AB Rechtspraak Bestuursrecht

Uitgever Wolters Kluwer
Tijdschrift AB Rechtspraak Bestuursrecht
Datum 20-07-2013
Aflevering 28
TitelHoge Raad, 01-06-2012, 10/03161
CiteertitelAB 2013/204
SamenvattingOverheidscontract. Bevoegdheid te besluiten tot privaatrechtelijke rechtshandelingen. Instemmingsvoorbehoud. Totstandkomingsvereiste? Betekenis opschortende voorwaarde. Beletten van de vervulling van de voorwaarde. Ontbreken mandaat.
Samenvatting (Bron)Overeenkomstenrecht. Onderhandelingen met gemeente. Verplichting tot dooronderhandelen? Totstandkoming overeenkomst onder opschortende voorwaarde van goedkeuring door college van B&W? Betekenis van art. 160 lid 1, aanhef en onder e, Gemeentewet. Toepasselijkheid art. 6:23 lid 1 BW. Uitleg goedkeuringsvoorbehoud als opschortende voorwaarde of totstandkomingsvoorwaarde? Veroordeling gaat verder dan petitum; Hoge Raad doet zelf de zaak af.
AnnotatorF.J. van Ommeren
Pagina1175-1186
UitspraakECLI:NL:HR:2012:BV1748
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelRaad van State, 27-05-2013, 201302959/2/R1
CiteertitelAB 2013/205
SamenvattingGeen toepassing van het relativiteitsvereiste. Afwijzing van het verzoek om een voorlopige voorziening.
Samenvatting (Bron)Bij besluit van 5 februari 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Sportcomplex BMR te Mheer" vastgesteld.
AnnotatorC.B. Modderman
Pagina1186-1190
UitspraakECLI:NL:RVS:2013:CA1989
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelRaad van State, 12-06-2013, 201209737/1/A1
CiteertitelAB 2013/206
SamenvattingOmgevingsvergunning. Bouwrijp maken grond. Onlosmakelijk activiteiten. Wetswijziging. Naar huidig recht aanvraag afzonderlijke omgevingsvergunning voor afwijking van bestemmingsplan mogelijk. In stand laten rechtsgevolgen.
Samenvatting (Bron)Bij besluit van 20 februari 2012 heeft het college aan de gemeente Schiedam een omgevingsvergunning onder voorwaarden verleend voor het uitvoeren van werkzaamheden, het handelen in strijd met regels van ruimtelijke ordening en het handelen met gevolgen voor beschermde plant- en diersoorten ten behoeve van het zogenoemde project "Casco Schiedam" (hierna: het Casco).
AnnotatorA.G.A. Nijmeijer
Pagina1190-1194
UitspraakECLI:NL:RVS:2013:CA2986
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelRaad van State, 20-03-2013, 201200119/1/R3
CiteertitelAB 2013/207
SamenvattingVernietiging wijzigingsplan wegens strijd met een regel als bedoeld in art. 4.1 lid 1 Wro.
Samenvatting (Bron)Bij besluit van 15 november 2011 heeft het college van burgemeester en wethouders het wijzigingsplan "[locatie]" vastgesteld.
AnnotatorD. Korsse
Pagina1194-1199
UitspraakECLI:NL:RVS:2013:BZ4955
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelRaad van State, 13-03-2013, 201201924/1/R3
CiteertitelAB 2013/208
SamenvattingWeigering om ontheffing te verlenen van het verbod om te voorzien in de nieuwvestiging van intensieve veehouderij in een landbouwontwikkelingsgebied; aanscherping reconstructiebeleid toelaatbaar; verbod niet in strijd met art. 1 Reconstructiewet concentratiegebieden; geen strijd met het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel.
Samenvatting (Bron)Bij besluit van 5 juli 2011, kenmerk C2019308, heeft het college van gedeputeerde staten (hierna: het college) geweigerd ontheffing te verlenen van het in artikel 9.4, eerste lid, aanhef en onder a, van de Verordening ruimte Noord-Brabant 2011 (hierna: Verordening 2011) vervatte verbod op nieuwvestiging van een intensieve veehouderij in een landbouwontwikkelingsgebied voor een nieuw bouwblok voor een intensieve veehouderij aan de [locatie] in Sterksel.
AnnotatorD. Korsse
Pagina1199-1206
UitspraakECLI:NL:RVS:2013:BZ4013
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelRaad van State, 20-03-2013, 201207503/1/R2
CiteertitelAB 2013/209
SamenvattingVerbod van vooringenomenheid.
Samenvatting (Bron)Besluit waarbij is geweigerd een bestemmingsplan te herzien. Appellant kan zich niet verenigen met het besluit van de raad en voert hiertoe aan dat dit in strijd is met art. 2:4 Awb en art. 28 van de Gemeentewet. () Niet in geschil is dat het door appellant bedoelde raadslid woonachtig is op een perceel dat aan de noordoostzijde slechts door een weg wordt gescheiden van het perceel van appellant. Het verzoek van appellant tot herziening van het geldende bestemmingsplan is op 7 november 2011 door de raad behandeld. Het desbetreffende raadslid was aanwezig bij deze raadsvergadering, maar heeft niet deelgenomen aan de beraadslaging en stemming hierover. Het verzoek is afgewezen, waartegen appellant bezwaar heeft aangetekend. De beslissing op bezwaar werd genomen in de raadsvergadering van 26 juni 2012. Het desbetreffende raadslid was wederom aanwezig bij de vergadering en heeft wel deelgenomen aan de stemming over het bezwaar. Met de kleinst mogelijke meerderheid is het besluit van 7 november 2011 met een nadere motivering gehandhaafd. Ten aanzien van de beweerdelijke schending van art. 2:4, lid 2 Awb overweegt de Afdeling dat deze bepaling ertoe strekt de burger een waarborg te bieden voor naleving van de in het eerste lid neergelegde norm. Daartoe wordt, niet aan de in de bepaling bedoelde personen individueel, maar aan het tot besluiten bevoegde bestuursorgaan, een zorgplicht opgelegd die in elk geval inhoudt dat door het orgaan wordt voorkomen dat de besluitvorming niet meer voldoet aan de in het eerste lid neergelegde norm. Met het begrip "persoonlijk" is blijkens de wetsgeschiedenis van de totstandkoming van art. 2:4 Awb (Kamerstukken II, 1988/89, 21 221, nr. 3, blz. 55) gedoeld op ieder belang dat niet behoort tot de belangen die het bestuursorgaan uit hoofde van de hem opgedragen taak behoort te behartigen. In aanmerking genomen dat het hier gaat om besluitvorming door de gemeenteraad die een belangenafweging vergt waarbij politieke inzichten een belangrijke rol spelen, ligt het in de rede voor de invulling van het begrip "persoonlijk belang" aansluiting te zoeken bij art. 28, lid 1, onder a, van de Gemeentewet. Deze bepaling dient strikt te worden uitgelegd, nu daarbij het fundamentele recht van een raadslid om deel te nemen aan een stemming wordt ingeperkt. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in haar uitspraak van 6 februari 2013 (LJN: BZ0796) volgt dus uit art. 2:4 Awb in het algemeen niet dat een persoon die deel uitmaakt van een democratisch gekozen bestuursorgaan zoals de gemeenteraad en die bij een besluit belanghebbende is als bedoeld in art. 1:2, lid 1 Awb, zich zou moeten onthouden van deelname aan de besluitvorming. Dit zou afbreuk doen aan de taak en de fundamentele rechten van een gekozen volksvertegenwoordiger en daarmee aan het democratisch proces. Er kunnen zich evenwel bijkomende omstandigheden voordoen die maken dat de behartiging van het persoonlijk belang van een raadslid zodanig aan de orde is bij het onderwerp van de besluitvorming dat hij daaraan niet behoort deel te nemen. Weliswaar kan de gemeenteraad niet verhinderen dat een lid deelneemt aan de besluitvorming en aan stemmingen, maar deelname van een lid kan er bij aanwezigheid van zon persoonlijk belang wel toe leiden dat de bestuursrechter tot het oordeel moet komen dat het desbetreffende besluit is genomen in strijd met art. 2:4 Awb. De conclusie dat het betrokken bestuursorgaan in strijd met deze bepaling een besluit heeft genomen, kan echter pas worden getrokken indien aannemelijk is dat de betrokken volksvertegenwoordiger de besluitvorming daadwerkelijk heeft beÔnvloed. In dit geval zijn bijkomende omstandigheden als hiervoor bedoeld niet aanwezig. Als zodanig is onvoldoende dat het desbetreffende raadslid, die mogelijk belanghebbende is in de zin van art. 1:2 Awb, heeft afgezien van deelname aan de beraadslaging en stemming over het primaire verzoek. Nu bijkomende omstandigheden in dit geval niet aanwezig zijn, bestaat, ook al is het besluit genomen met de kleinst mogelijke meerderheid, geen aanleiding voor het oordeel dat het betrokken raadslid heeft gehandeld in strijd met art. 28, lid 1, onder a, van de Gemeentewet en de raad daarmee met art. 2:4 Awb.
AnnotatorA.R. Neerhof
Pagina1206-1215
UitspraakECLI:NL:RVS:2013:BZ4957
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelRaad van State, 06-02-2013, 201008516/1/R1 en 201201618/1/R1
CiteertitelAB 2013/210
SamenvattingVerbod van vooringenomenheid.
Samenvatting (Bron)Bij besluit van 1 juli 2010 heeft de raad besloten het bestemmingsplan "PartiŽle bestemmingsplanherziening Oostgraftdijk-Locatie Stoop" niet vast te stellen.
AnnotatorA.R. Neerhof
Pagina1215-1224
UitspraakECLI:NL:RVS:2013:BZ0796
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelRaad van State, 13-03-2013, 201202384/1/V6
CiteertitelAB 2013/211
SamenvattingWav-boete. Incidenteel hoger beroep. Ruim werkgeversbegrip en boeterechtelijke ketenaansprakelijkheid. Hoogte van de boete. Ernst van de gedraging. Wet in ernstige mate geschonden. Uitdrukkelijk en zonder voorbehoud gegeven oordeel. Recht op bijstand advocaat. Correcte bejegening. Zorgvuldigheidsbeginsel.
Samenvatting (Bron)Werkgever. Anders dan de rb. overwogen, bieden de uittreksels uit het handelsregister geen grond voor het oordeel dat bedrijf A en bedrijf B in feite samen Buro Pinkpop en derhalve een en dezelfde onderneming vormen. Daarbij wordt van belang geacht dat de vennootschappen volgens de uittreksels in verschillende jaren zijn opgericht en verschillende statutaire vestigingsplaatsen hebben. Verder voeren zij verschillende handelsnamen. Ook hebben de ondernemingen verschillende bedrijfsomschrijvingen. Volgens de uittreksels houdt bedrijf B zich bezig met het organiseren van culturele manifestaties, activiteiten en evenementen, zulks met name ten behoeve van het Pinkpopfestival, en bedrijf A met het organiseren van culturele manifestaties, het begeleiden en adviseren van artiesten en het bemiddelen tussen artiesten en derden met het oogmerk winst te behalen. Dat de vennootschappen volgens de uittreksels dezelfde correspondentieadressen en daarmee ook dezelfde emailadressen hebben en sprake is van een bestuurlijke verwevenheid tussen de vennootschappen in die zin dat gemachtigde enig bestuurder is van bedrijf A en bedrijf A enig bestuurder is van bedrijf B, vormt op zichzelf onvoldoende aanleiding om te oordelen, dat de vennootschappen als ťťn bedrijf moeten worden beschouwd. Matigen boete. Ten tijde van belang beschikten de vreemdelingen over een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder een beperking verband houdend met het volgen van studie. Zoals blijkt uit de op die vergunningen vermelde aantekeningen was het verrichten van arbeid van bijkomende aard toegestaan, hetgeen, gelet op paragraaf 24 van de Uitvoeringsregels Wav behorende bij het Delegatie- en uitvoeringsbesluit Wav, inhield dat arbeid met een maximum van 10 uur per week in beginsel mocht worden verricht. Nu de vreemdelingen in de van belang zijnde periode voor 16 uur per week arbeid zouden verrichten, zou de arbeid niet binnen het toegestane aantal uren van maximaal 10 uur per week zijn gebleven. Derhalve gaat de Afdeling ervan uit dat indien bedrijf B de benodigde tewerkstellingsvergunningen voor aanvang van de arbeid zou hebben aangevraagd, deze niet zouden zijn verleend. Gelet hierop bestaat geen grond voor het oordeel dat met de tewerkstelling van de vreemdelingen de doelstellingen van de Wav in geringe mate zijn geschonden en de overtredingen door bedrijf B om die reden als minder ernstig moeten worden aangemerkt en de aan haar opgelegde boete moet worden gematigd. De omstandigheden dat de vreemdelingen ten tijde van de controle 8 uur hadden gewerkt, zij direct na de controle hun werkzaamheden hebben beŽindigd en bedrijf B naar gesteld niet opzettelijk in strijd met de voorschriften van de Wav heeft gehandeld, vormen, gelet op de ernst van de overtredingen, evenmin aanleiding voor matiging van de boete. Gelet op het vorenstaande komt de Afdeling tot het oordeel dat de rb. de aan bedrijf B opgelegde boete ten onrechte heeft gematigd tot 4.000,00.
AnnotatorO.J.D.M.L. Jansen
Pagina1224-1229
UitspraakECLI:NL:RVS:2013:BZ4019
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelRaad van State, 01-05-2013, 201208491/1/V6
CiteertitelAB 2013/212
SamenvattingWav-boete. Hoogte van de boete. Ernst van de gedraging. Wet in ernstige mate geschonden.
Samenvatting (Bron)Bij besluit van 24 maart 2011 heeft de minister [appellante] een boete opgelegd van 8.000,00 wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (hierna: de Wav).
AnnotatorO.J.D.M.L. Jansen
Pagina1229-1232
UitspraakECLI:NL:RVS:2013:BZ9075
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelRaad van State, 01-05-2013, 201203609/1/V6
CiteertitelAB 2013/213
SamenvattingWav-boete. Hoogte bestuurlijke boete. 50% in plaats van matiging met 75%. Ernst van de overtreding. Mate verwijtbaarheid. Persoonlijke omstandigheden. FinanciŽle omstandigheden.
Samenvatting (Bron)Bij besluit van 27 december 2010 heeft de minister aan [wederpartij A] en [wederpartij B] (hierna gezamenlijk: de vennoten) als vennoten van [bedrijf] (hierna: de voormalige vennootschap) een boete opgelegd van 56.000,00 wegens overtredingen van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (hierna: de Wav).
AnnotatorO.J.D.M.L. Jansen
Pagina1232-1236
UitspraakECLI:NL:RVS:2013:BZ9068
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelRaad van State, 17-04-2013, 201201583/1/A3
CiteertitelAB 2013/214
SamenvattingSchaarse ontheffing. Verlening van seizoenontheffingen voor terrasboten op basis van beleidsregels die zowel een persoonsgebonden element als 'pandkoppeling' bevatten. Een tijdelijke ontheffing wordt bij voorrang voor dezelfde locaties verleend.
Samenvatting (Bron)Bij besluit van 28 december 2010 heeft het college een aanvraag van [appellant] om verlening van een seizoenontheffing voor het afmeren van een terrasboot ter hoogte van het pand aan de [locatie 1] te Delft voor de kalenderjaren 2011-2013 afgewezen.
AnnotatorA. Drahmann
Pagina1236-1240
UitspraakECLI:NL:RVS:2013:BZ7782
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelRaad van State, 06-02-2013, 201205387/1/A2
CiteertitelAB 2013/215
SamenvattingOntbreken wettelijke grondslag voor subsidieverstrekking. Weigering incidentele subsidie uit het Investeringsbudget stedelijke vernieuwing.
Samenvatting (Bron)Afwijzing aanvraag om een bijdrage in het kader van het Investeringsbudget stedelijke vernieuwing (ISV), voor de herbouw van twee panden ten behoeve van tien studentenkamers. De Rb. heeft terecht overwogen dat de Wet stedelijke vernieuwing en de opeenvolgende Subsidieverordeningen van de gemeente Eindhoven geen grondslag bieden voor het verlenen van een door appellant gewenste bijdrage voor nieuwbouw. Anders dan appellant betoogt, kan het ISV-programma geen grondslag bieden voor subsidieverlening, aangezien het geen wettelijk voorschrift is. Het programma ziet slechts op het verkrijgen van ISV-gelden van het Rijk door de gemeente en hieraan komt geen betekenis toe wat betreft de subsidieverlening aan appellant. Voorts was het college op grond van art. 4:23, lid 3, aanhef en onder d van de Awb niet gehouden om een incidentele subsidie aan appellant te verstrekken. Anders dan appellant heeft aangevoerd, komt aan de gemeenteraad niet de bevoegdheid toe subsidie te verlenen. De Rb. heeft ter zake slechts met juistheid overwogen dat de gemeenteraad de bevoegdheid toekomt subsidiegelden te reserveren op de begroting. Derhalve bestond geen aanleiding voor het college de aanvraag door te zenden. Ongegrond hoger beroep.
AnnotatorM.A.M. Dieperink
Pagina1240-1244
UitspraakECLI:NL:RVS:2013:BZ0780
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelCentrale Raad van Beroep, 18-06-2013, 11/3796 WSF-T
CiteertitelAB 2013/216
SamenvattingStudiefinanciering voor kind van werknemer uit lidstaat, ook na naturalisatie van ouder.
Samenvatting (Bron)Europese regels kunnen kinderen EU-burger recht geven op studiefinanciering. De Centrale Raad van Beroep beslist in zijn tussenuitspraak van 18 juni 2013 dat een Letse dochter van een oorspronkelijk ook Letse moeder - die in Nederland werkt - op grond van Europese regels recht heeft op Nederlandse studiefinanciering. Het maakt daarbij niet uit dat de moeder Nederlandse werd en haar Letse nationaliteit opgaf. De Minister moet binnen zes weken een nieuw besluit nemen.
AnnotatorI. Sewandono
Pagina1244-1247
UitspraakECLI:NL:CRVB:2013:CA1129
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelCollege van Beroep voor het bedrijfsleven, 25-04-2013, AWB 12/184, 12/207, 12/211 en 12/212
CiteertitelAB 2013/217
SamenvattingAanmerkelijke marktmacht. Infrastructuur- en dienstenconcurrentie. Ontbundelde toegang. Marge-uitholling. Kosten-oriŽntatie. Aankondigingstermijn nieuwe of gewijzigde diensten.
Samenvatting (Bron)marktanalysebesluit ontbundelde toegang; infrastructuurconcurrentie en dienstenconcurrentie
AnnotatorW. Sauter
Pagina1247-1277
UitspraakECLI:NL:CBB:2013:BZ8522
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelRechtbank Groningen, 07-12-2012, Awb 12/496
CiteertitelAB 2013/218
SamenvattingDe weigering van een BKO-certificaat is geen besluit in de zin van art. 1:3 Awb en bij gebreke daarvan kan er ook geen sprake zijn van toepassing van art. 6:2 Awb.
Samenvatting (Bron)Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen een e-mailbericht van de coŲrdinator Docentprofessionalisering UOCG waarbij hij heeft bericht dat eiseres niet in aanmerking komt voor een zogenoemd BKO-certificaat, ongegrond verklaard. () De BKO is een professionaliseringsprogramma voor docenten. Voorwaarde voor deelname aan het BKO programma voor docenten is het hebben van een aanstelling als docent. () De rechtbank stelt vast dat er geen publiekrechtelijke grondslag voor het uitreiken van een BKO certificaat is. Noch de WHW noch een andere wet biedt de grondslag voor het al dan niet uitreiken van een BKO certificaat. De rechtbank stelt voorts vast dat als de uitreiking van een dergelijk certificaat geen besluit is in de zin van de Awb, het niet uitreiken van het certificaat niet met een besluit gelijkgesteld kan worden. Ook voor artikel 6:2 van de Awb geldt immers dat sprake moet zijn van (het niet nemen van) een besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb. Door de gemachtigde van eiseres is een beroep gedaan op artikel 7.63a van de WHW. Daarbij is geopperd dat op grond van deze bepaling wellicht toch sprake is van een primair besluit dat kan worden aangemerkt als een besluit in de zin van de Awb. Het bezwaar van eiseres daartegen zou dan ontvankelijk zijn. De rechtbank volgt deze redenering niet. Titel 4 van de WHW regelt de rechtsbescherming van studenten en extranei. In deze titel wordt onderscheid gemaakt tussen het indienen van klachten, waarop het bepaalde in artikel 9.1 van de Awb van toepassing is (paragraaf 1), en het indienen van een beroep of een bezwaar (paragraaf 2). Paragraaf 2 bevat vervolgens bepalingen betreffende het College van beroep voor de examens (artikel 7.60) en de bevoegdheid van dit College (artikel 7.61), en de bevoegdheid en samenstelling van de geschillenadviescommissie (artikel 7.63a). De rechtbank leest in deze bepaling niet dat de geschillenadviescommissie adviseert in het kader van op grond van de Awb appellabele besluiten. De omstandigheid dat het onderhavige geschil tussen partijen aan de geschillenadviescommissie is voorgelegd maakt dan ook niet dat om die reden sprake is van een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Door het ontbreken van een publiekrechtelijke grondslag is en blijft de onderhavige weigering een weigering waartegen niet op grond van de Awb kan worden opgekomen. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk had moeten worden verklaard.
AnnotatorH. Peters
Pagina1278-1283
UitspraakECLI:NL:RBGRO:2012:BY8896
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelRechtbank Rotterdam, 06-06-2013, Awb 13/895
CiteertitelAB 2013/219
SamenvattingBeŽindiging van schuldhulpverlening ingevolge de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening is een besluit in de zin van art. 1:3 Awb.
Samenvatting (Bron)Korte samenvatting: BeŽindiging van schuldhulpverlening op grond van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening is een besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb.
AnnotatorH. Peters
Pagina1283-1288
UitspraakECLI:NL:RBROT:2013:CA2258
Artikel aanvragenVia Praktizijn