Nederlands Juristenblad

Uitgever Wolters Kluwer
Tijdschrift Nederlands Juristenblad
Datum 13-12-2015
Aflevering 43
RubriekVooraf
TitelIf you don’t walk like a lawyer
CiteertitelNJB 2015/2169
SamenvattingIf you don’t walk like a lawyer and you don’t talk like a lawyer, you just ain’t a lawyer. Als rechter weet je hoezeer het toeval is wanneer zich in een relatief korte periode een aantal zaken aandient waarin gemeenschappelijke elementen te ontdekken zijn; je hebt op de komst van die zaken immers geen enkele invloed. Vanuit de praktijk menen we echter niet zelden dat er toch iets van een groter plan of ten minste een soort agenda achter moet zitten, maar dat heeft misschien met onze eeuwige honger naar meer duidelijkheid te maken of wellicht, fundamenteler, met onze onontkoombare, menselijke neiging om overal patronen in te ontwaren.
Auteur(s)C.E. Drion
Pagina2999-2999
LinkVolledige tekst artikel (NJBlog)
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekWetenschap
TitelHet ontzetten uit beroep of ambt - Op de weg van de straf- en/of tuchtrechter?
CiteertitelNJB 2015/2170
SamenvattingDe politieke en maatschappelijke aandacht voor de ontzetting uit beroep of ambt lijkt ongekend groot. Vanuit de politiek wordt benadrukt dat een ontzetting uit beroep of ambt steeds meer als middel kan worden ingezet om te voorkomen dat een persoon in de uitoefening van zijn beroep verwijtbaar handelt. Of de strafrechtelijke en/of tuchtrechtelijke route wordt bewandeld lijkt hieraan ondergeschikt. Dit kan tot onwenselijke resultaten leiden. Een punitiever wordend tuchtrecht en een meer op ‘facilitators’ gericht strafrechtelijk beleid in zwaardere gevallen dwingen tot een gereguleerde afstemming tussen toezichthouder en Openbaar Ministerie over de vraag welke weg bewandeld dient te worden; het strafrecht of het tuchtrecht. Indien de zorgvuldigheid van het handelen van de beroepsbeoefenaar centraal staat, dient het primaat bij het tuchtrecht te liggen.
Auteur(s)J. Geertsma , M.M.R. Slaghekke
Pagina3000-3006
LinkVolledige tekst artikel (cleerdin-hamer.nl)
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekFocus
TitelDe veroordeling van ‘De zes van Breda’ gehandhaafd: waar is de twijfel gebleven? Een analyse van de argumentatie van het hof op basis van scenariodenken
CiteertitelNJB 2015/2171
SamenvattingNadat de Hoge Raad de herzieningsaanvraag van ‘De zes van Breda’ gegrond verklaarde heeft het Hof Den Haag de veroordelingen gehandhaafd. In een internetfilmpje geeft de Haagse persrechter een uitgebreide uitleg over de beweegredenen van het hof. Wie dat filmpje bekijkt, raakt inderdaad gemakkelijk overtuigd van de schuld van de zes veroordeelden. In deze bijdrage wordt die ogenschijnlijke duidelijkheid onder de loep genomen. Er is in deze zaak veel twijfel over de schuld van de verdachten naar voren gebracht. Die twijfel rechtvaardigt dat de rechter in een zaak als deze de bewijsmiddelen en de ontlastende informatie steeds bekijkt vanuit zowel een onschuldig als een schuldig scenario. Maar het arrest van het hof leest alsof de overtuiging van schuld hier de enige optie was.
Auteur(s)E.M.F. Deug , L. (Lonneke) Stevens
Pagina3007-3013
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekPraktijk
TitelWie toetst de rechten van broers en zussen op samenplaatsing bij uithuisplaatsing?
CiteertitelNJB 2015/2172
SamenvattingIn deze bijdrage wordt aandacht gevraagd voor het gebrek aan zicht op en toetsing van de kwaliteit van de pleegzorgplaatsing van broers en zussen. Op het gebied van rechtsbescherming aan zogenoemde brusjes bij uithuisplaatsing heerst een oorverdovende stilte. Nu het recht op gezinsleven tussen broers en zussen wordt beschermd door artikel 8 EVRM mag een beslissing broers en zussen te scheiden slechts worden genomen na een zorgvuldige afweging van belangen, waarbij broers en zussen bescherming verdienen tegen willekeurige inmenging op dat beschermde recht om samen op te groeien. Rechters zouden hiervoor een uniform toetsingskader moeten ontwikkelen.
Auteur(s)R.H.P. Feiner
Pagina3014-3019
LinkVolledige tekst artikel (fiadvocaten.nl)
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekIn Memoriam
TitelIn memoriam Tahir Elçi
CiteertitelNJB 2015/2173
SamenvattingOp de dag dat de EU en Turkije onderhandelden over de vluchtelingenstroom uit Syrië, werd Tahir Elçi - mensenrechtenadvocaat voor de Koerden - door het hoofd geschoten. Auteur was in december 1993 in gezelschap van een aantal advocaten uit verschillende Europese landen in Diyarbakir, de belangrijkste Koerdische stad in Oost-Turkije. Doel van de reis was trachten door hun aanwezigheid enige invloed uit te oefenen op de manier waarop de Turkse staat zou omspringen met zestien advocaten die daar waren opgepakt en vervolgd zouden worden voor schimmige delicten en fictieve feiten, in feite neerkomend op steun aan de PKK. Een van die advocaten was toen al Tahir Elçi. Op 28 november 2015, inmiddels 22 jaar later, werd hij als nog altijd voor de vreedzame dialoog opkomende mensenrechtenadvocaat en deken van de orde van advocaten doodgeschoten. Hij deed op dat moment een oproep aan de strijdende partijen om in ieder geval enig respect op te brengen voor de monumenten in de stad.
Auteur(s)E. Prakken
Pagina3020-3020
LinkVolledige tekst artikel (NJBlog)
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Arbitragetribunaal
TitelPermanent Hof van Arbitrage 14-08-2015, 2014-02
CiteertitelNJB 2015/2174
SamenvattingVonnis in contentieus geding. Arbitrage onder Bijlage VII bij het Verdrag inzake de Verenigde Naties. In the matter of the Arctic Sunrise Arbitration.
LinkVolledige tekst besluit (PCA)
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - EHRM
TitelEHRM 13-10-2015, 17224/11
CiteertitelNJB 2015/2175
SamenvattingArt. 10 EVRM. Brief aan autoriteiten over vermeend wangedrag radiomaakster. NGO’s hadden bericht moeten verifiëren. Geen schending.

CASE OF MEDŽLIS ISLAMSKE ZAJEDNICE BRČKO AND OTHERS v. BOSNIA AND HERZEGOVINA
Samenvatting (Bron)No violation of Article 10 - Freedom of expression -{General} (Article 10-1 - Freedom of expression)
UitspraakECLI:CE:ECHR:2015:1013JUD001722411
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Hoge Raad (civiele kamer)
TitelHoge Raad 27-11-2015
CiteertitelNJB 2015/2176
SamenvattingVormmerk. Vervolg op HR 12 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY1533, NJ 2013/503 en HvJ EU 18 september 2014, ECLI:EU:C:2014:2233, RvdW 2015/136. De vorm van de Tripp Trapp-stoel is als merk ingeschreven bij het Benelux-Merkenbureau. Het hof heeft dit merk nietig verklaard met gecombineerde toepassing van twee gronden. Het HvJ EU heeft geoordeeld dat de gecombineerde toepassing niet is toegestaan. HR: Het verwijzingshof dient alsnog te onderzoeken of de vorm van de Tripp Trapp-stoel een teken is dat niet voor merkenrechtelijke bescherming in aanmerking komt hetzij op de ene grond, hetzij op de andere, hetzij volledig op elk van beide gronden.
Samenvatting (Bron)Merkrecht. Vormmerk Tripp Trapp-kinderstoel. Afdoening na uitspraak HvJEU. Maatstaven voor nietigheid (vorm)merk op de gronden van art. 3 lid 1 Merkenrichtlijn. Geen nietigheid op grond van combinatie van die gronden.
UitspraakECLI:NL:HR:2015:3394
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Hoge Raad (civiele kamer)
TitelHoge Raad 27-11-2015
CiteertitelNJB 2015/2177
SamenvattingEen groep beleggers is gedupeerd door zwendelaar X. Een stichting die de belangen van de beleggers behartigt, stelt een collectieve actie in tegen de bank waarbij X twee bankrekeningen aanhield, stellende dat de bank wist of behoorde te weten van de zwendel en toerekenbaar onrechtmatig jegens de beleggers heeft gehandeld door niet in te grijpen. HR: 1. Zorgplicht bank. De zorgplicht van de bank strekt mede ter bescherming tegen lichtvaardigheid en gebrek aan kunde en is niet beperkt tot zorg jegens personen die als klant in een contractuele relatie tot de bank staan. De strekking van wetsbepalingen om bepaalde personen of groepen te beschermen is weliswaar een relevante factor bij de bepaling van die zorgplicht, maar voorop staat dat de zorgplicht niet los van de omstandigheden van het concrete geval kan worden ingevuld. 2. Collectieve actie. Bij de beantwoording van de vraag of de bank onrechtmatig heeft gehandeld, dient te worden geabstraheerd van bijzondere omstandigheden aan de zijde van de beleggers. 3. Gevaarsbewustzijn. Voor het oordeel van het hof is alleen datgene bepalend geweest waarvan de bank zich bewust was, te weten de ongebruikelijke (beleggings)activiteiten op de rekeningen van X. Bewustheid van het daaraan verbonden ‘gevaar’ bij de bank is door het hof verondersteld. Door aldus te oordelen heeft het hof geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Het oordeel is ook niet onbegrijpelijk.
Samenvatting (Bron)Financieel recht. Aansprakelijkstelling bank door vereniging van gedupeerden van fraude (Ponzi-zwendel). Collectieve actie (art. 3:305a BW). Zorgplicht bank bij ongebruikelijk betalingsverkeer op rekeningen van cliënt; HR 23 december 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU3713, NJ 2006/289 (Safe Haven).
UitspraakECLI:NL:HR:2015:3399
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Hoge Raad (civiele kamer)
TitelHoge Raad 27-11-2015
CiteertitelNJB 2015/2178
SamenvattingOnteigening. Verwijzingsgeding. Deskundigen. Vervolg op HR 28 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW5617. Het verwijzingshof doet het onteigeningsgeding af zonder deskundigen op te roepen voor het pleidooi. HR: De door de rechtbank benoemde deskundigen dienen te worden opgeroepen om aanwezig te zijn bij het pleidooi in het geding na verwijzing, als de verwijzingsrechter tenminste geen aanleiding heeft gezien zelf andere deskundigen te benoemen. Hierop kan een uitzondering worden aanvaard als de verwijzingsrechter zich voldoende voorgelicht acht door het reeds uitgebrachte advies en geen van beide partijen gemotiveerd verzoekt de deskundigen op te roepen. De verwijzingsrechter kan dienaangaande voor de pleitzitting contact opnemen met de raadslieden van beide partijen.
Samenvatting (Bron)Onteigening. Art. 54t Ow van toepassing in geding na verwijzing. Oproeping van deskundigen overeenkomstig art. 37 lid 1 Ow. Mogelijke uitzondering.
UitspraakECLI:NL:HR:2015:3415
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Hoge Raad (civiele kamer)
TitelHoge Raad 27-11-2015
CiteertitelNJB 2015/2179
SamenvattingOnteigening. HR: 1. Appartementsrecht. Ambtshalve toepassing. De Onteigeningswet voorziet niet in de mogelijkheid van een afzonderlijke onteigening van een appartementsrecht. De rechter is verplicht deze rechtsregel ambtshalve toe te passen, mits de relevante feiten door partijen aan hun vordering of verweer ten grondslag zijn gelegd. 2. Administratieve onteigeningsprocedure. Hypotheekhouder. De hypotheekhouder is niet een belanghebbende aan wie het ontwerp-onteigeningsbesluit op grond van de wet dient te worden toegezonden.
Samenvatting (Bron)Onteigening. Afzonderlijke onteigening van appartementsrecht niet mogelijk (HR 29 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY8665, NJ 2013/474). Dient in administratieve fase het ontwerp van het onteigeningsbesluit aan de hypotheekhouder te worden gezonden?
UitspraakECLI:NL:HR:2015:3422
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Hoge Raad (civiele kamer)
TitelHoge Raad 27-11-2015
CiteertitelNJB 2015/2180
SamenvattingVerjaringstermijn. Proces-verbaal. Blijkens een proces-verbaal zijn partijen overeengekomen dat gedaagde een geldbedrag aan eiseres zal betalen. Welke verjaringstermijn geldt voor deze betalingsverplichting? HR: Nu de in het proces-verbaal vastgelegde vordering een vordering uit overeenkomst is, geldt daarvoor een verjaringstermijn van vijf jaar. De omstandigheid dat de vordering is vastgelegd in een proces-verbaal, brengt niet mee dat een verjaringstermijn van twintig jaar geldt.
Samenvatting (Bron)Verjaring. Vordering uit overeenkomst van geldlening. Is art. 3:324 BW van toepassing op in executoriale vorm uitgegeven proces-verbaal van schikkingscomparitie?
UitspraakECLI:NL:HR:2015:3423
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Hoge Raad (civiele kamer)
TitelHoge Raad 27-11-2015
CiteertitelNJB 2015/2181
SamenvattingDwaling. Mededelingsplicht. Een onderhuurder doet een beroep op dwaling op de grond dat het gehuurde bedrijfspand een afwijkende bestemming heeft. Het hof honoreert dit beroep, overwegende dat de hoofdhuurder op de hoogte had behoren te zijn van de afwijkende bestemming en dat zij de onderhuurder daarover had behoren in te lichten. HR: Van een ‘behoren in te lichten’ zal in het algemeen slechts sprake zijn als de wederpartij van de dwalende zelf van de juiste stand van zaken op de hoogte was. Een dergelijke verplichting mag ook aangenomen worden indien die wederpartij, bijvoorbeeld vanwege haar deskundigheid, geacht moet worden van de juiste stand van zaken op de hoogte te zijn. In zijn algemeenheid mag een huurder van bedrijfsruimte niet ervan uitgaan dat de professionele verhuurder bij de gemeente is nagegaan of eventuele verbouwingsplannen mogelijk problemen in verband met het bestemmingsplan opleveren.
Samenvatting (Bron)Verbintenissenrecht. Dwaling huurder bedrijfspand; bestemmingsplan staat in de weg aan gebruik als horecabedrijfsruimte. Mededelingsplicht verhuurder? Art. 6:228 lid 1 sub b BW. Verzuim in nakoming van restitutieverplichting?
UitspraakECLI:NL:HR:2015:3424
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Hoge Raad (civiele kamer)
TitelHoge Raad 27-11-2015
CiteertitelNJB 2015/2182
SamenvattingLetselschade. Verlies aan verdienvermogen. Nadat een magazijnmedewerker tweemaal het slachtoffer is geworden van een bedrijfsongeval, heeft hij geen loonvormende arbeid meer verricht. Het hof oordeelt dat de medewerker ook in de hypothetische situatie waarin de ongevallen worden weggedacht, door een ‘al dan niet ernstig lifeevent’ vanaf 55-jarige leeftijd niet meer in staat zou zijn geweest loonvormende arbeid te verrichten. HR: Het oordeel is ontoereikend gemotiveerd.
Samenvatting (Bron)Arbeidsrecht. Werkgeversaansprakelijkheid, art. 7:658 BW. Bepaling omvang schade. Predispositie werknemer. Oordeel omtrent de situatie waarin het ongeval is weggedacht. Aannemelijkheid toekomstige arbeidsongeschiktheid als gevolg van andere gebeurtenis. Motivering.
UitspraakECLI:NL:HR:2015:3397
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Hoge Raad (civiele kamer)
TitelHoge Raad 27-11-2015
CiteertitelNJB 2015/2183
SamenvattingAppelprocesrecht. Terugwijzingsverbod. Een gefaillieerde doet een omzettingsverzoek. De rechtbank verklaart hem niet-ontvankelijk wegens termijnoverschrijding. Het hof vernietigt de niet-ontvankelijkverklaring en houdt de zaak aan zich. De Hoge Raad handhaaft het terugwijzingsverbod.
Samenvatting (Bron)Art. 81 lid 1 RO. WSNP. Devolutieve werking appel. Hof vernietigt vonnis rechtbank waarbij verzoeker niet-ontvankelijk was verklaard in zijn verzoek tot toepassing schuldsanering, maar wijst verzoek op inhoudelijke gronden af. Had hof moeten terugwijzen voor de inhoudelijke beoordeling?
UitspraakECLI:NL:HR:2015:3395
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Hoge Raad (strafkamer)
TitelHoge Raad 24-11-2015
CiteertitelNJB 2015/2184
SamenvattingVoorwaardelijk opzet bij doodslag, art. 287 Sr: in casu niet onbegrijpelijk oordeel hof dat verdachtes gedragingen tezamen naar hun uiterlijke verschijningsvorm kunnen worden aangemerkt als zozeer te zijn gericht op het neerschieten van het slachtoffer, dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het overlijden van het slachtoffer heeft aanvaard. Daartoe zijn in casu onder meer de volgende specifieke omstandigheden relevant: het laden van het pistool met scherpe munitie, het bij zich steken van dat pistool, het pakken, doorladen en in het bijzonder het tijdens de worsteling met [slachtoffer] – kennelijk met de vinger aan de trekker – op diens buik richten en gericht houden van dat pistool. A-G: anders.
Samenvatting (Bron)Voorwaardelijk opzet. Schieten tijdens worsteling. s Hofs oordeel dat de gedragingen van verdachte tezamen naar hun uiterlijke verschijningsvorm kunnen worden aangemerkt als zozeer te zijn gericht op het neerschieten van het s.o., dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte de aanmerkelijke kans op het overlijden van het s.o. heeft aanvaard, is niet onbegrijpelijk. Daarbij heeft de HR gelet op de specifieke omstandigheden van het geval zoals die door het Hof zijn vastgesteld, te weten het laden van het pistool met scherpe munitie, het bij zich steken van dat pistool, het pakken, doorladen, en in het bijzonder het tijdens de worsteling met het s.o. - kennelijk met de vinger aan de trekker op diens buik richten en gericht houden van dat pistool. CAG: anders.
UitspraakECLI:NL:HR:2015:3349
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Hoge Raad (strafkamer)
TitelHoge Raad 24-11-2015
CiteertitelNJB 2015/2185
SamenvattingOpzettelijke belemmering van enige handeling door een toezichts- of opsporingsambtenaar ondernomen ter uitvoering van enig wettelijk voorschrift, art. 184 lid 1 tweede zinsdeel Sr: gelet op de tekst van art. 184 lid 1 Sr heeft het niet voldoen aan een bevel alleen betrekking op het eerste zinsdeel van die bepaling. De beoordeling van de rechtmatigheid van dat bevel staat dus niet ten toets bij het in het tweede zinsdeel omschreven strafbare feit. In casu ging het om overtreding van dat tweede zinsdeel door belemmering van een aanhouding van een derde die werd ondernomen ter uitvoering van het in art. 53 Sv bepaalde.
Samenvatting (Bron)Art. 184.1 Sr. Blijkens de bewezenverklaring is een onbekend gebleven persoon als verdacht van overtreding van art.184 Sr op heterdaad aangehouden. De in het kader van deze aanhouding verrichte handelingen zijn ondernomen ter uitvoering van het in art. 53 Sv bepaalde. De tll. en de bewezenverklaring hebben betrekking op gedragingen van verdachte waarmee hij die aanhouding opzettelijk heeft belemmerd a.b.i. art. 184.1, tweede zinsdeel, Sr, en zien derhalve niet op gedragingen a.b.i. in het eerste zinsdeel van die bepaling (niet voldoen aan bevel of vordering). Gelet op de tekst van art. 184.1 Sr heeft het niet voldoen aan een bevel alleen betrekking op het eerste zinsdeel van die bepaling. De beoordeling van de rechtmatigheid van dat bevel staat dus niet ten toets bij het in het tweede zinsdeel omschreven strafbare feit. De in de klacht aan de orde gestelde vraag naar de rechtmatigheid van het gegeven bevel, behoeft hier dan ook geen beantwoording.
UitspraakECLI:NL:HR:2015:3365
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Hoge Raad (strafkamer)
TitelHoge Raad 24-11-2015
CiteertitelNJB 2015/2186
SamenvattingMensenhandel door een ander te dwingen of te bewegen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten, art. 273f lid 1 aanhef en onder 4e Sr: strafbaarheid ingevolge deze bepaling vereist dat het feit is begaan onder omstandigheden waarbij uitbuiting kan worden verondersteld. Mensenhandel en oogmerk van uitbuiting, art. 273f lid 1 Sr: bij de vraag of – en zo ja, wanneer – sprake is van ‘uitbuiting’ in de zin van deze bepaling komt onder meer betekenis toe aan de aard en duur van de te verrichten activiteit, de beperkingen die zij voor de betrokkene meebrengt, en het economisch voordeel dat daarmee door de verdachte wordt behaald. Hierbij geldt in geval van minderjarige slachtoffers dat de beoordeling van dergelijke factoren tot een andere uitkomst kan leiden dan in het geval het slachtoffer meerderjarig is. Of sprake is van uitbuiting is niet uitsluitend afhankelijk van de mate waarin betrokkenen de mogelijkheid hadden een vrije keuze te maken met betrekking tot hun verrichtingen. Mensenhandel door werven ‘door misleiding en/of misbruik van een kwetsbare positie’, art. 273f lid 1 aanhef en onder 1e Sr: oordeel hof dat daarvan in casu geen sprake is, is niet begrijpelijk nu de enkele vaststellingen dat de betrokkenen zich bewust waren dat zij enig risico liepen en dat de beloning voor hen de doorslaggevende factor was, niet zonder meer meebrengen dat van het werven ‘door’ misleiding en/of misbruik van een kwetsbare positie geen sprake is geweest.
Samenvatting (Bron)OM-cassatie. Mensenhandel, art. 273f.1 aanhef en onder 1,2 en 4 Sr. 1. Het oordeel van het Hof dat het in art. 273f.1 aanhef en onder 4, Sr omschreven feit alleen strafbaar is als het is begaan onder omstandigheden waarbij uitbuiting kan worden verondersteld, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting, mede in het licht van de door het Hof vermelde wetsgeschiedenis en in aanmerking genomen dat ook handelen in strijd met art. 273f.1 aanhef en onder 4, Sr wordt gekwalificeerd als mensenhandel. 2. Uitbuiting. HR herhaalt ECLI:NL:HR:2009:BI7099 en voegt daaraan toe dat in geval van minderjarige s.o. de beoordeling van dergelijke factoren tot een andere uitkomst kan leiden dan in het geval het s.o. meerderjarig is. Het oordeel van het Hof dat dat het oogmerk van uitbuiting niet kan worden bewezen dan wel dat van uitbuiting geen sprake is geweest, is ontoereikend gemotiveerd. 3. Causaal verband tussen het handelen van de verdachte en het besluit van de betrokkenen om drugs te smokkelen. Het oordeel van het Hof is niet z.m. begrijpelijk, nu de enkele vaststellingen dat de betrokkenen zich bewust waren dat zij enig risico liepen en dat de beloning voor hen de doorslaggevende factor was, niet z.m. meebrengen dat van het werven door misleiding en/of misbruik van een kwetsbare positie geen sprake is geweest. Cassatie verdachte. Medeplegen van uitlokking. 1. HR: een in het vooruitzicht gestelde en daadwerkelijk ook gegeven beloning kan niet tegelijkertijd worden aangemerkt als zowel een belofte als een gift waardoor het feit is uitgelokt (vgl. ECLI:NL:HR:1973:AB6110). HR spreekt om redenen van doelmatigheid verdachte alsnog vrij van het tenlastegelegde onderdeel gift(en) en de daaraan gegeven nadere omschrijving. 2. HR: de opvatting dat een medepleger van uitlokking d.m.v. meerdere uitlokkingshandelingen uitvoeringshandelingen t.a.v. elke uitlokkingshandeling moet hebben verricht, vindt in haar algemeenheid geen steun in het recht.
UitspraakECLI:NL:HR:2015:3309
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Hoge Raad (strafkamer)
TitelHoge Raad 24-11-2015
CiteertitelNJB 2015/2187
SamenvattingNemo tenetur-beginsel en uit belastingcontrole verkregen materiaal: in casu kan de administratie niet worden aangemerkt als bewijsmateriaal dat door de verdachte onder dwang is afgegeven. Dat de medewerking van de verdachte nodig is om documenten te verkrijgen waarin een verklaring van de verdachte is vervat, is op zichzelf onvoldoende om dat bewijsmateriaal als ‘wilsafhankelijk’ bewijsmateriaal te moeten aanmerken. Cassatieklacht of nemo tenetur-schending: in cassatie kan niet voor het eerst worden aangevoerd dat een administratie, gezien de inhoud daarvan, bewijsmateriaal bevat dat als ‘wilsafhankelijk’ materiaal moet worden gekwalificeerd, omdat de beoordeling daarvan een onderzoek van feitelijke aard vergt. Vordering benadeelde partij en rechtstreekse schade door het bewezenverklaarde strafbaar feit, art. 361 lid 2 Sv: in casu sprake van rechtstreekse schade bank door het door verdachte onder meer medeplegen van gewoontewitwassen van grote geldbedragen.
Samenvatting (Bron)1. Nemo tenetur. Wilsafhankelijk. In zijn overwegingen heeft het Hof als zijn oordeel tot uitdrukking gebracht dat de inhoud van de ordners niet kan worden aangemerkt als bewijsmateriaal dat door verdachte onder dwang is afgegeven. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk. Het middel steunt op de onjuiste opvatting dat op de enkele grond dat de medewerking van verdachte nodig is om documenten te verkrijgen waarin een verklaring van verdachte is vervat, dat bewijsmateriaal als wilsafhankelijk bewijsmateriaal moet worden aangemerkt (vgl. ECLI:NL:HR:2015:1130). HR merkt op dat in cassatie niet voor het eerst kan worden aangevoerd dat de ordners, gezien de inhoud daarvan, bewijsmateriaal bevatten dat als wilsafhankelijk materiaal moet worden gekwalificeerd, omdat de beoordeling daarvan een onderzoek van feitelijke aard vergt. 2. Vordering b.p. Het oordeel van het Hof dat b.p. X rechtstreeks schade heeft geleden door het bewezenverklaarde handelen, waaronder het medeplegen van gewoontewitwassen, is niet onbegrijpelijk en behoeft, mede in aanmerking genomen dat tegen deze vordering geen (voldoende onderbouwd) verweer is gevoerd, geen nadere motivering. 3. Middel b.p. HR verklaart b.p. Y n-o in haar beroep. Geen stellige en duidelijke klacht over een rechtspunt betreffende haar vordering.
UitspraakECLI:NL:HR:2015:3354
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Hoge Raad (strafkamer)
TitelHoge Raad 24-11-2015
CiteertitelNJB 2015/2188
SamenvattingVoorwaardelijk getuigenverzoek en in ongerede geraakte camerabeelden van supportersgeweld: in casu niet zonder meer begrijpelijke afwijzing getuigenverzoek gelet op hetgeen aan het verzoek ten grondslag is gelegd en mede in aanmerking genomen dat de camerabeelden aan de hand waarvan die waarnemingen van de getuigen (verbalisanten) hadden kunnen worden getoetst in het ongerede zijn geraakt (toepassing overzichtsarrest HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496 inzake het oproepen dan wel horen van daartoe door de verdediging opgegeven getuigen in gewone strafzaken).
Samenvatting (Bron)Afwijzing voorwaardelijk getuigenverzoek. Bij appelschriftuur gedaan en ttz. in h.b. bij pleidooi in voorwaardelijke vorm herhaald verzoek tot horen van verbalisanten. HR herhaalt ECLI:NL:HR:2014:1496 m.b.t. beoordeling cassatieklachten over beslissingen inzake verzoeken tot het oproepen en horen van getuigen. Het verzoek van de verdediging strekt ertoe de verbalisanten X en Y als getuigen te horen over hun waarnemingen op de camerabeelden van de openlijke geweldpleging, alsmede over de tegenstrijdigheden tussen de door hen gerelateerde waarnemingen en die van verbalisant Z. Het Hof heeft het verzoek afgewezen op de enkele grond dat het horen van de genoemde verbalisanten zou neerkomen op het stellen van vragen omtrent hun waarnemingen, terwijl de mogelijkheden van waarneming niet zijn betwist. In het licht van hetgeen aan het verzoek ten grondslag is gelegd en mede in aanmerking genomen dat de camerabeelden - aan de hand waarvan die waarnemingen hadden kunnen worden getoetst - in het ongerede zijn geraakt, is dit oordeel van het Hof niet z.m. begrijpelijk.
UitspraakECLI:NL:HR:2015:3355
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Hoge Raad (strafkamer)
TitelHoge Raad 24-11-2015
CiteertitelNJB 2015/2189
SamenvattingRechtsgeldige dagvaarding: daarvan is sprake waarneer verdachte zich na de rechtsgeldige betekening van die dagvaarding aan de griffier van de rechtbank maar vóór de aanvang van het onderzoek ter terechtzitting alsnog in de GBA heeft ingeschreven en de appeldagvaarding niet op de voet van art. 588 Sv aan dit GBA-adres is betekend. Verstekverlening tegen niet-verschenen verdachte zonder bekende woon- of verblijfplaats in Nederland en aanwezigheidsrecht: indien de dagvaarding aan zodanige verdachte juist is betekend, mag de rechter overgaan tot berechting van de zaak. Het aanwezigheidsrecht van de verdachte moet dan worden afgewogen tegen in het bijzonder het belang van een behoorlijke rechtspleging. Vaststelling achteraf dat aan het aanwezigheidsrecht van de verdachte is tekortgedaan: dit kan zich voordoen indien de verdachte na de rechtsgeldige betekening van de dagvaarding aan de griffier van de rechtbank op de grond dat van de verdachte geen woon- of verblijfplaats bekend is, doch voor de aanvang van het onderzoek ter terechtzitting alsnog in de GBA is ingeschreven, zonder dat dit de rechter bekend was. In casu is hiervan sprake zodat het oordeel van het hof dat van de verdachte geen woon- of verblijfplaats bekend was en verstek kon worden verleend en het onderzoek ter terechtzitting kon worden voortgezet achteraf bezien onjuist is. Volgt vernietiging en terugwijzing.
Samenvatting (Bron)Na griffiersbetekening appeldagvaarding doch vóór tz. in h.b. heeft verdachte zich alsnog ingeschreven in de GBA. 1. Betekeningsperikelen. 2. Verstek. Aanwezigheidsrecht. Ad 1. De opvatting dat verdachte niet rechtsgeldig is gedagvaard voor de ttz. in h.b. nu hij zich, na de - rechtsgeldige - betekening van die dagvaarding aan de Griffier van de Rb, doch vóór de aanvang van het onderzoek ttz. alsnog in de GBA heeft ingeschreven en de appeldagvaarding niet op de voet van art. 588 Sv aan dit GBA-adres is betekend, is onjuist. Ad 2. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2002:AD5163. Indien verdachte na de rechtsgeldige betekening van de dagvaarding aan de Griffier van de Rb op de grond dat van verdachte geen woon- of verblijfplaats bekend is, doch voor de aanvang van het onderzoek ttz. alsnog in de GBA is ingeschreven, zonder dat dit de rechter bekend was, bestaat de mogelijkheid dat achteraf moet worden vastgesteld dat aan het recht van verdachte om in zijn tegenwoordigheid te worden berecht, is tekortgedaan. Het p-v van de tz. in h.b. vermeldt dat verdachte zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande is. Uit de stukken van het geding volgt dat verdachte t.t.v. de behandeling van zijn strafzaak in h.b. in de GBA was ingeschreven zodat het oordeel van het Hof dat van verdachte geen woon- of verblijfplaats bekend was en verstek kon worden verleend en het onderzoek ttz. kon worden voortgezet, achteraf bezien onjuist is.
UitspraakECLI:NL:HR:2015:3347
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Hoge Raad (strafkamer)
TitelHoge Raad 24-11-2015
CiteertitelNJB 2015/2190
SamenvattingWijze waarop adem-alcoholonderzoek dient plaats te vinden conform het Besluit Alcoholonderzoeken 1997: zodanig onderzoek houdt in dat een verdachte zo nodig viermaal ononderbroken ademlucht in het ademanalyse-apparaat blaast. Het blazen kan worden beëindigd zodra twee meetresultaten bij een blaasprestatie zijn verkregen. In dit laatste geval geldt het ademonderzoek als voltooid. Indien zo een blaasprestatie niet tot een voltooid ademonderzoek heeft geleid, is het bij een poging gebleven. Indien het onderzoek ook bij de vierde poging onvoltooid blijft, kan het eenmaal worden herhaald. Daarbij geldt dat na een onvoltooide eerste onderzoekscyclus kan worden overgegaan tot een tweede cyclus van wederom zo nodig viermaal blazen. Zodra een blaasprestatie leidt tot twee meetresultaten, geldt ook dan het onderzoek als voltooid. In totaal mag dus achtmaal worden getracht om via een juiste blaasprestatie te komen tot twee meetresultaten. Het voorgaande houdt in dat een blaasprestatie die niet tot een voltooid ademonderzoek heeft geleid, niet op zichzelf reeds als een ‘ademonderzoek’ in vorenbedoelde zin kan worden aangemerkt.
Samenvatting (Bron)Ademonderzoek. Ademanalyse-apparaat. Art. 8.2 aanhef onder a WVW 1994 en art. 8 en 9 Besluit Alcoholonderzoeken. Indien het onderzoek a.b.i. art. 8 Besluit ook bij de vierde poging onvoltooid blijft, kan op de voet van art. 9 Besluit het onderzoek met toepassing van artikel 8 eenmaal worden herhaald. Die bepaling dient aldus te worden begrepen dat na een onvoltooide eerste onderzoekscyclus kan worden overgegaan tot een tweede cyclus van wederom zo nodig viermaal blazen. Zodra een blaasprestatie leidt tot twee meetresultaten, geldt ook dan het onderzoek als voltooid. In totaal mag dus achtmaal worden getracht om via een juiste blaasprestatie te komen tot twee meetresultaten. Een blaasprestatie die niet tot een voltooid ademonderzoek heeft geleid, kan niet op zichzelf reeds als een ademonderzoek in vorenbedoelde zin worden aangemerkt. s Hofs oordeel dat het feit dat het ademonderzoek eerst bij een zesde poging van ve als voltooid kon worden beschouwd "niet strijdig is met het bepaalde in het Besluit Alcoholonderzoeken" geeft dan ook niet blijk van een onjuiste uitleg van art. 9 Besluit en aldus evenmin van art. 8 WVW 1994.
UitspraakECLI:NL:HR:2015:2504
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Raad van State
TitelRaad van State 04-11-2015
CiteertitelNJB 2015/2191
SamenvattingPlanregeling die voor bouwen van nieuwe bedrijfsgebouwen toets aan gemeentelijke geurverordening voorschrijft verdraagt zich niet met wettelijk systeem.
Samenvatting (Bron)Bij besluit van 13 maart 2014, met kenmerk R2014.009y, heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied 2014" vastgesteld.
UitspraakECLI:NL:RVS:2015:3394
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Raad van State
TitelRaad van State 18-11-2015
CiteertitelNJB 2015/2192
SamenvattingHet alsnog verlenen van een omgevingsvergunning naar aanleiding van een tussenuitspraak genereert op grond van art. 6:19 Awb een beroep van rechtswege daartegen voor degene die als derde-belanghebbende in het geding was betrokken.
Samenvatting (Bron)Bij besluit van 26 maart 2013 heeft het college geweigerd aan [appellant sub 2] een omgevingsvergunning te verlenen voor het bouwen van twee appartementen, het wijzigen van een tuinmuur en het aanleggen van parkeergelegenheid op het perceel [locatie 1] te Leiden.
UitspraakECLI:NL:RVS:2015:3508
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Centrale Raad van Beroep
TitelCentrale Raad van Beroep 17-11-2015
CiteertitelNJB 2015/2193
SamenvattingHet College wijkt ten nadele van appellant af van het beleid.
Samenvatting (Bron)Afwijzing bijstandsaanvraag. Overschrijding vermogensgrens. Een Volkswagen Kever uit 1968 en een Volkswagen Golf uit 1978 behoren niet tot de dure automerken en ook niet tot de categorie oldtimers die, ongeacht de staat van onderhoud, een hoge waarde vertegenwoordigen. Dit betekent dat het bestuur de autos ten onrechte bij de vermogensvaststelling heeft meegenomen. Schulden: de tandartskosten zijn ten onrechte niet op het vermogen in mindering gebracht.
UitspraakECLI:NL:CRVB:2015:4078
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Centrale Raad van Beroep
TitelCentrale Raad van Beroep 17-11-2015
CiteertitelNJB 2015/2194
SamenvattingHet college heeft in dit geval ten onrechte toepassing gegeven aan art. 4:5 lid 1 Awb.
Samenvatting (Bron)Het college was niet bevoegd om de aanvraag buiten behandeling te stellen: Geen incomplete bijstandsaanvraag. De Raad doet zelf af. Appellante heeft in strijd met de op haar rustende inlichtingenverplichting niet op concrete en verifieerbare wijze inzicht geboden in haar situatie, waardoor het recht op bijstand niet was vast te stellen.
UitspraakECLI:NL:CRVB:2015:4070
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Centrale Raad van Beroep
TitelCentrale Raad van Beroep 19-11-2015
CiteertitelNJB 2015/2195
SamenvattingDe toepassing van art. 8:32 lid 2 Awb is niet beperkt tot stukken die een partij op grond van een wettelijke verplichting overlegt.
Samenvatting (Bron)Vaststelling einddatum doorbetaling bezoldiging. Betrokkene kan op grond van zijn geestelijke toestand geen verwijt worden gemaakt van de nalatigheid om vanaf 19 september 2011 mee te werken aan zijn re-integratie.
UitspraakECLI:NL:CRVB:2015:4096
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Centrale Raad van Beroep
TitelCentrale Raad van Beroep 26-11-2015
CiteertitelNJB 2015/2196
SamenvattingDe gemeente Amsterdam mag opvang weigeren aan uitgeprocedeerde vreemdelingen en mag hen voor onderdak verwijzen naar een vrijheidsbeperkende locatie (VBL). Verblijf in een VBL is niet strijdig met de verdragsrechtelijke verplichting om opvang te bieden. Daarom was er voor de gemeente geen noodzaak om opvang te verlenen op grond van de Wmo. De VBL valt onder de verantwoordelijkheid van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie. Het is zijn taak om te beoordelen of in een uitzonderlijk geval aan iemand toegang tot de VBL moet worden verleend, zonder daaraan de voorwaarde te verbinden dat moet worden meegewerkt aan vertrek uit Nederland.
Samenvatting (Bron)Ontbreken van noodzaak voor opvang op grond van Wmo vanwege beschikbaarheid van opvang op een VBL.
UitspraakECLI:NL:CRVB:2015:3803
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Centrale Raad van Beroep
TitelCentrale Raad van Beroep 26-11-2015
CiteertitelNJB 2015/2197
SamenvattingUitgaande van het thans geldende stelsel van wet- en regelgeving, het daarop gebaseerde beleid en de uitvoeringspraktijk, zal een beslissing over een opvangvoorziening als de bed-bad-broodvoorziening van de gemeente Amsterdam jegens een niet rechtmatig in Nederland verblijvende vreemdeling anders dan voorheen, niet (meer) worden aangemerkt als een besluit over maatschappelijke opvang op grond van de Wmo, onderscheidenlijk opvang op grond van de Wmo 2015. De Raad zal zich niet langer bevoegd achten om in hoger beroep kennis te nemen van geschillen over de uitvoering van ten opzichte van de Wmo en de Wmo 2015 buitenwettelijke gemeentelijke opvangregelingen voor nietrechtmatig in Nederland verblijvende vreemdelingen.
Samenvatting (Bron)- Ontbreken van noodzaak voor opvang vanwege beschikbaarheid van opvang in een VBL. - Van door gemeenten getroffen opvangvoorzieningen voor niet rechtmatig in Nederland verblijvende vreemdelingen wordt niet langer een grondslag in de Wmo en Wmo 2015 aangenomen. Raad acht zich niet langer bevoegd.
UitspraakECLI:NL:CRVB:2015:3834
Artikel aanvragenVia Praktizijn