Tijdschrift voor Agrarisch Recht

Uitgever Den Hollander
Tijdschrift Tijdschrift voor Agrarisch Recht
Datum 14-01-2013
Aflevering 12
RubriekKort & bondig
TitelGeheim: de nieuwe Omgevingswet!
CiteertitelAgr.r 2013, p. 391
SamenvattingHet Nederlandse omgevingsrecht verkeert in een soort van existentialistische crisis. Een rechtsgebied dat voor de dagelijkse rechts- en bestuurspraktijk van zo groot belang is [...] zou ook zo praktisch mogelijk moeten zijn ingericht.
Auteur(s)A.A.J. de Gier
Pagina391-391
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekWetenschappelijke artikelen
TitelInkomstenbelastingaspecten van 'Rood voor Rood'
CiteertitelAgr.r 2013, p. 392
SamenvattingIn deze bijdrage zal worden ingegaan op de fiscale gevolgen van n van deze vormen van functieverandering, te weten het slopen van voormalige agrarische gebouwen en het in ruil daarvoor verkrijgen van een 'bouwtitel' voor n of meer nieuwe woningen op (meestal) grond met een oorspronkelijk agrarische bestemming, anders dan een agrarische bedrijfswoning.
Auteur(s)A. Verduijn , A. Visscher
Pagina392-398
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekVakpublicaties
TitelHet Drielandenseminar in Dresden
CiteertitelAgr.r 2013, p. 399
SamenvattingDe Duitse, Nederlandse en Belgische verenigingen voor agrarisch recht proberen elk jaar een bijeenkomst van de drie landen te organiseren over een actueel thema. Van 29 november t/m 1 december 2012 vond een drielandenseminar plaats in Dresden, georganiseerd door de DGAR, de Deutsche Gesellschaft fr Agrarrecht.
Auteur(s)D.W. Bruil
Pagina399-401
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak
TitelGerechtshof Arnhem, 29-03-2011, 200.033.532
CiteertitelAgr.r 2013, p. 406
SamenvattingBedrijfsmatig. Huurovereenkomst. Toedeling na overlijden.
Samenvatting (Bron)7:365, 7:366, 7:376 en 7:377 BW; 130 en 150 Rv Pluraliteit en processuele ondeelbaarheid. Pacht en bedrijfsmatig gebruik. Bewijslast. Medewerking verpachter aan verdeling. Acht medepachters, waarvan er vier niet in hoger beroep zijn verschenen. De verpachtster kan in haar gewijzigde eis tegenover de niet verschenen medepachters niet worden ontvangen, nu niet blijkt dat voldaan is aan het voorschrift van het derde lid van artikel 130 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Dat heeft ook gevolgen voor de toewijsbaarheid van de gewijzigde eis tegenover de wel verschenen medepachters, omdat, in ieder geval wat betreft de vordering op grond van art. 7:377 BW, sprake is van een ondeelbare rechtsverhouding, zodat enkel kan worden beslist in een geding waarin alle bij de rechtsverhouding betrokkenen partij zijn, omdat het rechtens noodzakelijk is dat de beslissing ten aanzien van allen in dezelfde zin luidt. Aan dit laatste doet niet af dat de medepachters de rechten en verplichtingen uit de pachtovereenkomst inmiddels hebben toegedeeld aan n van hen, omdat immers die toedeling de medewerking van verpachtster behoeft (vergelijk art. 7:366 lid 3 BW) en uit het standpunt wat verpachtster in dit geding inneemt, volgt dat zij die medewerking weigert. Tot het moment dat die medewerking eventueel alsnog wordt verleend, zijn de medepachters dus nog allen partij bij de rechtsverhouding. Voor zover de vraag of sprake is van een bedrijfsmatige exploitatie van belang is voor de primaire vordering van verpachtster (ontbinding op grond van art. 7:376 BW), draagt verpachtster de bewijslast, maar van de medepachters kan wel worden gevergd dat zij voldoende gegevens omtrent de bedrijfsvoering overleggen. Volgens de Memorie van Toelichting bij art. 7:366 BW (Kamerstukken II, 30448, nr. 3, p. 26) is voor de vraag of sprake is van redelijke bezwaren van de verpachter in de zin van het derde lid van die bepaling, van belang of de erfgenaam aan wie de toedeling plaatsvindt behoort tot de in art. 7:363 BW bedoelde kring van personen. Anders dan waar verpachtster vanuit gaat, betekent dit niet dat zij iedere toedeling aan een of meer erfgenamen van buiten de bedoelde kring kan blokkeren. Indien de wetgever zou hebben gewild dat pachtovereenkomsten na het overlijden van de pachter alleen kunnen worden voortgezet door een of meer personen die tot in art. 7:363 BW bedoelde kring behoren, zou hij, zo moet worden aangenomen, die bedoeling in de wettekst tot uitdrukking hebben gebracht. Aan de bedoelde passage uit de Memorie van Toelichting moet de betekenis worden gehecht dat de rechter bij de waardering van de bezwaren van de verpachter tegen de door de erfgenamen overeengekomen wijze van verdeling, als gezichtspunt dient te betrekken de vraag of er erfgenamen zijn die tot de bedoelde kring behoren, in die zin dat toedeling zij het ook niet zonder afweging tegen andere gezichtspunten bij voorkeur dient te geschieden aan een of meer erfgenamen die inderdaad tot die kring behoren.
AnnotatorE.H.M. Harbers
Pagina406-409
LinkVolledige tekst (hekkelman.nl)
UitspraakECLI:NL:GHARN:2011:BQ1789
Artikel aanvragenVia Praktizijn