Tijdschrift voor Ambtenarenrecht

Uitgever Wolters Kluwer
Tijdschrift Tijdschrift voor Ambtenarenrecht
Datum 24-08-2015
Aflevering 7/8
RubriekAnnotatie
TitelPensioen en loon (rijks)ambtenaren: twee communicerende vaten?
SamenvattingSinds 2010 is de zogenoemde Ďnullijní (al dan niet direct) van toepassing in de meeste overheidssectoren als een van de maatregelen om het financieringstekort van de overheid terug te dringen. De nullijn betekent een bevriezing van de lonen; er is dus geen inflatiecorrectie, hetgeen in de praktijk leidt tot koopkrachtverlies. Gezien de nullijn is het niet verrassend dat de onderhandelingen bij de overheid over collectieve arbeidsvoorwaarden de afgelopen jaren zeer moeizaam verlopen. Dit geldt ook voor de sector Rijk, die het al sinds 2011 zonder cao moet doen. In september vorig jaar gloorde er licht aan de horizon. In de Troonrede kondigde de koning aan dat de nullijn in 2015 zou worden losgelaten: ĎNa een nullijn van jaren kunnen de inkomens van leraren, politieagenten, militairen en ander overheidspersoneel weer meestijgen met de loonontwikkeling in de markt.í Naar nu blijkt moet het inlopen van de salarisachterstand ten opzichte van de markt per sector hard worden bevochten. Ook de vrijgevallen premiebedragen ten gevolge van een versobering van de ABP-pensioenregeling vloeien niet zonder meer terug naar de (rijks)ambtenaren. In april spanden de vier centrales van overheidspersoneel (hierna: centrales) die zijn toegelaten tot de Sectorcommissie Overleg Rijkspersoneel (SOR) (art. 105 lid 2 ARAR), een kort geding aan om deze vrijval ó in de vorm van 0,8 procent Ďloonsverhogingí ó in de sector Rijk af te dwingen per 1 januari 2015 en het Bezoldingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 (BBRA) aldus te wijzigen. Minister Blok daarentegen wilde de vrijval betrekken in de nog te voeren cao-onderhandelingen voor de sector Rijk. Dit heeft geresulteerd in de onderstaande uitspraak.
Auteur(s)N. Hummel , M.J.C.M. van der Poel
LinkVolledige tekst artikel (vu.nl)
UitspraakECLI:NL:RBDHA:2015:4045
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekAnnotatie
TitelSpijt van ontslagverzoek
SamenvattingBij sommige van mijn cliŽnten (overheidswerkgevers) leeft het hardnekkige misverstand dat de ambtenaar aan wie op zijn verzoek ontslag is verleend dit ontslag weer ongedaan kan maken door binnen zes weken na de bekendmaking van het ontslagbesluit bezwaar te maken. Bij de volledige heroverweging in bezwaar moet immers het nieuwe feit dat de ambtenaar het ontslag niet meer wil worden meegenomen, zo luidt hun redenering. Dat die onjuist is blijkt weer eens uit de hier te bespreken uitspraak, die voortvloeide uit de droeve carriŤre van een Rotterdamse ambtenares.
Auteur(s)P.J. Schaap
UitspraakECLI:NL:CRVB:2015:218
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekJurisprudentie
TitelCentrale Raad van Beroep 09-04-2015
CiteertitelTAR 2015/106
SamenvattingAanwijzing plaats van tewerkstelling
Samenvatting (Bron)Als plaats van tewerkstelling is terecht Rotterdam aangewezen. Het beleid is niet in strijd met het Reisbesluit binnenland. Het beleid is evenmin in strijd met het Verplaatsingskostenbesluit 1989. Appellanten verrichten namelijk inspecties in onder meer de havens van Zuid-Holland en Zeeland. Het beleid is niet kennelijk onredelijk. Dit beleid, tot stand gekomen met instemming van de vakbonden, vloeit voort uit de nieuwe inrichting van de inspectie, biedt een overgangsregeling en schept ruimte voor maatwerk. De minister heeft geen onjuiste toepassing gegeven aan het beleid.
UitspraakECLI:NL:CRVB:2015:1138
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekJurisprudentie
TitelCentrale Raad van Beroep 09-04-2015
CiteertitelTAR 2015/107
SamenvattingOntslag op andere gronden
Samenvatting (Bron)Het college was niet bevoegd om appellant ontslag op andere gronden te verlenen. Voor het door het college opgevoerde vertrouwensverlies bestond geen objectieve grond en het college heeft ten onrechte de arbeidsverhouding met appellant blijvend verstoord geacht. Tijdschrijven. Een en ander levert een beeld op van administratief gesteggel rondom het tijdschrijven, waarbinnen appellant wellicht geheel of ten dele abuis is geweest, maar, wat daarvan verder ook zij, de kwalificatie van niet-integer handelen aan de zijde van appellant past hier in elk geval niet.
UitspraakECLI:NL:CRVB:2015:1141
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekJurisprudentie
TitelCentrale Raad van Beroep 09-04-2015
CiteertitelTAR 2015/108
SamenvattingDisciplinair ontslag
Samenvatting (Bron)Disciplinair ontslag. Ernstig plichtsverzuim in de vorm van tijdfraude. Appellante heeft administratieve fouten gemaakt, waarbij geldt dat de werkgever het geleden nadeel had mogen compenseren, maar deze fouten rechtvaardigen niet de conclusie van strafwaardig plichtsverzuim. Vernietiging bestreden besluit.
UitspraakECLI:NL:CRVB:2015:1142
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekJurisprudentie
TitelCentrale Raad van Beroep 09-04-2015
CiteertitelTAR 2015/109
SamenvattingDisciplinair ontslag
Samenvatting (Bron)Strafontslag berust op goede gronden. Zeer ernstig plichtsverzuim doordat appellant in strijd met de Wet wapens en munitie een nabootsing van een vuurwapen voorhanden heeft gehad, hetgeen ingevolge die wet een misdrijf oplevert.
UitspraakECLI:NL:CRVB:2015:1130
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekJurisprudentie
TitelCentrale Raad van Beroep 16-04-2015
CiteertitelTAR 2015/110
SamenvattingOntslag op grond van artikel 8.4, eerste lid, van de CAO NU
Samenvatting (Bron)Eervol ontslag. BeŽindigingsovereenkomst. De afspraken in de beŽindigingsovereenkomst worden volgens vaste rechtspraak van de Raad aangemerkt als een nadere regeling van de uitoefening van de aan het bestuursorgaan toekomende ontslagbevoegdheid. Aan een dergelijke ontslagregeling zijn partijen gebonden op grond van het beginsel van de rechtszekerheid waaraan niet alleen het bestuursorgaan, maar ook de ambtenaar is gebonden. Aan appellant is de keuze voorgelegd mee te werken aan een verbetertraject of te komen tot een beŽindigingsovereenkomst. Er was daarbij sprake van een reŽle keuzemogelijkheid. Geen steun is te vinden voor het oordeel dat appellant vanwege zijn psychische toestand zijn wil niet heeft kunnen bepalen. Daar komt bij dat de onderhandelingen over de beŽindigingsovereenkomst ruim twee maanden hebben geduurd. Er zijn geen aanwijzingen voor het oordeel dat appellant gedurende deze gehele periode buiten staat was zijn wil te bepalen. Niet gebleken van andere zodanige bijzondere omstandigheden dat nakoming van de gemaakte afspraken in redelijkheid niet (meer) van appellant kan worden verlangd.
UitspraakECLI:NL:CRVB:2015:1247
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekJurisprudentie
TitelCentrale Raad van Beroep 16-04-2015
CiteertitelTAR 2015/11
SamenvattingAfwijzing verzoek omzetting tijdelijke aanstelling in vaste aanstelling
Samenvatting (Bron)Tussen partijen is niet in geschil dat is voldaan aan artikel 4, derde lid, eerste zin, van het Barp. Dit betekent dat appellant een stevigere uitgangspositie heeft dan gebruikelijk bij het niet verlengen van een aanstelling in tijdelijke dienst voor bepaalde tijd en vanaf 30 juli 2012 zo mogelijk in vaste dienst moet worden aangesteld. Beoordeeld moet worden of de korpschef zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat er geen mogelijkheid was om appellant in vaste dienst aan te stellen. De Raad verwijst hier naar zijn uitspraak van 15 januari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:40. In de gegeven omstandigheden heeft de korpschef in redelijkheid kunnen besluiten om appellant met ingang van 30 juli 2012 geen vaste aanstelling te verlenen.
UitspraakECLI:NL:CRVB:2015:1232
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekJurisprudentie
TitelCentrale Raad van Beroep 23-04-2015
CiteertitelTAR 2015/112
SamenvattingOngeschiktheidsontslag
Samenvatting (Bron)Geen aanwijzingen dat sprake zou zijn van ongeschiktheid voor de functie van jobcoach. Evenmin kan dit worden afgeleid uit het rapport van de psycholoog. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat het ontslag wegens onbekwaamheid of ongeschiktheid voor het verrichten van de functie van jobcoach anders dan wegens ziekte of arbeidsongeschiktheid geen stand kan houden. Er is geen reden voor het oordeel dat betrokkene niet weer in de functie van jobcoach aan de slag zou kunnen gaan, zoals door hem gewenst. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat betrokkenes functie van jobcoach binnen de Diamant-groep is opgeheven dan wel het samenstel van werkzaamheden van die functie feitelijk is verdwenen. Betrokkene is ook niet boventallig verklaard.
UitspraakECLI:NL:CRVB:2015:1303
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekJurisprudentie
TitelCentrale Raad van Beroep 23-04-2015
CiteertitelTAR 2015/113
SamenvattingOntslag verleend wegens verregaande nalatigheid in de plichtsvervulling
Samenvatting (Bron)Omdat niet is komen vast te staan dat appellant verregaand nalatig is geweest in de vervulling van zijn plichten, was de minister niet bevoegd hem op grond van artikel 39, tweede lid, aanhef en onder k, van het AMAR ontslag te verlenen. Vernietiging uitspraak. Beroep gegrond. Vernietiging besluit. De Raad zal zelf in de zaak voorzien en het ontslagbesluit van 8 augustus 2012 herroepen.
UitspraakECLI:NL:CRVB:2015:1304
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekJurisprudentie
TitelCentrale Raad van Beroep 23-04-2015
CiteertitelTAR 2015/114
SamenvattingFunctieonderhoud Landelijk Functiegebouw Nationale Politie
Samenvatting (Bron)Functiebeschrijving. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat de feitelijk verrichte en opgedragen werkzaamheden wezenlijk afwijken van de in de functiebeschrijving weergegeven taken en dat de uitgangspositie van appellant onjuist is vastgesteld. Het staat partijen vrij hun stellingen met betrekking tot de juistheid van de feiten waarvan bij het nemen van een beslissing dient te worden uitgegaan, tijdens de behandeling van het beroep, of hoger beroep, nader te staven met bewijsmiddelen. Appellant mocht in beroep, ter ondersteuning van zijn stelling dat hij feitelijk werkzaamheden verricht die niet in de functiebeschrijving zijn opgenomen, alsnog documenten inbrengen en de rechtbank mocht deze stukken mede in haar beoordeling betrekken.
UitspraakECLI:NL:CRVB:2015:1309
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekJurisprudentie
TitelCentrale Raad van Beroep 30-04-2015
CiteertitelTAR 2015/115
SamenvattingTegemoetkoming reiskosten
Samenvatting (Bron)Weigering reiskostenvergoeding. Ploegendienst en reservedienst. Geen deugdelijke motivering. De minister heeft verklaard dat in het bestreden besluit ten onrechte is vermeld dat appellant in aanmerking komt voor een vergoeding op grond van artikel 3, aanhef en onder e, ten derde, van de Regeling incidentele reizen voor de militair en zijn naaste betrekking, indien hij wordt opgeroepen voor een dienst terwijl hij volgens het basisrooster in het geheel niet was ingeroosterd en hij als gevolg daarvan naar de plaats van tewerkstelling is gereisd. Artikel 3, aanhef en onder e, ten derde, van de Regeling stelt wel de voorwaarde dat de militair onvermijdelijke werkzaamheden of diensten moet verrichten die van te voren bekend waren, maar niet de voorwaarde dat het voor de betrokken militair geldende rooster wordt gewijzigd binnen 28 dagen voorafgaand aan de dienst die hij moet vervullen. De vraag of een reservedienst kan worden aangemerkt als werk- of rusttijd is met name van belang voor de toepassing van de regeling van de werk- en rusttijden in Hoofdstuk 7 van het Algemeen militair ambtenarenreglement, maar niet voor de beantwoording van de vraag of het voor de militair geldende rooster is geŽindigd of aangevangen als bedoeld in artikel 3, aanhef en onder e, ten derde, van de Regeling. Appellant heeft een beroep op het gelijkheidsbeginsel gedaan, onderbouwd met een lijst van gelijke gevallen. De minister heeft naar aanleiding daarvan ten onrechte geen onderzoek verricht.
UitspraakECLI:NL:CRVB:2015:1375
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekJurisprudentie
TitelCentrale Raad van Beroep 30-04-2015
CiteertitelTAR 2015/116
SamenvattingOntslag op andere gronden
Samenvatting (Bron)Ontslag op andere gronden als bedoeld in artikel 8:8, eerste lid, van de CAR/UWO. Verstoorde verhoudingen en een impasse in de werkrelaties. Betrokkene heeft nog gewerkt en ICT-werkzaamheden verricht binnen de gemeente. Haar leidinggevende heeft haar, daags na het ontslagbesluit, geattendeerd op mogelijk geschikte vacatures bij de gemeente Vlissingen. In het re-integratieplan is als doel omschreven het aanvaarden van een passende functie binnen of buiten de gemeente Vlissingen op of voor 1 februari 2013. Onder deze omstandigheden is de conclusie dat voortzetting van het dienstverband met betrokkene in redelijkheid niet van appellant kan worden gevergd niet gerechtvaardigd. Dat betekent dat appellant niet bevoegd was om betrokkene ontslag te verlenen.
UitspraakECLI:NL:CRVB:2015:1382
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekJurisprudentie
TitelCentrale Raad van Beroep 07-05-2015
CiteertitelTAR 2015/117
SamenvattingVoorwaardelijk strafontslag
Samenvatting (Bron)Gebruik van de OV-chipkaart door zoon van boa. Nu het college in alle gevallen, behalve dat van appellante, heeft gemeend te kunnen volstaan met het bekendmaken van de uitkomst van het anonieme onderzoek en een daaraan gekoppelde collectieve waarschuwing, valt niet in te zien waarom niet ook bij appellante met een waarschuwing kon worden volstaan. In de gegeven omstandigheden is niet consistent beslist en is het aan appellante verleende voorwaardelijke strafontslag onevenredig aan de haar verweten gedragingen.
UitspraakECLI:NL:CRVB:2015:1448
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekJurisprudentie
TitelCentrale Raad van Beroep 28-05-2015
CiteertitelTAR 2015/118
SamenvattingAmbtenaarschap in de zin van artikel 1 van de Ambtenarenwet
Samenvatting (Bron)Onbevoegdheid rechtbank. Nu de stichting niet (meer) behoort tot de openbare dienst als bedoeld in de Aw, was appellant uit hoofde van zijn dienstbetrekking geen ambtenaar in de zin van die wet. Het bestuur kan in dit geval niet worden aangemerkt als bestuursorgaan in de zin van artikel 1:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en het ontslag ontbeert een publiekrechtelijke grondslag. Dit betekent dat de beslissing om appellant te ontslaan en de bestreden beslissing op het daartegen gerichte bezwaar geen besluiten zijn als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb, zodat geen bezwaar onderscheidenlijk beroep op grond van de Awb open stond.
UitspraakECLI:NL:CRVB:2015:1664
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekJurisprudentie
TitelCentrale Raad van Beroep 01-06-2015
CiteertitelTAR 2015/119
Samenvattingoekenning van en overgang naar een functie uit het Landelijk Functiegebouw Nationale Politie
Samenvatting (Bron)Toepassing artikel 6:22 Awb bij bevoegdheidsgebrek. Bevoegdheid directeur HRM / programmadirecteur HRM. Regeling overgang naar een LFNP functie. Matchen op schaal, in plaats van het matchen op inhoud; geen ernstige feilen. Transponeringstabel: geen algemeen verbindend voorschrift, wel zwaarwegende betekenis. Hardheidsclausule. Niet uitspreken door de rechtbank van proceskostenveroordeling.
UitspraakECLI:NL:CRVB:2015:1550
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekJurisprudentie
TitelCentrale Raad van Beroep 29-06-2015
CiteertitelTAR 2015/120
SamenvattingWet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector
Samenvatting (Bron)De door partijen gekozen constructie, waarbij het bestuursorgaan weigert een passende regeling te treffen en vervolgens de rechter verzoekt om - zelf in de zaak voorziend - de door partijen overeengekomen regeling te bekrachtigen, is in strijd met artikel 10d:4 van de CAR/UWO, dat imperatief voorschrijft dat het bestuursorgaan (zelf) een passende regeling treft. Gegeven de omstandigheid dat de rechtbank zelf heeft voorzien in een passende regeling en uit het oogpunt van finale geschillenbeslechting, zal de Raad een oordeel geven over de ontslagregeling als geheel, zoals deze door de rechtbank is bepaald. Het overeengekomen bedrag ter afkoop van uitkeringsrechten vloeit voort uit een wettelijk voorschrift en daarop is niet het maximumbedrag - van 75.000,- dat is opgenomen in de WNT - van toepassing. De overeengekomen compensatie van gemiste pensioenopbouw en betaling van de bezoldiging over een re-integratiefase van acht maanden vallen echter niet onder de uitzonderingsbepaling van de WNT. Dit zijn namelijk geen vaste componenten van een passende regeling bij een ontslag wegens een verstoorde arbeidsverhouding.
UitspraakECLI:NL:CRVB:2015:1924
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekJurisprudentie
TitelRechtbank Den Haag 10-04-2015
CiteertitelTAR 2015/121
SamenvattingOverleg en besluitvorming over besteding werkgeversdeel pensioenpremievrijval hoort thuis in cao-overleg
Samenvatting (Bron)Vordering vakcentrales tegen sectorwerkgever Rijk (Minister voor Wonen en Rijksdienst) met betrekking tot werkgeversdeel pensioenpremievrijval. Vakcentrales vorderen uitkering van deze vrijval in de vorm van een salarisverhoging van 0,8% met ingang van 1 januari 2015, terwijl de Minister deze vrijval wil betrekken in de nog te voeren cao-onderhandelingen sector Rijk, waarmee hij het standpunt inneemt dat van besteding eerst sprake kan zijn na het sluiten van een cao. Partijen twisten daarmee over de uitleg van een bepaling uit het Pensioenakkoord, meer in het bijzonder de zinsnede volledige doorwerking via de sectorale cao-tafels . Deze bepaling dient aan de hand van het Haviltex-criterium te worden uitgelegd. De voorzieningenrechter stelt vast dat voor het standpunt van geen van beide partijen overtuigende steun kan worden gevonden in de tekst van het Pensioenakkoord. De bepaling dient te worden uitgelegd in het licht van hetgeen voorafgaand aan de ondertekening van het Pensioenakkoord in de Pensioenkamer en het SOR is besproken. Van doorslaggevende betekenis is hetgeen op 13 november 2014 in de Pensioenkamer is besproken en meer in het bijzonder hetgeen namens het VSO omtrent de intentie van de desbetreffende bepaling is verklaard. Hieruit volgt naar het oordeel van de voorzieningenrechter dat (a) het werkgeversdeel van de pensioenpremievrijval beschikbaar is met ingang van 1 januari 2015, (b) dit geld tot besteding moet komen en (c) dat de sectoren afspraken moeten maken over de besteding daarvan. Daarnaast kenden partijen tijdens dit overleg aan de zinsnede volledige doorwerking via de sectorale cao-tafels dezelfde betekenis toe, te weten de duiding van de overlegtafel waaraan overleg dient te worden gevoerd over de besteding van de pensioenpremievrijval en niet de duiding van het onderhandelingsproces (het sluiten van een sectorale cao). De stelling van de Minister dat eerst een sectorale cao dient te worden afgesloten alvorens tot besteding van de pensioenpremievrijval kan worden gekomen, vindt aldus geen steun in het op 13 november 2014 bereikte onderhandelingsresultaat. Op grond van artikel 105 ARAR dient aan de sectorale cao-tafel Rijk overleg te worden gevoerd over zowel de besteding van het werkgeversdeel van de pensioenpremievrijval als over het voorstel van de Minister om de besteding van deze vrijval te betrekken bij de nog te voeren cao-onderhandelingen in de sector Rijk. De omstandigheid dat het Pensioenakkoord de besteding van de premievrijval niet koppelt aan het sluiten van een cao, laat immers onverlet dat de Minister aan de sectorale cao-tafel wel het voorstel kan doen om deze koppeling aan te brengen. Over dit voorstel alsmede over de besteding van de premievrijval dient met inachtneming van de voorschriften van artikel 105 ARAR te worden beslist. Vaststaat dat het overleg en de besluitvorming als hiervoor bedoeld tot op heden niet hebben plaatsgevonden. Dit staat zoals van de zijde van Minister terecht is opgemerkt aan toewijzing van de vordering van de vakcentrales in de weg.
UitspraakECLI:NL:RBDHA:2015:4045
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekJurisprudentie
TitelRechtbank Den Haag 21-05-2015, SGR 14/1120
CiteertitelTAR 2015/122
SamenvattingBeŽindiging wachtgeld bij bereiken 65 jaar: verboden onderscheid op grond van leeftijd
UitspraakECLI:NL:RBDHA:2015:5932
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekJurisprudentie
TitelRechtbank Den Haag 21-05-2015, SGR 14/2130
CiteertitelTAR 2015/123
SamenvattingRechtbank onbevoegd bij besluit als bedoeld in artikel 6:19 Awb
UitspraakECLI:NL:RBDHA:2015:5813
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekJurisprudentie
TitelRechtbank Den Haag 22-06-2015, SGR 14/1295
CiteertitelTAR 2015/124
SamenvattingPlichtsverzuim in groepsverband: verschil in strafmaat niet gerechtvaardigd
UitspraakECLI:NL:RBDHA:2015:7084
Artikel aanvragenVia Praktizijn