Jurisprudentie voor Gemeenten

Uitgever Sdu
Tijdschrift Jurisprudentie voor Gemeenten
Datum 14-04-2015
Aflevering 2
RubriekAlgemeen juridisch Bestuursprocesrecht
TitelRechtbank Overijssel 24-12-2014
CiteertitelJG 2015/9
SamenvattingWob-verzoek, Geheimhouding Wgr.
Samenvatting (Bron)Wob-verzoek
AnnotatorT. Barkhuysen , A.A. al Khatib
UitspraakECLI:NL:RBOVE:2014:6878
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekBouw, Ruimtelijke Ordening en Monumentenwet, Onteigeningsrecht
TitelRaad van State 03-12-2014
CiteertitelJG 2015/10
SamenvattingWoonschepen, Dwangsom.
Samenvatting (Bron)Bij besluit van 27 september 2012 heeft het college [appellant sub 1] op straffe van het verbeuren van een dwangsom van 25.000,00 ineens gelast zijn woonschip vůůr 1 oktober 2013 te verwijderen en verwijderd te houden van de door hem ingenomen ligplaats.
AnnotatorW. Vos
UitspraakECLI:NL:RVS:2014:4394
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelCollege voor de Rechten van de Mens 19-12-2014, 2014-0207 en 2014-0249
CiteertitelJG 2015/11
SamenvattingWoonwagen, Uitsterfbeleid, Discriminatie op grond van ras.
AnnotatorW. Vos
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekAlgemeen bestuursrecht
TitelRaad van State 07-01-2015
CiteertitelJG 2015/12
SamenvattingInformele vereniging, Eis van rechtspersoonlijkheid, Ledenadministratie, Contributie.
Samenvatting (Bron)Bij drie afzonderlijke besluiten van 20 augustus 2012 heeft het college de verzoeken van [verzoeker A], [verzoeker B] en [verzoeker C] en [verzoeker D] (hierna tezamen en in enkelvoud: [verzoeker C]) tot handhavend optreden tegen de geplaatste antennes aan de antennemast op het perceel [locatie] te Alkmaar (hierna: het perceel) afgewezen.
AnnotatorO. Schuwer
UitspraakECLI:NL:RVS:2015:1
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekBurger bestuur, Openbare orde en veiligheid
TitelRechtbank Limburg 22-12-2014
CiteertitelJG 2015/13
SamenvattingNoodbevel, Noodbevoegdheid, Spoedbestuursdwang, Last onder bestuursdwang, Ramp, Zwaar ongeval.
Samenvatting (Bron)Betreft beroep tegen een door de burgemeester van Maasgouw gegeven en na bezwaar gehandhaafd noodbevel. Op grond van het noodbevel dient de voormalige afvalverwerkingsinrichting Edelchemie fysiek met een deugdelijk hekwerk te worden afgesloten en is 24-uurs bewaking ingesteld. De rechtbank is van oordeel dat de burgemeester zich op basis van de hem ten dienste staande gegevens niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat er ernstige vrees bestond voor een ramp dan wel dat ter beperking van het gevaar voor een ramp als bedoeld in artikel 175 van de Gemeentewet nodig was de genoemde maatregelen te treffen. Daarbij heeft de rechtbank met name in aanmerking genomen dat GS Limburg de inrichting feitelijk al onder toepassing van spoedeisende bestuursdwang door het plaatsen van een hek had afgesloten. Het daartegen gerichte beroep is gegrond verklaard. De burgemeester heeft tevens een noodverordening vastgesteld op grond waarvan het eenieder is verboden het terrein van de inrichting te betreden. De rechtbank is van oordeel dat de burgemeester het daartegen door eisers gemaakte bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard omdat genoemd verbod een algemeen verbindend voorschrift inhoudt, dat niet appellabel is. Ten aanzien van het beroep tegen het besluit van GS Limburg tot toepassen van spoedeisende bestuursdwang, inhoudende fysieke en feitelijke sluiting van de inrichting door het plaatsen van hekwerk rond de inrichting, is de rechtbank van oordeel dat GS daartoe bevoegd waren, omdat sprake is van overtreding van artikel 2.1, eerste lid, onder e, onder 1 en 3, van de Wabo. GS hadden eisers echter een korte termijn moeten geven om zelf over te gaan tot het deugdelijk afsluiten van de inrichting daar waar een hekwerk ontbrak. Volgt gegrondverklaring van het beroep tegen het bestuursdwangbesluit omdat GS ten onrechte toepassing hebben gegeven aan artikel 5:31, eerste lid, van de Awb. Hiermee komt de grondslag aan het kostenverhaal te vervallen.
AnnotatorL.D. van Kleef-Ruigrok
UitspraakECLI:NL:RBLIM:2014:10865
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekBouw, Ruimtelijke ordening en Monumentenwet
TitelRaad van State 05-11-2014
CiteertitelJG 2015/14
SamenvattingBouwwerk, Handhaving.
Samenvatting (Bron)Bij besluit van 3 januari 2013 heeft het college een verzoek van [appellant] om handhavend op te treden vanwege in de voortuin van [belanghebbende] geplaatste bamboestokken afgewezen.
AnnotatorJ.J. Thoonen
UitspraakECLI:NL:RVS:2014:3977
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekAlgemeen juridisch Nadeelcompensatie
TitelRaad van State 21-01-2015
CiteertitelJG 2015/15
SamenvattingSchadevergoeding ex artikel 17 Boswet, Nadeelcompensatie, Normaal maatschappelijk risico, Voorzienbaarheid.
Samenvatting (Bron)Bij besluit van 12 juni 2012 heeft het college een verzoek van [appellant] om aan hem krachtens artikel 17 van de Boswet nadeelcompensatie te verlenen, afgewezen.
AnnotatorJ.J. Thoonen
UitspraakECLI:NL:RVS:2015:131
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekFiscaal recht, Parkeerbelasting
TitelGerechtshof 's-Hertogenbosch 09-01-2015
CiteertitelJG 2015/16
SamenvattingGemeentewet, Parkeerbelasting, Laden en lossen.
Samenvatting (Bron)Verwijzingszaak Hoge Raad van 7 maart 2014, nr. 13/001494. Belanghebbende heeft op 28 februari 2012 zijn personenauto stilgezet op een parkeerplaats gelegen voor een wasserette, teneinde een zak met wasgoed af te geven. Voor parkeren op deze plaats was parkeerbelasting verschuldigd. Hiervoor is aan belanghebbende een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd. Belanghebbende is van mening dat er sprake is van onmiddellijk laden en lossen, waardoor er geen parkeerbelasting verschuldigd is. Het Hof is van oordeel dat het voertuig uitsluitend heeft stilgestaan zo lang als nodig was voor het ononderbroken verrichten van het geheel van handelingen dat redelijkerwijs noodzakelijk is om zaken, van een zodanige omvang of zodanig gewicht dat zij niet of bezwaarlijk op een andere wijze dan per voertuig ter plaatse kon worden gebracht, ter plaatse uit het voertuig te halen en aan de geadresseerde af te geven, zodat er sprake is van onmiddellijk laden en lossen. Het Hof verklaart het hoger beroep gegrond en vernietigt de naheffingsaanslag.
AnnotatorJ.D.C. de Jong
UitspraakECLI:NL:GHSHE:2015:13
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekZorg en welzijn
TitelCentrale Raad van Beroep 24-11-2014
CiteertitelJG 2015/17
SamenvattingWet Aanscherping, Boetebesluit, Nulla poena-beginsel, Legaliteitsbeginsel, Lex superior, Evenredigheid, Punitieve sanctie, Mensenrechten.
Samenvatting (Bron)Overgangsrecht Wet aanscherping handhaving en sanctiebeleid SZW-regelgeving-uitgangspunten bij indringender beoordeling evenredigheid van de bestuurlijke boete. 1. Het handelen of nalaten in strijd met de inlichtingenverplichting voor en na 1 januari 2013 kan - los van elkaar - bestraft worden met een boete naar het dan geldende sanctieregime. Het toepassen van het zwaardere sanctiestelsel zoals dat geldt na 1 januari 2013 op handelen of nalaten verricht voor 1 januari 2013 is in strijd met artikel 7, eerste lid, tweede zin, van het EVRM en artikel 15, eerste lid, tweede zin, van het IVBPR. 2. Er is geen toereikende basis om te oordelen dat sprake is van een wettelijk vastgestelde boete. Ook onder de werking van de Wet aanscherping op te leggen moeten boetes op het terrein van de sociale zekerheid volledig worden getoetst met inachtneming van artikel 5:46, tweede lid, van de Awb. Dat in de nota van toelichting bij het Besluit aanscherping handhaving en sanctiebeleid SZW-regelgeving te lezen is dat de bestuurlijke boete in beginsel op de hoogte van het benadelingsbedrag wordt vastgesteld, dat de ernst van de overtreding hierbij aan dat bedrag is gerelateerd, en dat artikel 5:46, tweede lid, van de Awb niet van toepassing is, leidt niet tot een ander oordeel. Die interpretatie van de lagere wetgever is niet te rijmen met de in de wetsgeschiedenis van de Wet aanscherping weergegeven toelichting. Die wetgever heeft klaarblijkelijk willen bepalen dat het aspect ernst van de overtreding van de inlichtingenverplichting voortaan een boete van 100% van het benadelingsbedrag en, bij recidive, 150% van dat bedrag rechtvaardigt. Door echter met artikel 27, achtste lid, van de WW in combinatie met artikel 2a van het Boetebesluit socialezekerheidswetten bestuursorganen wel beleidsvrijheid te laten om het aspect verwijtbaarheid nader in beleidsregels te regelen, kan hier niet worden gezegd dat de wet voor een overtreding van de inlichtingenverplichting exact voorschrijft hoe hoog de bestuurlijke boete moet zijn. 3. Redengevend voor de Wet aanscherping is geweest dat het destijds bestaande sanctiestelsel onvoldoende ontmoedigende werking heeft op de categorie doelbewuste en calculerende fraudeurs. Volgens de wetgever moet echter ook worden voorkomen dat de aanscherping van bestuurlijke boeten leidt tot een onbalans tussen bestuursrechtelijke en strafrechtelijke afdoening. 4. Het vanaf 1 januari 2013 in het sociale zekerheidsrecht gecreŽerde boeteregime vraagt om een indringender toets aan het evenredigheidsbeginsel, omdat de voor de hoogte van de boete aan het benadelingsbedrag te relateren percentages sterk zijn verhoogd en per die datum het tot dan toe geldende maximumboetebedrag van 2.269,- is vervallen. 5. Voor strafrechtelijke beboeting van fraude met socialezekerheidsuitkeringen en -toeslagen op grond van artikel 227a of artikel 227b van het Wetboek van Strafrecht is het kunnen aantonen van opzet essentieel. Het opzettelijk niet naar waarheid gegevens verstrekken of het opzettelijk nalaten tijdig gegevens te verstrekken wordt als misdrijf gekwalificeerd en met veel zwaardere straffen bedreigd dan wanneer het gaat om overtredingen die strafbaar zijn gesteld in artikel 447c of artikel 447d van het Wetboek van Strafrecht (verstrekken van onware gegevens voor uitkering of nalaten tijdig gegevens te verstrekken). Daarvoor geldt het vereiste van opzet niet. Voor de genoemde opzetdelicten is bestraffing mogelijk met een geldboete van de vijfde categorie en voor de andere delicten is dat een geldboete van de derde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht. Bij bestuursrechtelijke beboeting van fraude met toeslagen in het kader van inkomensafhankelijke regelingen wordt onderscheid gemaakt tussen verzuimen en vergrijpen. In de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen wordt inlichtingenverzuim bestraft tot een in die wet genoemd maximumbedrag. Bij opzet of grove schuld wordt het niet, onjuist of onvolledig verstrekken van gegevens of inlichtingen bestraft met een boete van ten hoogste 100 procent van het bedrag dat van de belanghebbende in verband met dat verzuim is of zou zijn teruggevorderd, mits de Belastingdienst/Toeslagen de aanwezigheid van opzet of grove schuld stelt en bewijst. Bij recidive is dat 150 procent van het daar bedoelde bedrag. 6. Gelet op 3, 4 en 5 ligt het in de rede om alleen ten aanzien van overtreders, aan wie vanaf 1 januari 2013 opzettelijk handelen of opzettelijk nalaten in strijd met de inlichtingenverplichting kan worden verweten, 100% van het benadelingsbedrag in artikel 2 van Boetebesluit socialezekerheidswetten als uitgangspunt te nemen bij de afstemming op het aspect van de verwijtbaarheid. Alleen indien opzet kan worden aangetoond is er sprake van een zo zware verwijtbaarheid, dat deze in het kader van de evenredigheidstoets het opleggen van het maximumbedrag in beginsel zou kunnen rechtvaardigen. Is er geen sprake van opzet maar wel van grove schuld bij overtreders, dan is de verwijtbaarheid minder groot en is 75% van dat bedrag een passend uitgangspunt. Is er geen sprake van opzet en ook niet van grove schuld, dan is 50% van het benadelingsbedrag een passend uitgangspunt bij de afstemming op het aspect verwijtbaarheid van overtreders. In geval van recidive is nuancering op het aspect van de verwijtbaarheid evenzeer noodzakelijk. De dan verweten gedragingen zullen dan weer opnieuw op de aanwezigheid van opzet of grove schuld bij de overtreder moeten worden beoordeeld. Bij de afstemming op het aspect van verwijtbaarheid zal ten slotte moeten worden bezien of, en zo ja, op grond van een van de criteria genoemd in artikel 2a van het Boetebesluit socialezekerheidswetten of om een andere reden sprake is van verminderde verwijtbaarheid. Dan is de mate van verwijtbaarheid beperkt en 25% van het benadelingsbedrag een passend uitgangspunt bij de afstemming op het aspect verwijtbaarheid. 7. Van de onder 6 genoemde uitgangspunten moet worden afgeweken, indien de omstandigheden van het geval dit nodig maken. Als in plaats van strafvervolging een bestuurlijke boete wordt opgelegd, kan het Uwv geen hogere boete opleggen dan de maximale geldboete die de strafrechter op grond van artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht zou hebben kunnen opleggen. 8. Voor de vraag of een boete in verband met de draagkracht van de overtreder moet worden gematigd wordt verwezen naar een arrest van de Hoge Raad van 28 mei 2014 en naar een bestendige gedragslijn van het Uwv over verlaging van de boete wegens financiŽle omstandigheden. 9. Volle toetsing van de hoogte van de boete leidt in dit geval tot een verlaging van de oorspronkelijk op 14.658,01 vastgestelde boete tot 2.000,-.
AnnotatorC. Raat
UitspraakECLI:NL:CRVB:2014:3754
Artikel aanvragenVia Praktizijn