Nederlands Juristenblad

Uitgever Wolters Kluwer
Tijdschrift Nederlands Juristenblad
Datum 15-12-2014
Aflevering 43
RubriekVooraf
TitelGestolen wetenschap
CiteertitelNJB 2014/2206
SamenvattingTaru Spronken is van mening dat de aanpak van wetenschapsfraude een fundamentele nadere discussie verdient. Op dit moment is het onderscheid tussen wat gewoon slecht onderzoek is en wat bewust gemanipuleer met resultaten, oftewel tussen kwaliteit en integriteit, niet helder.
Auteur(s)T. Spronken
Pagina3047-3047
LinkVolledige tekst artikel (NJB.nl)
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekWetenschap
TitelEen regeling voor weduwen van slachtoffers van Nederlands geweld in Indonesië
CiteertitelNJB 2014/2207
SamenvattingDat de Staat een regeling heeft opgetuigd zou een verbetering met zich mee moeten brengen voor de positie van slachtoffers van Nederlands geweld door militairen gepleegd in Indonesië in de periode 1945-1950. Maar bij nader inzien kent de regeling talrijke praktische en meer principiële obstakels. Gevolg is dat veel slachtoffers buiten de boot vallen en zich gedwongen zien alsnog een procedure bij de civiele rechter aan te spannen.
Auteur(s)J.E. van de Bunt
Pagina3048-3055
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekWetenschap
TitelAnoniem misdaad melden via internet - Technische en juridische risico’s
CiteertitelNJB 2014/2208
SamenvattingHet meldpunt ‘Meld Misdaad Anoniem’ wordt via de telefoon aangeboden. Maar wie belt er nu nog? Jongeren maken minder melding van misdrijven via het telefonisch meldpunt. Omdat jongere generaties gewend zijn alles via internet te doen, en de drempel voor online melden naar verwachting sowieso lager ligt dan bij telefonisch melden, zou een internetmeldpunt een goede aanvulling kunnen zijn op de huidige dienst. De Minister van Veiligheid en Justitie heeft in dat licht aan de Tweede Kamer een onderzoek toegezegd naar de mogelijkheden van melden via internet, waarbij de kwaliteit van de meldingen zo goed mogelijk geborgd is en de anonimiteit van de melder gegarandeerd blijft. Maar kan anonimiteit op internet wel voldoende worden gegarandeerd? Welke technische en juridische aspecten zijn van invloed op de haalbaarheid van een internetmeldpunt? En moet alles wat online kan, ook online kunnen?
Auteur(s)J.H. Hoepman , E.J. Koops , W. Lueks
Pagina3056-3063
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekOpinie
TitelRed de bestuursrechtspraak! ... en vooral de Centrale Raad van Beroep
CiteertitelNJB 2014/2209
SamenvattingDe nieuwste plannen van het kabinet met betrekking tot de hoogste bestuursrechters betekenen dat de Afdeling bestuursrechtspraak onderdeel blijft van de Raad van State, zij het dat de laatste functionele banden met de Afdeling advisering worden doorgesneden, dat het College van Beroep voor het bedrijfsleven als zelfstandige bestuursrechter verdwijnt onder overheveling van zijn rechtsmacht naar de Afdeling bestuursrechtspraak, en dat de Centrale Raad van Beroep verdwijnt terwijl zijn taak zal worden overgenomen door een of meer gerechtshoven. Bij de eerste twee onderdelen kunnen wel wat kanttekeningen worden geplaatst, maar echt rampzalig zijn ze per saldo niet. Auteur is van mening dat de opheffing van de Centrale Raad daarentegen zonder meer een onzalig idee is.
Auteur(s)W. Konijnenbelt
Pagina3064-3066
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekOpinie
TitelTriomf van het bestuursprocesrecht
CiteertitelNJB 2014/2210
SamenvattingWie behoefte heeft aan een goed gevoel over het bestuursprocesrecht, moet vooral de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel vereenvoudiging en digitalisering van het procesrecht lezen. Aanleiding voor het indienen van het wetsvoorstel is de voorgenomen digitalisering van de procedures bij de civiele en de bestuursrechter. In het kader daarvan is ook gekeken of beide procedures modernisering behoeven. Het blijkt dat er aan de bestuursrechtelijke procedure nauwelijks iets te versleutelen valt, en aan die bij de civiele rechter heel veel.
Auteur(s)A.T. Marseille
Pagina3067-3068
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekReacties
TitelReactie op ‘Verruiming bevoegdheden vreemdelingentoezicht’
CiteertitelNJB 2014/2211
SamenvattingHet is goed dat het debat over verruiming van bevoegdheden in het vreemdelingentoezicht gevoerd wordt. In de bijdrage van Bas Wallage en Lucille van Wijnbergen, Verruiming bevoegdheden vreemdelingentoezicht (NJB 2014/1417, afl. 28, p. 1918-1924) ontbreekt naar het oordeel van de auteur echter een aantal elementen die noodzakelijk zijn voor een goed begrip van deze materie.
Auteur(s)J.R. Groen
Pagina3069-30698
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekReacties
TitelNaschrift
CiteertitelNJB 2014/2212
SamenvattingIn dit naschrift bespreken de auteurs achtereenvolgens de door Joris Groen in zijn reactie gemaakte 'punten': het begrip 'redelijk vermoeden van illegaal verblijf' en de (dis)proportionaliteit in de schending van de privacy van vreemdelingen en derden bij het doorzoeken van een woning om het terugkeerbeleid te effectueren. Voorts onderbouwen zij nogmaals hun standpunt - met een nieuw voorbeeld - dat de Wet verruiming bevoegdheden vreemdelingentoezicht' een risico van detournement de pouvoir in zich draagt. Tenslotte noemen zij nogmaals de B8-regeling en het risico dat slachtoffers van mensenhandel ten onrechte niet op hun rechten gewezen worden.
Auteur(s)B. Wallage , L. van Wijnbergen
Pagina3070-3070
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - EHRM
TitelEHRM 24-07-2014, 22205/13
CiteertitelNJB 2014/2213
SamenvattingArtikel 3, 5 lid 1 en lid 4 EVRM. Geen reëel risico van slechte behandeling bij uitlevering aan de Verenigde Staten in verband met cybercrime delicten. Schending art. 3 EVRM wegens plaatsing in kooi tijdens zitting en verspreid zijn foto’s daarvan in media. Rechtmatigheid uitleveringsdetentie en toetsing daarvan. CASE OF ČALOVSKIS v. LATVIA
Samenvatting (Bron)Preliminary objection joined to merits and dismissed (Article 35-1 - Exhaustion of domestic remedies);Remainder inadmissible;Violation of Article 3 - Prohibition of torture (Article 3 - Degrading treatment) (Substantive aspect);No violation of Article 3 - Prohibition of torture (Article 3 - Extradition) (Conditional) (the United States of America);Violation of Article 5 - Right to liberty and security (Article 5-1 - Lawful arrest or detention;Article 5-1-f - Extradition);Violation of Article 5 - Right to liberty and security (Article 5-4 - Take proceedings);Non-pecuniary damage - award
UitspraakECLI:CE:ECHR:2014:0724JUD002220513
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Hoge Raad (civiele kamer)
TitelHoge Raad 28-11-2014
CiteertitelNJB 2014/2214
SamenvattingCao. Naleving. Privaatrechtelijke organisatie. Een cao voor de uitzendbranche is algemeen verbindend verklaard tot en met 1 april 2007. Een stichting die is opgericht om op de naleving van de cao toe te zien, constateert dat een werkgever in 2006 overtredingen heeft gepleegd. In augustus 2007 maakt de stichting aanspraak op een door de werkgever te betalen forfaitaire schadevergoeding. In rechte vordert zij betaling van de vergoeding, naleving van de cao en medewerking aan een hercontrole. HR: 1. Delegatie/volmacht. Procesbevoegdheid. De delegatie/volmacht aan en procesbevoegdheid van de stichting vloeien rechtstreeks voort uit de cao. 2. Wettelijk kader. De Wet AVV verzet zich er niet tegen dat partijen bij een cao die algemeen verbindend wordt verklaard, een privaatrechtelijke organisatie opzetten om naleving van de cao te controleren en ter zake maatregelen te nemen ten opzichte van een werkgever die uitsluitend aan de cao is gebonden op grond van de algemeen verbindendverklaring. 3. Duur van de bevoegdheid. De stichting was ook na afloop van de periode van verbindendverklaring bevoegd te onderzoeken of de werkgever gedurende de periode van verbindendverklaring de cao had nageleefd.
Samenvatting (Bron)Arbeidsrecht. CAO. Mogelijkheid om in een algemeen verbindend verklaarde CAO de bevoegdheid tot het instellen van vorderingen wegens niet-naleving van die CAO te delegeren aan een privaatrechtelijke rechtspersoon, art. 3 Wet AVV en art. 15 Wet CAO. Verhouding tot bevoegdheid minister om onderzoek te doen naar vermeende niet-naleving, art. 10 Wet AVV. Controle op naleving CAO gedurende tijdvak algemeen verbindendverklaring, ook nadat dat tijdvak is verstreken?
UitspraakECLI:NL:HR:2014:3458
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Hoge Raad (civiele kamer)
TitelHoge Raad 28-11-2014
CiteertitelNJB 2014/2215
SamenvattingDe curator van A verkoopt en levert met een eigendomsvoorbehoud de activa van A aan B. De bank van B is pandhouder van de inventaris van B en wil overgaan tot executieverkoop. De curator van A voert hierover overleg met de bank. De executieverkoop gaat door. B gaat failliet. De curator van B vordert schadevergoeding van de bank wegens onrechtmatigheid van de executieverkoop, gelet op het eigendomsvoorbehoud. Het hof oordeelt dat de executieverkoop niet onrechtmatig was, omdat aangenomen moet worden dat de curator van A afstand had gedaan van het eigendomsvoorbehoud. HR: 1. Afstand van recht. Vertegenwoordiging. Afstand van een bij de overdracht van een zaak gemaakt eigendomsvoorbehoud wordt gedaan door een daartoe strekkende overeenkomst met de wederpartij. Het oordeel van het hof dat een afstand van recht namens de wederpartij ook door een daartoe bevoegd vertegenwoordiger kan worden aanvaard, is juist. 2. Bekrachtiging (convalescentie/heling). Om aan te nemen dat de onmiddellijk belanghebbenden een rechtshandeling als geldig hebben aangemerkt in de zin van art. 3:58 lid 1 BW, is voldoende dat zij zich niet op de nietigheid hebben beroepen of zich hebben gedragen op een wijze die onverenigbaar is met de geldigheid van de rechtshandeling.
Samenvatting (Bron)Pandrecht op onder eigendomsvoorbehoud geleverde zaken. Afstand van eigendomsvoorbehoud; daartoe strekkende overeenkomst met wederpartij; betekenis HR 22 februari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC4866. Aanvaarding afstand namens wederpartij door daartoe bevoegd vertegenwoordiger? Kribbenbijter-maatstaf. Stelplicht en bewijslast. Bekrachtiging (convalescentie) ongeldig pandrecht? Art. 3:58 lid 1 BW; eis dat onmiddellijk belanghebbenden de rechtshandeling als geldig hebben aangemerkt; maatstaf.
UitspraakECLI:NL:HR:2014:3460
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Hoge Raad (civiele kamer)
TitelHoge Raad 28-11-2014
CiteertitelNJB 2014/2216
SamenvattingPandrecht. Verjaring van de gezekerde vordering. Redelijkheid en billijkheid. Beperkende werking. In 2000 verstrekken X c.s. een pandrecht op aandelen in B aan Delta Lloyd. In 2001 bepaalt de voorzieningenrechter bij wijze van uitwinningsmaatregel dat de aandelen aan Delta Lloyd zullen verblijven. Vervolgens wordt B ontbonden. In 2002 verzoekt Delta Lloyd tevergeefs om uitbetaling van het liquidatiesaldo van B aan haar. In dit geding betogen X c.s. dat het pandrecht is tenietgegaan door verjaring van de door het pandrecht gezekerde vordering. Het hof acht het beroep hierop naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. HR: Gelet op hetgeen het hof aan zijn oordeel ten grondslag heeft gelegd en de bijzondere omstandigheden van dit geval, getuigt het oordeel van het hof niet van een onjuiste rechtsopvatting. Het is ook niet onbegrijpelijk.
Samenvatting (Bron)Pandrecht op aandelen. Tenietgaan (substitutie)pandrecht door verjaring van gezekerde vordering? Toepasselijkheid art. 3:323 lid 1 BW indien pandhouder een op de voet van art. 3:251 lid 1 BW aangevangen executie, na toewijzende beschikking, niet voltooit. Beroep op tenietgaan pandrecht naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar? Beoordelingsmaatstaf; bijzondere omstandigheden van het geval.
UitspraakECLI:NL:HR:2014:3463
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Hoge Raad (civiele kamer)
TitelHoge Raad 28-11-2014
CiteertitelNJB 2014/2217
SamenvattingHuwelijksgoederenrecht. HR: 1. Waarderingsmaatstaf. Bij zijn keuze voor een maatstaf voor de waardering van een onroerende zaak, mag de rechter acht slaan op de omstandigheid dat de onderneming die de onroerende zaak gebruikt, na de peildatum wordt voortgezet, en betekenis toekennen aan hetgeen partijen daaromtrent naar voren hebben gebracht. 2. Latente belastingschuld. De enkele omstandigheid dat gewezen echtgenoten met inachtneming van een bepaalde datum met elkaar afrekenen, brengt niet mee dat toekomstige belastingschulden moeten worden gewaardeerd alsof ter zake op die datum een betalingsverplichting is ontstaan. 3. Kennelijke fout. De omstandigheid dat aan het hof een verzoek om verbetering van de kennelijke fout kan worden gedaan, staat niet aan vernietiging in cassatie in de weg.
Samenvatting (Bron)Huwelijksgoederenrecht. Vermogensrechtelijke afwikkeling na echtscheiding. Waarderingsmethode van in het kader van een onderneming gebruikte onroerende zaken. Waardering belastinglatentie in verband met stille reserves. Onbegrijpelijk oordeel? Kennelijke vergissing. Mogelijkheid van verzoek als bedoeld in art. 31 Rv staat niet aan cassatie in de weg; HR 28 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:38, NJ 2013/521.
UitspraakECLI:NL:HR:2014:3462
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Hoge Raad (civiele kamer)
TitelHoge Raad 28-11-2014
CiteertitelNJB 2014/2218
SamenvattingVerificatievergadering. Indiening van schuldvorderingen. Een faillissementscurator plaatst schuldvorderingen op de lijst van voorlopig erkende schuldvorderingen, zonder dat de desbetreffende schuldeisers die bij hem hebben ingediend. Tijdens de verificatievergadering maken de gefaillieerde en enige indirecte aandeelhouders van de gefaillieerde daar bezwaar tegen. De rechter-commissaris verwerpt het bezwaar en brengt de schuldvorderingen over naar de lijst van definitief erkende schuldvorderingen. De gefaillieerde en de indirect aandeelhouders stellen hoger beroep in. De rechtbank vernietigt de beslissing van de rechter-commissaris en draagt hem op dag en uur vast te stellen waarop de verificatievergadering zal worden gehouden. HR: 1. Appellabiliteit/ontvankelijkheid. Tegen de beslissing van de rechter-commissaris stond hoger beroep open. De gefailleerde kon hoger beroep instellen, de indirecte aandeelhouders niet. 2. Aanmelding door de curator. Schuldvorderingen moeten door of namens de schuldeiser zelf ter verificatie worden aangemeld. Dit kan niet gebeuren door de curator op eigen gezag. 3. Meer dan één verificatievergadering. De rechtbank heeft niet miskend dat de Faillissementswet niet voorziet in de mogelijkheid om meer dan één verificatievergadering te houden, maar heeft bepaald dat de verificatievergadering dient te worden heropend en voortgezet.
Samenvatting (Bron)Faillissement. Beslissing rechter-commissaris om schuldvorderingen die niet op de voet van art. 110 Fw door de schuldeisers ter verificatie zijn ingediend, toch tot verificatie toe te laten; beschikking waartegen op de voet van art. 67 Fw beroep openstaat. Betekenis HR 15 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY4558, NJ 2013/173 voor ontvankelijkheid beroep gefailleerde; procedure art. 110 Fw strekt ook ter bescherming van zijn belangen. Niet-ontvankelijk beroep indirecte aandeelhouders. Indiening ter verificatie van schuldvorderingen door of namens schuldeiser zelf, niet door curator op eigen gezag; art. 108, 110, 122 Fw. Heropening en voortzetting verificatievergadering met overeenkomstige toepassing van art. 108 en 109 Fw; opnieuw of alsnog beslissen over aan de orde zijnde kwesties.
UitspraakECLI:NL:HR:2014:3464
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Hoge Raad (civiele kamer)
TitelHoge Raad 28-11-2014
CiteertitelNJB 2014/2219
SamenvattingVerzekering. Subrogatieverbod. Bij een verkeersongeval van een door A bestuurde auto, loopt inzittende B letsel op. A en B zijn werkzaam bij dezelfde werkgever: A als uitzendkracht en B krachtens een arbeidsovereenkomst met de werkgever. Dient A voor de toepassing van het subrogatieverbod van art. 7:962 lid 3 BW te worden aangemerkt als een persoon die in dienst staat tot dezelfde werkgever als B? HR: Neen. De wetgever heeft een formeel-juridisch begrip ‘werkgever’ in art. 7:962 lid 3 BW voor ogen gestaan.
Samenvatting (Bron)Schadeverzekering. Subrogatie. Strekking art. 7:962 lid 3 BW (uitsluiting van subrogatie). Omvat degene die in dienst staat tot dezelfde werkgever als de verzekerde ook ingeleend personeel? Tijdstip waarnaar toepasselijkheid subrogatieverbod moet worden beoordeeld
UitspraakECLI:NL:HR:2014:3461
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Hoge Raad (strafkamer)
TitelHoge Raad 25-11-2014
CiteertitelNJB 2014/2220
SamenvattingBevelen tot dadelijk uitvoerbaarheid van de op grond van art. 14c Sr gestelde voorwaarden en het op grond van art. 14d Sr uit te oefenen toezicht, art. 14e lid 1 Sr: de invoering van de regeling in laatstgenoemde bepaling kan niet worden aangemerkt als een wijziging van wetgeving ten aanzien van de strafbaarstelling of de strafbedreiging, zodat art. 1 lid 2 Sr op wijziging van die regeling niet van toepassing kan zijn. Gelet op art. 14e lid 1 Sr dient de feitenrechter bij een veroordeling voor belaging in de zin van art. 285b Sr – welk misdrijf niet zonder meer kan worden gekarakteriseerd als een misdrijf ‘dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen’ als bedoeld in eerstgenoemde bepaling – te motiveren waarom het de dadelijke tenuitvoerlegging van de voorwaarden heeft bevolen, wanneer de bewezenverklaring niet een gedraging bevat die onmiskenbaar is gericht tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van de aangever. In casu onvoldoende sprake van zodanige motivering.
Samenvatting (Bron)Dadelijk uitvoerbaar, art. 14e.1 Sr. Gevaar vereiste. De invoering van deze regeling kan niet worden aangemerkt als een wijziging van wetgeving t.a.v. de strafbaarstelling of strafbedreiging, vgl. HR 27 augustus 2013, ECLI:NL:HR:2013:493. De motivering van het Hof is niet toereikend wat betreft het gevaar vereiste, gelet op onder meer de aard van de bewezenverklaarde gedraging (belaging). Het Hof heeft voorts ten onrechte de proeftijd bepaald op 3 jrn. De HR doet de zaak zelf af en vernietigt de bestreden uitspraak t.a.v. de proeftijd en wijzigt die in 2 jrn. Voorts vernietigt de HR het bevel dat de voorwaarden dadelijk uitvoerbaar zijn. Conclusie AG: anders.
UitspraakECLI:NL:HR:2014:3379
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Hoge Raad (strafkamer)
TitelHoge Raad 25-11-2014
CiteertitelNJB 2014/2221
SamenvattingVerzoek tot aanhouding van de behandeling, art. 281 Sv: bij de beslissing op zodanig verzoek dient de rechter een afweging te maken tussen alle daarbij betrokken belangen, waaronder het belang van de verdachte bij het kunnen uitoefenen van zijn aanwezigheidsrecht, het belang dat niet alleen de verdachte maar ook de samenleving heeft bij een doeltreffende en spoedige berechting en het belang van een goede organisatie van de rechtspleging. In casu is door het hof alleen een afweging gemaakt tussen het belang van de raadsman om te staken en het belang van een voortvarende afdoening van de strafzaak, terwijl het ten onrechte niet is ingegaan op het aan het aanhoudingsverzoek mede ten grondslag gelegde recht van de verdachte op rechtsbijstand door een raadsman van zijn keuze.
Samenvatting (Bron)Afwijzing door het Hof van het verzoek tot aanhouding van de behandeling van de zaak vanwege deelname raadsvrouwe van verdachte aan landelijke staking van strafrechtadvocaten. HR herhaalt toepasselijke overweging uit ECLI:NL:HR:1999:ZD1314. Uit s Hofs motivering van de afwijzing van het verzoek tot aanhouding van het onderzoek ttz. blijkt niet dat het Hof deze afweging van belangen heeft gemaakt. Het Hof heeft kennelijk alleen een afweging gemaakt tussen het belang van de raadsman om te staken en het belang van een voortvarende afdoening van de strafzaak, terwijl het niet is ingegaan op het aan het aanhoudingsverzoek mede ten grondslag gelegde recht van verdachte op rechtsbijstand door een raadsman van zijn keuze. Daarom is s Hofs afwijzing van het verzoek tot aanhouding van het onderzoek ttz. ontoereikend gemotiveerd.
UitspraakECLI:NL:HR:2014:3421
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelHoge Raad 25-11-2014
CiteertitelNJB 2014/2222
SamenvattingKlaagschrift art. 552a Sv wordt klaagschrift art. 552b Sv: indien het gerecht dat bevoegd is tot afdoening van een klaagschrift als bedoeld in art. 552a Sv constateert dat sedert de indiening daarvan de desbetreffende voorwerpen bij inmiddels uitvoerbare beslissing zijn verbeurdverklaard of onttrokken aan het verkeer, moet dit klaagschrift worden opgevat als een klaagschrift als bedoeld in art. 552b Sv. Indien evenbedoeld gerecht gelet op art. 552b lid 2 Sv niet bevoegd is tot behandeling van het aldus opgevatte klaagschrift, dient het te bepalen dat de griffier de stukken zal zenden naar het tot die behandeling wel bevoegde gerecht. Ook indien het vonnis met daarin de verbeurdverklaring van het geldbedrag eerst in de cassatiefase van de beklagzaak onherroepelijk is geworden, heeft te gelden dat het klaagschrift moet worden opgevat als een klaagschrift als bedoeld in art. 552b Sv.
Samenvatting (Bron)Beklag, beslag, art. 552a Sv. Op de voet van art. 83 RO heeft de HR inlichtingen ingewonnen. Daaruit blijkt dat het inbeslaggenomen geldbedrag (onherroepelijk) is verbeurdverklaard. Redelijke wetstoepassing brengt mee dat, indien het gerecht dat het klaagschrift behandelt constateert dat de voorwerpen waarop het klaagschrift ziet inmiddels zijn verbeurdverklaard of onttrokken zijn aan het verkeer, het gerecht het klaagschrift ex art. 552a Sv moet opvatten als klaagschrift ex art. 552b Sv en zo nodig, o.g.v. art. 552b.2 Sv, zal verwijzen naar het bevoegde gerecht (vgl. HR 23 november 1993, NJ 1994/263). Deze beslissing is eerst onherroepelijk geworden in de cassatiefase van deze beklagzaak. Ook voor dit situatie geldt dat het klaagschrift moet worden opgevat als klaagschrift ex art. 552b Sv. De HR zendt de stukken naar het bevoegde gerecht. Conclusie AG: anders.
UitspraakECLI:NL:HR:2014:3419
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Raad van State
TitelRaad van State 29-10-2014
CiteertitelNJB 2014/2223
SamenvattingOok buiten het geval van een overtreding van geringe aard en ernst kan ook in andere omstandigheden handhavend optreden in verhouding tot de daarmee te dienen belangen zodanig onevenredig zijn dat daarvan in die concrete situatie behoort te worden afgezien.
Samenvatting (Bron)Bij besluit van 31 mei 2012 heeft het college het verzoek van [appellant sub 2] om handhavend op te treden tegen bouwen in strijd met de verleende vrijstelling en bouwvergunning op het perceel [locatie a] te [plaats] (hierna: het perceel), afgewezen.
UitspraakECLI:NL:RVS:2014:3885
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Raad van State
TitelRaad van State 05-11-2014
CiteertitelNJB 2014/2224
SamenvattingBij het bepalen van de referentiesituatie voor de vaststelling van een bestemmingsplan voor het buitengebied behoeft geen rekening te worden gehouden met de emissiefactoren van het Besluit huisvesting.
Samenvatting (Bron)Bij besluit van 18 juli 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied 2012" vastgesteld en besloten geen exploitatieplan vast te stellen.
UitspraakECLI:NL:RVS:2014:3930
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Raad van State
TitelRaad van State 05-11-2014
CiteertitelNJB 2014/2225
SamenvattingVerlening vergunning krachtens de Natuurbeschermingswet 1998 voor de uitbreiding en wijziging van een veehouderij. Voor het bepalen van de toegestane ammoniakemissie in de referentiesituatie, in het geval die ontleend wordt aan een milieuvergunning voor een bedrijfsvoering die niet voldoet aan het Besluit huisvesting, behoeft geen rekening te worden gehouden met de emissiefactoren van het Besluit huisvesting.
Samenvatting (Bron)Bij besluit van 10 september 2013, kenmerk C2069385/3459308, heeft het college aan [belanghebbende] een vergunning krachtens de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbw 1999) verleend voor de uitbreiding en wijziging van een veehouderij aan de [locatie] te Deurne.
UitspraakECLI:NL:RVS:2014:3934
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Raad van State
TitelRaad van State 19-11-2014
CiteertitelNJB 2014/2226
SamenvattingBeroep terecht niet-ontvankelijk verklaard wegens misbruik WOB.
Samenvatting (Bron)Bij besluit van 22 februari 2013 heeft de minister een door [appellante] ingediend verzoek om openbaarmaking van stukken betreffende een aan haar opgelegde verkeersboete, geweigerd te behandelen.
UitspraakECLI:NL:RVS:2014:4129
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Centrale Raad van Beroep
TitelCentrale Raad van Beroep 12-11-2014
CiteertitelNJB 2014/2227
SamenvattingDe rechtbank had bij het blijken van het wrakingsverzoek haar uitspraak wegens schending van fundamentele procedurevoorschriften vervallen moeten verklaren, vervolgens het wrakingsverzoek moeten behandelen en afhankelijk van de beslissing op dat verzoek op de reguliere weg de behandeling van het beroep moeten voortzetten.
Samenvatting (Bron)Wrakingsverzoek is niet doorgeleid. Schending van fundamentele procedurevoorschriften. Terugverwijzen naar rechtbank.
UitspraakECLI:NL:CRVB:2014:3870
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Centrale Raad van Beroep
TitelCentrale Raad van Beroep 21-11-2014
CiteertitelNJB 2014/2228
SamenvattingTerugvordering voorschot. Beleid. Belangenafweging.
Samenvatting (Bron)1) Weigering WIA-uitkering. Geen sprake van een verboden reformatio in peius. Deugdelijke medische en arbeidskundige grondslag. 2) Terugvordering voorschotten. Vernietiging besluit met instandlating rechtsgevolgen omdat geen belangenafweging heeft plaatsgevonden. Het Uwv heeft het besluit nader gemotiveerd. Met het gevoerde beleid blijft het Uwv binnen de grenzen van een redelijke beleidsbepaling. Het Uwv had niet eerder een besluit kunnen nemen aangezien de behandeling van de aanvraag om WIA-uitkering vertraagd was omdat appellant niet op de geplande spreekuren was verschenen.
UitspraakECLI:NL:CRVB:2014:3840
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - College van Beroep voor het bedrijfsleven
TitelCollege van Beroep voor het bedrijfsleven 04-09-2014
CiteertitelNJB 2014/2229
SamenvattingACM is niet bevoegd om een bestuurlijke boete op te leggen wegens de niet-naleving van contractsvoorwaarden die op zich zelf redelijk zijn.
Samenvatting (Bron)ACM is niet bevoegd om naleving van contractsvoorwaarden door een energieleverancier af te dwingen
UitspraakECLI:NL:CBB:2014:318
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - College van Beroep voor het bedrijfsleven
TitelCollege van Beroep voor het bedrijfsleven 29-09-2014
CiteertitelNJB 2014/2230
SamenvattingDe afschaffing van het papieren treinkaartje levert een schending op van de Europese Verordening betreffende rechten en plichten van reizigers in het treinverkeer, indien tijdens de treinreis onvoldoende is gewaarborgd dat de treinreiziger kennis kan nemen van de op de OV-chipkaart opgeslagen reisgegevens. Vóór aanvang en na afloop van de treinreis zijn er al wel voldoende mogelijkheden om kennis te nemen van deze gegevens. Met de toezegging van de NS om een werkinstructie op te stellen die de treinreiziger het recht geeft om desgewenst mee te kijken op het uitleesapparaat van de conducteur, wordt de schending van het Europese recht opgeheven. Gelet op die toezegging hoeft de staatssecretaris de NS niet op te dragen het papieren reiskaartje weer in te voeren.
Samenvatting (Bron)Afwijzing verzoek om NS Reizigers te gelasten afschaffing papieren treinkaartjes te staken. Bewijs vervoerovereenkomst met OV-chipkaart.
UitspraakECLI:NL:CBB:2014:357
Artikel aanvragenVia Praktizijn