting (Bron)Omgevingsvergunning verleend a.b.i. art. 2.1., eerste lid, onder e, Wabo in samenhang met art. 2.14, vijfde lid, Wabo en 3.10, derde lid, Wabo t.b.v. inrichting. Het door schepen bij het aan- en afmeren veroorzaakte geluid moet in dit geval als indirecte hinder worden aangemerkt. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (etmaalwaarde) van de vaarbewegingen van de schepen die de inrichting bezoeken niet past binnen de voorkeursgrenswaarde voor indirecte hinder.
Pagina20-24
UitspraakECLI:NL:RBSGR:2012:BW0374
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekMilieu/natuur/water
TitelRaad van State, 18-04-2012, 201008312/1/A4
CiteertitelStAB 2012, nr. 75
SamenvattingMet de verruiming van de geurcontour wordt niet de grondslag van de aanvraag verlaten.
Samenvatting (Bron)Besluit waarbij het college geweigerd heeft een aantal voorschriften te wijzigen die zijn verbonden aan de revisievergunning als bedoeld in art. 8.4, lid 3 van de Wm voor een inrichting voor het vervaardigen van producten voor vloeren, daken, wegenbouw en industrie. Het dagelijks bestuur heeft het verzoek van vergunninghouder om wijziging van een voorschrift afgewezen omdat inwilliging van dat verzoek er toe zou leiden dat de grondslag van de aanvraag voor de revisievergunning wordt verlaten. De Afdeling overweegt dat volgens haar vaste jurisprudentie, onder meer neergelegd in de uitspraak van 2 juni 2004, in zaak nr. 200306586/1 (LJN: AP0406), een vergunning verleend krachtens de Wet milieubeheer niet met toepassing van art. 8.24, lid 1 van de Wet milieubeheer zodanig kan worden gewijzigd, dat daarmee de grondslag van de aanvraag om die vergunning wordt verlaten. Voor een dergelijke verandering dient een veranderings- of revisievergunning te worden verleend. De Afdeling overweegt verder dat art. 8.24 van de Wet milieubeheer in het algemeen grondslag biedt voor een versoepeling van een milieunorm die is vastgelegd in de voorschriften van de vergunning of in de aanvraag om die vergunning. De wijziging van voorschrift 3.3.1, die strekt tot een verruiming van de geurcontour, brengt op zichzelf geen uitbreiding of verandering van de vergunde activiteiten met zich. Met de wijziging van dit voorschrift ontstaat evenmin een andere inrichting dan destijds is aangevraagd. Het enkele feit dat de in de aanvraag of het vergunningvoorschrift vastgelegde geurcontour wordt verruimd, betekent niet dat de grondslag van de aanvraag of van de vergunning wordt verlaten. Anders dan waar het dagelijks bestuur van uitgaat, is de omvang van de geuremissie en in verband daarmee het aantal gehinderden, niet van belang bij de beantwoording van de vraag of de grondslag van de in 2007 verleende vergunning of de aanvraag daarvan wordt verlaten, maar alleen bij de milieuhygiŽnische beoordeling van het verzoek om wijziging. Het bestreden besluit, voor daarbij het verzoek om wijziging van een voorschrift is afgewezen, is in strijd met art. 3:46 Awb dat bepaalt dat een besluit berust op een deugdelijke motivering.
Pagina24-26
UitspraakECLI:NL:RVS:2012:BW3050
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekMilieu/natuur/water
TitelRaad van State, 25-04-2012, 200902437/1/A4
CiteertitelStAB 2012, nr. 76
SamenvattingEr is sprake van bijzondere omstandigheden die een nadere beoordeling van de kosteneffectiviteit van de te treffen BBT-maatregelen wenselijk maken.
Samenvatting (Bron)Bij besluit van 3 maart 2009 heeft het college aan de naamloze vennootschap Total Raffinaderij Nederland N.V. (hierna: TRN) een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een inrichting bestemd voor de verwerking van ruwe aardolie, gelegen aan de Luxemburgweg 1 te Nieuwdorp, gemeente Borsele.
AnnotatorH.P. Nijhoff
Pagina26-32
UitspraakECLI:NL:RVS:2012:BW3940
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekMilieu/natuur/water
TitelRaad van State, 02-05-2012, 201011900/1/A4
CiteertitelStAB 2012, nr. 77
SamenvattingAppellanten zijn niet ontvankelijk aangezien het met het beroep beoogde doel (te weten: weigering vergunning of het verbinden van andere voorschriften aan de vergunning) vanwege de inwerkingtreding van het Bor niet meer kan worden bereikt.
Samenvatting (Bron)Bij besluit van 29 oktober 2010 heeft het college aan Evelop Netherlands B.V. (thans: Eneco Wind B.V.) een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het oprichten en in werking hebben van een windturbinepark van vijf windturbines op en nabij bedrijventerrein Ecofactorij te Apeldoorn. Dit besluit is op 10 november 2010 ter inzage gelegd.
AnnotatorV. van 't Lam
Pagina32-36
UitspraakECLI:NL:RVS:2012:BW4511
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekMilieu/natuur/water
TitelRaad van State, 16-05-2012, 201112427/1/A4
CiteertitelStAB 2012, nr. 78
SamenvattingNu appellante haar concurrentiebelang niet aannemelijk heeft gemaakt, is zij geen belanghebbende en mitsdien niet-ontvankelijk in haar beroep.
Samenvatting (Bron)Bij besluit van 13 oktober 2011 heeft het college aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Sonac Loenen B.V. (hierna: Sonac Loenen) een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een bloedverwerkend bedrijf aan het Kieveen 20 te Loenen. Het besluit is op 19 oktober 2011 ter inzage gelegd.
Pagina36-37
UitspraakECLI:NL:RVS:2012:BW5909
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekMilieu/natuur/water
TitelRaad van State, 23-05-2012, 200805659/1/A4
CiteertitelStAB 2012, nr. 79
SamenvattingGeen reden voor strengere emissie-eis nu de emissie-eis uit het Bees A strenger is dan de bovengrens van de emissierange in het van toepassing zijnde BBT-document. De ten opzichte van het BREF aangescherpte emissiegrenswaarde uit de Oplegnotitie BREF Grote stookinstallaties is van toepassing, nu het gaat om een aangewezen BBT-document. Daarbij is niet van belang dat deze strengere eis afkomstig is uit het beoordelingskader dat voor het Rijnmond-gebied vanwege de zich daar voordoende locatiespecifieke omstandigheden wordt gehanteerd.
Samenvatting (Bron)Besluit waarbij het college een vergunning als bedoeld in art. 8.4, lid 1 van de Wm heeft verleend voor een warmtekrachtcentrale en een stoom- en gasturbine-eenheid. De regionaal inspecteur stelt onder meer dat de emissiegrenswaarde voor NOx die het college heeft gesteld voor de STEG-eenheid, te hoog is. () De Afdeling overweegt dat in de inrichting ten minste de in aanmerking komende BBT moeten worden toegepast. Locatiespecifieke omstandigheden kunnen vergen dat in het belang van de bescherming van het milieu verdergaande technieken dan de in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast. Hierbij komt het college een zekere beoordelingsvrijheid toe. Voor inrichtingen als hier aan de orde moet het bevoegd gezag bij het bepalen van de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken op grond van tabel 1 van de bijlage bij de Regeling aanwijzing BBT-documenten rekening houden met het 'Reference Document on Best Available Techniques for Large Combustion Plants' (hierna: het BREF Grote stookinstallaties) en op grond van tabel 2 met de Nederlandse emissierichtlijn lucht (hierna: de NeR) en de Oplegnotitie BREF Grote stookinstallaties (hierna: de Oplegnotitie). () Ten aanzien van de motivering van het college om in afwijking van de emissierange uit de Oplegnotitie in vergunningvoorschrift 2.1.1 voor de STEG-eenheid een emissie-eis voor NOx te stellen van 50 mg/Nm3 als daggemiddelde waarde, overweegt de Afdeling dat het niet juist is dat, zoals het college stelt, de Oplegnotitie een hulpmiddel is bij het toepassen van het BREF Grote stookinstallaties waarbij de emissierange uit het BREF prevaleert. De Oplegnotitie is een aangewezen BBT-document waarmee ingevolge art. 1, lid 3 van de Regeling aanwijzing BBT-documenten rekening moet worden gehouden. Niet van belang is dat, zoals het college stelt, de emissierange voor NOx van 15-20 mg/Nm3 als jaargemiddelde waarde in de Oplegnotitie afkomstig is uit het beoordelingskader dat de provincie Zuid-Holland voor het Rijnmond-gebied vanwege de zich aldaar voordoende locatiespecifieke omstandigheden heeft vastgelegd. Immers, de minister heeft met de aanwijzing van de Oplegnotitie bepaald dat aan deze emissierange ook buiten het Rijnmond-gebied betekenis toekomt. Dat, zoals het college stelt, deze emissierange mede is ingegeven door de wens het ingevolge de NEC-richtlijn vastgestelde emissieplafond voor NOx niet te overschrijden, laat onverlet dat bij een besluit als het onderhavige met de Oplegnotitie rekening dient te worden gehouden. Dat de toepassing van een SCR-installatie volgens het college niet kosteneffectief is, kan evenmin gelden als voldoende reden om van de emissierange af te wijken. De kosteneffectiviteit van de toepassing van emissiereducerende maatregelen om de in BBT-documenten vermelde emissiewaarden te behalen, is in die emissierange reeds verdisconteerd. Het college heeft niet voldoende gemotiveerd waarom desondanks zou moeten worden geoordeeld dat in dit geval aan de kosteneffectiviteit van emissiereducerende maatregelen wel betekenis toekomt. Ook het betoog van het college dat een SCR-installatie niet is aangevraagd, zodat het opnemen van een emissiewaarde voor NOx die, zoals ook in het deskundigenbericht is vermeld, alleen met toepassing van een dergelijke installatie kan worden gerealiseerd, zou neerkomen op de impliciete weigering van de vergunning, is niet een deugdelijke motivering om af te wijken van de in de Oplegnotitie vermelde emissierange. Indien dit betoog van het college juist zou zijn, had het college de aangevraagde vergunning moeten weigeren. Het college heeft in strijd met art. 3:46 Awb niet toereikend gemotiveerd waarom in afwijking van de in de Oplegnotitie vermelde emissierange voor NOx van 15-20 mg/Nm3 als jaargemiddelde waarde voor gasturbines, in vergunningvoorschrift 2.1.1 voor de emissie van NOx vanwege de STEG-eenheid een daggemiddelde waarde van 50 mg/Nm3 is gesteld.
Pagina38-41
UitspraakECLI:NL:RVS:2012:BW6358
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekMilieu/natuur/water
TitelGerechtshof Arnhem, 29-05-2012, 24-002932-09
CiteertitelStAB 2012, nr. 80
SamenvattingUitleg van de begrippen Ďverstorení en Ďverstorend effectí in respectievelijk de Flora- en faunawet en de Natuurbeschermingswet.
Samenvatting (Bron)Uitleg van het begrip 'verstoren' als bedoeld in artikel van de 11 Flora- en Faunawet. Vrijspraak overtreding artikel 11 Flora-en Faunawet. Verder uitleg van het begrip 'verstorend effect' als bedoeld in artikel 19d Natuurbeschermingswet. Vrijspraak overtreding artikel 10d Natuurbeschermingswet.
Pagina42-46
UitspraakECLI:NL:GHARN:2012:BW7281
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekMilieu/natuur/water
TitelRaad van State, 30-05-2012, 201010331/1/A4
CiteertitelStAB 2012, nr. 81
SamenvattingArtikel 19kd van de Natuurbeschermingswet 1998 maakt geen uitzondering op de vergunningplicht.
Samenvatting (Bron)Bij besluit van 9 september 2010 heeft het college, na toepassing van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht, op grond van de aanvraag van [aanvrager] om een vergunning krachtens de artikelen 16 en 19d van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbw 1998) voor het wijzigen van een varkens- en paardenfokkerij nabij de Natura 2000-gebieden "Groote Peel", "Sarsven en de Banen" en "Weerter- en Budelerbergen & Ringselven", bepaald dat voor de aangevraagde activiteit geen vergunningplicht geldt.
AnnotatorM. Kaajan
Pagina46-49
UitspraakECLI:NL:RVS:2012:BW6948
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekMilieu/natuur/water
TitelRaad van State, 30-05-2012, 201102525/1/A4
CiteertitelStAB 2012, nr. 82
SamenvattingBij het stellen van de geluidsgrenswaarden voor bijzondere activiteiten is terecht aansluiting gezocht bij de spraakverstaanbaarheid in de woningen rondom de inrichting.
Samenvatting (Bron)Bij besluit van 4 februari 2011 heeft het college van gs aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Exploitatie Circuit Park Zandvoort B.V. (hierna: ECPZ) een vergunning als bedoeld in artikel 8.1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet milieubeheer verleend voor een verandering van het racecircuit aan de Burgemeester Van Alphenstraat 108 te Zandvoort. Dit besluit is op 11 februari 2011 ter inzage gelegd.
Pagina49-51
UitspraakECLI:NL:RVS:2012:BW6892
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekMilieu/natuur/water
TitelRechtbank Roermond, 31-05-2012, AWB 11/1483
CiteertitelStAB 2012, nr. 83
SamenvattingWisseling van diercategorie%n moet worden aangemerkt als een verandering van activiteiten, waardoor de grondslag van de aanvraag van de vigerende vergunning wordt verlaten.
Samenvatting (Bron)Besluit waarbij verweerder de vergunningvoorschriften voor het in werking hebben van een inrichting op grond van artikel 2.31, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wabo heeft gewijzigd ten behoeve van het omzetten van een zeugenhouderij naar een vleesvarkenshouderij. Daarbij heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat met de gevraagde wijziging niet de grondslag van de aanvraag om de eerdere vergunning wordt verlaten, dat de ammoniakuitstoot gelijk blijft, dat voldaan is aan de criteria van de Wet geurhinder en veehouderij en dat er geen nadelige gevolgen zijn voor de bodem, afval, energie, geluid en externe veiligheid en dat de gevolgen voor de luchtkwaliteit de grenswaarden niet overschrijden. In beroep is aangevoerd dat het besluit in strijd is met artikel 3, derde lid, van de Wet ammoniak en veehouderij. De rechtbank beoordeelt allereerst of het bestreden besluit binnen de grenzen van artikel 2.31 van de Wabo blijft en overweegt daartoe dat een vergunning die destijds krachtens de Wet Milieubeheer is verleend, en die nu wordt gelijkgesteld met een omgevingsvergunning krachtens artikel 2.1, eerste lid, onder e, juncto artikel 2.14 van de Wabo, op grond van artikel 2.31 van de Wabo niet zodanig kan worden gewijzigd dat daarmee de grondslag van de aanvraag om die vergunning wordt verlaten. Voor een dergelijke verandering is van toepassing een omgevingsvergunning krachtens artikel 2.1, aanhef en onder e ten tweede, dan wel artikel 2.6 van de Wabo. () De rechtbank is van oordeel dat de wisseling van diercategorieŽn vanwege de wijzigingen in huisvestingssystemen en daarmee samenhangende emissiefactoren (ammoniak, geur en fijnstof), en de toename van het aantal gespeende biggen in de groen label stal, niet kan worden vergund door een wijziging van een vergunningsvoorschrift zoals geregeld in artikel 2.31, tweede lid en onder b, van de Wabo. In het onderhavige geval dient de wisseling van diercategorieŽn aangemerkt te worden als een verandering van activiteiten ten opzichte van de onderliggende vergunning. Dat de ammoniakuitstoot van de inrichting gelijk blijft aan de voorheen vergunde situatie, en dat er ten aanzien van de inrichting van vergunninghouder gedoogbeleid zoals neergelegd in het Actieplan ammoniak veehouderijen van toepassing is, leidt niet tot een andere conclusie. Dat in het kader van het gedoogbeleid wisseling van diercategorieŽn is toegestaan, betekent op zich zelf nog niet dat dit met een wijziging van de vergunningvoorschriften mag worden gefaciliteerd. Genoemde factoren komen aan de orde bij de milieuhygiŽnische beoordeling van een vergunningverlening op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wabo voor veranderingen in de inrichting van zeugenhouderij naar vleesvarkenshouderij. Het voorgaande betekent dat toepassing van artikel 2.31 van de Wabo er niet toe kan leiden dat er een andere, of anders werkende, inrichting ontstaat dan waarvoor op 20 maart 2000 revisievergunning is verleend. Het bestreden besluit is dan ook in strijd met de artikelen 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, en 2.31 van de Wabo verleend en het beroep van eiser dient gegrond te worden verklaard. Het bestreden besluit zal op die grond worden vernietigd. De rechtbank ziet geen aanleiding de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand te laten, omdat een aanvraag voor een omgevingsvergunning tot het veranderen of veranderen van de werking van de inrichting niet voorligt en die aanvraag op grond van artikel 2.14 van de Wabo ook een ruimer milieuhygiŽnisch beoordelingskader vergt dan in het aan de rechtbank voorgelegde dossier aan de orde is. De enkele stelling van verweerders vertegenwoordiger ter zitting dat er inhoudelijk geen ander resultaat tot stand zou zijn gekomen dan materieel in het bestreden besluit is neergelegd, leidt de rechtbank niet tot de conclusie dat de rechtsgevolgen in stand dienen te worden gelaten.
Pagina51-53
UitspraakECLI:NL:RBROE:2012:BW8120
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekMilieu/natuur/water
TitelRechtbank Arnhem, 24-04-2012, 11/1219
CiteertitelStAB 2012, nr. 84
SamenvattingHandhavend optreden op basis van geluidsonderzoek dat deel uitmaakt van de vergunning niet mogelijk.
Samenvatting (Bron)Een vijftal lasten onder dwangsom zijn opgelegd aan een inrichting (champignonkwekerij).
Pagina53-54
UitspraakECLI:NL:RBARN:2012:BW7547
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekMilieu/natuur/water
TitelRaad van State, 06-06-2012, 201106361/1/A3
CiteertitelStAB 2012, nr. 85
SamenvattingArtikel 8 EVRM ziet niet op overlast van incidenteel karakter.
Samenvatting (Bron)Bij besluit van 28 juli 2010 heeft de burgemeester de Oranjevereniging Katwijk aan den Rijn een evenementenvergunning verleend voor de Najaarsfeesten Katwijk aan den Rijn 2010, die zullen plaatsvinden van 20 tot en met 29 augustus 2010, en daarbij nog een aantal vergunningen en een ontheffing ten behoeve van die Najaarsfeesten en heeft het college ten behoeve van die Najaarsfeesten tevens een aantal vergunningen verleend en een ontheffing van het verbod gebruik te maken van geluidsapparaten en geluidversterkende apparaten.
Pagina54-55
UitspraakECLI:NL:RVS:2012:BW7625
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekMilieu/natuur/water
TitelRaad van State, 27-06-2012, 201101874/1/A4
CiteertitelStAB 2012, nr. 86
SamenvattingAppellante is belanghebbende nu zij een bundeling van rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken individuele belangen tot stand brengt waarmee effectieve rechtsbescherming gediend kan zijn. Geluid van doorgaand treinverkeer binnen de inrichting in dit geval ten onrechte niet bij de beoordeling betrokken. Evenals bij vaar- en wegverkeer geeft ook het geluid van treinverkeer van en naar een inrichting op een gezoneerd industrieterrein geen grond om de vergunning te weigeren.
Samenvatting (Bron)OMGEVINGSRECHT. Milieu (oud). Geluidhinder. Vaste jurisprudentie van de Afdeling dat de door het treinverkeer veroorzaakte geluidbelasting niet aan het in werking zijn van de inrichting moet worden toegerekend indien het om doorgaand treinverkeer gaat. Alleen de treinbewegingen die verband houden met het in werking zijn van de inrichting als zodanig, moeten als onderdeel van de inrichting worden beschouwd. De Afdeling geeft in de uitspraak aan hoe de beoordeling dient plaats te vinden ten aanzien van de binnen en van de buiten de inrichting plaatsvindende treinbewegingen. Externe veiligheid. De Circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen bevat een kader voor de beoordeling van risico's van onder meer spoorvervoer van gevaarlijke stoffen en heeft onder meer betrekking op de beoordeling van risico's van verkeer van en naar een inrichting in de onmiddellijke omgeving van die inrichting wanneer op grond van de Wm een vergunning wordt verleend. Deze circulaire kan dienen als kader voor de beoordeling van de risico's van de toename van het spoorvervoer als gevolg van de bij het bestreden besluit vergunde verandering.
Pagina55-58
UitspraakECLI:NL:RVS:2012:BW9553
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRuimtelijke ordening
TitelRaad van State, 25-04-2012, 201108029/1/A1
CiteertitelStAB 2012, nr. 87
SamenvattingOmgevingsvergunning nodig voor nieuwe silo wegens strijd met bestemmingsplan.
Samenvatting (Bron)Bij besluit van 9 juli 2010 heeft het college [appellant] onder oplegging van een dwangsom gelast om de zonder bouwvergunning op het perceel [locatie] te Wanssum (hierna: het perceel) geplaatste silo te verwijderen en verwijderd te houden.
Pagina59-60
UitspraakECLI:NL:RVS:2012:BW3909
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRuimtelijke ordening
TitelRaad van State, 01-05-2012, 201200076/2/R4
CiteertitelStAB 2012, nr. 88
SamenvattingWijzigingsplan maakt uitbreiding melkveehouderij mogelijk. M.e.r.-beoordelingsplichtige activiteit.
Samenvatting (Bron)Bij besluit van 15 november 2011 heeft het college het wijzigingsplan "Bestemmingsplan Buitengebied 1998 - wijzigingsplan [locatie] Blijham" vastgesteld.
Pagina60-62
UitspraakECLI:NL:RVS:2012:BW5239
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRuimtelijke ordening
TitelRaad van State, 02-05-2012, 201108716/1/A1
CiteertitelStAB 2012, nr. 89
SamenvattingOprichten geitenmelkstal niet zonder meer in strijd met 8 EVRM. Beoordeling gezondheidsaspecten bij vergunningverlening op grond van WMB.
Samenvatting (Bron)Bij besluit van 27 augustus 2010 heeft het college aan [vergunninghoudster] bouwvergunning verleend voor het bouwen van een (geiten)melkstal op het perceel [locatie] te Ambt Delden, gemeente Hof van Twente.
Pagina62-63
UitspraakECLI:NL:RVS:2012:BW4498
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRuimtelijke ordening
TitelRechtbank Utrecht, 02-05-2012, SBR 11/2667 T
CiteertitelStAB 2012, nr. 90
SamenvattingIngsvergunning. Ten onrechte splitsing aangebracht tussen activiteit bouwen en activiteit strijdig met bestemmingsplan.
Samenvatting (Bron)Wabo, tussenuitspraak. Artikel 3 van Bijlage II van het Bor is niet van toepassing wanneer het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan.
Pagina63-64
UitspraakECLI:NL:RBUTR:2012:BW8600
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRuimtelijke ordening
TitelRaad van State, 16-05-2012, 201104078/1/A1
CiteertitelStAB 2012, nr. 91
SamenvattingLeemte in gewijzigde Woningwet. Betrekken van stedenbouwkundige voorschriften bij de beoordeling van de aanvraag bouwvergunning tweede fase.
Samenvatting (Bron)Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 23 februari 2011 in zaak nr. 201003683/1/H1, LJN: BP5441), wordt het besluit op bezwaar genomen met inachtneming van de feiten en omstandigheden ten tijde van het nemen van het besluit op bezwaar en de te dien tijde geldende rechts- en beleidsregels. Ten gevolge van een wijzing van de Woningwet diende ten tijde van het besluit van het college om appellant sub 2 bouwvergunning eerste fase te verlenen, de toetsing aan de stedenbouwkundige voorschriften van de bouwverordening plaats te vinden in het kader van de aanvraag om bouwvergunning tweede fase, en diende ten tijde van het thans aan de orde zijnde besluit op bezwaar de toetsing aan de stedenbouwkundige voorschriften van de bouwverordening plaats te vinden in het kader van de aanvraag om bouwvergunning eerste fase. Als gevolg hiervan zouden de stedenbouwkundige voorschriften van de bouwverordening noch bij de beoordeling van de aanvraag bouwvergunning eerste fase, noch bij de beoordeling van de aanvraag bouwvergunning tweede fase kunnen worden betrokken. De Rb. (Rb. Arnhem, 25-02-2011, 09/4276 en 09/4423, LJN: BP7687) heeft terecht overwogen dat de wet op dit punt niet voorziet in een regeling, terwijl uit de wet noch uit de geschiedenis van de het per 15 juli 2009 gewijzigde art. 56a van de Woningwet (kamerstukken II 2008/2009, 31750, nr. 3, blz. 17) kan worden afgeleid dat een dergelijke leemte is beoogd. In de wetsgeschiedenis is vermeld dat de toets aan de stedenbouwkundige voorschriften van de bouwverordening pas kan komen te vervallen wanneer de bestemmingsplannen, ten aanzien waarvan stedenbouwkundige voorschriften in de bouwverordening een aanvullende werking hebben, overeenkomstig de actualiseringregeling in de Wro en de overgangsregeling in de Invoeringswet Wro zijn vervangen. De Rb. heeft hieruit met juistheid afgeleid dat is beoogd dat tot die tijd, indien nodig, aan die stedenbouwkundige voorschriften wordt getoetst, ook bij gefaseerde bouwvergunningen. Dit volgt ook uit de omstandigheid dat zowel de Woningwet, zoals die luidde tot 15 juli 2009, als de Woningwet, zoals die nadien heeft geluid, voorzagen in een beoordeling van de stedenbouwkundige voorwaarden op enig moment. Nu aangenomen moet worden dat deze leemte in de wet niet is beoogd, heeft de Rb. hierin met juistheid aanleiding gezien om de stedenbouwkundige voorschriften bij de thans voorliggende beoordeling van de tweede fase te betrekken.
Pagina65-67
UitspraakECLI:NL:RVS:2012:BW5914
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRuimtelijke ordening
TitelRaad van State, 23-05-2012, 201106139/1/R2
CiteertitelStAB 2012, nr. 92
SamenvattingArtikel 1.9 Chw is niet van toepassing in de zienswijzenfase. Eigenaar van concurrerend winkelcentrum is op grond van artikel 1.9 Chw niet ontvankelijk ten aanzien van bezwaren inzake woningdifferentiatie, geluidsoverlast en luchtkwaliteit.
Samenvatting (Bron)Bij besluit van 7 april 2011, nr. 2011 - 45, heeft de raad het bestemmingsplan "Castellum Novum" vastgesteld.
Pagina67-69
UitspraakECLI:NL:RVS:2012:BW6383
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRuimtelijke ordening
TitelRechtbank Utrecht, 23-05-2012, SBR 11/3851
CiteertitelStAB 2012, nr. 93
SamenvattingCrisis- en herstelwet van toepassing. De rechtbank oordeelt dat niet aannemelijk is dat eisers zijn benadeeld in hun belangen door in het strijd met de WGH ontbreken van een akoestisch onderzoek.
Samenvatting (Bron)Wabo + Chw + Wgh. Omgevingsvergunning (Wabo-projectbesluit) i.v.m. groot onderhoud van de A28 t.h.v. Amersfoort in de aanloop naar door de minister te nemen Wegaanpassingsbesluit (Wab) (vergroting aantal rijstroken A28). Aanleg faseringsstroken. Hoewel het (ontwerp-)wegaanpassingsbesluit geen onderdeel uitmaakt van de onderhavige beroepsprocedure, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een wezenlijke samenhang tussen het bestreden besluit en het wegaanpassingsbesluit dat in voorbereiding is. Geen sprake van coŲrdinatieplicht Wab en onderhavige omgevingsvergunning. In strijd met de Wgh is geen akoestisch onderzoek verricht. Met toepassing van artikel 1.5 Chw oordeelt de rechtbank dat aannemelijk is geworden dat eiseres, een stichting die opkomt voor belangen van omwonenden, door de geconstateerde schending van artikel 77 van de Wgh niet is benadeeld. Ten aanzien van de door eiseres bepleite alternatieven oordeelt de rb dat eiseres er niet in is geslaagd om aannemelijk te maken dat daarmee een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren. Beroep ongegrond. Artikelen 2.1, eerste lid, onder a, c en g en artikel 2.12 eerste lid, onder a, onder 3į, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. 1.1, 1.5, 1.6a en Bijlage I van de Crisis- en herstelwet. 74, 76a, 77 van de Wet geluidhinder.
Pagina69-72
UitspraakECLI:NL:RBUTR:2012:BW7529
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRuimtelijke ordening
TitelRechtbank Utrecht, 06-06-2012, SBR 12/1391 en 12/1230
CiteertitelStAB 2012, nr. 94
SamenvattingHet niet gelden van geluidwaarden voor onversterkte muziek op grond van het Barim heeft niet tot gevolg dat er geen belangenafweging in het kader van de ruimtelijk relevante effecten op het woon- en leefklimaat in de omgeving kan plaatsvinden.
Samenvatting (Bron)Besluit waarbij verweerder vrijstelling heeft verleend van het geldende bestemmingsplan voor uitbreiding van het gebruik van de St. Aegtenkapel door Theater De Flint N.V. voor commerciŽle activiteiten onder voorwaarden. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder bij zijn belangenafweging in redelijkheid meer gewicht heeft mogen toekennen aan het belang van de omwonenden bij bescherming van hun woon- en leefklimaat in geval van uitbreiding van de gebruiksmogelijkheden van de St. Aegtenkapel met commerciŽle activiteiten, dan aan het belang van De Flint bij het toestaan van onversterkte muziek tijdens die commerciŽle activiteiten. Hetgeen in beroep is aangevoerd kan dan ook niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. Het beroep is ongegrond. Omdat het beroep ongegrond is, is er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen.
Pagina72-75
UitspraakECLI:NL:RBUTR:2012:BW7706
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRuimtelijke ordening
TitelRaad van State, 06-06-2012, 201102419/1/A2
CiteertitelStAB 2012, nr. 95
SamenvattingGemeentelijke verordening Cultuurhistorie. Aanwijzing gemeentelijk monument. Feitelijke onjuistheden in redengevende omschrijving.
Samenvatting (Bron)Bij besluit van 21 april 2009 heeft het college het pand aan de [locatie] (hierna: het pand) aangewezen tot gemeentelijk monument.
AnnotatorT. Nijmeijer
Pagina75-79
UitspraakECLI:NL:RVS:2012:BW7605
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRuimtelijke ordening
TitelRaad van State, 27-06-2012, 201008988/1/R3
CiteertitelStAB 2012, nr. 96
SamenvattingPlan-m.e.r.-verplichting in geval van wijzigingsbevoegdheid ten behoeve van intensieve veehouderij in reconstructiegebied. Actualiseringsplicht bestemmingsplan en verwerken bouwvoornemens.
Samenvatting (Bron)Bij besluit van 1 juli 2010, nr. 30, heeft de raad van de gemeente Oss het bestemmingsplan "Buitengebied Oss-2010" vastgesteld.
Pagina79-81
UitspraakECLI:NL:RVS:2012:BW9531
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRuimtelijke ordening
TitelRaad van State, 27-06-2012, 201111729/1/R2
CiteertitelStAB 2012, nr. 97
SamenvattingBezwaren inzake schending normen van de NB-wet 1998 blijven in casu op grond van het relativiteitsbeginsel buiten beschouwing.
Samenvatting (Bron)Bij besluit van 1 september 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "Windpark Zierikzee" vastgesteld.
AnnotatorT. Lam
Pagina81-85
UitspraakECLI:NL:RVS:2012:BW9568
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekSchadevergoeding
TitelRaad van State, 11-04-2012, 201107694/1/A2
CiteertitelStAB 2012, nr. 98
SamenvattingLengte van de bouwwerken is niet in de planvoorschriften gelimiteerd. Maximale invulling van de planologische mogelijkheden door redelijke uitleg van de bepaling.
Samenvatting (Bron)Bij besluit van 20 januari 2009 heeft het college aan [persoon] 9.120,00 vermeerderd met wettelijke rente ter vergoeding van planschade toegekend.
Pagina86-87
UitspraakECLI:NL:RVS:2012:BW1605
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekSchadevergoeding
TitelRaad van State, 30-05-2012, 201106164/1/A2
CiteertitelStAB 2012, nr. 99
SamenvattingVoor voorzienbaarheid van een planologische verandering buiten het eigen perceel is alleen de planologische situatie ten tijde van de koop van belang.
Samenvatting (Bron)Bij besluit van 10 juli 2009 heeft het college aan [appellanten] een vergoeding voor planschade ten bedrage van 13.000,00 toegekend.
AnnotatorB. van den Broek
Pagina87-90
UitspraakECLI:NL:RVS:2012:BW6912
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekSchadevergoeding
TitelRaad van State, 27-06-2012, 201109361/1/A2
CiteertitelStAB 2012, nr. 100
SamenvattingOvergangsbepaling vergelijkbaar met positieve bestemming.
Samenvatting (Bron)Toekennen planschadevergoeding. Het geschil is beperkt tot de eerste planvergelijking, te weten die van het bestemmingsplan "Landelijk gebied" met het bestemmingsplan "Hooghalen Westerkampen". Daarbij staat centraal de overgangsbepaling in art. 35 van de voorschriften van het bestemmingsplan "Landelijk Gebied". Appellant betoogt dat de Rb. ten onrechte heeft geoordeeld dat deze overgangsbepaling niet zo verstrekkend is, dat zij te vergelijken is met een positieve bestemming. Hij voert aan dat de Rb. ten onrechte van belang heeft geacht dat aan de vrijstellingen in deze bepaling voorwaarden konden worden verbonden, aangezien bij verzoeken om vergoeding van planschade dient te worden uitgegaan van de maximale invulling van het bestemmingsplan, inclusief de vrijstellingen. Nu de overgangsbepaling in art. 35 van de voorschriften van het oude bestemmingsplan meer uitbreidingsmogelijkheden bood dan het nieuwe bestemmingsplan en met toepassing van de in art. 35, lid 6, opgenomen vrijstellingsmogelijkheid volledige nieuwbouw van een woning op zijn perceel mogelijk was, dient deze overgangsbepaling volgens appellant als een positieve bestemming te worden aangemerkt. Anders dan appellant betoogt, heeft de Rb. bij de beoordeling of de overgangsbepaling is gelijk te stellen met een positieve bestemming terecht van belang geacht of aan de in die bepaling opgenomen bouwmogelijkheden voorwaarden zijn verbonden. Dat in het kader van de planvergelijking bij de maximale invulling van het bestemmingsplan de vrijstellingsbepalingen worden meegenomen, leidt niet tot een ander oordeel aangezien die bepalingen de mogelijkheden om te bouwen met toepassing van het overgangsrecht wel verruimen, maar slechts in beperkte mate. Uit de overgangsbepaling in art. 35 van de planvoorschriften van het bestemmingsplan "Landelijk gebied" volgt dat de mogelijkheden om de woning van appellant te vernieuwen, te veranderen en te vergroten is beperkt. Zo is de in het eerste lid toegestane gedeeltelijk vergroting van onder het overgangsrecht vallende gebouwen beperkt, in die zin dat die niet meer dan 15% van het bestaande grondoppervlak van het betreffende gebouw mag omvatten en geen grotere goothoogte mag hebben dan die van het bestaande gebouw. Voorts is de in het vierde lid opgenomen bevoegdheid van het college om vrijstelling te verlenen van het eerste lid ten behoeve van woningen eveneens beperkt, in die zin dat het grondoppervlak ervan mag worden uitgebreid met meer dan 15% tot een grondoppervlak van maximaal 60 m2. Tot slot is de in het zesde lid opgenomen bevoegdheid van het college om vrijstelling te verlenen van het eerste lid, onder a, ten behoeve van het geheel vernieuwen van bouwwerken op de bestemming agrarische doeleinden, beperkt in het zevende lid voor wat betreft onder meer de afmetingen en goothoogte van het desbetreffende gebouw. Gelet op deze beperkingen heeft de Rb. terecht geoordeeld dat geen sprake is van een overgangsbepaling die zo verstrekkend is, dat zij te vergelijken is met een positieve bestemming. Het hoger beroep is ongegrond.
Pagina90-91
UitspraakECLI:NL:RVS:2012:BW9539
Artikel aanvragenVia Praktizijn