Milieu & Recht

Uitgever Wolters Kluwer
Tijdschrift Milieu & Recht
Datum 31-12-2012
Aflevering 10
RubriekUit de redactie
TitelGetting to Yes
CiteertitelM en R 2012/146
SamenvattingIn 1981 verscheen het boek Getting to Yes, waarin medewerkers van de 'Harverd Negotiation Project'een methode beschrijven om onderhandelingen tot een voor alle betrokkenen bevredigend eindresultaat te brengen.
Auteur(s)J. Rutteman
Pagina709-709
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekKroniek
TitelKroniek infrastructuur, de wetgeving
CiteertitelM en R 2012/147
SamenvattingIn deze kroniek staat de Tracťwet centraal. Een wet die in werking trad met ingang van 1 januari 1994 en zal ophouden te bestaan met de inwerkingtreding van de Omgevingswet.
Auteur(s)H.A.J. Gierveld
Pagina710-719
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekUit de praktijk
TitelDe toekomst van milieurecht: eenvoudig beter?
CiteertitelM en R 2012/148
SamenvattingVerslag van het jubileumcongres ter gelegenheid van het 30-jarig bestaan van de Vereniging voor Milieurecht
Auteur(s)A.W.G.J. Buijze , H.D. Tolsma
Pagina719-720
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekJurisprudentie
TitelRaad van State, 27-06-2012, 201101874/1/A4
CiteertitelM en R 2012/149
SamenvattingMilieuvergunning spoorwegemplacement gelegen op gezoneerd industrieterrein. Doorgaand spoorverkeer. Af- en aanrijdend verkeer.
Samenvatting (Bron)OMGEVINGSRECHT. Milieu (oud). Geluidhinder. Vaste jurisprudentie van de Afdeling dat de door het treinverkeer veroorzaakte geluidbelasting niet aan het in werking zijn van de inrichting moet worden toegerekend indien het om doorgaand treinverkeer gaat. Alleen de treinbewegingen die verband houden met het in werking zijn van de inrichting als zodanig, moeten als onderdeel van de inrichting worden beschouwd. De Afdeling geeft in de uitspraak aan hoe de beoordeling dient plaats te vinden ten aanzien van de binnen en van de buiten de inrichting plaatsvindende treinbewegingen. Externe veiligheid. De Circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen bevat een kader voor de beoordeling van risico's van onder meer spoorvervoer van gevaarlijke stoffen en heeft onder meer betrekking op de beoordeling van risico's van verkeer van en naar een inrichting in de onmiddellijke omgeving van die inrichting wanneer op grond van de Wm een vergunning wordt verleend. Deze circulaire kan dienen als kader voor de beoordeling van de risico's van de toename van het spoorvervoer als gevolg van de bij het bestreden besluit vergunde verandering.
Pagina721-721
UitspraakECLI:NL:RVS:2012:BW9553
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelRaad van State, 02-05-2012, 201011525/1/A1
CiteertitelM en R 2012/150
SamenvattingVrijstelling bestemmingsplan en bouwvergunning van rechtswege
Samenvatting (Bron)Verlenen vrijstelling (19 WRO) bij besluit van 29 juli 2008 en verlenen bouwvergunning bij besluit van 3 november 2008 voor het oprichten van 78 woningen op het perceel gelegen naast dat van appellante sub 2. De Rb. heeft overwogen dat, nu het college de beslistermijn bij brief van 12 september 2008 tijdig heeft verdaagd en het binnen de in die brief gestelde termijn een besluit op de aanvraag heeft genomen, niet van rechtswege bouwvergunning is verleend. Art. 46, lid 2 van de Woningwet, behelst uitsluitend een afwijking van de beslistermijnen, gesteld bij het eerste lid. De Afdeling overweegt in dit verband nog dat de mogelijkheid tot verdaging is opgenomen voor die situaties dat niet binnen de daartoe gestelde termijn de benodigde toetsing kan worden uitgevoerd. In de situatie dat eerst een aanvraag om vrijstelling is ingediend, is het bestuursorgaan al in de gelegenheid om zich over die toetsing een oordeel te vormen. Nu de bouwvergunning niet kon worden verleend, dan nadat krachtens art. 19 van de WRO vrijstelling van het bestemmingsplan was verleend, was ingevolge art. 46, lid 3 van de Woningwet het eerste lid van dat artikel niet van toepassing. Hieruit volgt dat ook het tweede lid niet van toepassing was. Het college kon de beslistermijn dan ook niet krachtens art. 46, lid 2 van de Woningwet verdagen. In dit geval eindigde termijn voor het indienen van zienswijzen op 2 juli 2008. De termijn, waarbinnen het college diende te beslissen, eindigde ingevolge art. 49, lid 2, onderdeel a, onder 2, van de Woningwet, gelezen in verbinding met art. 4:15 van de Awb, op 2 oktober 2008. Het college had op dat moment nog geen besluit genomen, zodat ingevolge art. 49, lid 3 van de Woningwet bouwvergunning was verleend. Hieruit volgt dat het college op 3 november 2008 niet meer op de aanvraag om verlening van bouwvergunning kon beslissen. Het besluit van 15 mei 2009, voor zover dit tot handhaving van het besluit van 3 november 2008 strekt, moest dan ook door de Rb. worden vernietigd. Appellante sub 2 betoogt voorts dat het college ten onrechte voorbij is gegaan aan haar betoog dat uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening onaanvaardbaar is dat direct naast haar bedrijfsgebouwen 78 woningen worden gerealiseerd. Volgens haar is niet onderzocht, in hoeverre ter plaatse van het bouwplan een goed woon- en leefklimaat is en of, en zo ja hoe, kan worden gewaarborgd dat zij haar bedrijfsactiviteiten nu en in de toekomst op voor haar aanvaardbare wijze kan uitvoeren, waarbij in aanmerking moet worden genomen dat de onderneming op basis van het bestemmingsplan nog ruimschoots uitbreidingsmogelijkheden heeft. Volgens appellante sub 2 is evenmin gemotiveerd, waarom van de brochure van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (hierna: de VNG) 'Bedrijven en milieuzonering' zou mogen worden afgeweken. Zoals de Afdeling ook eerder heeft overwogen moet bij de beantwoording van de vraag of ter plaatse van een project een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd, niet alleen worden uitgegaan van de feitelijke situatie, maar tevens van hetgeen planologisch mogelijk is. Nu uit het besluit van 8 november 2011 onvoldoende blijkt dat het college heeft onderzocht, in hoeverre appellante sub 2 op grond van het bestemmingsplan nog uitbreidingsmogelijkheden heeft, wat de gevolgen van het bouwplan voor die mogelijkheden zijn en welke gevolgen uitbreiding van appellante sub 2 zou hebben op het woon- en leefklimaat van de op te richten woningen, heeft het zijn oordeel dat het woon- en leefklimaat van de op te richten woningen voldoende wordt gegarandeerd en appellante sub 2 niet onevenredig in haar bedrijfsvoering wordt belemmerd niet toereikend gemotiveerd.
AnnotatorK.J. de Graaf , N.G. Hoogstra
Pagina721-728
UitspraakECLI:NL:RVS:2012:BW4506
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelRaad van State, 29-08-2012, 201104613/1/A4
CiteertitelM en R 2012/151
SamenvattingBevoegd gezag-/afvalstoffenkwestie; milieuvergunning voor diervoederfabrikant onderuit omdat college van B&W zich er onvoldoende van vergewist heeft dat hij bevoegd is om op de aanvraag te beslissen.
Samenvatting (Bron)Bij besluit van 8 maart 2011 heeft het college aan [vergunninghoudster] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een inrichting voor de productie, opslag en verkoop van onder meer diervoeders aan de [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 17 maart 2011 ter inzage gelegd.
AnnotatorB. Arentz
Pagina728-729
UitspraakECLI:NL:RVS:2012:BX5999
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelRaad van State, 29-08-2012, 201102730/1/A4
CiteertitelM en R 2012/152
SamenvattingBevoegd gezag-/afvalstoffenkwestie; 'afvalvoorschriften' in milieuvergunning voor betoncentrale vernietigd omdat college van GS heeft miskend dat vliegas (mogelijk) geen afvalstof is.
Samenvatting (Bron)Besluit waarbij het college voorschriften verbonden aan de eerder aan appellante verleende milieuvergunning voor een betoncentrale, heeft ingetrokken en nieuwe voorschriften aan deze vergunning heeft verbonden. Appellante kan zich niet verenigen met de voorschriften die haar verplichten tot het beschrijven van een acceptatie- en verwerkingsbeleid en een systeem voor administratieve organisatie en interne controle voor de afvalstof vliegas. Zij stelt dat de vliegas die zij inneemt geen afvalstof is, zodat deze voorschriften niet nodig zijn. De Afdeling overweegt dat de vraag of vliegas een afvalstof is, moet worden beoordeeld met inachtneming van alle omstandigheden van het geval. Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting betrekt appellante de vliegas ofwel rechtstreeks van verschillende kolengestookte elektriciteitscentrales ofwel van de Vliegasunie, waar zij tevoren nader is bewerkt. Voor zover de vliegas rechtstreeks wordt betrokken van kolengestookte elektriciteitscentrales, overweegt de Afdeling dat () het college bij het nemen van het bestreden besluit ervan is uitgegaan dat de vliegas die vrijkomt bij de elektriciteitscentrales een nadere bewerking moet ondergaan alvorens zij bij de productie van betonmortel kan worden ingezet. Ter zitting heeft appellante gesteld dat de vliegas die zij direct van de elektriciteitscentrales afneemt, zonder nadere bewerking in haar productieproces kan worden ingezet. Het college heeft de stelling van appellante dat het productieproces bij elektriciteitscentrales kan worden gestuurd met het oog op de kwaliteit van de vliegas en aldus mede is gericht op verkrijging van vliegas met een hoge kwaliteit, niet gemotiveerd weerlegd of nader onderzocht. Aan het standpunt van het college dat de vliegas niet als bijproduct in de zin van art. 5 van Richtlijn 2008/98/EG kan worden aangemerkt omdat zij nadere bewerking behoeft en niet wordt geproduceerd als een integraal onderdeel van een productieproces, ligt dan ook onvoldoende onderzoek ten grondslag. Het bestreden besluit is op dit punt in strijd met art. 3:2 Awb. Voor zover de vliegas wordt betrokken van de Vliegasunie, overweegt de Afdeling het volgende. Appellante heeft ter zitting toegelicht dat de kwaliteit van vliegas afkomstig van de elektriciteitscentrales in bepaalde gevallen zodanig is, dat zij niet direct kan worden ingezet als grondstof voor het vervaardigen van betonmortel. In dat geval ondergaat de vliegas een nadere bewerking of kwaliteitsbehandeling bij de Vliegasunie. () Het college stelt dat de vliegas op het moment dat zij de elektriciteitscentrales verlaat, een afvalstof is. Vervolgens moet, aldus het college, de vraag worden beantwoord of de eventuele bewerkingshandelingen tot gevolg hebben dat vliegas de kwalificatie van afvalstof verliest. Met een beroep op het arrest van het Hof van Justitie van 11 november 2004, C-457/02, Niselli, (LJN: BG1366) is het college van mening dat de vliegas eerst haar kwalificatie als afvalstof verliest op het moment dat zij daadwerkelijk nuttig is toegepast en een afgewerkt product vormt. () De Afdeling overweegt dat het Hof van Justitie in voormeld arrest van 11 november 2004, (Niselli), punt 52, heeft geoordeeld dat gesorteerd en mogelijk voorbehandeld schroot, dat voor de staalindustrie een secundaire grondstof vormt, als afvalstof gekwalificeerd moet blijven tot het daadwerkelijk is gerecycleerd tot ijzer- en staalproducten, met name tot het in het bewerkingsproces waarvoor het is bestemd, een afgewerkt product vormt. In de daaraan voorafgaande stadia kan het immers nog niet als gerecycleerd worden beschouwd, aangezien dat bewerkingsproces nog niet is voltooid, aldus het Hof van Justitie. Verder heeft het Hof van Justitie in dat arrest voor recht verklaard dat het begrip afvalstof niet aldus moet worden uitgelegd dat het alle productie- of consumptieresiduen uitsluit die kunnen worden of daadwerkelijk worden hergebruikt in een productie- of consumptiecyclus, zonder dat zij een voorafgaande bewerking ondergaan en zonder dat zij schade aan het milieu berokkenen, dan wel nadat zij een voorafgaande bewerking hebben ondergaan doch zonder dat enige handeling van nuttige toepassing noodzakelijk is. Niet in geschil is dat de Vliegasunie de vliegas, afkomstig van kolengestookte elektriciteitscentrales, bewerkt en geschikt maakt als grondstof ten behoeve van de productie van betonmortel. De vliegas wordt onder meer gezeefd en in bepaalde verhoudingen gemengd om de kwaliteit te optimaliseren. Het aldus verkregen product wordt als grondstof voor de productie van betonmortel op de reguliere markt aangeboden en tegen een commerciŽle prijs verkocht. Het kan zonder nadere bewerking en zonder nadelige milieugevolgen worden toegepast bij de productie van betonmortel. Gelet hierop kan niet worden geoordeeld dat de vliegas na deze bewerking door de Vliegasunie een stof is waarvan de Vliegasunie zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen. Op het moment dat de vliegas bij appellante als grondstof binnenkomt, is daaraan het karakter van afvalstof ontvallen. De verwijzing door het college naar het arrest van het Hof van Justitie van 11 november 2004 (Niselli) leidt niet tot het door het college beoogde doel. Uit dit arrest volgt niet dat alle productie- en consumptieresiduen die worden hergebruikt afvalstof blijven totdat zij daadwerkelijk zijn gerecycleerd dan wel in het bewerkingsproces afgewerkte producten vormen. Verder is in dit geval het bewerkingsproces van de vliegas voltooid op het moment dat zij bij de Vliegasunie als grondstof voor de betonmortelproductie geschikt is gemaakt. Gelet op het vorenstaande is de vliegas die afkomstig is van de Vliegasunie en binnen de inrichting wordt gebruikt ten behoeve van de vervaardiging van betonmortel, geen afvalstof. De beroepsgrond slaagt.
AnnotatorB. Arentz
Pagina730-732
UitspraakECLI:NL:RVS:2012:BX5995
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelRaad van State, 19-09-2012, 201104579/1/A4
CiteertitelM en R 2012/153
SamenvattingRepac toegepast ter ophoging en om verdrassing van de grond tegen te gaan. Afvalstof? Strijd met Besluit bodemkwaliteit?
Samenvatting (Bron)Bij besluit van 9 april 2010 heeft het college aan [appellante] een last onder dwangsom opgelegd wegens overtreding van de artikelen 5, 7 en 28, vijfde lid, van het Besluit bodemkwaliteit, artikel 10.2 van de Wet milieubeheer en artikel 13 van de Wet bodembescherming.
AnnotatorF.C.S. Warendorf
Pagina733-735
UitspraakECLI:NL:RVS:2012:BX7698
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelRaad van State, 28-09-2012, 201208643/1/A1 en 201208643/2/A1
CiteertitelM en R 2012/154
SamenvattingKap van bomen en bouwrijp maken. Geen onlosmakelijke verbondenheid.
Samenvatting (Bron)Bij besluit van 7 mei 2012 heeft het college aan de gemeente Schiedam omgevingsvergunning verleend voor het uitvoeren van (aanleg)werkzaamheden en het kappen van 113 bomen op het perceel kadastraal bekend gemeente Schiedam, sectie Q, nr. 5673 (Robiniabos).
AnnotatorF.C.S. Warendorf
Pagina735-738
UitspraakECLI:NL:RVS:2012:BX8952
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelRechtbank Almelo, 19-09-2012, 12 / 177 WABOA
CiteertitelM en R 2012/155
SamenvattingInlosmakende samenhang
Samenvatting (Bron)Bij verweerder is een aanvraag ingediend die ziet op een omgevingsvergunning voor de activiteit het veranderen of veranderen van de werking van een inrichting als bedoeld in art. 2.1 lid 1, aanhef en onder e, sub 2 Wabo. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat er sprake is van onlosmakelijke samenhang in de zin van art. 2.7 Wabo met de activiteit gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan als bedoeld in art. 2.1 lid 1, aanhef en onder c Wabo. Een vergunning voor deze activiteit is niet aangevraagd. Verweerder heeft aanvrager echter niet in de gelegenheid gesteld om zijn aanvraag aan te vullen maar heeft zelf de aanvraag geduid als een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan. Ter zitting heeft verweerder in dit verband gesteld dat op voorhand duidelijk was dat deze vergunning zou worden geweigerd, zodat het vanuit een oogpunt van klantvriendelijkheid niet opportuun was de aanvraag te laten aanvullen, gelet op de daarmee gepaard gaande kosten voor aanvrager. Hoewel de handelwijze van verweerder niet onbegrijpelijk is, is deze wel onjuist. Verweerder moet bezien of de aanvraag voorziet in alle onlosmakelijk samenhangende activiteiten. Indien in de aanvraag een activiteit ontbreekt, kan toepassing gegeven worden aan art. 4:5 Awb en wordt de aanvrager in de gelegenheid gesteld zijn aanvraag aan te vullen. Wordt de aanvraag niet aangevuld, dan kan besloten worden de aanvraag buiten behandeling te laten. Vorenstaande lijdt uitzondering indien sprake is van de combinatie bouwen en strijd met het bestemmingsplan. Op grond van art. 2.10 lid 2 Wabo geldt dat een aanvraag om te bouwen tevens wordt aangemerkt als een aanvraag voor een planologisch strijdig gebruik als bedoeld in art. 2.1 lid 1, aanhef en onder c Wabo. Die situatie doet zich hier echter niet voor. Een aanvraag voor de activiteit bouwen is niet gedaan. Met het thans bestreden besluit is verweerder, zoals ook door eiser is gesteld, buiten de grondslag van de aanvraag getreden. Het besluit kan om die reden niet in stand blijven. Verweerder zal, indien hij meent dat sprake is van een met het bestemmingsplan strijdig gebruik, eiser alsnog in de gelegenheid moeten stellen zijn aanvraag aan te vullen.
AnnotatorJ.H.G. van den Broek
Pagina738-738
UitspraakECLI:NL:RBALM:2012:BX8015
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelRaad van State, 03-10-2012, 201111946/1/A1
CiteertitelM en R 2012/156
SamenvattingOnlosmakelijke samenhang
Samenvatting (Bron)Verlenen omgevingsvergunning voor het kappen van maximaal 145 bomen. Ingevolge art. 2.1, lid 1, aanhef en onder b, van de Wabo, gelezen in verbinding met art. 20, lid 3, aanhef en onder c, van de planvoorschriften, is voor het rooien van bomen, waarbij stobben worden verwijderd, een omgevingsvergunning (voorheen: aanlegvergunning) vereist. Mede in aanmerking nemend het advies van de commissie bezwaarschriften dat aan het besluit van 10 mei 2011 ten grondslag is gelegd, moet worden geoordeeld dat daarvoor echter geen vergunning is verleend. Daaruit volgt dat de verleende vergunning slechts ziet op het vellen of doen vellen van een houtopstand, als bedoeld in art. 2.2, lid 1, aanhef en onder g, van de Wabo, gelezen in samenhang met art. 2, lid 1 van de Verordening. Het kappen van kruinen en stammen, inclusief het verwijderen van de stobben, is zowel een in art. 2.1, lid 1, aanhef en onder b, als een in art. 2.2, lid 1, aanhef en onder g, van de Wabo bedoelde activiteit. De desbetreffende activiteiten hangen onlosmakelijk samen, zodat de aanvraag ingevolge art. 2.7, lid 1 van de Wabo ook betrekking zou moeten hebben op de activiteit, als bedoeld in art. 2.1, lid 1, aanhef en onder b. De aanvraag ziet echter alleen op het vellen of doen vellen van een houtopstand, als bedoeld in art. 2.2, lid 1, aanhef en onder g. Het college had de gemeente met toepassing van art. 4:5 van de Awb daarom de gelegenheid moeten bieden om de aanvraag in die zin aan te vullen, dat deze tevens betrekking heeft op de activiteit, als bedoeld in art. 2.1, lid 1, aanhef en onder b, van de Wabo en, indien aanvulling zou zijn uitgebleven, de aanvraag wegens strijd met art. 2.7, lid 1, buiten behandeling dienen te stellen.
AnnotatorJ.H.G. van den Broek
Pagina739-740
UitspraakECLI:NL:RVS:2012:BX8977
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelGerechtshof Leeuwarden, 21-09-2012, 24-001275-10
CiteertitelM en R 2012/157
SamenvattingMonster perikelen bij analyse van milieudelicten
Samenvatting (Bron)Wet verontreiniging oppervlaktewateren. Percolaatvocht, afvalstof, schadelijke stof, verontreinigende stof. Het hof laat zich uit over het verzuim van vormen bij de monsterneming. De analyseresultaten van de monsterneming vormen in deze zaak een onvoldoende grondslag om daaraan het bewijs te ontlenen dat het percolaatvocht een verontreinigde of schadelijke stof is. Het percolaatvocht is wel als afvalstof aan te merken. Het bevat meststoffen en voerresten waaraan geen nuttige bestemming meer wordt toegekend maar waarvan verdachte zich ontdoet door deze via een greppel in het oppervlaktewater te brengen. De stelling van verdachte, dat de ontlasting van zijn vee als gevolg van zijn werkwijze als biologische boer minder milieubelastende stoffen bevat dan in de reguliere sector gebruikelijk is, doet niet af aan de kwalificatie van het percolaatvocht als afvalstof.
AnnotatorH.J.A. van Ham
Pagina741-744
UitspraakECLI:NL:GHLEE:2012:BX8127
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelRaad van State, 03-10-2012, 201113105/1/R3
CiteertitelM en R 2012/158
SamenvattingGeluidhinder bij kinderopvang. Afwijken VNG-brochure. Aanleg geluidwal hoeft niet via voorwaardelijke verplichting in bestemmingsplan te worden geborgd.
Samenvatting (Bron)Bij besluit van 29 september 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "4e herz. bp Woongebieden Woensdrecht en Hoogerheide, Fortuinstraat 1 + Nederheide 13" vastgesteld.
AnnotatorA.G.A. Nijmeijer
Pagina744-747
UitspraakECLI:NL:RVS:2012:BX8939
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelRechtbank Amsterdam, 05-10-2012, 525686 / KG ZA 12-1250 HJ/JWR en 526023 / KG ZA 12-1271 HJ/JWR
CiteertitelM en R 2012/159
Samenvatting(Grenzen aan) het recht om actie te voeren; kort geding Shell/actie Greenpeace (benzinestations)
Samenvatting (Bron)Shell is onlangs begonnen met het verrichten van (olie)boringen in het Noordpoolgebied. Greenpeace voert hiertegen een mondiale campagne. In het kader daarvan is het hoofdkantoor van Shell enige tijd geblokkeerd en is op 14 september 2012 bij 72 benzinestations van Shell in Nederland actie gevoerd, waarbij sloten aan vulpistolen zijn bevestigd, waardoor het onmogelijk was om benzine te tanken. Shell vordert thans een verbod op nieuwe acties. De voorzieningenrechter neemt als uitgangspunt is dat het organisaties als Greenpeace in beginsel vrij staat om actie te voeren en hun mening aan het publiek kenbaar te maken. Het enkele feit dat een dergelijke actie hinder of schade oplevert voor het bedrijf waartegen de actie zich richt, in dit geval Shell, maakt een dergelijke actie niet onrechtmatig. Wel dient het belang van Greenpeace bij het vrijelijk en ook op indringende wijze kunnen uiten van haar mening afgewogen te worden tegen de rechtmatige (ondernemers)belangen van Shell. Een afweging van deze belangen kan in het algemeen slechts op basis van de concrete feiten en omstandigheden worden gemaakt. Wat betreft toekomstige acties kunnen slechts een aantal buitengrenzen aan worden gegeven. Bij het stellen van die buitengrenzen gelden de normen van subsidiariteit en proportionaliteit. De voorzieningenrechter verbiedt op straffe van een dwangsom acties als zij niet voldoen aan de volgende voorwaarden: 1. aan het begin van de actie wordt meegedeeld: - het doel van de actie, - de werkwijze, - de duur van de actie, - indien van toepassing: de genomen veiligheidsmaatregelen. - de naam en het telefoonnummer van degene die namens Greenpeace voor de actie verantwoordelijk is; 2. acties bij tankstations waarbij het tanken voor het publiek onmogelijk wordt gemaakt of in belangrijke mate wordt beperkt, duren niet langer dan een uur. 3. acties bij niet voor het publiek toegankelijke locaties die de normale bedrijfsvoering onmogelijk maken of in belangrijke mate belemmeren, duren niet langer dan twee uur. Op overtreding van voorwaarde 1 staat een dwangsom van 10.000, op overtreding van voorwaarde 2 en 3 staat een dwangsom van 25.000,-. De reconventionele vordering van Greenpeace tot rectificatie van uitlatingen in een persbericht van Shell en in de processtukken van de kant van Shell wordt afgewezen.
Pagina747-752
UitspraakECLI:NL:RBAMS:2012:BX9310
Artikel aanvragenVia Praktizijn