Jurisprudentie in Nederland

Uitgever Sdu
Tijdschrift Jurisprudentie in Nederland
Datum 12-06-2013
Aflevering 5
RubriekArbeidsrecht
TitelHoge Raad, 05-04-2013, 12/00667
CiteertitelJIN 2013/84
SamenvattingAlbron-zaak. Permanent gedetacheerde werknemers gaan mee over bij overgang van niet-contractuele werkgever. Werkgever ex artikel 7:633 BW richtlijnconform uitleggen als ‘niet-contractuele werkgever’ leidt niet tot uitleg contra legem.
Samenvatting (Bron)Overgang van onderneming in de zin van art. 7:663 BW; voortzetting dienstverband met verkrijgende partij. Werknemer in dienst van personeelsvennootschap maar tewerkgesteld bij tot hetzelfde concern behorende andere vennootschap, wier onderneming wordt overgedragen. Richtlijnconforme uitleg van werkgever (art. 7:663 BW) in licht van art. 3 Richtlijn 2001/23/EG. Bedoeling van wetgever; algemene rechtsbeginselen, rechtszekerheidsbeginsel, verbod van terugwerkende kracht, contra legem-uitleg.
AnnotatorP.L.M. Schneider
UitspraakECLI:NL:HR:2013:BZ1780
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekCiviel recht
TitelRechtbank 's-Hertogenbosch, 16-08-2012, 784936
CiteertitelJIN 2013/85
SamenvattingStuiting van de verjaring van een vordering op grond van artikel 7:681 BW gedurende meer dan negen jaar wordt door de kantonrechter naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar geacht.
Samenvatting (Bron)Beroep op stuiting verjaring onaanvaardbaar naar redelijkheid en billijkheid
AnnotatorJ.A.J. Werner
UitspraakECLI:NL:RBSHE:2012:BX5038
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekArbeidsrecht
TitelRechtbank Noord-Nederland, 04-04-2013, 97639
CiteertitelJIN 2013/86
SamenvattingRechter-commissaris machtigt curator om na faillissement de arbeidsovereenkomsten van werknemers op te zeggen. Beleidsvrijheid curator. Opzegging arbeidsovereenkomsten door curator niet onrechtmatig.
Samenvatting (Bron)Faillissement. Beroep tegen beschikking rc. Mocht de r-c een machtiging verlenen tot het opzeggen van de dienstverbanden van de werknemers? Beleidsvrijheid curator, maatstaf en toetsing.
AnnotatorJ. van der Pijl
UitspraakECLI:NL:RBNNE:2013:BZ7262
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekArbeidsrecht
TitelRechtbank Noord-Nederland, 03-04-2013, 578766 VV EXPL 13-28
CiteertitelJIN 2013/87
SamenvattingLoonstop arbeidsongeschikte werknemer die weigert passende arbeid te verrichten ziet op het volledige loon en niet slechts op de uren waartoe de werknemer in staat wordt geacht passende arbeid te verrichten.
Samenvatting (Bron)loonsanctie van artikel 7:629 lid 3 sub c BW ziet op het volledige loon op grond van 7:629 lid 1 BW en niet alleen op loon voor de reintegratieuren
AnnotatorJ.P.M. van Zijl
UitspraakECLI:NL:RBNNE:2013:BZ7121
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekPersonen- en familierecht
TitelGerechtshof Arnhem, 16-06-2009, 200.012.491
CiteertitelJIN 2013/88
SamenvattingDe waardevermeerdering van het door de man van zijn ouders gekochte aandeel in twee appartementen valt niet in de gemeenschap van goederen waarin partijen gehuwd zijn, nu de koopsom is omgezet in een geldlening, die vervolgens onder uitsluitingsclausule is kwijtgescholden. De uitsluitingclausule heeft in dit geheel ook betrekking op de opbrengst van het aandeel van de man in de appartementen. Dat is ook het geval door zaaksvervanging.
Samenvatting (Bron)Kwijtschelding koopsom appartementen met Uitsluitingsclausule. Vallen appartementen in huwelijksgemeenschap? Zaaksvervanging.
AnnotatorM.A. Zon
UitspraakECLI:NL:GHARN:2009:BZ6967
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekPersonen- en familierecht
TitelGerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 26-03-2013, 200.113.056/01
CiteertitelJIN 2013/89
SamenvattingNu de man in de huidige omstandigheden moeite heeft om een betaalde baan te vinden, wordt hij in de gelegenheid gesteld een eigen bedrijf te starten. Het hof geeft de man daartoe een aanloopperiode van ten hoogste drie jaar om een redelijk inkomen te verwerven. Gedurende die periode ontvangt hij partneralimentatie, die daarna op nihil wordt gesteld. De duur van de partneralimentatie wordt niet gelimiteerd.
Samenvatting (Bron)Geen limitering partneralimentatie. Wel nihilstelling op een termijn van drie jaar op grond van de verwachting dat de man dan in zijn eigen levensonderhoud kan voozien.
AnnotatorC. van Baalen-van IJzendoorn
UitspraakECLI:NL:GHARL:2013:BZ6862
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekPersonen- en familierecht
TitelGerechtshof 's-Hertogenbosch, 11-04-2013, HV 200.108.881
CiteertitelJIN 2013/90
SamenvattingPartijen zijn in 1993 in algehele gemeenschap van goederen getrouwd. Tijdens het huwelijk in 2007 zijn huwelijksvoorwaarden opgesteld, waarbij de bestaande gemeenschap is verdeeld. In eerste aanleg heeft de vrouw verzocht de akte huwelijksvoorwaarden te vernietigen primair op dwaling, subsidiair op grond van bedreiging en misbruik van omstandigheden. Dit verzoek wijst de rechtbank toe en de verdeling van de gemeenschap wordt bevolen. Het hof bekrachtigt de beschikking van de rechtbank en overweegt dat de vrouw weliswaar de wil had om die rechtshandeling tot stand te brengen, maar niet kan worden gezegd dat deze wil berust op een werkelijk en volwaardig proces van vrije wilsvorming.
Samenvatting (Bron)Totstandkoming huwelijkse voorwaarden staande huwelijk na bedreiging (art.3:44 lid 2 BW)
AnnotatorM.M. Schouten
LinkVolledige tekst (scherpinfamilierecht.nl)
UitspraakECLI:NL:GHSHE:2013:BZ9638
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekOndernemingsrecht
TitelHoge Raad, 15-03-2013, 11/05494
CiteertitelJIN 2013/91
SamenvattingDe schuldeisers van de maatschap hebben zowel de mogelijkheid de gezamenlijke maten aansprakelijk te stellen (met de mogelijkheid van verhaal op het maatschapsvermogen) als het aansprakelijk stellen van individuele (rechts)personen die ten tijde van het aangaan van de overeenkomst partij waren (met de mogelijkheid van verhaal op hun privévermogens).
Samenvatting (Bron)Opdracht aan advocatenmaatschap. Persoonlijke aansprakelijkheid maten voor gelijke delen (art. 7A:1679-1681 BW) dan wel hoofdelijk (art. 7:407 lid 2 BW). Instellen vordering tegen gezamenlijke maten (HR 5 november 1976, LJN AB7103, NJ 1977/586) of tegen individuele (rechts)personen. Verhaal op afgescheiden vermogen van de maatschap (art. 3:192 in verbinding met art. 3:189 lid 2 BW) of op privévermogens. Dagvaarding op naam van maatschap of op naam van individuele leden. Bevoegdheid rechter niet-gedagvaarde leden van maatschap in het geding te laten betrekken, art. 118 Rv. Persoonlijke aansprakelijkheid op grond van art. 7:404 BW; praktijkvennootschap.
AnnotatorG.C. Vergouwen
UitspraakECLI:NL:HR:2013:BY7840
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekOndernemingsrecht
TitelGerechtshof Amsterdam, 12-03-2013, 200.112.172/01
CiteertitelJIN 2013/92
SamenvattingOEP Technologie BV heeft de Ondernemingskamer verzocht alle aandeelhouders van SMARTRAC NV te veroordelen tot overdracht van de door hen gehouden aandelen aan OEP op grond van artikel 2:92a BW. Vordering is toewijsbaar omdat aan de vereisten van artikel 2:92a BW is voldaan. De Ondernemingskamer gelast een comparitie ten aanzien van de vaststelling van de door OEP te betalen prijs voor de over te dragen aandele
Samenvatting (Bron)Uitspraak Ondernemingskamer 12 maart 2013; OEP TECHNOLOGIE B.V. / Ralph Peter HENN C.S.
AnnotatorM.C. van Rijswijk
UitspraakECLI:NL:GHAMS:2013:BZ4592
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekOndernemingsrecht
TitelGerechtshof Amsterdam, 05-04-2013, 200.115.839/01 OK
CiteertitelJIN 2013/93
SamenvattingEen grote coöperatie besluit tot de beëindiging van een bepaalde tak van activiteiten. Een groep leden van de coöperatie die een minderheid vormt meent daardoor te worden benadeeld. De Ondernemingskamer oordeelt over de vraag of het handelen van de coöperatie de toets van de redelijkheid en billijkheid kan doorstaan.
Samenvatting (Bron)Uitspraak Ondernemingskamer 29 maart 2013; STICHTING GEDUPEERDE LEDEN AGRICO / AGRICO COÖPERATIEVE HANDELSVERENIGING VOOR AKKERBOUWGEWASSEN U.A..
AnnotatorJ. van der Kraan
UitspraakECLI:NL:GHAMS:2013:BZ9661
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekOndernemingsrecht
TitelRechtbank 's-Gravenhage, 24-04-2013, BZ9375
CiteertitelJIN 2013/94
SamenvattingAansprakelijkstelling onbezoldigde stichtingbestuurder ex artikel 2:9 BW. Terzijdestelling van een statutaire bepaling die handelen met tegenstrijdig belang door een bestuurder verbiedt is mogelijk, mits alle overige bestuurders – die een dergelijk tegenstrijdig belang niet hadden – daarmee op voorhand unaniem hebben ingestemd.
AnnotatorP. Haas
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekCiviel recht
TitelHoge Raad, 12-04-2013, 10/00568
CiteertitelJIN 2013/95
SamenvattingVoor het van rechtswege ontstaan van de VvE is vereist dat de splitsingsakte de akte van oprichting en de statuten van de VvE bevat.
Samenvatting (Bron)Vordering tot betaling lidmaatschapsbijdrage VvE. Ontstaansvereisten VvE, splitsingsakte gebouw inhoudende akte van oprichting en statuten, art. 5:111 aanhef en onder d in verbinding met art. 5:112 lid 1 aanhef en onder d BW.
AnnotatorP.C.M. Kemp
UitspraakECLI:NL:HR:2013:BY8733
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekCiviel recht
TitelHoge Raad, 19-04-2013, 11/04601
CiteertitelJIN 2013/96
SamenvattingOnderaannemer spreekt CAR-verzekeraars van hoofdaannemer aan voor geleden schade. De vraag of, en zo ja in welke omvang, in een verzekeringspolis mede dekking wordt verleend aan derden dient te worden beantwoord aan de hand van hetgeen de verzekeraar en de verzekeringnemer dienaangaande zijn overeengekomen. Onderaannemer wordt in casu niet beschermd door artikel 3:35 BW nu er geen sprake is van door verzekeraars gedane mededelingen of gewekte verwachtingen.
AnnotatorN. de Boer
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekCiviel recht
TitelHoge Raad, 26-04-2013, 12/00492
CiteertitelJIN 2013/97
SamenvattingPrevaleert de bescherming van de huurder boven de bescherming die de pandhouder op gelijke voet met de hypotheekhouder wenst tegen het waardedrukkend effect van de door de pandgever in strijd met het huurbeding gesloten huurovereenkomst?
Samenvatting (Bron)Pandrecht op lidmaatschapsrecht coöperatie, huurbeding, executie. Art. 3:264 BW van overeenkomstige toepassing? Waarborgen openbare registers, art. 3:260 lid 1 BW.
UitspraakECLI:NL:HR:2013:BZ0158
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekCiviel recht
TitelHoge Raad, 26-04-2013, 12/00814
CiteertitelJIN 2013/98
SamenvattingIngeval de partij wier stellingen voorshands door de rechter bewezen zijn geacht, in staat is geweest haar aanspraak op nadere bewijslevering ten aanzien van het betrokken feitencomplex te verwezenlijken van die mogelijkheid geen gebruik heeft gemaakt, behoeft de rechter haar niet meer tot bewijslevering toe te laten ter zake van dat feitencomplex naar aanleiding van een bewijsaanbod dat voorafgaand aan de bewijslevering is gedaan. Geen recht op nadere bewijslevering na levering tegenbewijs voor hetzelfde feitencomplex.
Samenvatting (Bron)Vernietiging ontbindingsovereenkomst arbeidsverhouding wegens dwaling of bedrog, vordering tot restitutie en schadevergoeding wegens onrechtmatig handelen. Aanbod getuigenbewijs in hoger beroep, voldoende gespecificeerd bewijsaanbod, art. 166 lid 1 in verbinding met art. 353 lid 1 Rv. Door partijen in enquete en contra-enquete voor te dragen getuigen, art. 168 en 170 Rv, eisen van goede procesorde. Recht op nadere bewijslevering ten aanzien van hetzelfde feitencomplex na enquete.
AnnotatorM.A.J.G. Janssen
UitspraakECLI:NL:HR:2013:BZ8766
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekCiviel recht
TitelGerechtshof 's-Hertogenbosch, 02-04-2013, HD 200.112.886
CiteertitelJIN 2013/99
SamenvattingVerzekeraar weigert uitkering met een beroep op verjaring. Het verjaringsregime van artikel 7:942 (oud) BW is van toepassing. Het hof oordeelt dat, nadat de verzekeraar eenmaal een aanspraak op een verzekering heeft afgewezen overeenkomstig de vereisten van artikel 7:942 lid 2 (oud) BW, na iedere stuiting door de verzekerde van rechtswege een nieuwe verjaringstermijn van zes maanden gaat lopen. De vordering van de verzekerde is verjaard.
Samenvatting (Bron)arbeidsongeschiktheidsverzekering, verjaring
UitspraakECLI:NL:GHSHE:2013:BZ6729
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekStrafrecht
TitelHoge Raad, 23-04-2013, 11/05384 J
CiteertitelJIN 2013/100
SamenvattingDe Hoge Raad overweegt dat art. 51g, vierde lid, Sv geen wijziging heeft gebracht in de in het Burgerlijk Wetboek voorziene regeling van de aansprakelijkheid van de ouders van een kind dat de leeftijd van veertien jaren nog niet heeft bereikt voor de door een onrechtmatige daad van dat kind aan een derde toegebrachte schade. Die bepaling biedt degene die rechtstreekse schade heeft geleden door een strafbaar feit, gepleegd door een kind dat de leeftijd van veertien jaren nog niet heeft bereikt, de mogelijkheid zijn vordering tot schadevergoeding tegen de ouders van het kind in te stellen in het strafproces tegen het kind. Er is derhalve geen sprake van een wijziging van de wet ten aanzien van de strafbaarstelling of strafbedreiging met betrekking tot het tenlastegelegde feit. Het middel, dat van een andere opvatting uitgaat, is tevergeefs voorgesteld.
Samenvatting (Bron)Veroordeling ouders jeugdige tot betaling bedrag aan benadeelde partij. Art. 51g.4 Sv, art. 1.2 Sr en art. 7 EVRM. Wijziging van wetgeving t.a.v. de strafbaarstelling of strafbedreiging? Art. 51g.4 Sv heeft geen wijziging gebracht in de in het BW voorziene regeling van de aansprakelijkheid van de ouders van een kind dat de leeftijd van 14 jaren nog niet heeft bereikt voor de door een onrechtmatige daad van dat kind aan een derde toegebrachte schade. Die bepaling biedt degene die rechtstreeks schade heeft geleden door een strafbaar feit, gepleegd door een kind dat de leeftijd van 14 jaren nog niet heeft bereikt, de mogelijkheid zijn vordering tot schadevergoeding tegen de ouders van het kind in te stellen in het strafproces tegen het kind. Er is derhalve geen sprake van een wijziging van de wet t.a.v. de strafbaarstelling of strafbedreiging m.b.t. het tenlastegelegde feit.
AnnotatorM.L.C.C. de Bruijn-Lückers
UitspraakECLI:NL:HR:2013:BZ8170
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekStrafrecht
TitelHoge Raad, 26-04-2013, 11/02642
CiteertitelJIN 2013/101
SamenvattingZowel het verschil in de juridische aard van de aan de verdachte verweten feiten als het verschil tussen de omschreven gedragingen loopt niet zodanig uiteen dat geen sprake kan zijn van “hetzelfde feit” in de zin van art. 68 Sr. De strafbaarstellingen van oplichting en (schuld)witwassen strekken immers mede ter bescherming van de integriteit van het financieel en economisch verkeer, terwijl de strafmaxima die op oplichting en (schuld)witwassen zijn gesteld, slechts in geringe mate uiteenlopen. Het hof heeft, kennelijk oordelend dat de desbetreffende gedragingen dezelfde geldbedragen betroffen en als één feitencomplex kunnen worden aangemerkt, daarom zonder blijk te geven van een onjuiste rechtsopvatting nagelaten de (tussen)beslissingen te vernietigen van de politierechter in de Rechtbank te ‘s-Hertogenbosch tot toewijzing van een vordering tot wijziging van de tenlastelegging, en beraadslaagd en beslist op grondslag van de aldus gewijzigde tenlastelegging.
Samenvatting (Bron)68 Sr. Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van "hetzelfde feit", dient de rechter in de situatie waarop art. 313 Sv ziet de in de tenlastelegging en de in de vordering tot wijziging van de tenlastelegging omschreven verwijten te vergelijken. De HR formuleert relevante vergelijkingsfactoren. Zowel het verschil in de juridische aard van de aan verdachte verweten feiten (te weten: oplichting a.b.i. art. 326 Sr en witwassen a.b.i. art. 420bis/420quater Sr) als het verschil tussen de omschreven gedragingen loopt niet zodanig uiteen dat geen sprake kan zijn van "hetzelfde feit" in de zin van art. 68 Sr. De strafbaarstellingen van oplichting en (schuld)witwassen strekken immers mede ter bescherming van de integriteit van het financieel en economisch verkeer, terwijl de strafmaxima die op oplichting en (schuld)witwassen zijn gesteld, slechts in geringe mate uiteenlopen. Het Hof heeft, kennelijk oordelend dat de desbetreffende gedragingen dezelfde geldbedragen betroffen en als één feitencomplex kunnen worden aangemerkt, daarom zonder blijk te geven van een onjuiste rechtsopvatting nagelaten de (tussen)beslissingen te vernietigen van de Politierechter in de Rechtbank te 's-Hertogenbosch tot toewijzing van een vordering tot wijziging van de tenlastelegging, en beraadslaagd en beslist op grondslag van de aldus gewijzigde tenlastelegging.
AnnotatorC.J.A. de Bruijn
UitspraakECLI:NL:HR:2013:BZ8645
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekStrafrecht
TitelHoge Raad, 14-05-2013, 12/01819
CiteertitelJIN 2013/102
SamenvattingDe klacht dat het hof aan art. 248e Sr een toepassing heeft gegeven die verdergaand is dan en daarom niet verenigbaar is met art. 23 van het Verdrag van Lanzarote berust kennelijk op het uitgangspunt dat de rechter zou moeten en mogen toetsen in hoeverre art. 248e Sr overeenkomt met dat verdragsartikel. Dat uitgangspunt is echter onjuist omdat het verdragsvoorschrift zich tot de wetgever richt en niet tot de rechter.
Samenvatting (Bron)Grooming. 1. Verhouding art. 248e Sr en art. 23 van het Verdrag van de Raad van Europa inzake de bescherming van kinderen tegen seksuele uitbuiting en seksueel misbruik (Verdrag van Lanzarote). 2. Kwalificatieklacht. Ad 1. De klacht die kennelijk berust op de opvatting dat de rechter zou moeten en mogen toetsen in hoeverre art. 248e Sr overeenkomt met art. 23 van het Verdrag van Lanzarote kan niet tot cassatie leiden, nu dat uitgangspunt onjuist is omdat bedoeld verdragsvoorschrift zich tot de wetgever richt en niet tot de rechter. Opmerking verdient dat bedoeld verdragsartikel slechts minimumvoorschriften beoogd te geven. Ad 2. De klacht dat het bewezenverklaarde kan worden gekwalificeerd als het ondernemen van enige handeling gericht op het verwezenlijken van een ontmoeting zoals bedoeld in art. 248e Sr faalt, nu s Hofs oordeel dat dit het geval is juist is.
AnnotatorM.L.C.C. de Bruijn-Lückers
UitspraakECLI:NL:HR:2013:BZ9941
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekStrafrecht
TitelHof van Justitie EU, 20-02-2013, c-399/11
CiteertitelJIN 2013/103
SamenvattingArtikel 4 bis, lid 1, van het Kaderbesluit Europees Aanhoudingsbevel moet aldus worden uitgelegd dat het zich ertegen verzet dat de uitvoerende rechterlijke autoriteit in de in die bepaling omschreven gevallen de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel voor de uitvoering van een straf afhankelijk stelt van de voorwaarde dat de veroordeling bij verstek in de uitvaardigende lidstaat kan worden herzien. Art. 53 van het Handvest moet als volgt worden uitgelegd dat een lidstaat de overlevering van een bij verstek veroordeelde niet afhankelijk mag stellen van de voorwaarde dat de veroordeling in de uitvaardigende lidstaat kan worden herzien, om te voorkomen dat inbreuk wordt gemaakt op het recht op een eerlijk proces en de rechten van de verdediging, die in zijn grondwet zijn gewaarborgd.
Samenvatting (Bron)Arrest van het Hof (Grote kamer) van 26 februari 2013.#Stefano Melloni tegen Ministerio Fiscal.#Verzoek van het Tribunal Constitucional (Spanje) om een prejudiciele beslissing.#Politiele en justitiele samenwerking in strafzaken - Europees aanhoudingsbevel - Procedures van overlevering tussen lidstaten - Beslissingen gegeven na proces waarop betrokkene niet in persoon is verschenen - Uitvoering van bij verstek opgelegde straf - Mogelijkheid van herziening van vonnis.#Zaak C-399/11.
AnnotatorH.C.F.J.A. de Waele
UitspraakECLI:EU:C:2013:107
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekStrafrecht
TitelHof van Justitie EU, 26-02-2013, C-617/10
CiteertitelJIN 2013/104
SamenvattingHet ne-bis-in-idembeginsel neergelegd in art. 50 van het Handvest staat er niet aan in de weg dat een lidstaat voor dezelfde feiten achtereenvolgens een fiscale sanctie en een strafrechtelijke sanctie oplegt voor zover de eerste sanctie geen strafrechtelijke sanctie is (wat de nationale rechter dient uit te maken). Het EU-recht regelt niet de verhouding tussen het EVRM en de rechtsordes van de lidstaten, en bepaalt evenmin welke gevolgen de nationale rechter moet verbinden aan een conflict tussen door het EVRM gewaarborgde rechten en bepalingen van nationaal recht.
Samenvatting (Bron)Arrest van het Hof (Grote kamer) van 26 februari 2013.#Aklagaren tegen Hans Akerberg Fransson.#Verzoek van het Haparanda tingsratt om een prejudiciele beslissing.#Handvest van de grondrechten van de Europese Unie - Toepassingsgebied - Artikel 51 - Ten uitvoer brengen van het Unierecht - Bestraffing van gedragingen waarmee eigen middelen van de Unie worden geschaad - Artikel 50 - Beginsel ne bis in idem - Nationale regeling waaronder dezelfde onrechtmatige gedraging kan worden bestraft volgens twee aparte procedures, een bestuurlijke en een strafrechtelijke - Verenigbaarheid.#Zaak C-617/10.
AnnotatorH.C.F.J.A. de Waele
UitspraakECLI:EU:C:2013:105
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekBestuursrecht
TitelRaad van State, 06-02-2013, 201008516/1/R1 en 201201618/1/R1
CiteertitelJIN 2013/105
SamenvattingDe raad is bij de vaststelling van een bestemmingsplan niet aan provinciaal beleid gebonden, maar dit beleid dient wel in de belangenafweging te worden betrokken. Uit art. 2:4 van de Awb volgt in het algemeen niet dat een persoon die deel uitmaakt van een democratisch gekozen bestuursorgaan zoals de gemeenteraad en die bij een besluit belanghebbende is als bedoeld in art. 1:2, eerste lid, van de Awb, zich zou moeten onthouden van deelname aan de besluitvorming. Bijkomende omstandigheden kunnen maken dat de behartiging van het persoonlijk belang van een raadslid zodanig aan de orde is bij het onderwerp van de besluitvorming dat hij daaraan niet behoort deel te nemen. Deelname kan er in zo’n geval toe leiden dat de bestuursrechter tot het oordeel moet komen dat het desbetreffende besluit is genomen in strijd met art. 2:4 van de Awb.
Samenvatting (Bron)Bij besluit van 1 juli 2010 heeft de raad besloten het bestemmingsplan "Partiële bestemmingsplanherziening Oostgraftdijk-Locatie Stoop" niet vast te stellen.
AnnotatorL.J.M. Timmermans-Vermeer
UitspraakECLI:NL:RVS:2013:BZ0796
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekBestuursrecht
TitelRaad van State, 07-03-2013, 201209346/3/R2
CiteertitelJIN 2013/106
SamenvattingIngevolge art. 2:14, tweede lid, jo. art. 3:12, eerste lid, van de Awb dient van een ontwerpbesluit op ten minste één niet-elektronische wijze kennis te worden gegeven, tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald. De Afdeling oordeelt dat de rechtszekerheid zich er in dit geval tegen verzet dat aan de provinciale verordening elektronische bekendmaking Gelderland 2012 terugwerkende kracht is toegekend, omdat het gevolg daarvan is dat aan belanghebbenden de mogelijkheid wordt ontnomen om op te komen tegen een ontwerpbesluit of besluit. De zinsnede “en werkt terug tot en met 1 oktober 2011” in art. 4 van de verordening wordt derhalve onverbindend verklaard.
Samenvatting (Bron)Bij besluit van 13 augustus 2012, kenmerk 2012-000111, heeft het college aan [vergunninghouder] een vergunning op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 verleend voor de uitbreiding van het veebestand en de bouw van een nieuwe pluimveestal aan de [locatie] te Aalten.
AnnotatorG. Overkleeft-Verburg
UitspraakECLI:NL:RVS:2013:BZ4007
Artikel aanvragenVia Praktizijn