Nederlands Juristenblad

Uitgever Wolters Kluwer
Tijdschrift Nederlands Juristenblad
Datum 24-06-2015
Aflevering 25
RubriekVooraf
TitelMedische hulpmiddelen en de prijs van een bijzonder regime
CiteertitelNJB 2015/1187
SamenvattingKunnen arts en ziekenhuis wanneer zij aansprakelijk gesteld worden vanwege een gebrekkig hulpmiddel de claimende patiënten verwijzen naar de producent? Eind mei zijn minister Schippers opnieuw Kamervragen gesteld over medische hulpmiddelen.1 Uit onderzoek zou blijken dat gezondheidsschade kan optreden bij vroeggeborenen en kinderen op de langdurige intensive care en bij dialysepatiënten, omdat plastic medische hulpmiddelen hormoonverstorende stoffen lekken. Ook in de wereld van het medische aansprakelijkheidsrecht zijn gebrekkige hulpmiddelen een hot item, onder meer door de geruchtmakende PIP-implantaten-affaire.
Auteur(s)T. Hartlief
Pagina1639-1639
LinkVolledige tekst artikel (NJBlog)
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekWetenschap
TitelDe klimaatbestendigheid van de vitale infrastructuur beoordeeld vanuit juridisch-bestuurlijk perspectief - Over de verwachte effectiviteit van de verdeling van verantwoordelijkheden voor de beheersing van klimaatrisico’s in de elektriciteitsen de internet
CiteertitelNJB 2015/1188
SamenvattingHet vergroten van de klimaatbestendigheid in de elektriciteits- en internetsector is primair een verantwoordelijkheid van de binnen die sectoren opererende private actoren, in het bijzonder netbeheerders en exploitanten van datacentra. Het lijkt echter niet waarschijnlijk dat zij geneigd zullen zijn om in hun bedrijfsvoering proactief te anticiperen op klimaatrisico’s, voornamelijk wegens een gebrek aan probleemerkenning en urgentiebesef, het ontbreken van expliciete en transparante verantwoordelijkheden, en een vooralsnog sterk reactieve benadering van klimaat- en andere risico’s. De klimaatbestendigheid van beide sectoren is daardoor naar verwachting niet optimaal.
Auteur(s)H.K. Gilissen , C.J. Uittenbroek , H. van Rijswijck , H.L.P. Mees , P. Driessen , H.A.C. Runhaar
Pagina1640-1648
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekFocus
TitelWat er niet in de Ontslagregeling staat - En de gevolgen daarvan
CiteertitelNJB 2015/1189
SamenvattingDe parlementaire behandeling van de Wet werk en zekerheid die op 1 juli aanstaande in werking treedt maakte al duidelijk dat de wetgever een aantal vragen aan de rechtspraak zou overlaten. Op 11 mei jl. verscheen dan het Ontslagbesluit in de Staatscourant. Na kennisname daarvan kan geconstateerd worden dat er nog een heel gebied aan vragen is bijgekomen. De kern van het probleem is dat de wetgever enerzijds de ruimte voor het beoordelen van ontslagen enorm heeft willen beperken, maar anderzijds onvoldoende richtlijnen meegeeft aan het UWV en de rechter om dat te doen. Daarbij worden regels over de interpretatie van begrippen als bedrijfseconomische omstandigheden en passende arbeid, en over de c- tot en met h-gronden node gemist. Hoewel velen het op zich zullen toejuichen dat de rechter hier dus de nodige vrijheid krijgt, is het probleem dat de wetgever dat nu ook weer niet graag ziet en rechters derhalve op kousenvoeten zullen lopen. Het gevolg is wat auteur betreft een halfbakken compromis met nog meer procesrisico’s dan zich al eerder liet aanzien.
Auteur(s)J.M. van Slooten
Pagina1649-1655
LinkVolledige tekst artikel (NJB)
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekOpinie
TitelEen nieuwe procedure ontdekt: ‘Actio Caesarea’
CiteertitelNJB 2015/1190
SamenvattingEen Engelse rechter gaf recent een ziekenhuis toestemming tot een operatieve ingreep, Sectio Caesarea (keizersnede), terwijl de aanstaande moeder daar tegen was. Zou dat hier ook mogelijk zijn? Een gynaecoloog meldde onze beraadgroep een interessante ervaring in zijn praktijk toen hij met een dilemma werd geconfronteerd, waarbij hij besefte het niet af te kunnen zonder rechter en daarom, niet weerhouden door al te veel juridische kennis, het idee opvatte telefonisch contact op te nemen met een arrondissementsrechtbank. Hij had de urgente vraag of hij als arts zich per definitie altijd en dus ook nu had te houden aan de bekende regel van het vereiste van instemming van een patiënt met een medische ingreep, in dit geval een sectio caesarea. Of mocht hij in dit speciale geval van een weigerende moeder, omdat deze vrouw om overigens niet door haar aangegeven redenen slechts wilde toestemmen in een bevalling langs de natuurlijke weg, toch in afwijking van die regel tot een sectio overgaan?
Auteur(s)C. de Groot
Pagina1656-1657
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekOpinie
TitelGelijke aanspraak op lichamelijke integriteit
CiteertitelNJB 2015/1191
SamenvattingHet pleidooi voor een speciale rechtsgang om weigerachtige barende vrouwen tot een keizersnede te dwingen, lijkt gebaseerd op de veronderstelling dat de belangen van de moeder veelal haaks op die van het kind staan. In het algemeen kan er echter vanuit worden gegaan dat vrouwen bepaalde keuzes aangaande de baring maken omdat zij daarmee in het belang en ter bescherming van hun kind weten te handelen. Praktische, ethische en juridische bezwaren pleiten tegen zo’n ‘actio caesarea’.
Auteur(s)A. (Anniek) de Ruijter
Pagina1658-1659
LinkVolledige tekst artikel (njb.nl)
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekReacties
TitelReactie op ‘Civiele whiplashzaken: een volgende fase’
CiteertitelNJB 2015/1192
SamenvattingIn NJB 2015 afl. 17 gaat Arvin Kolder uitvoerig in op de ‘whiplashdiscussie’ (Civiele whiplashzaken: Een volgende fase) en houdt hij een vurig pleidooi voor het verder bestendigen van de na het arrest Zwolsche Algemeene vs. De Greef gewezen lagere jurisprudentie in whiplashzaken. Het valt de auteurs van deze reactie op dat in landen waarin 'streng' met het whiplashvraagstuk wordt omgegaan het aantal whiplashclaims substantieel lager is.
Auteur(s)P. Oskam , A.M. Reitsma
Pagina1660-1660
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekReacties
TitelNaschrift - Naschrift van de auteur van ‘Civiele whiplashzaken: een volgende fase’
CiteertitelNJB 2015/1193
SamenvattingHet verbaast auteur dat Oskam & Reitsma in hun reactie volharden in standpunten in hun eerdere artikelen over dit onderwerp. Standpunten die zeker na het arrest London vs. X als achterhaald kunnen worden beschouwd.
Auteur(s)A. Kolder
Pagina1661-1662
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekReacties
TitelReactie op ‘Civiel effect - Keurslijf of keurmerk?’
CiteertitelNJB 2015/1194
SamenvattingAuteur stelt vast dat hij het Het is goed om te zien dat hij het over veel fundamentele zaken eens is met Margreet Ahsmann. Niettemin constateert hij in deze reactie dat het er op lijkt dat Ahsmann de kern van zijn eerdere betoog niet heeft begrepen.
Auteur(s)S.J.F.J. Claessens
Pagina1663-1664
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekReacties
TitelNaschrift - Naschrift van de auteur van ‘Civiel effect - Keurslijf of keurmerk?’
CiteertitelNJB 2015/1195
SamenvattingMargreet Ahsmann ziet in de reactie van Claessens eens te meer gedemonstreerd dat helderheid over de eisen voor het civiel effect – een minimumniveau voor afgestudeerde togajuristen – noodzakelijk is.
Auteur(s)M.J.A.M. Ahsmann
Pagina1664-1664
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekReacties
TitelReactie op ‘De Raad voor de rechtspraak’
CiteertitelNJB 2015/1196
SamenvattingHofhuis vraagt zich af of het Haagse gerechtsbestuur en in zijn voetspoor de Raad voor de Rechtspraak te lichtvaardig te werk zijn gegaan in het bieden van financiële ondersteuning voor de rechter Westenberg in diens procedure?
Auteur(s)H.F.M. Hofhuis
Pagina1665-1665
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekReacties
TitelReactie op ‘De Raad voor de rechtspraak’
CiteertitelNJB 2015/1197
SamenvattingIn zijn reactie op dit artikel heeft Hans Hofhuis al aangegeven dat, waar het de rol van de Raad voor de rechtspraak in de procedure Westenberg vs. Smit betreft, enige nuancering op haar plaats is. Van Delden sluit zich daarbij aan, en nuanceert op zijn beurt de rol die de Raad van de Rechtspraak in de procedure speelde.
Auteur(s)A.H. van Delden
Pagina1666-1666
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Hoge Raad (civiele kamer)
TitelHoge Raad 12-06-2015
CiteertitelNJB 2015/1198
SamenvattingCoöperatie. Uittredingsvoorwaarde. Leden van coöperaties hebben de vrijheid uit de coöperatie te treden. Art. 2:60 BW bepaalt dat bij de statuten voorwaarden kunnen worden verbonden aan de uittreding. De in dit geding betrokken coöperatie heeft statuten met een uittredingsvoorwaarde die verwijst naar een in het huishoudelijk reglement op te nemen nadere regeling. In het huishoudelijk reglement is de uittredingsvoorwaarde niet nader geregeld. HR: Aan de eis van art. 2:60 BW dat de uittredingsvoorwaarde is opgenomen in de statuten, is voldaan als uit de statuten voor de leden deze voorwaarde kenbaar is en de aard en omvang van de daaruit voortvloeiende verplichtingen voor hen bepaalbaar zijn. Het oordeel van het hof dat aan deze eis is voldaan, geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd.
Samenvatting (Bron)Rechtspersonenrecht. Coöperatie. Bepaling in statuten dat leden schadevergoeding moeten betalen bij uittreding. Doel en strekking eis van art. 2:60 BW, kenbaarheid en voldoende bepaalbaarheid van de aard en omvang verplichtingen. Berekening vergoeding.
UitspraakECLI:NL:HR:2015:1601
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Hoge Raad (civiele kamer)
TitelHoge Raad 12-06-2015
CiteertitelNJB 2015/1199
SamenvattingProceskosten. Eiser vordert schadevergoeding wegens een onrechtmatig gelegd beslag. Hij voert schadeposten op die verband houden met de procedure die hij heeft moeten voeren om het beslag opgeheven te krijgen. HR: 1. Volledige schadevergoeding. De wettelijke regeling van proceskostenvergoeding derogeert aan het uitgangspunt van volledige schadevergoeding. 2. Verrichtingen. Het oordeel van het hof dat de vordering tot vergoeding van de in het opheffingsgeding gemaakte advocatenkosten, de bij die gelegenheid gemaakte reis- en verletkosten van de partij zelf, haar gederfde inkomsten en de kosten van aangetekende brieven, verrichtingen betreft waarvoor de wettelijk geregelde proceskostenvergoeding een vergoeding pleegt in te sluiten, is alleszins begrijpelijk.
Samenvatting (Bron)Procesrecht, verbintenissenrecht. Schade als gevolg van onrechtmatig gelegd beslag. Vergoeding kosten ter voorbereiding gedingstukken en instructie van de zaak, art. 237-240 Rv, art. 6:96 lid 2 en 3 BW. Exclusieve en limitatieve regeling vergoeding proceskosten.
UitspraakECLI:NL:HR:2015:1600
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Hoge Raad (civiele kamer)
TitelHoge Raad 12-06-2015
CiteertitelNJB 2015/1200
SamenvattingOntbinding. Een leerling slaagt niet voor de eerste fase van een opleiding tot verkeersvlieger. Het opleidingsinstituut ontbindt de overeenkomst. De leerling vordert een deel van het vooruitbetaalde lesgeld terug, met wettelijke rente en andere renteschade. Het opleidingsinstituut vordert in reconventie betaling voor extra begeleiding en toetsen. HR: 1. Prestatie. De uitleg van het hof dat de overeenkomst strekte tot het verzorgen van een opleiding in vijf fases en dat niet de verwachte duur van de opleiding de kern van de prestatie is, is niet onbegrijpelijk. 2. Incidenteel appel. Het verweer van geïntimeerde had betrekking op de toewijsbaarheid van de vordering van appellant. Het hof heeft miskend dat geïntimeerde daartoe geen incidenteel appel behoefde in te stellen. 3. Wettelijke rente. Renteschade. Het hof mocht begrijpen dat het opleidingsinstituut aanvaardt dat in plaats van wettelijke rente de door de leerling betaalde rente wordt toegewezen. Het hof had evenwel dienen te oordelen dat niet daarnaast ook nog wettelijke rente is verschuldigd.
Samenvatting (Bron)Verbintenissenrecht. Ontbinding overeenkomst. Vordering tot ongedaanmaking ontvangen prestaties, art. 6:271 BW. Waardevergoeding, art. 6:272 BW. Appelprocesrecht. Gevolg van niet-instellen incidenteel hoger beroep tegen vonnis in reconventie voor verweer in conventie.. Samenloop gevorderde renteschade en wettelijke rente, art. 6:119 BW. Berekening renteschade.
UitspraakECLI:NL:HR:2015:1520
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Hoge Raad (civiele kamer)
TitelHoge Raad 12-06-2015
CiteertitelNJB 2015/1201
SamenvattingIncidenten in cassatie. HR: 1. Overneming van het geding. De HR zal de vereffenaar van de nalatenschap in de gelegenheid stellen het geding van de erven over te nemen. 2. Zekerheidstelling. De vordering tot zekerheidstelling wordt afgewezen op grond van art. 17 lid 1 Haags Rechtsvorderingsverdrag 1954.
Samenvatting (Bron)(Cassatie)procesrecht. Incidenteel verzoek tot overname procedure door vereffenaar nalatenschap (art. 4:203 lid 2 en 4:211 lid 2 BW). Incidentele vordering tot stellen van zekerheid voor proceskosten in cassatie; art. 224 art. 414 lid 1 Rv. Art. 17 lid 1 Haags Rechtsvorderingsverdrag 1954.
UitspraakECLI:NL:HR:2015:1585
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Hoge Raad (civiele kamer)
TitelHoge Raad 12-06-2015
CiteertitelNJB 2015/1202
SamenvattingIncident in cassatie. Partijvoeging. Precedentwerking. HR: In de mogelijke precedentwerking van een te geven uitspraak is niet reeds een voldoende belang gelegen voor toewijzing van een vordering zich in het geding te mogen voegen.
Samenvatting (Bron)Procesrecht. Incidentele vordering tot voeging in cassatie (art. 217 Rv). Belang (HR 28 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:768, NJ 2015/206). Nadelige gevolgen van de uitkomst van de procedure waarin men zich voegt. Is mogelijke precedentwerking een voldoende belang?
UitspraakECLI:NL:HR:2015:1602
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Hoge Raad (strafkamer)
TitelHoge Raad 09-06-2015
CiteertitelNJB 2015/1203
SamenvattingWitwassen, art. 420bis Sr: dat geldbedragen ‘uit enig misdrijf afkomstig’ zijn, kan indien geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, toch bewezen worden geacht indien het gezien de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het geld uit enig misdrijf afkomstig is. In casu kon hof tot bewezenverklaring komen, onder meer omdat de in de bewijsmiddelen vastgestelde feiten en omstandigheden het vermoeden van witwassen rechtvaardigen, en dat gelet daarop van de verdachte mocht worden verlangd dat hij een verklaring gaf voor de herkomst van het geld, en omdat de verdachte over de door hem gestelde herkomst van de geldbedragen wisselende, tegenstrijdige en niet geloofwaardige verklaringen heeft afgelegd.
Samenvatting (Bron)Witwassen: niet geloofwaardige verklaringen van verdachte over de herkomst van geldbedragen. Het Hof heeft geoordeeld dat de in de bewijsmiddelen vastgestelde f&o het vermoeden van witwassen rechtvaardigen en dat, gelet daarop, van verdachte mocht worden verlangd dat hij een verklaring gaf voor de herkomst van het geld. Aldus heeft het Hof niet blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting omtrent de bewijslast van het bestanddeel afkomstig uit enig misdrijf. Het oordeel van het Hof dat verdachte over de door hem gestelde herkomst van de geldbedragen, waarnaar nader onderzoek is gedaan, wisselende en tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd en dat die verklaringen niet geloofwaardig zijn, is niet onbegrijpelijk in aanmerking genomen hetgeen het hof daaromtrent heeft overwogen. A-G: anders.
UitspraakECLI:NL:HR:2015:1500
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Hoge Raad (strafkamer)
TitelHoge Raad 09-06-2015
CiteertitelNJB 2015/1204
SamenvattingVrijstelling van art. 5 onder b Leerplichtwet 1969 ingeval de jongere niet ingeschreven is geweest op een school binnen redelijke afstand van de woning, maar op een school daarbuiten. In casu kon alsnog met vrucht een beroep op de vrijstelling worden gedaan omdat het voor de verdachte wegens veranderde omstandigheden van prangende aard (reisafstand van 38 km naar school viel niet meer te realiseren) niet meer mogelijk is de jongere in te schrijven op een school met een richting van het aldaar gegeven onderwijs waartegen geen overwegende bedenkingen bestaan.
Samenvatting (Bron)OM-cassatie. Art. 5 Lpw. Inschrijfplicht. HR herhaalt relevante overweging uit ECLI:NL:HR:2012:BV9201, - kort gezegd - inhoudende dat het i.b. niet mogelijk is om na ommekomst van de eerste leerplichtige periode alsnog een vrijstelling van de inschrijfplicht te verkrijgen. De memorie van antwoord (mva) geeft hierop enkele uitzonderingen. Deze uitzonderingen hebben kennelijk het oog op de situatie waarin het door veranderde omstandigheden van prangende aard niet meer mogelijk is de jongere in te schrijven op een school met een richting van het aldaar gegeven onderwijs waartegen geen overwegende bedenkingen bestaan, terwijl er binnen redelijke afstand van de woning geen andere school is waarop onderwijs wordt gegeven waartegen geen richtingsbezwaren bestaan. Deze uitzondering doet zich voor in de in de mva genoemde gevallen of in het geval dat de school waarop de jongere in het jaar voorafgaand aan de hiervoor bedoelde kennisgeving was ingeschreven, sluit. Dan richt de verklaring zich immers niet tegen (de richting van het onderwijs op) de school waarop de jongere in het jaar daaraan voorafgaand ingeschreven is geweest. I.c. is de jongere niet ingeschreven geweest op een school binnen redelijke afstand van de woning, maar op een school daarbuiten. De verklaring inhoudende de overwegende bedenkingen tegen de richting van het onderwijs op alle binnen redelijke afstand van de woning gelegen scholen, richt zich derhalve niet tegen de richting van de school waarop de leerling was ingeschreven. Blijkens de vaststelling van het Hof doet zich hier kennelijk een uitzonderlijk geval voor dat op één lijn kan worden gesteld met de in de mva genoemde gevallen zodat alsnog met vrucht een beroep op vrijstelling o.g.v. art. 5 Lpw kon worden gedaan omdat het voor verdachte wegens veranderde omstandigheden van prangende aard niet meer mogelijk is de jongere in te schrijven op een school met een richting van het aldaar gegeven onderwijs waartegen geen overwegende bedenkingen bestaan.
UitspraakECLI:NL:HR:2015:1491
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Hoge Raad (strafkamer)
TitelHoge Raad 09-06-2015
CiteertitelNJB 2015/1205
SamenvattingHoren van advocaat als getuige: het horen van de advocaat die op de terechtzitting hetzij de verdachte als raadsman bijstaat, hetzij hem vertegenwoordigt, hetzij hem als gemachtigde verdedigt, past – behoudens bijzondere gevallen – niet in het Nederlandse stelsel van strafvordering (HR 26 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ5399, NJ 2013/207). Horen van advocaat als getuigen bij uitlevering: de advocaat die echter een opgeëiste persoon bijstaat of heeft bijgestaan in de strafzaak die tot het uitleveringsverzoek heeft geleid, is in een uitleveringsprocedure als de onderhavige niet zonder meer aan te merken als de advocaat die ‘op de terechtzitting’ hetzij de opgeëiste persoon als raadsman bijstaat, hetzij hem vertegenwoordigt in de hiervoor bedoelde zin.
Samenvatting (Bron)Uitlevering. Afwijzing door de Rb van het verzoek om de advocaten in de Georgische strafzaken van de opgeëiste persoon als getuigen te horen. Gelet op ECLI:NL:HR:2013:BZ5399 heeft de Rb met juistheid geoordeeld dat het horen van de advocaat die op de terechtzitting hetzij verdachte als raadsman bijstaat, hetzij hem o.d.v.v. (art. 48 WED jo.) art. 398, onder 2º, Sv vertegenwoordigt, hetzij hem als o.d.v.v. art. 279 Sv gemachtigde verdedigt behoudens bijzondere gevallen niet past binnen het Nederlandse stelsel van strafvordering. Anders dan de Rb heeft geoordeeld, is de advocaat die de opgeëiste persoon bijstaat of heeft bijgestaan in de strafzaak die tot het uitleveringsverzoek heeft geleid, in een uitleveringsprocedure als i.c. niet zonder meer aan te merken als de advocaat die op de terechtzitting hetzij de opgeëiste persoon als raadsman bijstaat, hetzij hem vertegenwoordigd in de hiervoor bedoelde zin. V.zv. het middel hierover klaagt, is het terecht voorgesteld. Gelet op ECLI:NL:HR:2014:1496 en gelet op hetgeen in de conclusie van de AG onder 31 t/m 47 is vermeld (het Hof had het verzoek tot het horen van de getuigen alleen kunnen afwijzen, zij het op andere gronden) behoeft het middel, hoewel gegrond, niet tot cassatie te leiden.
UitspraakECLI:NL:HR:2015:1497
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Raad van State
TitelRaad van State 27-05-2015
CiteertitelNJB 2015/1206
SamenvattingOnder het begrip ‘vergunninghouder’ in art. 2.25 lid 1 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht moet worden verstaan degene die het project uitvoert, dat wil zeggen degene die voor die uitvoering verantwoordelijk is en voor wie de omgevingsvergunning derhalve geldt.
Samenvatting (Bron)Bij besluit van 8 januari 2013 heeft het college het verzoek van [belanghebbende] om handhavend op te treden ter zake van het aanleggen van een houtwal op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel), afgewezen.
UitspraakECLI:NL:RVS:2015:1667
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Centrale Raad van Beroep
TitelCentrale Raad van Beroep 22-05-2015
CiteertitelNJB 2015/1207
SamenvattingHet recht op AOW-pensioen is ingegaan vóór de invoering van art. 8c van de AOW, welke regeling een vergaand gevolg verbindt aan het zich onttrekken aan een vrijheidsstraf of vrijheidsbeperkende maatregel, met welk gevolg betrokkene voorheen geen rekening hoefde te houden. De zorgvuldigheid brengt met zich dat de vaststelling dat betrokkene zich ten tijde van de inwerkingtreding van deze regeling onttrekt aan de tenuitvoerlegging van de vrijheidsbenemende straf of maatregel, berust op actuele gegevens ten aanzien van (het voortduren van) het zich onttrekken.
Samenvatting (Bron)Beëindiging AOW-pensioen en toeslag. Het recht op AOW-pensioen is ingegaan vóór de invoering van artikel 8c van de AOW, welke regeling een vergaand gevolg verbindt aan het zich onttrekken aan een vrijheidsstraf of vrijheidsbeperkende maatregel, met welk gevolg betrokkene voorheen geen rekening hoefde te houden. De zorgvuldigheid met zich brengt dat de vaststelling dat betrokkene zich ten tijde van de inwerkingtreding van deze regeling onttrekt aan de tenuitvoerlegging van de vrijheidsbenemende straf of maatregel, berust op actuele gegevens ten aanzien van (het voortduren van) het zich onttrekken. Niet in geschil is dat de Svb in het voetspoor van het CJIB zich enkel baseert op gegevens en uitvoeringshandelingen uit de jaren 2004/2005. Vaststaat verder dat in elk geval vanaf de toekenning van het AOW-pensioen in september 2009, de vaste woon- of verblijfplaats van appellant aan de Svb bekend was. Niet is gebleken van redenen die in de weg stonden aan een nadere poging tot tenuitvoerlegging van de opgelegde vrijheidsstraf. Geconcludeerd moet worden dat in het geval van appellant de Svb niet op goede gronden heeft kunnen besluiten dat (nog steeds) sprake is van het zich onttrekken aan de tenuitvoerlegging van een vrijheidsbenemende maatregel of straf. Dit betekent dat de Svb ten onrechte het ouderdomspensioen van appellant heeft beëindigd.
UitspraakECLI:NL:CRVB:2015:1777
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Centrale Raad van Beroep
TitelCentrale Raad van Beroep 29-05-2015
CiteertitelNJB 2015/1208
SamenvattingDoorbetaling van operationele toelage, overwerkvergoeding en verschuivingstoelage tijdens vakantie.
Samenvatting (Bron)Weigering operationele toelage, de overwerkvergoeding en de verschuivingsvergoeding over de vakantieperiode uit te betalen. Er bestaat een intrinsiek verband als bedoeld in het arrest Williams tussen de operationele toelage, de overwerkvergoeding en de verschuivingsvergoeding die betrokkene ontvangt, en de uitvoering van de taken die hij op grond van zijn aanstelling moet verrichten. Voldoende gegevens om te beoordelen dat de operationele toelage moet worden gerekend tot het gebruikelijke loon. Betrokkene heeft daarom op grond van artikel 7, eerste lid, van Richtlijn 2003/88 recht op doorbetaling van de operationele toelage gedurende de jaarlijkse vakantie. Op grond van de beschikbare gegevens wordt verder geoordeeld dat een zekere mate van bestendigheid niet aanwezig is ten aanzien van betaling van de overwerkvergoeding en de verschuivingsvergoeding. Dit betekent dat deze vergoedingen niet tot het gebruikelijke loon moeten worden gerekend. Betrokkene heeft daarom op grond van artikel 7, eerste lid, van Richtlijn 2003/88 geen recht op doorbetaling van de overwerkvergoeding en de verschuivingsvergoeding gedurende de jaarlijkse vakantie.
UitspraakECLI:NL:CRVB:2015:1753
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Centrale Raad van Beroep
TitelCentrale Raad van Beroep 02-06-2015
CiteertitelNJB 2015/1209
SamenvattingNu appellant geen aanspraak kan maken op studiefinanciering, is niet voldaan aan de uitsluitingsgrond van artikel 13, tweede lid, aanhef en onder c, sub 1° van de WWB en van artikel 13, tweede lid, aanhef en onder c, sub 2° van de WWB.
Samenvatting (Bron)Tussenuitspraak. Intrekking bijstand. Nu appellant voor de BBL-opleiding geen aanspraak kan maken op studiefinanciering, is niet voldaan aan de uitsluitingsgrond van artikel 13, tweede lid, aanhef en onder c, sub 1° van de WWB. Het bestreden besluit berust op een onjuiste grondslag en wordt daarom vernietigd. De Raad draagt het college op om het gebrek in het besluit te herstellen.
UitspraakECLI:NL:CRVB:2015:1701
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Centrale Raad van Beroep
TitelCentrale Raad van Beroep 09-06-2015
CiteertitelNJB 2015/1210
SamenvattingDat ten gevolge van de invoering van art. 50 AOW niet meer voldaan zou hoeven worden aan het vereiste van het verlenen van toestemming op basis van ‘informed consent’ of dat daaraan minder verstrekkende eisen moeten worden gesteld, vindt geen grondslag in de tekst van dit artikel of in de wetsgeschiedenis.
Samenvatting (Bron)Herziening van de AOW-pensioenen. Onrechtmatig huisbezoek. Wat appellanten tijdens de huisbezoeken hebben verklaard, dient buiten beschouwing dient te blijven bij de beantwoording van de vraag of zij een gezamenlijke huishouding voerden. Andere onderzoeksgegevens zijn niet voorhanden. Er is dan ook onvoldoende feitelijke grondslag voor het standpunt van de Svb dat appellanten in juni 2011 een gezamenlijke huishouding zijn gaan voeren. Dat ten gevolge van de invoering van artikel 50 van de AOW niet meer voldaan zou hoeven worden aan het vereiste van het verlenen van toestemming op basis van informed consent of dat daaraan minder verstrekkende eisen moeten worden gesteld, vindt geen grondslag in de tekst van dit artikel of in de wetsgeschiedenis.
UitspraakECLI:NL:CRVB:2015:1799
Artikel aanvragenVia Praktizijn