StAB, Jurisprudentietijdschrift voor omgevingsrecht

Uitgever Boom Juridische Uitgevers
Tijdschrift StAB, Jurisprudentietijdschrift voor omgevingsrecht
Datum 10-12-2012
Aflevering 4
TitelWarmte- en koudeopslag: het juridisch kader
CiteertitelStAB 2012, nr.
SamenvattingDe warmte- en koudevoorziening van gebouwen door middel van warmte- en koudeopslag (hierna:WKO) is hot! De jurisprudentie toont aan dat WKO de afgelopen jaren een steeds belangrijker rol is gaan spelen. In deze bijdrage gaan wij in op het juridisch kader rond de plaatsing van WKO.
Auteur(s)R. Aerts , E. Brans
Pagina7-11
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekMilieu/natuur/water
TitelRaad van State, 04-07-2012, 201106253/1/R4
CiteertitelStAB 2012, nr. 101
SamenvattingBesluit tot het vaststellen van hogere grenswaarden op grond van de Wet geluidhinder voor nieuwe te bouwen villa's.
Samenvatting (Bron)Bij besluit van 22 maart 2011, heeft het college van burgemeester en wethouders van Laren (hierna: het college) hogere geluidgrenswaarden als bedoeld in artikel 83, tweede lid, van de Wet geluidhinder (hierna: Wgh) vastgesteld voor de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting vanwege de Rijksweg A1 voor 10 appartementen in 3 nieuw te bouwen villa's gelegen aan de Rijksweg West 14-16 te Laren.
Pagina12-13
UitspraakECLI:NL:RVS:2012:BX0292
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekMilieu/natuur/water
TitelRaad van State, 11-07-2012, 201111980/1/A4
CiteertitelStAB 2012, nr. 102
SamenvattingBesluit tot buiten behandeling laten van een aanvraag om een vergunning op grond van de Wet milieubeheer.
Samenvatting (Bron)Bij besluit van 15 februari 2011 heeft het college de door [appellante] op 29 september 2010 ingediende aanvraag om een vergunning krachtens de Wet milieubeheer voor haar inrichting op het perceel [locatie] te [plaats] buiten behandeling gelaten.
Pagina13-14
UitspraakECLI:NL:RVS:2012:BX1088
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekMilieu/natuur/water
TitelRaad van State, 11-07-2012, 201104260/1/A4
CiteertitelStAB 2012, nr. 103
SamenvattingLast onder dwangsom wegens het in werking hebben van een inrichting in strijd met artikel 8.1, eerste lid, Wet milieubeheer.
Samenvatting (Bron)Bij besluit van 8 september 2010 heeft het college aan [appellante] een last onder dwangsom opgelegd wegens het in werking hebben van een inrichting op het perceel aan de [locatie] in strijd met artikel 8.1, eerste lid van de Wet milieubeheer.
Pagina14-15
UitspraakECLI:NL:RVS:2012:BX1022
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekMilieu/natuur/water
TitelRaad van State, 01-08-2012, 201104129/1/A4
CiteertitelStAB 2012, nr. 104
SamenvattingToevoegen van voorschriften aan de vergunning krachtens de Wet milieubeheer (WMB) voor een inrichting voor het produceren, verwerken en recyclen van kunststoffen.
Samenvatting (Bron)Bij besluit van 21 februari 2011 heeft het college met toepassing van artikel 8.24, eerste lid, van de Wet milieubeheer de voorschriften van de bij besluit van 7 maart 2008 aan Synbra krachtens die wet verleende revisievergunning voor een inrichting bestemd voor het produceren, verwerken en recyclen van kunststoffen, gelegen aan de Zeedijk 25 te †Etten-Leur, aangevuld met voorschriften betreffende de indirecte lozing van afvalwater. Dit besluit is op 28 februari 2011 ter inzage gelegd.
AnnotatorV. van 't Lam
Pagina16-18
UitspraakECLI:NL:RVS:2012:BX3223
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekMilieu/natuur/water
TitelRaad van State, 01-08-2012, 201104130/1/A4
CiteertitelStAB 2012, nr. 105
SamenvattingVergunning krachtens de Waterwet voor een inrichting voor het produceren, verwerken en recyclen van kunststoffen.
Samenvatting (Bron)Bij besluit van 22 februari 2011 heeft het dagelijks bestuur aan Synbra, Zeedijk 25 te Etten-Leur, een vergunning als bedoeld in artikel 6.2 van de Waterwet verleend. Dit besluit is op 28 februari 2011 ter inzage gelegd.
Pagina18-21
UitspraakECLI:NL:RVS:2012:BX3222
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekMilieu/natuur/water
TitelRaad van State, 01-08-2012, 201104224/1/A4
CiteertitelStAB 2012, nr. 106
SamenvattingRevisievergunning krachtens de Wet milieubeheer voor een inrichting voor het vervaardigen van betonproducten.
Samenvatting (Bron)Bij besluit van 22 februari 2011 heeft het college aan Cementbouw B.V. een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor het vervaardigen van betonmortel en betonproducten en de handel in zand en grind op het perceel Zuiderhavenweg 44 te Tiel. Dit besluit is op 28 februari 2011 ter inzage gelegd.
Pagina21-23
UitspraakECLI:NL:RVS:2012:BX3291
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekMilieu/natuur/water
TitelRaad van State, 08-08-2012, 201008120/1/A4 en 201008176/1/A4
CiteertitelStAB 2012, nr. 107
SamenvattingAfwijzing van het verzoek om handhavend op te treden tegen de boomkorsvisserij in een aantal nader gespecificeerde gebieden in de Noordzee.
Samenvatting (Bron)Bij besluiten van 17 september 2009 heeft de minister de verzoeken van Greenpeace afgewezen om handhavend op te treden dan wel algemene maatregelen te nemen ten aanzien van de boomkorvisserij in een aantal nader gespecificeerde gebieden in de Noordzee.
Pagina23-25
UitspraakECLI:NL:RVS:2012:BX3932
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekMilieu/natuur/water
TitelRaad van State, 15-08-2012, 201101170/1/A4
CiteertitelStAB 2012, nr. 108
SamenvattingRevisievergunning krachtens de Wet milieubeheer voor een veehouderij.
Samenvatting (Bron)- Algemeen wet bestuursrecht: Algemene wet bestuursrecht: 2.15 lid 1 - Algemeen wet bestuursrecht: Algemene wet bestuursrecht: 6: ahf en onder b
Pagina25-27
UitspraakECLI:NL:RVS:2012:BX4675
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekMilieu/natuur/water
TitelRaad van State, 15-08-2012, 201101474/1/A4
CiteertitelStAB 2012, nr. 109
SamenvattingVergunning krachtens de Natuurbeschermingswet 1998 (NB-wet 1998) voor een project in het Natura 2000-gebied Veluwerandmeren dat bestaat uit een groot aantal 'inrichtingsmaatregelen' op het gebied van waterkwaliteit, natte natuur, watersport, oevergebruik en recreatie.
Samenvatting (Bron)Bij besluit van 14 december 2010 heeft het college op grond van artikel 19d, eerste lid, van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbw 1998) aan Rijkswaterstaat IJsselmeergebied vergunning verleend.
AnnotatorM. Kaajan
Pagina27-31
UitspraakECLI:NL:RVS:2012:BX4650
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekMilieu/natuur/water
TitelRaad van State, 22-08-2012, 201200570/1/A1
CiteertitelStAB 2012, nr. 110
SamenvattingHoger beroep tegen uitspraak Rechtbank Amsterdam waarin appellanten niet-ontvankelijk zijn verklaard vanwege het onredelijk laat indienen van hun beroepschrift.
Samenvatting (Bron)Appellanten betogen dat de Raad van State handelt in strijd met art. 6 EVRM door van hen griffierecht van 227,00 te heffen. Zij voeren daartoe aan dat, nu personen met een hoger inkomen dan zij ook dit bedrag dienen te betalen, niet iedere burger dezelfde toegang heeft tot de rechter. Naar aanleiding van het tegen de aangevallen uitspraak gerichte hogerberoepschrift is krachtens art. 51 lid 1 Wet op de Raad van State griffierecht geheven. Daarmee is niet gehandeld in strijd met art. 6 EVRM. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (ABRS 25-05-2011, 201010012/1/H1, LJN: BQ5948), is in die verdragsbepaling geen absoluut recht op toegang tot de rechter neergelegd. Aan de verdragsstaten komt ruimte toe bij het stellen van regels die beperkingen kunnen inhouden, mits het recht op toegang tot de rechter daardoor niet in zijn kern wordt aangetast, de gestelde beperkingen een rechtmatig doel dienen en aan de evenredigheidseis is voldaan. Aan deze voorwaarden is hier voldaan. Voorts volgt uit de uitspraak ABRS, 14-12-2005, 200506877/3, onder verwijzing naar ABRS, 24-08-2000, 200002428/P01 en ABRS, 28-09-2000, 200002133/P01 (niet gepubliceerd), dat de heffing van griffierecht voor een bedrag in de orde van grootte als het onderhavige, niet in de weg staat aan het in art. 6 EVRM gewaarborgde recht op toegang tot de rechter. Appellanten hebben ook niet aannemelijk gemaakt dat zij niet in staat zijn het door hen verschuldigde griffierecht te voldoen. Het betoog faalt.
Pagina31-32
UitspraakECLI:NL:RVS:2012:BX5246
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekMilieu/natuur/water
TitelRaad van State, 29-08-2012, 201012244/1/A4
CiteertitelStAB 2012, nr. 111
SamenvattingVergunning krachtens de NB-wet 1998 voor een varkenshouderij nabij het in de provincie Limburg gelegen beschermde natuurmonument Rouwkuilen.
Samenvatting (Bron)Bij besluit van 28 oktober 2010 heeft het college aan [vergunninghoudster] vergunning als bedoeld in artikel 16 van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: de Nbw 1998) verleend voor een varkenshouderij nabij het beschermd natuurmonument "Rouwkuilen". Het besluit is vanaf 3 november 2010 ter inzage gelegd.
Pagina32-36
UitspraakECLI:NL:RVS:2012:BX5979
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekMilieu/natuur/water
TitelGerechtshof 's-Gravenhage, 14-08-2012, 200.068.048/01
CiteertitelStAB 2012, nr. 112
SamenvattingAfwijzing van het verzoek om een voorschrift van een milieuvergunning in te trekken waarbij als referentiesituatie een bodemonderzoek naar de nulsituatie moet zijn uitgevoerd.
Samenvatting (Bron)Wet financieel toezicht (Wft). Handelen als plaatsingsagent zonder vergunning ex artikel 2:96 Wft en zonder hantering van een goedgekeurde prospectus (artikel 5:2 Wft)?
Pagina36-39
UitspraakECLI:NL:GHSGR:2012:BX6969
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekMilieu/natuur/water
TitelRaad van State, 05-09-2012, 201112697/1/A4
CiteertitelStAB 2012, nr. 113
SamenvattingNiet-ontvankelijkverklaring van verzoek om handhavingsmaatregelen te treffen.
Samenvatting (Bron)Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in ABRS, 17-03-1998, H01.96.1158 (LJN: ZF3235) heeft, indien een bestuursorgaan bij de bekendmaking van een besluit onjuiste rechtsmiddelenvoorlichting verschaft, behoudens kennelijke misslagen, te gelden dat een daardoor veroorzaakte termijnoverschrijding op grond van art. 6:11 Awb verschoonbaar kan worden geacht. In ABRS, 21-09-2011, 201010355/1/H2 (LJN: BT2131) heeft de Afdeling overwogen dat een termijnoverschrijding ten gevolge van het ontbreken van een rechtsmiddelenverwijzing niet verschoonbaar is, indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat belanghebbende wist dat hij binnen een bepaalde termijn bezwaar moest maken dan wel beroep of hoger beroep moest instellen. De Afdeling was van oordeel dat van bekendheid met deze termijn kan worden uitgegaan indien de belanghebbende voor afloop van de termijn door een professionele rechtsbijstandverlener werd bijgestaan. In het bij de Rb. bestreden besluit is een onjuiste rechtsmiddelenverwijzing opgenomen. Een onjuiste rechtsmiddelenverwijzing kan wat betreft de verschoonbaarheid van een daardoor veroorzaakte termijnoverschrijding niet op ťťn lijn worden gesteld met het ontbreken van een rechtsmiddelenverwijzing. Indien een rechtsmiddelenverwijzing is opgenomen, mag daarop, behoudens kennelijke misslagen, uit een oogpunt van rechtszekerheid worden vertrouwd, ook indien de belanghebbende wordt bijgestaan door een beroepsmatige rechtsbijstandverlener.
Pagina39-40
UitspraakECLI:NL:RVS:2012:BX6500
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekMilieu/natuur/water
TitelRaad van State, 19-09-2012, 201103950/1/A4
CiteertitelStAB 2012, nr. 114
SamenvattingMilieuvergunning voor een veehouderij. Appellanten betogen dat artikel 3 Wgv in strijd is met de artikelen 8 en 14 EVRM.
Samenvatting (Bron)Besluit waarbij een vergunning is verleend als bedoeld in art. 8.1 van de Wm voor het veranderen van een varkenshouderij. Appellanten hebben onder meer aangevoerd dat art. 3 van de Wet geurhinder en veehouderij in strijd is met de artikelen 8 en 14 van het EVRM. () De Afdeling overweegt daartoe dat volgens vaste jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (onder meer het arrest van 9 december 1994, LJN: AH6193 en het arrest van 8 juli 2003, LJN: AO0091) uit art. 8 EVRM een positieve verplichting voortvloeit om burgers te beschermen tegen de gevolgen van milieuvervuiling. In dergelijke situaties is een "fair balance" tussen individueel en algemeen belang vereist, waarbij aan milieubelangen geen speciale status toekomt. Bij het bepalen van het gewicht van deze belangen heeft de wetgever een beoordelingsmarge. De in art. 3 van de Wet geurhinder en veehouderij opgenomen regels over de bij vergunningverlening toelaatbare geurbelastingen zijn de uitkomst van een afweging tussen een complex van belangen, zowel algemene (milieu)belangen als die van de veehouders enerzijds en de omwonenden anderzijds. Zoals is overwogen heeft de wetgever bij deze afweging een beoordelingsmarge. Hetgeen appellanten aanvoeren, geeft geen grond voor het oordeel dat de wetgever deze beoordelingsmarge heeft overschreden en geeft dus geen grond voor het oordeel dat art. 3 van de Wet geurhinder en veehouderij in strijd is met art. 8 van het EVRM. De Afdeling overweegt verder dat art. 14 van het EVRM niet iedere ongelijke behandeling van gelijke gevallen verbiedt, maar alleen die welke als discriminatie moet worden beschouwd omdat een objectieve en redelijke rechtvaardiging ervoor ontbreekt. Volgens jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (onder meer het arrest van 8 juli 1986, Lithgow en anderen tegen het Verenigd Koninkrijk, nr. 9006/80, Series A102 par. 120) heeft de wetgever bij de bepaling of en tot op welke hoogte verschillen in voor het overige vergelijkbare gevallen een ongelijke behandeling rechtvaardigen, een beoordelingsmarge. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet geurhinder en veehouderij (TK 2005/2006, 30 453, nr. 3, p. 16-18) blijkt dat de wetgever bij het in art. 3 gemaakte onderscheid tussen objecten die enerzijds binnen of buiten de bebouwde kom en anderzijds binnen of buiten concentratiegebieden zijn gelegen, onder meer de geurbeleving en het aantal geurgevoelige objecten met een woon- of verblijffunctie heeft betrokken. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de wetgever, door dit onderscheid te maken, buiten zijn beoordelingsmarge is getreden, zodat geen grond bestaat voor het oordeel dat art. 3 van de Wet geurhinder en veehouderij in dit opzicht in strijd is met art. 14 van het EVRM. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling geen aanleiding om art. 3 van de Wet geurhinder en veehouderij wegens strijd met de artikelen 8 en 14 van het EVRM buiten toepassing te laten. ()
Pagina40-42
UitspraakECLI:NL:RVS:2012:BX7700
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRuimtelijke ordening
TitelRechtbank Roermond, 02-07-2012, AWB 12/75
CiteertitelStAB 2012, nr. 115
SamenvattingAan derde-belanghebbende is een omgevingsvergunning van rechtswege verleend voor de activiteit bouwen.
Samenvatting (Bron)De omgevingsvergunning voor bouwen is van rechtswege verleend. Eisers beroepen zich op strijd met het bestemmingsplan. De vraag ligt voor of een bestemmingsplanvoorschrift dat betrekking heeft op de mogelijkheid van bouwen voor de voorgevelrooilijn van toepassing is. Niet in geschil is dat het bouwplan betrekking heeft op een aangebouwd bijgebouw. De aanhef van het betreffende bestemmingsplanvoorschrift spreekt over vrijstaande bijgebouwen. Verweerder verbindt hieraan de conclusie dat dit voorschrift niet van toepassing is op de voorliggende situatie en per abuis in de bestemmingsplanvoorschriften is opgenomen nu voor het overige niets is geregeld ten aanzien van aangebouwde bijgebouwen. Gelet op het specifieke karakter van het betreffende bestemmingsplanvoorschrift gaat de rechtbank voorbij aan de redenering dat dit per abuis is opgenomen en niet van toepassing zou zijn. Derhalve, heeft verweerder ten onrechte geconcludeerd dat geen sprake is van strijd met het bestemmingsplan.
Pagina43-43
UitspraakECLI:NL:RBROE:2012:BX0586
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRuimtelijke ordening
TitelRaad van State, 11-07-2012, 201102668/1/R2
CiteertitelStAB 2012, nr. 116
SamenvattingBij de beoordeling van de mogelijke milieueffecten in een plan-m.e.r. dient te worden uitgegaan van de maximale planologische mogelijkheden die het plan biedt.
Samenvatting (Bron)Bij besluit van 2 december 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "Bestemmingsplan thematische herziening Landbouwontwikkelingsgebied Azewijn" (hierna: het plan) vastgesteld.
Pagina43-46
UitspraakECLI:NL:RVS:2012:BX1082
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRuimtelijke ordening
TitelRaad van State, 18-07-2012, 201113488/1/A2
CiteertitelStAB 2012, nr. 117
SamenvattingDe normen uit de Monumentenwet 1988 (Monw 1988) strekken tot bescherming van de monumentale waarden van als beschermd monument aangewezen panden.
Samenvatting (Bron)Verleen monumentenvergunning voor een uitbreiding van het gemeentehuis. Uit art. 1.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Chw, gelezen in samenhang met onderdeel 3.1 van bijlage I bij die wet, vloeit voort dat, indien een bestemmingsplan als bedoeld in afdeling 3.1 van de Wro de ontwikkeling van 20 woningen of meer mogelijk maakt, de Chw van toepassing is op de besluiten die vereist zijn voor de verwezenlijking van die woningen. Het bestemmingsplan is een bestemmingsplan als bedoeld in afdeling 3.1 van de Wro. De uitbreiding van het gemeentehuis is onderdeel van een bouwplan dat tevens voorziet in de bouw van 52 woningen en een ondergrondse parkeergarage. Het gemeentehuis, de woningen en de parkeergarage zijn,fysiek met elkaar verbonden. Vergunninghoudster kon derhalve volstaan met het indienen van ťťn aanvraag om bouwvergunning. Dat betekent dat de bouwvergunning die voor de realisering van het bouwplan vereist is, een besluit is als bedoeld in art. 1.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Chw. Nu het gemeentehuis een beschermd monument is, is voor wijziging of verstoring daarvan een monumentenvergunning als bedoeld in art. 11, tweede lid, van de Monumentenwet vereist. Op grond van art. 54, eerste lid, van de Woningwet dient een aanvraag om bouwvergunning te worden aangehouden, indien voor het bouwplan tevens een monumentenvergunning is vereist. Dit betekent dat de bouwvergunning niet kan worden verleend alvorens de monumentenvergunning is verleend. Ook de monumentenvergunning is derhalve een besluit als bedoeld in art. 1.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Chw. De rb. heeft dan ook terecht geoordeeld dat de Chw van toepassing is. Uit de mvt op het wetsvoorstel van de Chw (Kamerstukken II 2009/10, 32 127, nr. 3, blz. 49) kan worden afgeleid dat de wetgever met art. 1.9 van die wet beoogd heeft een verband te eisen tussen een beroepsgrond en de daadwerkelijke reden om een besluit in rechte aan te vechten en dat de bestuursrechter een besluit niet moet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die niet strekt tot bescherming van een belang waarin de eisende partij feitelijk dreigt te worden geschaad. De normen uit de Monumentenwet strekken tot bescherming van de monumentale waarden van als beschermd monument aangewezen panden. Het feitelijk belang waarin Omega Properties dreigt te worden geraakt, is het commerciŽle belang bij de aantrekkelijkheid van het vastgoed dat zij verhuurt. Dat is geen belang dat valt onder het beschermingsbereik van de normen uit de Monumentenwet en evenmin een belang dat verweven is met de algemene belangen die de Monumentenwet beoogt te beschermen. De normen uit de Monumentenwet strekken derhalve kennelijk niet tot bescherming van het belang van Omega Properties. Gelet op het bepaalde in art. 1.9 van de Chw kan zij zich niet met succes op deze normen beroepen. Zoals de rb. terecht heeft overwogen, komt bij toepassing van de relativiteitseis aan formele beginselen van behoorlijk bestuur geen zelfstandige betekenis toe. Voor de inroepbaarheid daarvan is het beschermingsbereik van de onderliggende materiŽle norm, in dit geval de normen uit de Monumentenwet, bepalend. Het betoog van Omega Properties dat het college het zorgvuldigheidsbeginsel heeft geschonden, is ingegeven door haar opvatting omtrent het beschermingsbereik van die normen, nu zij het college verwijt geen acht te hebben geslagen op het belang van de kwaliteit van de leefomgeving van het monument dat in haar visie binnen dat beschermingsbereik valt. Omdat die visie blijkens het vorenoverwogene onjuist is, faalt haar betoog. De rb. heeft derhalve terecht geoordeeld dat het door Omega Properties ingestelde beroep, gelet op art. 1.9 van de Chw, niet kan leiden tot vernietiging van de monumentenvergunning, zodat het beroep reeds daarom ongegrond is. Ongegrond hoger beroep.
Pagina46-48
UitspraakECLI:NL:RVS:2012:BX1859
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRuimtelijke ordening
TitelRaad van State, 18-07-2012, 201005104/1/R2
CiteertitelStAB 2012, nr. 118
SamenvattingIn de verordening is bepaald dat catalogus Gebiedkenmerken als bijlage deel uitmaakt van deze verordening.
Samenvatting (Bron)Bij besluit van 23 maart 2010, kenmerk 2010/0051348, heeft het college aan de raad van de gemeente Ommen een aantal aanwijzingen gegeven als bedoeld in artikel 3.8, zesde lid, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: de Wro) met betrekking tot het door de raad bij besluit van 18 februari 2010 vastgestelde bestemmingsplan "Buitengebied" (hierna: het plan).
Pagina48-50
UitspraakECLI:NL:RVS:2012:BX1827
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRuimtelijke ordening
TitelRaad van State, 18-07-2012, 201103249/1/R1
CiteertitelStAB 2012, nr. 119
SamenvattingEr is weliswaar een indicatief onderzoek verricht naar de geluidbelasting op de woonschepen als gevolg van de bedrijfsactiviteiten van appellante, maar het bestreden besluit biedt geen inzicht in de geluidbelasting zoals die geldt aan de binnenzijde van de woonschepen.
Samenvatting (Bron)Bij besluit van 16 december 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "Feijenoord" vastgesteld.
Pagina50-51
UitspraakECLI:NL:RVS:2012:BX1803
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRuimtelijke ordening
TitelRaad van State, 25-07-2012, 201113507/1/A1
CiteertitelStAB 2012, nr. 120
SamenvattingOmdat het gebouw in strijd is met de ter plaatse vigerende bestemming kan het niet bijdragen aan de verwezenlijking hiervan, zodat het gebouw niet kan worden aangemerkt als hoofdgebouw als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de bij het Bor behorende bijlage II.
Samenvatting (Bron)Bij besluit van 17 januari 2011 heeft het college aan Ouderenzorg Anders een omgevingsvergunning voor de duur van vijf jaar verleend voor het plaatsen van tijdelijke units op het perceel Voorstraat 44a te Nieuw-Vossemeer.
Pagina51-52
UitspraakECLI:NL:RVS:2012:BX2553
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRuimtelijke ordening
TitelRaad van State, 08-08-2012, 201105349/1/A1
CiteertitelStAB 2012, nr. 121
SamenvattingUit artikel 5, tweede lid, van bijlage II bij het Bor volgt dat bij de beantwoording van de vraag of de onderhavige overkapping al dan niet aan een illegaal gebouwd bouwwerk wordt gebouwd, de overkapping zelf niet als reeds gebouwed bouwwerk wordt aangemerkt.
Samenvatting (Bron)Bij besluit van 8 juli 2009 heeft het college aan [belanghebbende] vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het bouwen van een overkapping op het perceel [locatie] te Hellendoorn.
Pagina52-55
UitspraakECLI:NL:RVS:2012:BX3911
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRuimtelijke ordening
TitelRaad van State, 08-08-2012, 201111114/1/A1
CiteertitelStAB 2012, nr. 122
SamenvattingNu de erfafscheiding voldoet aan de eisen van artikel 2, twaalfde lid, van bijlage II, is voor de oprichting van de erfafscheiding geen omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a en c, van de Wabo vereist.
Samenvatting (Bron)Bij besluit van 6 augustus 2010 heeft het college aan [belanghebbende], onder verlening van ontheffing van het bestemmingsplan "1e Herziening Schoonveld", lichte bouwvergunning verleend voor het gedeeltelijk veranderen van een stenen erfafscheiding op het perceel [locatie] te Vught (hierna: het perceel).
Pagina55-56
UitspraakECLI:NL:RVS:2012:BX3899
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRuimtelijke ordening
TitelRaad van State, 22-08-2012, 201203080/1/A1
CiteertitelStAB 2012, nr. 123
SamenvattingMet artikel 1.2, eerste lid, van de Verordening is beoogd besluiten die naar strekking en planologisch effect op ťťn lijn kunnen worden gesteld met een bestemmingsplan, met een bestemmingsplan gelijk te stellen.
Samenvatting (Bron)Weigering nemen projectbesluiten voor het vergroten van de agrarische bouwvlakken van intensieve veehouderijen wegens strijd met de Verordening ruimte, 1e fase van de provincie Noord-Brabant. Vaststaat dat beide locaties waarop de vergroting van de intensieve veehouderijen zijn voorzien, in het plangebied van het reconstructieplan "Beerze-Reusel correctieve herziening" in een verwevingsgebied liggen. Niet in geschil is dat het reconstructieplan zowel rechtstreeks doorwerkende, als niet rechtstreeks doorwerkende elementen bevat. Ten aanzien van verwevingsgebieden bevat het reconstructieplan, voor zover thans van belang, de beleidsuitspraak dat op een duurzame locatie uitbreiding van bouwblokken tot maximaal 2,5 hectare is toegestaan. Bij de Verordening heeft de provincie de beleidsuitgangspunten van het reconstructieplan aangescherpt. Niet in geschil is dat de aangevraagde uitbreidingen in strijd zijn met art. 9.3 van de Verordening. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 4 april 2007 in zaak nr. 200506283/1, LJN: BA2226 met betrekking tot het reconstructieplan "Beerze-Reusel"), is de in art. 27 van de Rwc vervatte doorwerkingsregeling niet van toepassing op de beleidsuitspraken in het reconstructieplan over het grondgebruik binnen de zonering intensieve veehouderij, aangezien deze van de bestemmingsplanwetgever nog nader onderzoek, vaststelling van de feiten, beoordeling en (belangen)afweging tot op perceelsniveau vergen. Dat deze beleidsuitspraken niettemin bij de vaststelling en toetsing van bestemmingsplannen worden betrokken, doet er niet aan af dat ervan kan worden afgeweken, zonder dat daarvoor de in de Rwc neergelegde procedure dient te worden gevolgd. Reeds hierom leidt de omstandigheid dat art. 9.3 van de Verordening, gelezen in verbinding met art. 9.6, lid 1, aanhef en onder a, afwijkt van de hierboven genoemde beleidsuitspraak niet tot het oordeel dat de raad de Verordening wegens strijd met de Rwc buiten toepassing had dienen te laten. Voorts bestaat geen grond voor het oordeel dat de provincie niet in redelijkheid tot vaststelling van de Verordening heeft kunnen komen. Gelet op het vorenstaande heeft de raad, door strijd met de Verordening ten grondslag te leggen aan de weigering projectbesluiten te nemen, zijn besluit in zoverre van een voldoende motivering voorzien. De Rb. heeft dit niet onderkend.
Pagina56-58
UitspraakECLI:NL:RVS:2012:BX5239
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRuimtelijke ordening
TitelRaad van State, 29-08-2012, 201104198/1/R3
CiteertitelStAB 2012, nr. 124
SamenvattingDe raad heeft in strijd met artikel 5.16, eerste lid van de Wet milieubeheer (WMB) de gevolgen voor de luchtkwaliteit van de in planregels opgenomen wijzigingsbevoegdheid niet boordeeld.
Samenvatting (Bron)Bij besluit van 27 januari 2011, kenmerk 11R.00012, heeft de raad het bestemmingsplan "Harmelerwaard" vastgesteld.
Pagina58-61
UitspraakECLI:NL:RVS:2012:BX5929
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRuimtelijke ordening
TitelRechtbank Rotterdam, 30-08-2012, 12/1530, 12/1353 en 12/1352
CiteertitelStAB 2012, nr. 125
SamenvattingTen behoeve van de aanleg van het sport- en recreatiegebied Park A4, als onderdeel van het Tracťbesluit voor de aanleg van een landtunnel voor de A4, heeft verweerder een omgevingsvergunning verleend voor het verplaatsen van sportvelden.
Samenvatting (Bron)Met gebruikmaking van de uitgebreide voorbereidingsprocedure verlenen omgevingsvergunning onder voorwaarden voor het uitvoeren van werkzaamheden, het handelen in strijd met regels van ruimtelijke ordening en het handelen met gevolgen voor beschermde plant- en diersoorten. Chw is van toepassing. Met art. 2.7 van de Wabo wordt de mogelijkheid beperkt om activiteiten over meerdere projecten en aanvragen om vergunning te verdelen. Dit betekent dat activiteiten die onlosmakelijk met elkaar samenhangen niet los van elkaar mogen worden beoordeeld, zodat deze activiteiten ook niet los van elkaar kunnen worden aangevraagd. Bij onlosmakelijk samenhangende activiteiten gaat het om handelingen die tegelijkertijd in twee of meer activiteitencategorieŽn vallen. Naar het oordeel van de Rb. doet deze situatie zich hier niet voor. Het Casco is weliswaar ten behoeve van de realisatie van het Park A4, maar is er niet onlosmakelijk aan verbonden. Het Casco kan feitelijk bezien worden gerealiseerd zonder de rest van het plan ooit uit te voeren. Nu geen sprake is van twee of meer activiteiten die fysiek niet te scheiden of op te splitsen zijn, is geen sprake van onlosmakelijk samenhangende activiteiten in de hiervoor bedoelde zin, zodat het beroep op art. 2.7 van de Wabo faalt. De Wabo bevat geen bepalingen inhoudende dat een bestuursorgaan pas nadat een bestemmingsplan onherroepelijk is geworden gebruik mag maken van zijn bevoegdheid om in afwijking van een bestemmingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, terwijl aanhouding van de besluitvorming evenmin anderszins geboden was. Aan het vereiste van een goede ruimtelijke onderbouwing is voldaan.
Pagina61-62
UitspraakECLI:NL:RBROT:2012:BX6901
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRuimtelijke ordening
TitelRaad van State, 05-09-2012, 201106299/1/R4
CiteertitelStAB 2012, nr. 126
SamenvattingDe Afdeling overweegt dat uit artikel 2.18, eerste lid, aanhef en onder h en i, van het Barim weliswaar volgt dat het stemgeluid van kinderen in de daar bedoelde situaties buiten beschouwing blijft bij het bepalen van de daar bedoelde geluidniveaus, maar dat dit niet wegneemt dat het dagelijks bestuur bij de vaststelling van een wijzigingsplan mogelijke geluidhinder voor omwonenden, ook indien dit hinder betreft door menselijk stemgeluid, in het kader van een goede ruimtelijke ordening in de vereiste belangenafweging dient te betrekken.
Samenvatting (Bron)Bij besluit van 7 april 2011 heeft het dagelijks bestuur het wijzigingsplan "Vredehofweg 15" (hierna: wijzigingsplan) vastgesteld.
Pagina62-64
UitspraakECLI:NL:RVS:2012:BX6481
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRuimtelijke ordening
TitelRaad van State, 05-09-2012, 201111279/1/A1
CiteertitelStAB 2012, nr. 127
SamenvattingZoals de Afdeling eerder heeft overwogen, wijst artikel 2, van bijlage II bij het Bor, gelezen in samenhang met artikel 2.3, tweede lid, van het Bor, categorieŽn van bouwwerken aan die vergunningvrij zijn ten aanzien van de activiteiten bouwen en gebruiken.
Samenvatting (Bron)Bij besluit van 12 oktober 2010 heeft het college het verzoek van [appellante] om handhavend op te treden tegen de tuinhaard en de bouwwerkzaamheden op het perceel [locatie] te Etten-Leur (hierna: het perceel) afgewezen.
Pagina64-65
UitspraakECLI:NL:RVS:2012:BX6517
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekSchadevergoeding
TitelRaad van State, 12-09-2012, 201103581/1/R1
CiteertitelStAB 2012, nr. 128
SamenvattingUit artikel 3.6, eerste lid, onder b, van de Wro, gelezen in samenhang met artikel 3.1.4 van het Bro, volgt dat het leerstuk van de objectieve begrenzing bij de mogelijkheid tot uitwerking niet aan de orde is.
Samenvatting (Bron)Bij besluit van 3 februari 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "Limmen-Zandzoom" en het gelijknamige exploitatieplan vastgesteld.
Pagina65-67
UitspraakECLI:NL:RVS:2012:BX7130
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRuimtelijke ordening
TitelRaad van State, 12-09-2012, 201112865/1/A1
CiteertitelStAB 2012, nr. 129
SamenvattingDe toepassingsmogelijkheden van de bevoegdheid als opgenomen in artiel 4 van bijlage II bij het Bor komt niet dermate overeen met de toepassingsmogelijkheden van de bevoegdheid als bedoeld in artikel 19, derde lid, van de WRO, als opgenomen in artikel 20, eerste lid, van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985, dat van eenzelfde bevoegdheid gesproken kan worden.
Samenvatting (Bron)Verlenen omgevingsvergunning voor het gedeeltelijk veranderen en vernieuwen van een woning en een garage. De gemeenteraad heeft bij besluit van 21 december 2000 het "Vrijstellingenbeleid artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening" vastgesteld. Volgens dit beleid dient verweerder in de nader aangegeven gevallen de vrijstellingsmogelijkheid van art. 19, lid 3 van de WRO en art. 20, lid 1, onder a, van het Bro in beginsel te gebruiken. Het Vrijstellingenbeleid is op 6 april 2001 in werking getreden. Na de inwerkintreding van de Wet ruimtelijke ordening (Wro), noch na de inwerkingtreding van de Wabo heeft bekrachtiging daarvan plaatsgevonden. Hoewel de in art. 2.12, lid 1, aanhef en onder a, onder 2, van de Wabo opgenomen bevoegdheid tot afwijking van het bestemmingsplan of beheersverordening een voortzetting betreft van de in art. 3.23 van de Wro neergelegde bevoegdheid, die op haar beurt weer een voortzetting was van de in art. 19, lid 3 van de WRO neergelegde bevoegdheid zijn de beleidsregels in het Vrijstellingenbeleid geen beleidsregels voor de toepassing van de bevoegdheid als bedoeld in art. 2.12, lid 1, aanhef en onder a, onder 2, van de Wabo. Daartoe overweegt de Afdeling dat de toepassingsmogelijkheden van deze bevoegdheid als opgenomen in art. 4 van bijlage II bij het Bor niet dermate met de toepassingsmogelijkheden van de bevoegdheid als bedoeld in art. 19, lid 3 van de WRO, als opgenomen in art. 20, lid 1 van het Bro 1985 overeenkomen, dat van eenzelfde bevoegdheid gesproken kan worden. Zo is het begrip bijbehorend bouwwerk ingevoerd, zijn de zogenoemde categorieŽn van gevallen uitgebreid en worden andere, ruimere eisen aan de categorieŽn van gevallen gesteld. De voorzieningenrechter heeft dit niet onderkend. Gelet op het voorgaande heeft het college het besluit van 28 september 2011 door de weigering van de omgevingsvergunning te motiveren onder verwijzing naar het Vrijstellingenbeleid in strijd met art. 3:46 Awb genomen. Dit klemt te meer nu het college is teruggekomen van een verlening van de omgevingsvergunning uitsluitend op grond van dit Vrijstellingenbeleid.
Pagina67-68
UitspraakECLI:NL:RVS:2012:BX7118
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRuimtelijke ordening
TitelRaad van State, 12-09-2012, 201112262/1/A1
CiteertitelStAB 2012, nr. 130
SamenvattingNiet is in casu bouwwerk.
Samenvatting (Bron)Afwijzing verzoek om handhavend op te treden tegen het net over de achtertuin van een perceel. Volgens jurisprudentie over het begrip "bouwwerk" in de Woningwet, zoals deze luidde voor de inwerkingtreding van de Wabo, zie bijvoorbeeld de uitspraak van 10 juni 2009, in zaak nr. 200807958/1, LJN: BI7253), is bij herhaling aansluiting gezocht bij de in de modelbouwverordening gegeven definitie van het begrip "bouwwerk", omdat dit in de Woningwet niet is omschreven en in de modelbouwverordening een bruikbare definitie is gegeven. Deze luidt: "elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren". Het begrip bouwwerk is in de Wabo niet omschreven. Uit de Wabo, noch de geschiedenis van de totstandkoming daarvan (Kamerstukken II 2006/07, 30 844, nr. 3, blz. 91-92), kan worden afgeleid dat met het begrip "bouwwerk", als bedoeld in art. 2.1, lid 1, onder a, van de Wabo, welk artikel een voortzetting is van het verbod dat in art. 40 van de Woningwet was opgenomen, is bedoeld om een wijziging aan te brengen in de aan dit begrip in de jurisprudentie onder de werking van de Woningwet gegeven betekenis. Gelet hierop ziet de Afdeling aanleiding om voor de uitleg van het begrip "bouwwerk" in de Wabo eveneens aansluiting te zoeken bij de hiervoor weergegeven definitie uit de modelbouwverordening. Het net, dat bestaat uit geknoopt zwart nylon en op een hoogte van 2,20 m over de gehele achtertuin van het perceel is gespannen middels staaldraden, dient, tezamen met de vijf staaldraden, die met nagels zijn bevestigd aan de achtergevel van de woning en de voorgevel van de schuur op het perceel, te worden beschouwd als een constructie van enige omvang, die bedoeld is om ter plaatse te functioneren. De Rb. heeft derhalve ten onrechte geen grond gezien voor het oordeel dat sprake is van een bouwwerk, als bedoeld in art. 2.1, aanhef en onder a, van de Wabo, waarvoor een omgevingsvergunning is vereist. Dit betekent dat het college zich ten onrechte onbevoegd heeft geacht om handhavend om te treden.
Pagina68-69
UitspraakECLI:NL:RVS:2012:BX7117
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRuimtelijke ordening
TitelRaad van State, 12-09-2012, 201106706/1/R4
CiteertitelStAB 2012, nr. 131
SamenvattingWijzigingsplan. Akoestisch onderzoek. Referentieniveau. Maatwerkvoorschriften ten behoeve van woon- en leefklimaat. Maximale invulling.
Samenvatting (Bron)Bij besluit van 19 april 2011 heeft het college een wijzigingsplan vastgesteld, strekkende tot wijziging van de bestemming van het perceel aan de [locatie] te Ruinen.
Pagina69-72
UitspraakECLI:NL:RVS:2012:BX7139
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRuimtelijke ordening
TitelRechtbank Utrecht, 14-09-2012, SBR 12/1140
CiteertitelStAB 2012, nr. 132
SamenvattingStrekt artikel 2.5.3 an de Bouwverordening tot bescherming van belangen van eisers?
Samenvatting (Bron)Chw van toepassing. Relativiteiteis. Betreft bouwplan van 12 appartementen achter Koninging Wilhelminastraat in Bunschoten. Het college moet nader onderzoek doen naar de vraag of de breedte van de verbindingsweg tussen Kon. Wilhelminastraat en het achterterrein voldoet aan de in de Bouwverordening gestelde eis van 4,5 meter.
Pagina72-75
UitspraakECLI:NL:RBUTR:2012:BX7274
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRuimtelijke ordening
TitelRaad van State, 19-09-2012, 201012080/1/R4
CiteertitelStAB 2012, nr. 133
SamenvattingArtikel 3.10 Wro in casu niet van toepassing op vrijsteling ex artikel 19 WRO. Aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor geurgevoelig object bij andere veehouderij. Afstandsnorm Wgv.
Samenvatting (Bron)Bij besluit van 30 september 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied" vastgesteld.
Pagina75-77
UitspraakECLI:NL:RVS:2012:BX7725
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRuimtelijke ordening
TitelRaad van State, 19-09-2012, 201200245/1/A1
CiteertitelStAB 2012, nr. 134
SamenvattingDakopbouw. Aanvraag om een omgevingsvergunning. Geen herhaalde aanvraag. Geheel of gedeeltelijk vernieuwen.
Samenvatting (Bron)Bij besluit van 11 februari 2011 heeft het dagelijks bestuur aan [vergunninghouder] een omgevingsvergunning verleend voor het veranderen en vernieuwen van een dakuitbouw aan de achterzijde van het pand op het perceel [locatie] te Amsterdam (hierna: het perceel).
Pagina77-78
UitspraakECLI:NL:RVS:2012:BX7683
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRuimtelijke ordening
TitelRaad van State, 26-09-2012, 201108627/1/R3
CiteertitelStAB 2012, nr. 135
SamenvattingPapieren versie en elektronische versie van bestemmingsplan. Discrepantie tussen verbeelding en vaststellingsbesluit. Wegbestemmen legaal gebruik.
Samenvatting (Bron)Bij besluit van 12 mei 2011 heeft de raad het facetbestemmingsplan "Zone industrielawaai Nijverkamp" vastgesteld.
AnnotatorT. Nijmeijer
Pagina79-83
UitspraakECLI:NL:RVS:2012:BX8253
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekSchadevergoeding
TitelRaad van State, 18-07-2012, 201110611/1/A2
CiteertitelStAB 2012, nr. 136
SamenvattingAanvullende werking bouwverordening ziet op de feitelijke functie van een gebouw en niet op de planologische bestemming.
Samenvatting (Bron)Planschade in natura. Het nieuwe bestemmingsplan sluit de bouw van nieuwe zomerhuizen uit. Verzoeker heeft verzocht om vergoeding van planschade, omdat zij niet langer over de mogelijkheid beschikt nog vijf zomerhuizen op haar percelen te bouwen. Bij besluit van 14 januari 2010 heeft de raad besloten aan verzoeker dan wel aan eventuele rechtsopvolgers onder algemene of bijzondere titel, een schadevergoeding toe te kennen in de vorm van geheel of, naar eigen wens, gedeeltelijk herstel van de bouwmogelijkheden op de percelen (tot een totaal van maximaal vijf zomerhuizen) en haar twee jaar na het onherroepelijk worden van dit besluit de tijd geboden daartoe een bouwaanvraag in te dienen. Na herstel van de bouwmogelijkheden door middel van de verlening van een daartoe strekkend projectbesluit en een bouwvergunning wordt verzoeker, dan wel worden eventuele rechtsopvolgers, gedurende een periode van drie jaar na het onherroepelijk worden van de bouwvergunning in de gelegenheid gesteld om van de desbetreffende planologische mutatie en de bouwvergunning gebruik te maken. Leges of nadere kosten die samenhangen met de planologische wijziging zullen niet in rekening worden gebracht. Indien de compensatie in natura niet tot stand kan worden gebracht, zal aan verzoeker een compensatie in geld worden voldaan, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van ontvangst van de aanvraag. De omvang van deze compensatie zal alsdan vastgesteld worden na inschakeling van een of meer ter zake kundige, onafhankelijke planschadeadviseurs. Artikel 49 WRO sluit compensatie in natura niet uit. In geschil is of vergoeding van de schade achterwege kan blijven omdat vergoeding daarvan bij de beslissing op bezwaar anderszins is verzekerd. De rb. heeft - onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 27 april 2005 in zaak nr. 200406319/1 LJN: AT4747, - overwogen dat de schade van verzoeker niet voldoende anderszins is verzekerd, omdat de raad geen feitelijk en op voorhand vastgesteld schadebedrag heeft genoemd, dat zal worden uitbetaald indien compensatie in natura niet tot stand kan worden gebracht. Daarnaast heeft de raad, volgens de rb., in afwijking van de zojuist genoemde uitspraak, de mogelijkheid gedurende twee jaar een bouwaanvraag in te dienen en daar gedurende drie jaar gebruik van te maken, ten onrechte niet aan eventuele rechtsopvolgers onder algemene titel aangeboden en evenmin in het besluit vastgelegd dat die mogelijkheden eventueel ook na het verstrijken van die termijnen gebruikt kunnen worden. De raad betoogt in hoger beroep terecht dat de rb. niet heeft onderkend dat uit de uitspraak van de Afdeling van 27 april 2005 niet volgt dat voorafgaande aan compensatie in natura vaststelling van de schade in geld noodzakelijk is. Dat in die zaak de omvang van de schade door een schadebeoordelingscommissie is getaxeerd en de hoogte van de eventuele financiŽle compensatie daarmee vaststond, betekent niet dat dit in alle gevallen dient te worden gedaan. Met het besluit van 15 december 2009 staat met voldoende zekerheid vast dat, mocht blijken dat compensatie in natura niet tot stand kan worden gebracht, de hoogte van het alsnog uit te betalen bedrag na inwinning van advies bij ter zake kundige, onafhankelijke planschadeadviseurs, zal worden vastgesteld. Bovendien blijkt uit het besluit van 15 december 2009 dat dit bedrag zal worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van de ontvangst van de aanvraag. Daarnaast betoogt de raad terecht dat de rb. niet heeft onderkend dat hij in het besluit van 15 december 2009 de mogelijkheid om een bouwaanvraag in te dienen en daarvan gebruik te maken uitdrukkelijk ook aan rechtsopvolgers onder algemene en bijzondere titel heeft geboden. Tot slot betoogt de raad terecht dat de rb. niet heeft onderkend dat de gestelde termijnen gedurende welke verzoeker en haar eventuele rechtsopvolgers in de gelegenheid worden gesteld om van het herstel van de bouwmogelijkheden gebruik te maken, in totaal vijf jaar, als voldoende dienen te worden beoordeeld. Uit de uitspraak van 15 december 2009 volgt niet dat de Afdeling compensatie door middel van herstel van de bouwmogelijkheden alleen maar toelaatbaar acht, indien aan een mogelijke rechtsopvolger een eventueel langere termijn wordt geboden. Gegrond hoger beroep.
Pagina84-86
UitspraakECLI:NL:RVS:2012:BX1866
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekSchadevergoeding
TitelRaad van State, 18-07-2012, 201110611/1/A2
CiteertitelStAB 2012, nr. 137
SamenvattingVoorafgaande aan de compensatie in natura is niet noodzakelijk dat de schade in geld is vastgesteld.
Samenvatting (Bron)Planschade in natura. Het nieuwe bestemmingsplan sluit de bouw van nieuwe zomerhuizen uit. Verzoeker heeft verzocht om vergoeding van planschade, omdat zij niet langer over de mogelijkheid beschikt nog vijf zomerhuizen op haar percelen te bouwen. Bij besluit van 14 januari 2010 heeft de raad besloten aan verzoeker dan wel aan eventuele rechtsopvolgers onder algemene of bijzondere titel, een schadevergoeding toe te kennen in de vorm van geheel of, naar eigen wens, gedeeltelijk herstel van de bouwmogelijkheden op de percelen (tot een totaal van maximaal vijf zomerhuizen) en haar twee jaar na het onherroepelijk worden van dit besluit de tijd geboden daartoe een bouwaanvraag in te dienen. Na herstel van de bouwmogelijkheden door middel van de verlening van een daartoe strekkend projectbesluit en een bouwvergunning wordt verzoeker, dan wel worden eventuele rechtsopvolgers, gedurende een periode van drie jaar na het onherroepelijk worden van de bouwvergunning in de gelegenheid gesteld om van de desbetreffende planologische mutatie en de bouwvergunning gebruik te maken. Leges of nadere kosten die samenhangen met de planologische wijziging zullen niet in rekening worden gebracht. Indien de compensatie in natura niet tot stand kan worden gebracht, zal aan verzoeker een compensatie in geld worden voldaan, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van ontvangst van de aanvraag. De omvang van deze compensatie zal alsdan vastgesteld worden na inschakeling van een of meer ter zake kundige, onafhankelijke planschadeadviseurs. Artikel 49 WRO sluit compensatie in natura niet uit. In geschil is of vergoeding van de schade achterwege kan blijven omdat vergoeding daarvan bij de beslissing op bezwaar anderszins is verzekerd. De rb. heeft - onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 27 april 2005 in zaak nr. 200406319/1 LJN: AT4747, - overwogen dat de schade van verzoeker niet voldoende anderszins is verzekerd, omdat de raad geen feitelijk en op voorhand vastgesteld schadebedrag heeft genoemd, dat zal worden uitbetaald indien compensatie in natura niet tot stand kan worden gebracht. Daarnaast heeft de raad, volgens de rb., in afwijking van de zojuist genoemde uitspraak, de mogelijkheid gedurende twee jaar een bouwaanvraag in te dienen en daar gedurende drie jaar gebruik van te maken, ten onrechte niet aan eventuele rechtsopvolgers onder algemene titel aangeboden en evenmin in het besluit vastgelegd dat die mogelijkheden eventueel ook na het verstrijken van die termijnen gebruikt kunnen worden. De raad betoogt in hoger beroep terecht dat de rb. niet heeft onderkend dat uit de uitspraak van de Afdeling van 27 april 2005 niet volgt dat voorafgaande aan compensatie in natura vaststelling van de schade in geld noodzakelijk is. Dat in die zaak de omvang van de schade door een schadebeoordelingscommissie is getaxeerd en de hoogte van de eventuele financiŽle compensatie daarmee vaststond, betekent niet dat dit in alle gevallen dient te worden gedaan. Met het besluit van 15 december 2009 staat met voldoende zekerheid vast dat, mocht blijken dat compensatie in natura niet tot stand kan worden gebracht, de hoogte van het alsnog uit te betalen bedrag na inwinning van advies bij ter zake kundige, onafhankelijke planschadeadviseurs, zal worden vastgesteld. Bovendien blijkt uit het besluit van 15 december 2009 dat dit bedrag zal worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van de ontvangst van de aanvraag. Daarnaast betoogt de raad terecht dat de rb. niet heeft onderkend dat hij in het besluit van 15 december 2009 de mogelijkheid om een bouwaanvraag in te dienen en daarvan gebruik te maken uitdrukkelijk ook aan rechtsopvolgers onder algemene en bijzondere titel heeft geboden. Tot slot betoogt de raad terecht dat de rb. niet heeft onderkend dat de gestelde termijnen gedurende welke verzoeker en haar eventuele rechtsopvolgers in de gelegenheid worden gesteld om van het herstel van de bouwmogelijkheden gebruik te maken, in totaal vijf jaar, als voldoende dienen te worden beoordeeld. Uit de uitspraak van 15 december 2009 volgt niet dat de Afdeling compensatie door middel van herstel van de bouwmogelijkheden alleen maar toelaatbaar acht, indien aan een mogelijke rechtsopvolger een eventueel langere termijn wordt geboden. Gegrond hoger beroep.
AnnotatorB. van den Broek
Pagina86-89
UitspraakECLI:NL:RVS:2012:BX1866
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekSchadevergoeding
TitelRaad van State, 01-08-2012, 201108638/1/A2
CiteertitelStAB 2012, nr. 138
SamenvattingOntheffingsmogelijkheden van het schadeveroorzakende plan en van het voorafgaande plan moeten bij de planverglijking buiten beschouwing worden gelaten.
Samenvatting (Bron)Bij besluit van 1 april 2010 heeft het college het verzoek van [appellant] om een tegemoetkoming in planschade afgewezen.
Pagina89-90
UitspraakECLI:NL:RVS:2012:BX3316
Artikel aanvragenVia Praktizijn