Jurisprudentie in Nederland

Uitgever Sdu
Tijdschrift Jurisprudentie in Nederland
Datum 10-07-2013
Aflevering 6
RubriekArbeidsrecht
TitelCentrale Raad van Beroep, 25-03-2013, 05/6963 MAW-T + 05/7103 MAW-T + 12/953 MAW-T
CiteertitelJIN 2013/107
SamenvattingWerkgeversaansprakelijkheid, Psychisch letsel, Militair, Schade, Causaal verband
Samenvatting (Bron)Dubbel hoger beroep. Tussenuitspraak. De Raad bepaalt - evenals de rechtbank s-Gravenhage eerder deed - dat de Minister van Defensie in deze zaak niet voldeed aan de op hem als werkgever rustende zorgplicht. Daarom is de minister ook verantwoordelijk voor door de Dutchbat III-militair (Dutchbatter) geleden schade. De Raad vindt dat de minister bij beëindiging van de missie in Zagreb en daarna niet genoeg nazorg aanbood. Daardoor kreeg de PTSS bij de militair een blijvend karakter. De minister moet binnen drie maanden een nieuw besluit nemen. De Raad zal nadat de minister dat nieuwe besluit heeft genomen daarover een oordeel geven en einduitspraak doen. De Raad is het niet met de rechtbank, maar wel met de minister eens dat bij de feitelijke uitvoering van de missie Dutchbat III de zorgplicht voldoende was. De Raad wijst er daarbij op dat - de militair voldoende opgeleid en getraind was om een militaire missie uit te voeren; - niet is gebleken dat het materieel in het begin van Dutchbat III niet voldeed aan de noodzakelijke technische eisen; - de minister niet verantwoordelijk is voor de oorlogsomstandigheden ter plaatse. De Raad is ook van oordeel dat de zorgplicht niet mag worden beoordeeld aan de hand van onder oorlogsomstandigheden genomen operationele beslissingen. De aard van het militaire bedrijf verzet zich daartegen (zie ook LJN AN8521).`
AnnotatorA. Briejer
UitspraakECLI:NL:CRVB:2013:BZ1164
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekOndernemingsrecht
TitelRechtbank 's-Gravenhage, 21-06-2012, 1153777 RP VERZ 12-50223
CiteertitelJIN 2013/108
SamenvattingInschakelen deskundige door OR, Rechtspersoonlijkheid OR, Toepassing Europese aanbestedingsregels, Zelfstandig medezeggenschapsinstituut
Samenvatting (Bron)Het standpunt van de Staat dat het inschakelen van een deskundige door een ondernemingsraad onderworpen is aan de Europese of Nederlandse aanbestedingsregels, danwel aan de Comptabiliteitswet, is niet in overeenstemming met art. 22 WOR.
AnnotatorG.W. van der Voet
LinkVolledige tekst annotatie (Erasmus Universiteit Rotterdam)
UitspraakECLI:NL:RBSGR:2012:BX3087
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekArbeidsrecht
TitelRechtbank Amsterdam, 22-04-2013, KK 13-393
CiteertitelJIN 2013/109
SamenvattingBelgische werknemer, Bevoegdheid UWV, Ontslagvergunning
Samenvatting (Bron)Kort geding, bevoegdheid UWV bij afgeven van een ontslagvergunning voor Belgische werknemer; artikel 20 van EEX Verordening 44/2001 (EEX-Vo).
AnnotatorE.K.W. van Kampen
UitspraakECLI:NL:RBAMS:2013:CA1918
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekPersonen- en familierecht
TitelGerechtshof 's-Gravenhage, 20-03-2013, 200.115.115
CiteertitelJIN 2013/110
SamenvattingGezamenlijk gezag, Co-ouderschap, Vervangende toestemming verhuizing
Samenvatting (Bron)Co-ouderschap en verhuizing. Ten gevolge van de wijze waarop invulling wordt gegeven aan het onthouden van toestemming tot verhuizen ontstaat er een voor de minderjarige onhoudbare situatie. Gevolg is dat er toch een keuze moet komen waar de minderjarige uiteindelijk het nieuwe hoofdverblijf zal heben. Na afweging van alle belangen wordt het hoofdverblijf bij de moeder bepaald.
AnnotatorE.A. Slappendel
LinkVolledige tekst annotatie (slappendelfamilierecht.nl)
UitspraakECLI:NL:GHDHA:2013:CA0716
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekPersonen- en familierecht
TitelRechtbank Zeeland-West-Brabant, 31-01-2013, 12/1604
CiteertitelJIN 2013/111
SamenvattingDringende morele verplichting, Rechtens afdwingbare verbintenis, Aftrekbaarheid alimentatie, LAT-relatie
Samenvatting (Bron)Inkomstenbelasting. Alimentatiebetaling aan naar Colombia vertrokken partner. Belanghebbende en zijn partner besluiten in 2008 uit elkaar te gaan, waarna de partner terugkeert naar Colombia. Om haar in staat te stellen in Colombia een nieuw bestaan op te bouwen, leent belanghebbende haar 235.074. Daarnaast betaalt belanghebbende voor een periode van 5 jaar alimentatie tot het bedrag van de geldlening. De jaarlijkse alimentatie wordt verrekend met het nog openstaande bedrag van de lening. De alimentatieverplichting vervalt wanneer de partner komt te overlijden. De rechtbank oordeelt dat op belanghebbende een dringende morele verplichting rustte tot voorziening in het levensonderhoud van zijn ex-partner en dat deze morele verplichting in 2008 is omgezet in een rechtens afdwingbare verplichting.
AnnotatorA.H. van Haga
UitspraakECLI:NL:RBZWB:2013:BZ8307
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekPersonen- en familierecht
TitelRechtbank Limburg, 21-03-2013, c/04/119734 / FA RK 12-1736
CiteertitelJIN 2013/112
SamenvattingWijziging gezamenlijk gezag, Verzoek gezamenlijk gezag met niet-ouder, Afwijking driejaarstermijn
Samenvatting (Bron)Afwijking van de driejaarstermijn ex artikel 1:253t, tweede lid, sub b BW.
UitspraakECLI:NL:RBLIM:2013:BZ8465
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekOndernemingsrecht
TitelGerechtshof Amsterdam, 26-02-2013, 200.093.762/01
CiteertitelJIN 2013/113
SamenvattingEnquêteprocedure, Afgeleide schade, Poot/ABP-arrest, Geen specifieke zorgvuldigheidsnorm geschonden
Samenvatting (Bron)verkoper aansprakelijk jegens aandeelhouders van kopende vennootschap? Poot/ABP. Geen specifieke zorgvuldigheidsnorm geschonden.
AnnotatorG.C. Vergouwen
UitspraakECLI:NL:GHAMS:2013:BZ8571
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekOndernemingsrecht
TitelGerechtshof Amsterdam, 02-04-2013, 200.120.456/01 OK
CiteertitelJIN 2013/114
SamenvattingEnquêteprocedure, Exitregeling, Voorlopige voorzieningen, Schorsing bestuurder
Samenvatting (Bron)Uitspraak Ondernemingskamer 2 april 2013; Jalloh Diamond Holding / New Look Holding c.s
AnnotatorP. Haas
UitspraakECLI:NL:GHAMS:2013:BZ9688
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekOndernemingsrecht
TitelGerechtshof Amsterdam, 05-04-2013, 200.120.026/01 OK
CiteertitelJIN 2013/115
SamenvattingEnquêteprocedure, Gegronde redenen voor twijfel aan een juist beleid, Onmiddellijke voorzieningen, Bestuursbesluiten geschorst
Samenvatting (Bron)Uitspraak Ondernemingskamer 5 april 2013; REDELAAR / SOVEREIGN TRUST (NETHERLANDS) B.V.
AnnotatorE.J. Bleeker
UitspraakECLI:NL:GHAMS:2013:BZ9690
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekOndernemingsrecht
TitelGerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 21-05-2013, 200.103.901
CiteertitelJIN 2013/116
SamenvattingOnbehoorlijk bestuur in de zin van art. 2:9 BW
Samenvatting (Bron)Onbehoorlijk bestuur in de zin van artikel 2:9 BW
AnnotatorG.T. Flapper , J. Stikkelbroeck
UitspraakECLI:NL:GHARL:2013:CA0919
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekCiviel recht
TitelHoge Raad, 03-05-2013, 11/05592
CiteertitelJIN 2013/117
SamenvattingWaardering deskundigenbericht; motiveringsplicht rechter
Samenvatting (Bron)Wanprestatie, onrechtmatige daad; onoordeelkundig medisch handelen; waardering deskundigenbericht. Door rechter benoemde deskundigen; partijdeskundige. Motiveringsplicht rechter (HR 5 december 2003, LJN AN8478, NJ 2004/74 en HR 9 december 2011, LJN BT2921, NJ 2011/599).
UitspraakECLI:NL:HR:2013:BZ1468
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekCiviel recht
TitelHoge Raad, 17-05-2013, 12/04705
CiteertitelJIN 2013/118
SamenvattingFaillissementsrecht, Toetsing beschikking in hoger beroep, Ruime bevoegdheid rechter-commissaris
Samenvatting (Bron)Faillissementsrecht. Verzoek tot vernietiging beschikking rechter-commissaris tot horen van getuigen, art. 66 lid 1 Fw. Toetsing beschikking in hoger beroep, art. 67 Fw. Ruime bevoegdheid rechter-commissaris.
UitspraakECLI:NL:HR:2013:BZ3645
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekCiviel recht
TitelHoge Raad, 24-05-2013, 12/01075
CiteertitelJIN 2013/119
SamenvattingVoortgezet gebruik huurruimte, Ongerechtvaardigde verrijking, Gebruiksvergoeding
Samenvatting (Bron)Huur bedrijfsruimte. Beëindiging huur en onderhuur. Voortzetting gebruik bedrijfsruimte door onderhuurder gedurende onderhandelingen over nieuwe huurovereenkomst. Verschuldigdheid gebruiksvergoeding op de voet van art. 6:212 BW. Berekening schade eigenaar bedrijfsruimte naar objectieve maatstaven.
AnnotatorP.C.M. Kemp
UitspraakECLI:NL:HR:2013:BZ1782
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekStrafrecht
TitelHoge Raad, 28-05-2013, 10/04815
CiteertitelJIN 2013/120
SamenvattingAfpersing en economische waarde van een goed
AnnotatorM.L.C.C. de Bruijn-Lückers
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekStrafrecht
TitelHoge Raad, 28-05-2013, 11/00758
CiteertitelJIN 2013/121
SamenvattingArt. 31.1 Vluchtelingenverdrag
AnnotatorC.J.A. de Bruijn
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekStrafrecht
TitelHoge Raad, 11-06-2013, 11/04430
CiteertitelJIN 2013/122
SamenvattingSalduz, niet-aangehouden verdachte
Samenvatting (Bron)OM-cassatie. Salduz, niet-aangehouden verdachte. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR LJN BH3079 en HR LJN BN7727. Nu verdachte zich op verzoek van de politie heeft gemeld op het politiebureau en hem voor het verhoor de cautie is gegeven, is s Hofs kennelijke oordeel dat de in HR LJN BH3079 geformuleerde regel i.c. geldt ofschoon verdachte niet was aangehouden onjuist. Dat verdachte niet wist waarom hij zich moest melden noch dat zijn aanhouding zeer wel mogelijk was geweest leidt tot een ander oordeel.
AnnotatorM.L.C.C. de Bruijn-Lückers
UitspraakECLI:NL:HR:2013:CA2555
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekCiviel recht
TitelEuropees Hof voor de Rechten van de Mens, 13-12-2012, 23264/04
CiteertitelJIN 2013/123
SamenvattingEigendomsrecht, Overlast van vliegtuigen, Negatieve of positieve verplichting, Schadevergoeding, Bewijs van overlast, Bewijs van nadeel
AnnotatorM.K.G. Tjepkema
UitspraakECLI:CE:ECHR:2012:1213JUD002326404
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekBestuursrecht
TitelRaad van State, 13-03-2013, 201202445/1/A2
CiteertitelJIN 2013/124
SamenvattingNadeelcompensatie, Onevenredige last, Normaal ondernemersrisico, Draagkrachtbeginsel
Samenvatting (Bron)Bij besluit van 2 juli 2010 heeft het college een verzoek van [bedrijf] om vergoeding van planschade en nadeel in verband met het project Fonteyne in de binnenstad van Vlissingen afgewezen.
AnnotatorR.J.N. Schlössels
UitspraakECLI:NL:RVS:2013:BZ3966
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekBestuursrecht
TitelRaad van State, 20-03-2013, 201112448/1/A3
CiteertitelJIN 2013/125
SamenvattingFinale geschillenbeslechting, Effectieve rechtsbescherming, Bestuurlijke lus, Zelf in de zaak voorzien, Identiteitsfraude, Rijbewijs, Kentekenregister, Privéleven, Positieve verplichting, Negatieve verplichting, EVRM-conforme interpretatie en toepassing
Samenvatting (Bron)Bij besluit van 24 januari 2012 heeft de RDW zich op het standpunt gesteld dat het verzoek van appellant als bedoeld in art. 37, lid 1 van het Kr, gelezen in samenhang met art. 58, lid 1 van de Wvw 1994, dient te worden afgewezen. Appellant betoogt dat de RDW dat verzoek ten onrechte heeft afgewezen. Volgens [appellant] was de RDW gehouden de onjuiste kentekenregistraties ongedaan te maken. De RDW was ervan op de hoogte dat kentekenregistraties in verband met identiteitsfraude ten onrechte op zijn naam zijn gesteld. Hij acht de onrechtmatige registraties verstrekkend en een grove inbreuk op zijn rechten, die onder meer in art. 8 EVRM bescherming vinden. Hierbij verwijst appellant naar het arrest van het Europese Hof voor de rechten van de mens (het EHRM) van 14-2- 2012 in de zaak Romet tegen Nederland, zaak nr. 7094/06, LJN: BW2721. De RDW heeft zich op het standpunt gesteld dat geen verzoek op grond van art. 37 van het Kr, gelezen in samenhang met art. 58, lid 1 van de Wvw 1994 kan worden gedaan. De wetgever heeft niet in een dergelijke verzoekprocedure voorzien. De correctie die appellant wenst, moet worden verkregen via de verzoekprocedure in art. 40, lid 2 van het Kr. Ter zitting heeft de RDW zijn standpunt nader toegelicht. De RDW stelt dat hij bevoegd is tot ongeldigverklaring van kentekenbewijzen en dat op ieder verzoek dat binnen zijn bevoegdheid valt een besluit kan worden genomen. Volgens de RDW heeft ongeldigverklaring van de kentekenbewijzen voor [appellant] echter ten opzichte van de procedure tot verval van de tenaamstelling in het kentekenregister geen toegevoegde waarde. De RDW acht in dit geval de door de wetgever voorgeschreven wijze afdoende. Als een verzoek op grond van art. 40, lid 2 van het Kr wordt toegewezen, raakt het kentekenbewijs dat overblijft de tenaamgestelde namelijk niet langer. Appellant heeft geen belang bij de ongeldigverklaring van de kentekenbewijzen, aldus de RDW. De RDW heeft voorts toegelicht dat het alleen overgaat tot ongeldigverklaring van kentekenbewijzen als duidelijk is dat de bedoelde voertuigen teniet zijn gegaan. Daarvan is hier volgens de RDW niet gebleken. Bovendien wordt conform het door de RDW gevoerde beleid aan de vervallenverklaring van de tenaamstelling noch aan de ongeldigverklaring van een kentekenbewijs van een voertuig terugwerkende kracht verleend, behoudens bij hoge uitzondering. Aappellant wenst met terugwerkende kracht beëindiging van de identiteitsfraude en de daaruit voor hem voortgevloeide gevolgen te bereiken. In zijn verzoek van 3 februari 2011 heeft hij gesteld dat hij wordt benadeeld doordat autos ten onrechte op zijn naam zijn gesteld met behulp van zijn vermiste rijbewijs. Naar het oordeel van de Afdeling heeft appellant hiermee reeds feitelijk de schending van zijn privéleven als bedoeld in art. 8 EVRM geformuleerd. In deze brief verzoekt hij de RDW ten slotte om de benadeling ongedaan te maken. De Afdeling is van oordeel dat uit het Romet-arrest volgt dat appellant's recht op privéleven in geding is. Hoewel het EHRM in dat arrest spreekt van een "interference with the applicant's right to respect for his 'private life'" (§ 37), was hier veeleer de vraag aan de orde of jegens klager sprake is van schending van een positieve verplichting welke uit art. 8 EVRM voortvloeit. Daarvoor is ook steun te vinden in de passage in het arrest dat "swift administrative action to deprive a driving license of its usefulness as an identity document was possible and practicable. The Government have not satisfied the Court that such action could not have been taken immediately after the applicant reported that he had lost possession and control of the document" (§ 43). In dit licht bezien had de RDW bij de inhoudelijke behandeling van appellants verzoek moeten onderkennen dat dit mede een beroep op art. 8 EVRM inhield en dat het derhalve gehouden was te onderzoeken of de gestelde feiten juist waren en in dat geval de onterechte registraties met terugwerkende kracht ongedaan te maken. De positieve verplichting die uit art. 8 EVRM voortvloeit, noopt in dat geval, tot toepassing van art. 37, lid 1 van het Kr, gelezen in samenhang met art. 58, lid 1 van de Wvw 1994 dan wel art. 40, lid 2 van het Kr met terugwerkende kracht. Dat appellant geen belang meer heeft bij deze procedure, zoals de RDW heeft gesteld, kan de Afdeling daarom niet volgen. De RDW heeft inmiddels bij besluit van 20 februari 2012 weliswaar alle tenaamstellingen vervallen verklaard, maar daaraan geen terugwerkende kracht verleend. Het betoog slaagt. Uit het voorgaande volgt dat het besluit van 24 januari 2012 is genomen in strijd met de artt. 3:2 en 7:12, lid 1 van de Awb.
AnnotatorD.G.J. Sanderink
UitspraakECLI:NL:RVS:2013:BZ4937
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekBestuursrecht
TitelCentrale Raad van Beroep, 21-03-2013, 12/1877 WUV
CiteertitelJIN 2013/126
SamenvattingAanvraag niet-belanghebbende, Geen belanghebbende, geen aanvraag, geen beschikking, geen besluit, Gelijkstelling met besluit
Samenvatting (Bron)Brief waarbij appellant heeft verzocht om vergoeding van de extra kosten die zijn gemaakt vanwege de verzorging en verpleging thuis van zijn echtgenote, in de periode voorafgaande aan haar overlijden. Zij was vervolgde en uitkeringsgerechtigde ingevolge de Wuv. Bij brief heeft verweerder de aanvraag buiten behandeling gesteld. Daartoe is overwogen dat een wettelijke titel voor toekenning ontbreekt, omdat aanspraken op grond van de Wuv persoonsgebonden zijn voor het in leven zijnde oorlogsslachtoffer. De Raad overweegt dat het inleidend verzoek van appellant strekt tot vergoeding van kosten die zijn gemaakt ten behoeve van zijn inmiddels overleden echtgenote. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat appellant bij dit verzoek geen belanghebbende is in de zin van art. 1:2 Awb (CRvB 16 maart 2006, LJN: AV7750). Het verzoek van appellant is daarom geen aanvraag in de zin van art. 1:3, lid 3 Awb. Dit betekent dat de brief van verweerder geen beschikking is als bedoeld in het tweede lid. Een afwijzing zoals deze is naar haar aard ook niet gericht op rechtsgevolg. De brief is dus geen besluit. Op grond van art. 6:2, aanhef en onder a, van de Awb moet de brief echter, voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep, met een besluit gelijk worden gesteld. De wetsgeschiedenis stelt buiten twijfel dat dit artikelonderdeel mede betrekking heeft op de schriftelijke afwijzing van een verzoek van een niet-belanghebbende om een besluit te nemen (PG Awb II, p. 383-384). Bij het nemen van het bestreden besluit is dit niet onderkend. Toch is het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard. Op grond van de artikelen 7:1 en 8:1 van de Awb staat bezwaar alleen open voor een belanghebbende. Dat is appellant niet. Ook de hiervoor bedoelde wetsgeschiedenis maakt duidelijk dat in deze situatie niet-ontvankelijkverklaring moet volgen.
AnnotatorA.M.M.M. Bots
UitspraakECLI:NL:CRVB:2013:BZ5123
Artikel aanvragenVia Praktizijn