Nederlands Juristenblad

Uitgever Wolters Kluwer
Tijdschrift Nederlands Juristenblad
Datum 25-01-2015
Aflevering 3
RubriekVooraf
TitelFlexibele arbeidsverhoudingen, rigide verhaal?
CiteertitelNJB 2015/145
SamenvattingInlening, inhuren van zzp-ers, payrolling. Meer dan ooit worden werkzaamhden op flexibele basis verricht. Steeds vaker rijst de vraag of regels die ooit voor klassieke arbeidsrelaties zijn geschreven ook kunnen worden toegepast op deze moderne verhoudingen. Soms creërt de wetgever een basis voor toepassing van regels voor formeel werkgeverschap op gevallen die daar buiten liggen.
Auteur(s)T. Hartlief
Pagina169-169
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekWetenschap
TitelVoorkeursbeleid voor topvrouwen
CiteertitelNJB 2015/146
SamenvattingDe ondervertegenwoordiging van vrouwen in topfuncties in Nederland en veel andere EU-lidstaten is groot. Mede door negatieve seksestereotypering stromen vrouwen moeilijk door naar de (sub)top van bedrijven. Arbeidsorganisaties staan voor de vraag welke maatregelen ze kunnen treffen om de streefcijfers te halen die ze zelf hebben gesteld of die in wetgeving zijn opgelegd. Is het reserveren van functies voor vrouwen een juridisch toelaatbare vorm van voorkeursbeleid? Of stuit dit zonder meer af op de Kalanke-norm van het Hof van Justitie van de EU? In deze bijdrage bespreken de auteurs de mogelijkheden voor werkgevers om zwaardere vormen van voorkeursbeleid toe te passen. Bij de vraag naar de juridische toelaatbaarheid betrekken zij inzichten die zijn verkregen uit sociaalwetenschappelijk onderzoek naar de gevolgen van seksestereotypering en andere uitsluitingsmechanismen.
Auteur(s)E. Cremers-Hartman , P.A.T. Oden
Pagina170-178
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekWetenschap
TitelDe papieren muur - Proces-verbaal maakt bewijsvoering soms onbetrouwbaar
CiteertitelNJB 2015/147
SamenvattingEen kort geleden afgerond onderzoek laat zien dat processen-verbaal het verhoor zeer sterk samenvatten. Zij geven bovendien vaak een vertekend beeld van het verhoor. Dankzij opnamen van verhoren kan non-verbaal gedrag tegenwoordig worden bekeken en beluisterd. Verdachten blijken sneller schuldig te worden geacht als hun non-verbale gedrag zichtbaar is. Opnamen laten ook het gedrag van de verhoorder zien en daardoor kan het verhoor veel beter worden gecontroleerd dan vroeger het geval was. Er wordt echter in het strafproces nog te weinig gebruik gemaakt van audiovisuele middelen.
Auteur(s)M. Walsch , R. Kranendonk , J.W. de Keijser , H. Elffers , M.L. Komter , M. de Boer
Pagina179-184
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekFocus
TitelDe procureur-generaal bij de Hoge Raad en artikel 80a RO in strafzaken
CiteertitelNJB 2015/148
SamenvattingIn zijn conclusie van 16 december 2014 heeft de procureur-generaal bij de Hoge Raad laten weten voornemens te zijn in strafzaken geen standpunt meer in te nemen als een zaak zich naar zijn mening leent voor afdoening op de voet van artikel 80a RO.2 De tijd die daardoor vrijkomt, wil hij besteden aan zaken die voor een volledige behandeling in cassatie geschikt zijn en waarin een conclusie een duidelijke toegevoegde waarde heeft. In andere zaken lijkt een conclusie hem niet langer nodig. Hij meent dat er geen verplichting bestaat om een standpunt over de afdoening via artikel 80a RO in te nemen. De vraag is echter of het de procureur-generaal zonder wetswijziging vrijstaat in het geheel geen conclusie c.q. standpunt te nemen en of sprake is van een wenselijke stap. De auteur meent dat beide vragen uiteindelijk ontkennend moeten worden beantwoord.
Auteur(s)J.S. Nan
Pagina185-189
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - EHRM
TitelEHRM 18-09-2014, 74448/12
CiteertitelNJB 2015/149
SamenvattingRecht op leven. Doodsbedreigingen. Persoon vormt gevaar voor omgeving en voor zichzelf. Preventieve positieve verplichting tot optreden politie. Gevaar hoeft niet een concreet aanwijsbare persoon te betreffen.
CASE OF BLJAKAJ AND OTHERS v. CROATIA
Samenvatting (Bron)Preliminary objection dismissed (Article 34 - Victim);Violation of Article 2 - Right to life (Article 2 - Positive obligations;Article 2-1 - Life) (Substantive aspect);No violation of Article 13 - Right to an effective remedy (Article 13 - Effective remedy);Non-pecuniary damage - award
UitspraakECLI:CE:ECHR:2014:0918JUD007444812
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - EHRM
TitelEHRM 02-10-2014, 97/11
CiteertitelNJB 2015/150
SamenvattingArt. 8 EVRM. Doorzoeking kantoor rechtspersoon zonder voorafgaande rechterlijke machtiging. Rechterlijke controle ex post facto bood onvoldoende bescherming tegen mogelijke willekeur. Schending.
CASE OF DELTA PEKÁRNY A.S. v. THE CZECH REPUBLIC
Samenvatting (Bron)Preliminary objection dismissed (Article 35-3 - Ratione personae);Remainder inadmissible;Violation of Article 8 - Right to respect for private and family life (Article 8-1 - Respect for home);Pecuniary damage - claim dismissed
UitspraakECLI:CE:ECHR:2014:1002JUD000009711
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Hoge Raad (civiele kamer)
TitelHoge Raad 09-01-2015
CiteertitelNJB 2015/151
SamenvattingInternationale bevoegdheid. Handlungsort. Erfolgsort. Rechtstreekse vermogensschade. Afgeleide vermogensschade. Door een (gestelde) fout van een medewerker van een advocatenkantoor in Tsjechië vermeldt een aandelenoptieovereenkomst een verkeerde formule voor de vaststelling van een koopprijs. Hierdoor moet een in Nederland gevestigde koper een veel hogere koopprijs betalen dan hem voor ogen stond. Hij vordert schadevergoeding bij de Nederlandse rechter. Is deze internationaal bevoegd? De Hoge Raad stelt prejudiciële vragen aan het HvJEU.
Samenvatting (Bron)Procesrecht; internationale bevoegdheid Nederlandse rechter; art. 5, aanhef en onder 3, EEX-Vo. Vordering tot vergoeding van vermogensschade van in Nederland gevestigde rechtspersoon tegen elders woonachtige personen op grond van onrechtmatig handelen in Tsjechië. Prejudiciële vragen aan HvJEU. Omvat de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan in art. 5, aanhef en onder 3, EEX-Vo het geval dat in het Erfolgsort uitsluitend vermogensschade is ingetreden en die schade het rechtstreeks gevolg is van een onrechtmatige gedraging in het Handlungsort? Zo ja, hoe dient te worden bepaald (a) of sprake is van initiële vermogensschade dan wel gevolgschade en (b) waar de vermogensschade is ingetreden of wordt geacht te zijn ingetreden? Dient bij de beoordeling van de bevoegdheid acht te worden geslagen op hetgeen de verweerder heeft aangevoerd?
UitspraakECLI:NL:HR:2015:36
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Hoge Raad (civiele kamer)
TitelHoge Raad 09-01-2015
CiteertitelNJB 2015/152
SamenvattingBodemverontreiniging. Kosten van onderzoek en sanering. De bodem en het grondwater onder een terrein zijn ernstig verontreinigd. De Gemeente heeft omliggende terreinen in eigendom en vordert vergoeding van kosten van onderzoek en sanering betreffende de omliggende terreinen. HR: Het hof heeft (mogelijkerwijs) miskend dat de regeling van art. 75 Wbb onverlet laat dat een overheidslichaam op de grondslag van onrechtmatige daad vergoeding kan vorderen van schade die het in de hoedanigheid van grondeigenaar lijdt wegens kosten van onderzoek en sanering.
Samenvatting (Bron)Onrechtmatige daad. Bodemverontreiniging. Schade gemeente in hoedanigheid van grondeigenaar wegens kosten van onderzoek en sanering. Art. 75 Wet bodembescherming laat onverlet dat overheidslichaam op de grondslag van onrechtmatige daad vergoeding van die schade kan vorderen.
UitspraakECLI:NL:HR:2015:37
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Hoge Raad (civiele kamer)
TitelHoge Raad 09-01-2015
CiteertitelNJB 2015/153
SamenvattingCuraçao. Bestuurder. Ontslagvergunning. Op Curaçao ontslaat een werkgever de ‘general manager’. Is voor dit ontslag een ontslagvergunning vereist? HR: 1. Uitleg statuten. Het oordeel van het hof dat de ‘general manager’ als bestuurder moet worden aangemerkt, is onbegrijpelijk. 2. Ontslagvergunningsplicht. Personen die wel de titel ‘directeur’ dragen, maar niet tot bestuurder zijn benoemd bij of krachtens de statuten, het reglement dan wel de regeling die de organisatie van de vennootschap of het doelvermogen beheerst, vallen niet onder de in de landsverordening voorziene categorie van personen voor wie geen ontslagvergunning nodig is.
Samenvatting (Bron)Curaçaose zaak. Opzegging arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd (statutair) directeur coöperatie. Ontslagvergunning vereist? Art. 4 Landsverordening beëindiging arbeidsovereenkomsten (LBA). Onbegrijpelijk oordeel dat directeur uitvoerend bestuurder is van one-tier board (art. 2:18 BWC). Reikwijdte uitzondering voor directeuren van een vennootschap of een doelvermogen, art. 2, aanhef en onderdeel e, LBA.
UitspraakECLI:NL:HR:2015:38
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Hoge Raad (civiele kamer)
TitelHoge Raad 09-01-2015
CiteertitelNJB 2015/154
SamenvattingEffectenlease. Verlenging. Toestemming andere echtgenoot. HR: De toestemming van de andere echtgenoot is ook vereist voor overeenkomsten die inhouden dat de looptijd van eerder aangegane effectenleaseovereenkomsten wordt verlengd.
Samenvatting (Bron)Aandelenlease. Vernietiging op grond van art. 1:88 en 1:89 BW door echtgenote; verjaring? Verlenging aandelenleaseovereenkomst, toestemming echtgenoot art. 1:88 lid 1, aanhef en onder d, BW vereist? Ratio art. 1:88 lid 1 BW.
UitspraakECLI:NL:HR:2015:41
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Hoge Raad (civiele kamer)
TitelHoge Raad 09-01-2015
CiteertitelNJB 2015/155
SamenvattingArbeidsovereenkomst. Ketenregeling. Na drie opeenvolgende arbeidsovereenkomsten met telkens een duur van één jaar komen partijen in een bijlage bij de vierde arbeidsovereenkomst overeen dat zij die bij wijze van vaststellingsovereenkomst op een bepaalde toekomstige datum beëindigen met wederzijds goedvinden. Het hof acht deze constructie rechtsgeldig. HR: 1. Uitleg arbeidsovereenkomst. Het hof heeft miskend dat bij de beantwoording van de vraag of partijen een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd dan wel onbepaalde tijd zijn overeengekomen, niet alleen acht dient te worden geslagen op de tekst van de arbeidsovereenkomst. 2. Vaststellingsovereenkomst. Het hof heeft miskend dat de vaststelling van een vaststellingsovereenkomst alleen dan in strijd mag komen met dwingend recht indien deze strekt ter beëindiging van een – reeds bestaand – geschil.
Samenvatting (Bron)Arbeidsrecht. Ketenregeling; art. 7:668a BW. Vierde, opvolgende arbeidsovereenkomst gesloten voor bepaalde dan wel onbepaalde tijd? Betekenis van samenhangende vaststellingsovereenkomst waarin beëindiging van de arbeidsovereenkomst is overeengekomen. Art. 7:902 BW. Vaststelling in strijd met dwingend recht indien deze strekt ter beëindiging van bestaand geschil en niet ter voorkoming daarvan.
UitspraakECLI:NL:HR:2015:39
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Hoge Raad (civiele kamer)
TitelHoge Raad 09-01-2015
CiteertitelNJB 2015/156
SamenvattingAlimentatie. HR: 1. Waardering gedingstukken. Het oordeel van het hof dat de man het bestaan van de schuld onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt, is gelet op de door de man overgelegde producties onbegrijpelijk. 2. Draagkracht. Schulden. Bij het bepalen van de draagkracht dient ook rekening te worden gehouden met schulden waarop niet wordt afgelost. Weliswaar kan de rechter redenen aanwezig oordelen om aan bepaalde schulden geen of minder gewicht toe te kennen, maar dan dient hij dit oordeel te motiveren.
Samenvatting (Bron)Personen- en familierecht. Partneralimentatie. Aannemelijkheid (aflossingsverplichting uit hoofde van) schuld aan familie. Onbegrijpelijk oordeel? Motiveringsplicht rechter.
UitspraakECLI:NL:HR:2015:40
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Hoge Raad (civiele kamer)
TitelHoge Raad 09-01-2015
CiteertitelNJB 2015/157
SamenvattingPrejudiciële vraag. Boedelschuld. Huur. Roerende zaak. Art. 39 lid 1 Fw bepaalt dat indien de gefaillieerde huurder is, de huurprijs van de dag der faillietverklaring af boedelschuld is. Geldt art. 39 lid 1 Fw ook voor de huur van roerende zaken? HR: Bevestigend.
Samenvatting (Bron)Prejudiciële vraag (art. 392 Rv). Faillissementsrecht. Vraag of art. 39 lid 1 Fw ook geldt voor de huur van roerende zaken. Hoge Raad beantwoordt die vraag bevestigend.
UitspraakECLI:NL:HR:2015:42
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Hoge Raad (strafkamer)
TitelHoge Raad 16-12-2014
CiteertitelNJB 2015/158
SamenvattingOverzichtsarrest medeplegen, art. 47 Sr. Medeplegen vereist een voldoende nauwe en bewuste samenwerking met een ander of anderen. Het accent ligt op de samenwerking en minder op wie welke feitelijke handelingen heeft verricht. Medeplegen vereist dat intellectuele en/of materiële bijdrage aan het delict van de verdachte van voldoende gewicht is. Dat geldt in vergelijkbare zin indien het medeplegen – bijvoorbeeld in de vorm van ‘in vereniging’ – een bestanddeel vormt van de delictsomschrijving. Voor het oordeel dat sprake is van medeplegen kan de rechter rekening houden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. Aan het zich niet distantiëren komt op zichzelf geen grote betekenis toe. De bijdrage van de medepleger zal in de regel worden geleverd tijdens het begaan van het strafbare feit in de vorm van een gezamenlijke uitvoering van het feit. Maar de bijdrage kan ook zijn geleverd in de vorm van verscheidene gedragingen voor en/of tijdens en/of na het strafbare feit. Ook is niet uitgesloten dat de bijdrage in hoofdzaak vóór het strafbare feit is geleverd. De Hoge Raad gaat in op verschil medeplegen en medeplichtigheid. De Hoge Raad gaat in op tenlastelegging van medeplegen. Het valt de Hoge Raad daarbij overigens op dat het Openbaar Ministerie bij het tenlasteleggen van commune en andere niet-economische strafbare feiten − in vergelijking met economische delicten − vaker gebruik lijkt te maken van (soms ingewikkelde) deelnemingsconstructies dan van het meer geëigend lijkende functionele daderschap.
Samenvatting (Bron)Bewijsklacht medeplegen. De HR ziet aanleiding om in voorafgaande beschouwingen t.b.v. de in de praktijk vereiste duidelijkheid in te gaan op het fenomeen en de afgrenzing tussen medeplegen en andere deelnemingsvormen, waarbij de HR tevens enige aandachtspunten dienaangaande formuleert. Mede gelet op hetgeen is vooropgesteld, heeft het Hof zijn oordeel dat te dezen niet sprake is van medeplichtigheid maar van medeplegen, onvoldoende gemotiveerd. Daarbij heeft de HR in aanmerking genomen dat het Hof kennelijk vooral betekenis heeft toegekend aan de omstandigheid dat de verdachte niet alleen de bestuurder is geweest van de beoogde vluchtauto en ter plaatse de medeverdachten heeft opgewacht, maar ook betrokken is geweest bij de voorverkenning van de plaats delict op 15 juni 2011.
UitspraakECLI:NL:HR:2014:3637
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Hoge Raad (strafkamer)
TitelHoge Raad 16-12-2014
CiteertitelNJB 2015/159
SamenvattingSprake van ‘hetzelfde feit’ in de zin van art. 68 Sr en art. 313 Sv? Herhaling en toepassing HR 1 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BM9102, NJ 2011/394. In casu onjuist oordeel van het hof dat toewijzing van de vordering tot wijziging van de tenlastelegging van doodslag (art. 287 Sr) in diefstal met geweld, de dood ten gevolge hebbend (art. 312 lid 3 Sr) een ander feit oplevert.
Samenvatting (Bron)OM-cassatie. Art. 68 Sr en 313 Sv. Afwijzing vordering tot wijziging tll. De HR herhaalt toepasselijke overwegingen uit ECLI:NL:HR:2011:BM9102. De aan verdachte primair verweten gedraging is in de tll omschreven als - kort gezegd - doodslag, en in de vordering tot wijziging van de tll als - kort gezegd - diefstal met geweld de dood ten gevolge hebbend. De tll is toegesneden op art. 287 Sr en de vordering tot wijziging van de tll op art. 312.3 Sr. Zowel het verschil in de juridische aard van de aan verdachte verweten feiten als het verschil tussen de omschreven gedragingen loopt niet zodanig uiteen dat geen sprake kan zijn van "hetzelfde feit" in de zin van art. 68 Sr. Hoewel de strafbaarstelling van diefstal met geweld in het bijzonder strekt ter bescherming van het vermogen van de rechthebbende, strekt die strafbaarstelling, mede bezien in samenhang met de in art. 312.3 Sr opgenomen strafverzwarende omstandigheid de dood ten gevolge hebbend, evenals de strafbaarstelling van doodslag tevens ter bescherming van het leven, terwijl de strafmaxima die op doodslag en op diefstal met geweld de dood ten gevolge hebbend, zijn gesteld, niet uiteenlopen. De gedragingen van verdachte verschillen niet wat betreft de tijd waarop, de plaats waar en de omstandigheden waaronder zij zouden zijn verricht, terwijl de aard en kennelijke strekking van het tijdens een worsteling opzettelijk afschieten van kogels met een vuurwapen op een lichaam (zoals omschreven in de op art. 287 Sr toegesneden tenlastelegging) in de kern genomen slechts in beperkte mate afwijkt van het schieten met een vuurwapen terwijl dit de dood van een ander tot gevolg heeft (zoals omschreven in de op art. 312.3 Sr toegesneden vordering tot wijziging van de tll). Gelet hierop geeft het oordeel van het Hof dat toewijzing van de vordering tot wijziging van de tll een ander feit oplevert, blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Conclusie AG: anders.
UitspraakECLI:NL:HR:2014:3636
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Hoge Raad (strafkamer)
TitelHoge Raad 16-12-2014
CiteertitelNJB 2015/160
SamenvattingOverzichtsarrest groepsbelediging art. 137c Sr en aanzetten tot discriminatie art. 137d Sr: verdachte heeft als lijsttrekker van een politieke partij in het openbaar uitlatingen gedaan over homoseksuelen. Het recht op vrijheid van meningsuiting uit art. 10 EVRM staat aan een strafrechtelijke veroordeling ter zake van voormelde groepsbelediging en/of aanzetten tot discriminatie niet in de weg indien zo’n veroordeling een op grond van art. 10 lid 2 EVRM toegelaten beperking van de vrijheid van meningsuiting vormt. Bij de beoordeling van een uitlating in verband met de strafbaarheid daarvan wegens groepsbelediging en/of aanzetten tot discriminatie dient acht te worden geslagen op de bewoordingen van die uitlating alsmede op de context waarin zij is gedaan. Daarbij is relevant of de gewraakte uitlating een bijdrage kan leveren aan het publieke debat of een uiting is van artistieke expressie en of de uitlating in dat verband niet onnodig grievend is. De Hoge Raad gaat in op de verantwoordelijkheden van een politicus hierbij. De Hoge Raad wijst erop dat het daarbij niet uitsluitend gaat om uitlatingen die aanzetten tot haat of geweld of discriminatie maar ook om uitlatingen die aanzetten tot onverdraagzaamheid. In casu heeft het hof dit miskend voor zover het tot uitdrukking heeft gebracht dat de tenlastegelegde uitlatingen van de verdachte, nu deze zijn gedaan door hem als politicus in het kader van het publieke debat, louter strafbaar zouden kunnen zijn indien die uitlatingen de strekking zouden hebben om te bedreigen en/of te intimideren dan wel redelijkerwijs geacht kunnen worden aan te zetten tot haat of geweld.
Samenvatting (Bron)OM-cassatie. Vrijheid van meningsuiting (i.h.k.v. een publiek debat), art. 10 EVRM. Groepsbelediging en aanzetten tot discriminatie, art. 137c Sr en art. 137d Sr. Het, o.m. in art. 10 EVRM gegarandeerde, recht op vrijheid van meningsuiting staat aan strafrechtelijke veroordeling t.z.v. groepsbelediging en/of aanzetten tot discriminatie i.d.z.v. art. 137c Sr onderscheidenlijk 137d Sr niet in de weg indien zo een veroordeling een o.g.v. art. 10.2 EVRM toegelaten beperking van de vrijheid van meningsuiting vormt. Bij de beoordeling van een uitlating i.v.m. de strafbaarheid daarvan wegens groepsbelediging en/of aanzetten tot discriminatie i.d.z.v. voormelde wettelijke bepalingen, dient acht te worden geslagen op de bewoordingen van die uitlating alsmede op de context waarin zij is gedaan. Daarbij dient onder ogen te worden gezien of de gewraakte uitlating een bijdrage kan leveren aan het publiek debat of een uitlating is van artistieke expressie. Tevens dient onder ogen te worden gezien of de uitlating in dat verband niet onnodig grievend is. Bij de beoordeling van de vraag of een uitlating onnodig grievend is, dient, indien het gaat om een uitlating door een politicus i.h.k.v. het publiek debat - het politieke debat daaronder begrepen - onder ogen te worden gezien enerzijds het belang dat de betreffende politicus daadwerkelijk in staat moet zijn zaken van algemeen belang aan de orde te stellen ook als zijn uitlatingen kunnen kwetsen, choqueren of verontrusten, maar anderzijds ook de verantwoordelijkheid die de politicus in het politieke/maatschappelijke debat draagt te voorkomen dat hij uitlatingen verspreidt die strijdig zijn met de wet en met de grondbeginselen van de democratische rechtsstaat. Daarbij gaat het niet uitsluitend om uitlatingen die aanzetten tot haat of geweld of discriminatie maar ook om uitlatingen die aanzetten tot onverdraagzaamheid. V.zv. het Hof met zijn oordeel tot uitdrukking heeft gebracht dat de tlgd. uitlatingen van verdachte, nu deze zijn gedaan door hem als politicus i.h.k.v. het publiek debat, louter strafbaar zouden kunnen zijn indien die uitlatingen de strekking zouden hebben om te bedreigen en/of te intimideren dan wel redelijkerwijs geacht kunnen worden aan te zetten tot haat en geweld, heeft het Hof een en ander i.c. miskend.
UitspraakECLI:NL:HR:2014:3583
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Hoge Raad (strafkamer)
TitelHoge Raad 16-12-2014
CiteertitelNJB 2015/161
SamenvattingSchuld in de zin van art. 6 WVW 1994: onjuist is opvatting dat het gebruik van een stof die de rijvaardigheid kan verminderen – zoals alcoholhoudende drank – in het geheel niet kan bijdragen aan het oordeel dat sprake is van schuld in de zin van art. 6 WVW 1994. De vaststelling van uitsluitend dergelijk gebruik, zal doorgaans evenwel onvoldoende zijn voor het oordeel dat sprake is van schuld in de zin van art. 6 WVW 1994, zoals dit ook geldt voor de in art. 175 lid 2 WVW 1994 opgenomen bijzondere schuldvorm roekeloosheid. Bloedonderzoek bestuurder motorrijtuig: art. 359a Sv vormt het toetsingskader voor de gevolgen te verbinden aan het mogelijk onbevoegd vragen van bedoelde toestemming aan een persoon die niet wordt verdacht van overtreding van art. 8 WVW 1994.
Samenvatting (Bron)1. Toestemming voor bloedonderzoek, art. 8.2.b. WVW 1994. De HR herhaalt toepasselijke overwegingen uit ECLI:NL:HR:2005:AT3993. Hieruit volgt dat art. 359a Sv het toetsingskader vormt voor de gevolgen te verbinden aan het mogelijk onbevoegd vragen van toestemming voor bloedonderzoek aan een persoon die niet wordt verdacht van overtreding van art. 8 WVW 1994. Het Hof heeft dit toetsingskader niet miskend. Het Hof heeft vastgesteld dat zonder dat sprake was van verdenking van overtreding van art. 8 WVW 1994, bij verdachte zonder diens toestemming bloed is afgenomen voor onderzoek. Het Hof heeft echter tevens vastgesteld dat de hulpofficier van justitie door wie toestemming is verleend voor het bloedonderzoek, niet naar willekeur heeft gehandeld omdat bij hem het vermoeden was gerezen dat sprake was van het gebruik van alcohol of een andere stof die de rijvaardigheid kon verminderen, dat verdachte de volgende dag alsnog toestemming heeft gegeven en dat een en ander geen inbreuk heeft gemaakt op verdachtes recht op een eerlijk proces. Vervolgens heeft het Hof geoordeeld dat dit, gelet op de aard en de ernst van de verzuimen, tot strafvermindering moet leiden en niet tot bewijsuitsluiting. Dit oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd. 2. Bewijsklacht schuld a.b.i. art. 6 WVW 1994. Het middel steunt o.m. op de opvatting dat het gebruik van een stof die de rijvaardigheid kan verminderen in het geheel niet kan bijdragen aan het oordeel dat sprake is van schuld i.d.z.v. art. 6 WVW 1994. Deze opvatting is onjuist. Opmerking verdient evenwel dat de vaststelling van uitsluitend dergelijk gebruik - hetwelk blijkens art. 175.3 WVW 1994 zelfstandig tot een aanzienlijke verhoging van het strafmaximum van art. 6 WVW 1994 leidt - doorgaans onvoldoende zal zijn voor het oordeel dat sprake is van schuld i.d.z.v. art. 6 WVW 1994, zoals dit ook geldt voor de in art. 175.2 WVW 1994 opgenomen bijzondere schuldvorm roekeloosheid. Blijkens de overwegingen van het Hof doet een dergelijk geval zich hier echter niet voor.
UitspraakECLI:NL:HR:2014:3616
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Hoge Raad (strafkamer)
TitelHoge Raad 16-12-2014
CiteertitelNJB 2015/163
SamenvattingBestanddeel ‘bevel van een ambtenaar van politie’ in de zin van een APV jo. art. 154 Gemw: onjuist is de opvatting dat het feit in casu niet als overtreding van de APV strafbaar is, omdat noch in de APV noch elders aan de politieambtenaar uitdrukkelijk de bevoegdheid is verleend om de in de APV bedoelde bevelen te geven, zodat een wettelijk voorschrift ontbreekt waarop dit bevel kan zijn gegrond; de in casu in art. 2:1 lid 2 APV Den Haag vervatte bevelsbevoegdheid van de ambtenaar van politie behoeft niet afzonderlijk of uitdrukkelijk in de APV Den Haag of elders te zijn verleend. Anders dan bij art. 184 Sr, is hier niet vereist dat de vordering of het bevel door de politieambtenaar is gedaan of gegeven krachtens een wettelijk voorschrift dat uitdrukkelijk inhoudt dat de betrokken ambtenaar gerechtigd is tot het doen van de vordering of het geven van het bevel. A-G: anders.
Samenvatting (Bron)Niet opvolgen van een door een politieambtenaar gegeven vordering. Art. 2:1.2 jo. 6:1.1 APV Den Haag jo. art. 154 Gemeentewet. De tll en bewezenverklaring zijn toegesneden op art. 2:1.2 APV Den Haag. Overtreding van het bij dit artikel bepaalde is strafbaar gesteld in art. 6:1.1 APV Den Haag. Aldus heeft de raad van de gemeente Den Haag toepassing gegeven aan de hem in art. 154.1 Gemeentewet toegekende bevoegdheid op overtreding van deze bepaling straf te stellen. De in het middel liggende opvatting dat het feit niet als overtreding van art. 2:1.2 APV strafbaar is, omdat noch in de APV noch elders aan de politieambtenaar uitdrukkelijk de bevoegdheid is verleend om de in art. 2:1 APV Den Haag bedoelde bevelen te geven, zodat een wettelijk voorschrift ontbreekt waarop dit bevel kan zijn gegrond, is onjuist. De in art. 2:1.2 APV Den Haag vervatte bevelsbevoegdheid van de ambtenaar van politie behoeft niet afzonderlijk of uitdrukkelijk in de APV Den Haag of elders te zijn verleend. Anders dan het geval is indien de strafvervolging betrekking heeft op het misdrijf van art. 184 Sr, is hier niet vereist dat de vordering of het bevel door de politieambtenaar is gedaan of gegeven krachtens een wettelijk voorschrift dat uitdrukkelijk inhoudt dat de betrokken ambtenaar gerechtigd is tot het doen van de vordering of het geven van het bevel. Dat verschil laat zich mede hierdoor verklaren dat de Gemeentewet de bevoegdheid van de raad tot het stellen van straf op overtreding van zijn verordeningen heeft beperkt tot overtredingen. Indien het niet opvolgen van een op een bepaling van een APV gegrond bevel van de politieambtenaar zonder het vereiste van verlening van een uitdrukkelijke bevelsbevoegdheid aan die ambtenaar het misdrijf van art. 184 Sr zou opleveren, zou in strijd met de Gemeentewet de bedoelde bevoegdheid van de raad in feite zijn uitgebreid tot misdrijven. Conclusie AG: anders.
UitspraakECLI:NL:HR:2014:3639
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Hoge Raad (strafkamer)
TitelHoge Raad 16-12-2014
CiteertitelNJB 2015/164
SamenvattingGrenzen getuigenbewijs: gebruik voor het bewijs van een ambtsedig proces-verbaal inhoudende een niet ter terechtzitting afgelegde, de verdachte belastende getuigenverklaring is niet zonder meer onverenigbaar met art. 6 lid 1 en lid 3 aanhef en onder d EVRM indien de verdachte niet in enig stadium van het geding de gelegenheid heeft gehad die getuige te (doen) ondervragen, doch die verklaring in belangrijke mate steun vindt in andere bewijsmiddelen. Dit laatste moet aldus worden begrepen dat reeds voldoende is als de betrokkenheid van de verdachte bij het hem tenlastegelegde feit wordt bevestigd door ander bewijsmateriaal. Dit steunbewijs zal dan betrekking moeten hebben op die onderdelen van de hem belastende verklaring die de verdachte betwist. In casu sprake van voldoende steunbewijs erin bestaande dat de verdachte kennelijk leugenachtig heeft verklaard met de bedoeling de waarheid te bemantelen en dat verdachte zich gelet op de historische gegevens van het mobiele telefoontoestel en de SIM-kaart van hem rond het tijdstip van de tenlastegelegde poging bevond in de omgeving van de plaats van het delict. A-G: anders.
Samenvatting (Bron)Verwerping verweer dat de belastende verklaring van getuige X niet voor het bewijs mag worden gebezigd wegens ontbreken van gelegenheid tot ondervraging. De HR herhaalt toepasselijke overwegingen uit ECLI:NL:HR:2013:BZ1439. Mede tot het bewijs strekt de - in cassatie niet bestreden - vaststelling van het Hof dat verdachte kennelijk leugenachtig heeft verklaard met de bedoeling de waarheid te bemantelen dat hij op 31 augustus 2010 heeft geprobeerd een vrouw te overvallen. Voorts heeft het Hof kennelijk en niet onbegrijpelijk geoordeeld dat verdachte zich gelet op de historische gegevens van het mobiele telefoontoestel en de SIM-kaart van verdachte rond het tijdstip van de tlgde poging bevond in de omgeving van de plaats van het delict. Het oordeel van het Hof dat de betrokkenheid van verdachte bij de hem tenlastegelegde feiten aldus in beslissende mate steun vindt in andere bewijsmiddelen, is gelet op een en ander niet onbegrijpelijk. Conclusie AG: anders.
UitspraakECLI:NL:HR:2014:3634
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Hoge Raad (strafkamer)
TitelHoge Raad 16-12-2014
CiteertitelNJB 2015/165
SamenvattingUitleveringprocedure, legaliteitsbeginsel art. 7 EVRM en dubbele strafbaarheid. Ten tijde van het begaan daarvan leverde genocide naar internationaal recht ook in Rwanda een strafbaar feit op in de zin van art. 7 lid 1 EVRM. Mede gelet op het Verdrag inzake de voorkoming en de bestraffing van genocide, dat door Rwanda in 1975 is geratificeerd, was genocide ook in 1994 naar internationaal recht onmiskenbaar verboden en moet het voor een ieder duidelijk zijn geweest dat genocide een misdaad is waarvoor degene die zich daaraan schuldig maakt strafrechtelijk verantwoordelijk kan worden gehouden. Aldus was de strafbaarheid van genocide in 1994 voldoende ‘accessible’ en ‘foreseeable’ als vereist door art. 7 EVRM.
Samenvatting (Bron)Uitlevering. Legaliteitsbeginsel. Dubbele strafbaarheid, art. 7 EVRM. Uitlevering aan Rwanda verzocht ter zake van genocide in 1994. De HR herhaalt toepasselijke overwegingen uit ECLI:NL:HR:1999:ZD5885. Blijkens haar overwegingen heeft de Rb hetgeen is vooropgesteld niet miskend. In die overwegingen ligt voorts als haar oordeel besloten dat genocide t.t.v. het begaan daarvan naar internationaal recht ook in Rwanda een strafbaar feit opleverde i.d.z.v. art. 7.1 EVRM en thans in Rwanda bij nationale wet strafbaar is gesteld en wordt bedreigd met een vrijheidsstraf van een jaar of langer. Het oordeel van de Rb getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd. Mede in aanmerking genomen hetgeen door de raadslieden van de opgeëiste persoon ttz. van de Rb is aangevoerd was de Rb niet tot een nadere motivering gehouden. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat, mede gelet op het Verdrag inzake de voorkoming en de bestraffing van genocide, dat door Rwanda in 1975 is geratificeerd, genocide ook in 1994 naar internationaal recht onmiskenbaar verboden was en dat het voor een ieder duidelijk moet zijn geweest dat genocide een misdaad is waarvoor degene die zich daaraan schuldig maakt strafrechtelijk verantwoordelijk kan worden gehouden. Aldus was de strafbaarheid van genocide in 1994 voldoende "accessible" en "foreseeable" als vereist door art. 7 EVRM.
UitspraakECLI:NL:HR:2014:3627
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Hoge Raad (strafkamer)
TitelParket bij de Hoge Raad 16-12-2014
CiteertitelNJB 2015/166
SamenvattingConclusie procureur-generaal bij de Hoge Raad inzake de werkwijze van het strafparket bij toepasselijkheid van art. 80a RO: het strafparket zal vanaf de zomer 2015 in zaken die op het eerste gezicht in aanmerking komen voor afdoening ingevolge art. 80a RO, niet langer een standpunt innemen over die afdoening. De procureur-generaal, mr. Fokkens, zet de nieuwe werkwijze van het strafparket in zaken die zich mogelijk lenen voor een dergelijke afdoening uiteen en de redenen om over te gaan tot deze nieuwe werkwijze.
Samenvatting (Bron)Conclusie m.b.t. de door het Parket voorgestane zienswijze omtrent de door het Parket voorgestane verandering in de tot nu toe door het Parket in de praktijk gevolgde werkwijze m.b.t. het innemen van schriftelijke standpunten strekkende tot toepassing van art. 80a RO erop neerkomende dat het Parket zal gaan afzien van het geven van een standpunt over de toepassing van art. 80a RO. HR: tekst noch strekking van art. 80a RO verzet zich ertegen dat het Parket afziet van het innemen van een standpunt over de toepassing van art. 80a RO. Het voorschrift van art. 439.1 Sv dat de PG een op schrift gestelde conclusie neemt, staat daaraan niet in de weg, aangezien deze bepaling het oog heeft op andere gevallen dan de in art. 80a RO bedoelde. Wanneer de PG afziet van het innemen van een standpunt over de toepassing van art. 80a RO dan wel op de daarvoor bepaalde rechtsdag mondeling het standpunt inneemt dat art. 80a RO kan worden toegepast en dus niet een op schrift gestelde conclusie neemt waarvan ingevolge art. 439.3 Sv een afschrift aan de raadsman wordt toegezonden -, is voor schriftelijk commentaar op de conclusie (Borgersbrief) a.b.i. art. 439.5 Sv geen plaats. In het geval dat de HR van oordeel is dat de zaak zich niet leent voor toepassing van art. 80a RO zal de PG op een daartoe bepaalde rechtsdag zijn op schrift gestelde conclusie nemen en zal de raadsman van verdachte dan wel de advocaat van de b.p. zijn schriftelijk commentaar aan de HR kunnen doen toekomen. HR: 80a RO
UitspraakECLI:NL:PHR:2014:2304
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Hoge Raad (strafkamer)
TitelHoge Raad 06-01-2015
CiteertitelNJB 2015/167
SamenvattingToepassing maatstaven medeplegen uit HR 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474. Het enkele voorhanden hebben van door een vermogensdelict ontvreemde goederen kan niet zonder meer de conclusie dragen dat de betrokkene die goederen ook door het plegen van dat vermogensdelict heeft verkregen. In casu heeft de verdachte evenwel zo nauw en bewust met anderen samengewerkt dat sprake is van het in vereniging plegen van inbraken, dit gelet op de gezamenlijke uitvoering en de bijdrage van de verdachte voorafgaand en direct na de feiten. A-G: anders.
Samenvatting (Bron)Falende bewijsklacht medeplegen.HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2010:BK2880 m.b.t. het feit dat aan het enkele voorhanden hebben van door een vermogensdelict ontvreemde goederen niet zonder meer de conclusie kan worden verbonden dat betrokkene die goederen ook door het plegen van dat vermogensdelict heeft verkregen en dat voor de beoordeling van de betekenis die aan dat voorhanden hebben moet worden gehecht de f&o van het geval van belang zijn. Gelet op de f&o heeft het hof kunnen oordelen dat de verdachte en een met name genoemde medeverdachte als daders betrokken zijn geweest bij de [] bewezenverklaarde inbraken, in welk oordeel besloten ligt dat verdachte met zijn mededaders de inbraken gezamenlijk heeft uitgevoerd. s Hofs kennelijke oordeel dat verdachte zo nauw en bewust met anderen heeft samengewerkt dat sprake is van het in vereniging plegen van de bewezenverklaarde inbraken, is, gelet op die gezamenlijke uitvoering en op hetgeen het Hof overigens heeft vastgesteld over de bijdrage van de verdachte voorafgaand en direct na de bewezenverklaarde feiten, niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. HR verwijst naar ECLI:NL:HR:2014:3474. CAG: anders.
UitspraakECLI:NL:HR:2015:10
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Hoge Raad (strafkamer)
TitelHoge Raad 06-01-2015
CiteertitelNJB 2015/168
SamenvattingOpzet op poging tot zware mishandeling: de enkele omstandigheid dat de verdachte de confrontatie met betrokkene is aangegaan om de controle over het mes te verkrijgen dat deze in de hand had, is onvoldoende grond voor het oordeel dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat betrokkene zou worden geraakt door een mes en daardoor zwaar lichamelijk letsel zou bekomen.
Samenvatting (Bron)Slagende bewijsklacht opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.
UitspraakECLI:NL:HR:2015:6
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Hoge Raad (strafkamer)
TitelHoge Raad 06-01-2015
CiteertitelNJB 2015/169
SamenvattingOpzet op het bevorderen van de invoer van cocaïne, art. 10a Opiumwet: in casu kan de enkele omstandigheid dat de verklaring van de verdachte (dat hij op verzoek van een kennis naar het airside-gedeelte van Schiphol was gegaan om aldaar € 20 000 voor die kennis in ontvangst te nemen) door het hof zo onwaarschijnlijk is geacht dat daaraan moet worden voorbijgegaan, de gevolgtrekking dat de verdachte opzettelijk heeft gehandeld niet dragen.
Samenvatting (Bron)Art. 10a Opiumwet. Slagende bewijsklacht opzet op het bevorderen van de invoer van een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne.
UitspraakECLI:NL:HR:2015:7
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Hoge Raad (strafkamer)
TitelHoge Raad 06-01-2015
CiteertitelNJB 2015/170
SamenvattingVerzuim tot opmaken proces-verbaal der terechtzitting, art. 326 lid 1 Sv: dit verzuim strijdt zozeer met een behoorlijke procesorde dat het nietigheid van het onderzoek ter terechtzitting en van de naar aanleiding daarvan gedane uitspraak meebrengt.
Samenvatting (Bron)Art. 326.1 Sv. Verzuim opmaken p-v, nietigheid ottz. O.g.v. de inhoud van de aan de HR toegezonden brief van de griffier van het hof moet worden aangenomen dat verzuimd is een p-v op te maken. Dit verzuim strijdt zozeer met een behoorlijke procesorde dat het nietigheid van het onderzoek ttz. en van de naar aanleiding daarvan gedane uitspraak meebrengt.
UitspraakECLI:NL:HR:2015:3
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Hoge Raad (strafkamer)
TitelHoge Raad 06-01-2015
CiteertitelNJB 2015/171
SamenvattingOnrechtmatige doorzoeking woning en art. 359a Sv: in casu hoeft dit niet te leiden tot bewijsuitsluiting, mede in aanmerking genomen dat het gevoerde verweer omtrent de ernst van het verzuim en het daardoor veroorzaakte nadeel niet meer inhoudt dan dat sprake is van ‘een ernstige schending van een strafvorderlijke waarborg’. A-G: anders.
Samenvatting (Bron)Vormverzuim. Art. 359a Sv. HR verwijst naar ECLI:NL:HR:2013:BY5321. De doorzoeking van de woning van verdachte heeft plaatsgevonden zonder voorafgaande machtiging van de RC dan wel toestemming van de verdachte. Na de doorzoeking en inbeslagneming van de blackberry heeft de verdachte alsnog toestemming tot doorzoeking van de woning gegeven. s Hofs oordeel dat de omstandigheid dat de doorzoeking onrechtmatig is geweest niet een zodanig ernstig vormverzuim oplevert dat dit moet leiden tot uitsluiting van het bewijs, geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk, in aanmerking genomen dat het gevoerde verweer omtrent de ernst van het verzuim en het daardoor veroorzaakte nadeel niet meer inhoudt dan dat sprake is van een ernstige schending van een strafvorderlijke waarborg. CAG: anders.
UitspraakECLI:NL:HR:2015:4
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Raad van State
TitelRaad van State 19-11-2014
CiteertitelNJB 2015/172
SamenvattingBeroep terecht niet-ontvankelijk verklaard wegens misbruik WOB.
Samenvatting (Bron)Bij besluit van 22 februari 2013 heeft de minister een door [appellante] ingediend verzoek om openbaarmaking van stukken betreffende een aan haar opgelegde verkeersboete, geweigerd te behandelen.
UitspraakECLI:NL:RVS:2014:4129
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Raad van State
TitelRaad van State 18-12-2014
CiteertitelNJB 2015/173
SamenvattingTerugkomen op eerder standpunt dat bij uitzetting schending van art. 3 EVRM dreigt kan bij feitelijke uitzetting aan de orde worden gesteld, zodat art. 8:71 Awb niet van toepassing is.
Samenvatting (Bron)Bij brief van 19 november 2013 heeft de staatssecretaris de vreemdeling opgedragen Nederland onmiddellijk te verlaten (hierna: de opdracht). Deze brief is aangehecht.
UitspraakECLI:NL:RVS:2014:4680
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Raad van State
TitelRaad van State 19-12-2014
CiteertitelNJB 2015/174
SamenvattingDe indiener van een bezwaarschrift die geen belanghebbende is bij het besluit waartegen bezwaar wordt gemaakt, is evenmin belanghebbende als bedoeld in art. 4:17 lid 6 aanhef en onder b, Awb.
Samenvatting (Bron)De MOB heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit door het college op haar bezwaarschrift van 28 februari 2014, gericht tegen het besluit van het college van 17 januari 2014, waarbij aan vergunninghouder A], te [plaats], een vergunning als bedoeld in artikel 19d van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbw 1998) is verleend voor de uitbreiding en in bedrijf houden van een agrarisch bedrijf (hierna: Nbw-vergunning). Op 11 juli 2014 heeft het college het besluit van 17 januari 2014 herzien.
UitspraakECLI:NL:RVS:2014:4736
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Raad van State
TitelRaad van State 24-12-2014
CiteertitelNJB 2015/175
SamenvattingDe Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie heeft ondeugdelijk gemotiveerd dat de vreemdeling, van Oeigoerse afkomst, niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar China een risico loopt op een behandeling in strijd met art. 3 EVRM.
Samenvatting (Bron)Bij besluit van 10 september 2013 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
UitspraakECLI:NL:RVS:2014:4764
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Centrale Raad van Beroep
TitelCentrale Raad van Beroep 12-12-2014
CiteertitelNJB 2015/176
SamenvattingEen organisatorisch belang voor toekomstige gevallen is niet toereikend voor het aannemen van voldoende procesbelang.
Samenvatting (Bron)Niet-ontvankelijkverklaring hoger beroep vanwege het ontbreken van procesbelang.
UitspraakECLI:NL:CRVB:2014:4265
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Centrale Raad van Beroep
TitelCentrale Raad van Beroep 23-12-2014
CiteertitelNJB 2015/177
SamenvattingDe afwijzing van de aanvraag op de grond dat deze achteraf is ingediend is in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel, dat meebrengt dat een burger moet kunnen vertrouwen op de continuïteit van overheidshandelen.
Samenvatting (Bron)Tussenuitspraak. Weigering bijzondere bijstand over een periode voorafgaande aan de datum van aanvraag. Het is aannemelijk dat in de jaren voorafgaande aan de onderhavige aanvraag de sociale dienst van de gemeente Hoorn een uitvoeringspraktijk hanteerde die ter zake van aanvragen van bijzondere bijstand in de kosten van rechtsbijstand structureel afweek van de beleidsregel 2009. Daarom hebben appellanten redelijkerwijs niet hoeven voorzien dat het tijdstip van indiening van de onderhavige aanvraag door het college aan hen zou worden tegengeworpen. Strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. Er is sprake van een bijzondere omstandigheid op grond waarvan het college met toepassing van art. 4:84 Awb van de beleidsregel 2012 had moeten afwijken en de aanvraag inhoudelijk had dienen te beoordelen. Nu in het bestreden besluit een inhoudelijke beslissing op de aanvraag ontbreekt, wordt het college opgedragen dit gebrek in het bestreden besluit te herstellen en alsnog een inhoudelijke beslissing op de aanvraag te nemen.
UitspraakECLI:NL:CRVB:2014:4416
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Centrale Raad van Beroep
TitelCentrale Raad van Beroep 24-12-2014
CiteertitelNJB 2015/178
SamenvattingIn gevallen als deze, waarin sprake is van een aanvraag waarop zowel een voorschotbesluit als een definitief besluit kan worden genomen, wordt, anders dan voorheen, het definitieve besluit over het WW-recht gekwalificeerd als een vervanging van het besluit met betrekking tot het voorschot, zoals bedoeld in art. 6:19 Awb. Van een voortvarend handelen door de korpschef kan niet worden gesproken, zodat een subjectieve dringende reden ontbreekt. Het UWV heeft aan appellant ten onrechte WWuitkering geweigerd op de grond dat aan zijn werkloosheid een arbeidsrechtelijke dringende reden ten grondslag lag.
Samenvatting (Bron)Strafontslag: niet gezegd kan worden dat de toenmalige korpsbeheerder na ontvangst van voornoemd Rapport onverwijld actie heeft ondernomen om te komen tot een beëindiging van de aanstelling van appellant. Vanaf 8 september 2010, toen duidelijkheid bestond over de verklaringen van de betrokkenen en de (ontkennende) verklaringen van appellant, heeft het immers nog ruim 3,5 maand geduurd voordat het strafontslag werd geëffectueerd. Het Uwv heeft aan appellant ten onrechte WW-uitkering heeft geweigerd op de grond dat aan zijn werkloosheid een arbeidsrechtelijke dringende reden ten grondslag lag. Van verwijtbare werkloosheid is geen sprake. Ook het voorschot is ten onrechte geweigerd. Opdracht tot het nemen van een nieuw besluit.
UitspraakECLI:NL:CRVB:2014:4388
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Centrale Raad van Beroep
TitelCentrale Raad van Beroep 24-12-2014
CiteertitelNJB 2015/179
SamenvattingGeen aanvraag, geen dwangsom.
Samenvatting (Bron)De brief van 11 april 2010, met daarin het verzoek om alsnog de arbeidsongeschiktheid van appellant op de dag dat hij 17 jaar werd te beoordelen, is gedaan hangende de in 1.2 genoemde procedure over appellant zijn aanspraak op een WAJONG-uitkering. Tegen die achtergrond kan de brief van 11 april 2010 niet worden aangemerkt als een op zichzelf staande aanvraag als bedoeld in artikel 1:3, derde lid, van de Awb, maar moet deze worden gezien als een herhaling van al eerder in die procedure aangevoerde argumenten. Nu er geen sprake was van een aanvraag als bedoeld in artikel 1:3, derde lid, van de Awb, heeft het Uwv ook geen dwangsom verbeurd op grond van artikel 4:17 van de Awb.
UitspraakECLI:NL:CRVB:2014:4394
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Centrale Raad van Beroep
TitelCentrale Raad van Beroep 24-12-2014
CiteertitelNJB 2015/180
SamenvattingDe brief van de thuiszorgorganisatie is niet aan te merken als een besluit in de zin van art. 1:3 Awb, omdat geen sprake is van een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.
Samenvatting (Bron)De brief van de thuiszorg dat met ingang van 1 mei 2013 bij korte afwezigheid van de huishoudelijke hulp van maximaal twee weken in verband met ziekte of vakantie geen vervanging wordt ingezet, is niet aan te merken als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Geen aanknopingspunten dat sprake is van een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling en er is ook geen besluit van het college aan te wijzen is waarin de in het kader van de Wmo vastgestelde omvang van de toegekende aanspraak op hulp in de huishouding is gewijzigd.
UitspraakECLI:NL:CRVB:2014:4409
Artikel aanvragenVia Praktizijn