Nederlands Juristenblad

Uitgever Wolters Kluwer
Tijdschrift Nederlands Juristenblad
Datum 14-12-2016
Aflevering 44
RubriekVooraf
TitelEen politiek proces
CiteertitelNJB 2016/2288
SamenvattingDezer dagen wordt met enige regelmaat de term ‘politiek proces’ gebruikt. Dat is een lastig begrip. In de meest neutrale betekenis gaat het om een rechtszaak die direct van invloed is op de strijd om politieke macht. Een voorbeeld is de nu lopende Brexit-zaak over de vraag of het een parlementaire beslissing vergt om uit de Europese Unie te treden (omdat de toetreding ook bij wetgeving geschiedde) en dat de uittreding dus niet kan worden gebaseerd op de uitkomst van een referendum.
Auteur(s)Y. Buruma
Pagina3237
LinkVolledige tekst artikel (njb.nl)
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekWetenschap
TitelBezwaarbehandeling door de overheid anno 2016 - Vooral vernieuwing op papier?
CiteertitelNJB 2016/2289
SamenvattingDe Awb-wetgever heeft de bezwaarprocedure bedoeld als informele en oplossingsgerichte geschilbeslechtingsprocedure. Ook volgens de best practices die zijn geformuleerd in de door het Ministerie van BZK uitgegeven handleiding Professioneel behandelen van bezwaren moet de bezwaarbehandeling primair gericht zijn op het naar tevredenheid van de bezwaarmaker oplossen van het geschil. In het verleden bleek de wijze waarop bestuursorganen bezwaren behandelden zelden overeen te komen met dit ideaal. In hoeverre was dit anno 2016 wel het geval?
Auteur(s)M. Wever
Pagina3238
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekPraktijk
TitelDe taal van procederende advocaten
CiteertitelNJB 2016/2290
SamenvattingDit artikel, dat een bewerking is van een lezing gehouden op het Jonge Balie Congres, richt zich tot de (jonge) advocatuur en geeft – vanuit het oogpunt van de rechter – een aantal gedachten en tips mee die kunnen helpen bij het overtuigen van een rechter. Daarbij wordt ingegaan op het gebruik van plechtige of ingewikkelde taal, de lengte van pleidooien en het kleineren van de tegenstander.
Auteur(s)M. Feteris
Pagina3247
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekFocus
TitelHof van Justitie neemt motiveringsplicht aan bij het niet-stellen van prejudiciële vragen
CiteertitelNJB 2016/2291
SamenvattingDe Europese rechtspraak over de betekenis en reikwijdte van de prejudiciële verwijzingsplicht is in ontwikkeling. In het arrest Association France Nature Environnement heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie voor het eerst uitgesproken dat een hoogste rechter onder omstandigheden bij niet-prejudicieel verwijzen uitvoerig dient te motiveren waarom redelijkerwijs geen twijfel bestaat over de juiste toepassing van het Unierecht. Auteurs betogen dat de in dit arrest geformuleerde motiveringsplicht een bredere betekenis heeft, omdat uit de overwegingen van het Hof kan worden afgeleid dat een plicht bestaat om bij beslissingen over fundamentele regels van Unierecht uitvoerig te motiveren waarom geen twijfel bestaat over de juiste uitleg daarvan.
Auteur(s)M. Snoep , L. di Bella
Pagina3253
UitspraakECLI:EU:C:2016:603
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekEssay
TitelDe zaak Anneke Beekman - Getoetst aan artikel 8 EVRM
CiteertitelNJB 2016/2292
SamenvattingHet Joodse meisje Anneke Beekman werd in de oorlog wees en daardoor bleven na afloop van de oorlog de katholieke zusters – waar zij door haar ouders op tijd was ondergebracht – als pleegouders voor haar zorgen. De Commissie voor Oorlogspleegkinderen was van mening dat het Joodse meisje in een Joods gezin moest worden opgevoed en voerde een jarenlange strijd met de zusters om de voogdij van Anneke. De hogere rechters gaven de Commissie gelijk. Hoe zouden de uitspraken van het gerechtshof in 1948 en die van de Hoge Raad in 1949 in deze zaak bezien moeten worden in het licht van het (pas later in werking getreden) Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens?
Auteur(s)D. Boddaert
Pagina3257
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekO & M
TitelIs een dagvaarding een procesinleiding? Het dubbele Rv in de overgangsfase van KEI
CiteertitelNJB 2016/2293
SamenvattingPer 9 juli 2016 is de nieuwe KEI-wetgeving vastgesteld, bestaande uit een pakket van vier wetten. De inwerkingtreding is tot op heden niet officieel aangekondigd. Wel is informeel al aangegeven dat de eerste zaken per 1 februari 2017 onder KEI-Rv zouden vallen, terwijl er een langdurige overgangsfase is die minstens tot 2019 zal lopen. Zolang duurt het dus voordat alle zaken onder KEI-Rv zullen vallen. In de tussenliggende periode moet voor een deel van de procedures en/of gerechten volgens KEI-Rv worden geprocedeerd, terwijl voor het resterende deel de regels van het huidig Rv nog moeten worden gevolgd. Dit leidt tot de curieuze, en vanuit wetstechnisch oogpunt tamelijk twijfelachtige situatie dat er twee geldende wetteksten voor het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering zijn.
Auteur(s)E. Tjong Tjin Tai
Pagina3260
LinkVolledige tekst artikel (njb.nl)
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - EHRM
TitelEHRM 30-08-2016, 49037/15
CiteertitelNJB 2016/2294
SamenvattingNabestaanden Srebrenica. Beslissing tot niet-vervolging Dutchbat commandanten. Recht op leven. Procedurele poot. Verplichting tot onderzoek. Kennelijk ongegrond. [Mustafić-Mujić e.a. vs. Nederland]
UitspraakECLI:CE:ECHR:2016:0830JUD004903715
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - EHRM
TitelEHRM 01-09-2016, 48158/11
CiteertitelNJB 2016/2295
SamenvattingRecht op een eerlijk proces. Onafhankelijkheid en onpartijdigheid sanctionerende autoriteit. Waarborgen onafhankelijkheid en onpartijdigheid. Geen straf zonder wet. Voorzienbaarheid en toegankelijkheid bestuurlijke sancties.
[X en Y vs. Frankrijk]
Samenvatting (Bron)No violation of Article 7 - No punishment without law (Article 7-1 - Nullum crimen sine lege)
UitspraakECLI:CE:ECHR:2016:0901JUD004815811
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - EHRM
TitelEHRM 04-10-2016, 37871/14 en 73986/14
CiteertitelNJB 2016/2296
SamenvattingLevenslange gevangenisstraf.
[T.P. en A.T. vs. Hongarije]
Samenvatting (Bron)Violation of Article 3 - Prohibition of torture (Article 3 - Degrading punishment;Inhuman punishment) (Substantive aspect);Pecuniary damage - claim dismissed (Article 41 - Pecuniary damage;Just satisfaction);Non-pecuniary damage - finding of violation sufficient (Article 41 - Non-pecuniary damage;Just satisfaction)
UitspraakECLI:CE:ECHR:2016:1004JUD003787114
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - EHRM
TitelEHRM 06-10-2016, 33696/11
CiteertitelNJB 2016/2297
SamenvattingHuiszoeking naar aanleiding van informatie van de inlichtingendiensten over belastingontduiking. Onrechtmatig verkregen bewijs. Recht op privéleven. Geen schending.
[K. S. en M..S. vs. Duitsland]
Samenvatting (Bron)Remainder inadmissible;No violation of Article 8 - Right to respect for private and family life (Article 8-1 - Respect for home)
UitspraakECLI:CE:ECHR:2016:1006JUD003369611
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Hoge Raad (civiele kamer)
TitelHoge Raad 02-12-2016
CiteertitelNJB 2016/2298
SamenvattingFaillissement. Een overeenkomst betreffende de bouw van een woning bepaalt dat de eerste termijn van de aanneemsom verschuldigd wordt bij het gereedkomen van de vloer van de begane grond. Nadat de vloer is gereedgekomen, gaat de aannemer failliet. De curator verklaart de overeenkomst niet gestand te zullen doen. Verliest de curator daardoor het recht op betaling van de eerste termijn? Hoge Raad: 1. Betekenis van art. 37 Fw. Het in art. 37 Fw bedoelde verlies van het recht van de curator op nakoming heeft alleen betrekking op de door de wederpartij te verrichten prestaties waarvoor de tegenprestatie door de gefailleerde nog verricht moet worden. 2. Verrekening. Voor een beroep op verrekening krachtens art. 53 Fw is indiening ter verificatie van de te verrekenen vordering geen vereiste. Geen van de gronden die het hof heeft gebezigd om het beroep op verrekening te verwerpen, kan standhouden.
Samenvatting (Bron)Faillissementsrecht. Uitleg van art. 37 Fw. Verliest curator bij niet gestand doen overeenkomst ook het recht nakoming te vorderen van prestaties waarvoor de gefailleerde de tegenprestatie reeds heeft verricht? Schade door niet-nakoming aannemingsovereenkomst; weggenomen door verplichting tot vrijwaring van verzekeraar? Geen indiening ter verificatie vereist voor beroep op verrekening ex art. 53 Fw.
UitspraakECLI:NL:HR:2016:2730
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Hoge Raad (civiele kamer)
TitelHoge Raad 02-12-2016
CiteertitelNJB 2016/2299
SamenvattingEnquêterecht. Onderzoeksverslag. Openbaarmaking. De ondernemingskamer heeft beslist dat een onderzoeksverslag ter griffie ter inzage ligt voor een ieder. Mag zij kopieën ervan verstrekken aan derden? Hoge Raad: Een adequate invulling van de beslissing van de ondernemingskamer tot (feitelijke) openbaarmaking van het verslag brengt mee dat het verslag mag worden toegezonden aan een belangstellende die daartoe een verzoek heeft gedaan.
Samenvatting (Bron)Ondernemingsrecht. Enquêteprocedure. Terinzagelegging onderzoeksverslag voor eenieder (art. 2:353 lid 2 BW). Mag ondernemingskamer in zodanig geval aan een derde op diens verzoek een afschrift van dat verslag verstrekken?
UitspraakECLI:NL:HR:2016:2740
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Hoge Raad (civiele kamer)
TitelHoge Raad 02-12-2016
CiteertitelNJB 2016/2300
SamenvattingOnteigening. Enige percelen grasland worden onteigend ten behoeve van een plan dat mede voorziet in zandwinning. De deskundigen vermelden in hun rapport dat zij overleg hebben gevoerd met een rentmeester. Hoge Raad: 1. Hoor en wederhoor. Om effectief commentaar te kunnen leveren op een deskundigenbericht behoeven partijen niet steeds de beschikking te hebben over alle bescheiden en gegevens waarop het deskundigenbericht is gebaseerd. Een partij die een deskundigenbericht onvoldoende inzichtelijk of controleerbaar acht, kan daarvan blijk geven in haar commentaar, waarna de rechter beoordeelt of het deskundigenbericht zonder schending van het beginsel van hoor en wederhoor aan de beslissing ten grondslag kan worden gelegd. 2. Bruikbare bodembestanddelen. Als de te onteigenen grond bruikbare bodembestanddelen bevat, en het de eigenaar niet is toegestaan om de bodembestanddelen te winnen, maar de onteigenaar wel, dient de vergoeding hiervoor in beginsel te worden gesteld op de helft van het voordeel. In dit geval, waarin de eigenaar de bodembestanddelen wel kan winnen, heeft de rechtbank de meerwaarde deels door prijsvergelijking en deels door middel van een exploitatiebegroting vastgesteld. Dit stond de rechtbank vrij.
Samenvatting (Bron)Onteigeningsrecht. Deskundigenbericht; hoor en wederhoor indien deskundigen een derde raadplegen. Verdeling bij helfte van voordeel door aanwezigheid delfstoffen; ook bij winbare delfstoffen? HR 13 augustus 2004, ECLI:NL:HR:2004:AQ6968, NJ 2005/151 (Limburg/Seegers). Vrijheid onteigeningsrechter bij keuze waarderingsmethode. HR 4 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:843, NJ 2014/221. Factoren die tot andere verdeling dan bij helfte kunnen leiden. (Samenhang met 15/02087)
UitspraakECLI:NL:HR:2016:2741
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Hoge Raad (civiele kamer)
TitelHoge Raad 02-12-2016
CiteertitelNJB 2016/2301
SamenvattingRechtsmiddelenverbod. Griffierecht. Hoge Raad: Tegen beslissingen over de niet-tijdige voldoening van het griffierecht en de toepassing van de hardheidslausule staat geen hogere voorziening open. Niet is aangevoerd dat zich een in de rechtspraak aanvaarde doorbrekingsgrond voordoet.
Samenvatting (Bron)Procesrecht. Griffierecht in hoger beroep, na anticipatie door geïntimeerde, door appellant te laat betaald; ontslag van instantie. Art. 127a Rv. Uitsluiting van rechtsmiddelen. Doorbrekingsgronden.
UitspraakECLI:NL:HR:2016:2760
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Hoge Raad (civiele kamer)
TitelHoge Raad 02-12-2016
CiteertitelNJB 2016/2302
SamenvattingSprongcassatie. Faillissement. Dwangcrediteur. Gestanddoening door de curator. Ctac levert softwarediensten aan Free Record Shop. Deze gaat failliet. Ctac is bereid haar dienstverlening gedurende de afkoelingsperiode voort te zetten, maar alleen als haar prefaillissementsvordering wordt betaald. De curatoren spannen een kort geding aan. Op bevel van de voorzieningenrechter zet Ctac de dienstverlening voort. In deze bodemzaak vordert Ctac betaling van de prefaillissementsvordering op de grond dat de curatoren door het kort geding aan te spannen geacht moeten worden de overeenkomst gestand te hebben gedaan. Hoge Raad: Onjuist is de opvatting dat het in rechte afdwingen van voortzetting van dienstverlening door zogenoemde dwangcrediteuren steeds dient te worden aangemerkt als gestanddoening van de overeenkomst. De vraag hoe verklaringen en gedragingen van een curator in dit verband moeten worden uitgelegd, dient met inachtneming van alle omstandigheden van het geval te worden beantwoord.
Samenvatting (Bron)Faillissementsrecht. Sprongcassatie. Dienstverlener (dwangcrediteur) schort uitvoering overeenkomst op nadat klant failleert. Curatoren dwingen dienstverlener in kort geding om gedurende afkoelingsperiode te blijven doorleveren. Geldt houding curatoren als gestanddoening van de overeenkomst in de zin van art. 37 Fw?
UitspraakECLI:NL:HR:2016:2744
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Hoge Raad (civiele kamer)
TitelHoge Raad 02-12-2016
CiteertitelNJB 2016/2303
SamenvattingOvereenkomst. Leemte. Motivering. Een koper van een kantoorgebouw vordert nakoming van een overeengekomen huurgarantie. Het hof overweegt dat de overeenkomst een leemte bevat. HR: Het hof had ten minste nader moeten aanduiden waaruit valt af te leiden dat partijen de consequenties van verhuur onvoldoende onder ogen hebben gezien in het licht van de overeengekomen huurgarantie.
Samenvatting (Bron)Contractenrecht. Koopovereenkomst kantoorpand. Uitleg huurgarantie van verkoper aan koper. Moet koper tijdens de looptijd van de huurgarantie medewerking verlenen aan (onder)verhuur van het kantoorpand door de verkoper/huurder voor de periode na afloop van de huurgarantie?
UitspraakECLI:NL:HR:2016:2748
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Hoge Raad (civiele kamer)
TitelHoge Raad 02-12-2016
CiteertitelNJB 2016/2304
SamenvattingRedelijke termijn. Civiele procedure. Proceskosten. HR: Ook in de procedure betreffende overschrijding van de redelijke termijn dient de in het ongelijk gestelde partij te worden veroordeeld in de proceskosten. Dit levert bij de geldende tarieven geen onaanvaardbare drempel op om op te komen tegen een (gestelde) schending van het EVRM.
Samenvatting (Bron)Onrechtmatige overheidsdaad. Vordering tegen de Staat tot vergoeding van schade wegens overschrijding redelijke termijn voor berechting. Mag de eiser worden veroordeeld in de proceskosten?
UitspraakECLI:NL:HR:2016:2756
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Hoge Raad (civiele kamer)
TitelHoge Raad 02-12-2016
CiteertitelNJB 2016/2305
SamenvattingEffectenlease. Motivering. Consistente rechtspraak. Premie Zfw. Het hof past ten aanzien van een afnemer van effectenleaseproducten de hofformule toe. Bij de vaststelling van het besteedbaar netto-maandinkomen brengt het hof de premie Ziekenfondswet niet in mindering. Hoge Raad: Het oordeel van het hof geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk of ontoereikend gemotiveerd. Vanuit een oogpunt van consistente rechtspraak verdient het aanbeveling dat bij het hanteren van de ‘hofformule’ in alle gevallen deze lijn wordt gevolgd.
Samenvatting (Bron)Financieel recht. Effectenlease Dexia. Vraag of bij toepassing van zogenoemde hofformule de (procentuele) premie Ziekenfondswet in mindering moet worden gebracht op besteedbaar netto-maandinkomen.
UitspraakECLI:NL:HR:2016:2749
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Hoge Raad (civiele kamer)
TitelHoge Raad 02-12-2016
CiteertitelNJB 2016/2306
SamenvattingArbeidsovereenkomst. Een docent viool werkt voor een muziekonderwijsinstelling, eerst door tussenkomst van een vennootschap en daarna op basis van contracten die aangeduid worden als ‘overeenkomst van opdracht’. Op enig moment beëindigt de instelling de relatie. Is er sprake van een arbeidsovereenkomst? Hoge Raad: 1. Uitzendovereenkomst. Allocatiefunctie. De Hoge Raad verwijst naar HR 4 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2356 (C4C/STiPP). 2. Ketenregeling. Opeenvolgende arbeidsovereenkomsten. Het hof heeft miskend dat bij de toepassing van de ketenregeling ook arbeidsovereenkomsten voor onbepaalde tijd worden meegerekend. 3. Ragetlie-regel. Voortgezette arbeidsovereenkomst. Het hof had behoren te onderzoeken of sprake is geweest van arbeidsovereenkomsten met de instelling als opvolgende werkgever.
Samenvatting (Bron)Arbeidsrecht. Is sprake van arbeidsovereenkomst(en)? Volgens werkgever geëindigde uitzendovereenkomst. Strekking van art. 7:690 BW (HR 4 november 2016; ECLI:NL:HR:2016:2356). Is sprake geweest van opvolgend werkgeverschap (art. 7:667 lid 5 en art. 7:668a lid 2 (oud) BW)?
UitspraakECLI:NL:HR:2016:2757
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Hoge Raad (civiele kamer)
TitelHoge Raad 02-12-2016
CiteertitelNJB 2016/2307
SamenvattingPrejudiciële vragen. Faillissement. Betekenis van art. 37 Fw. Ongerechtvaardigde verrijking. Een consument komt met een aannemer overeen dat deze een woning voor hem zal bouwen. De consument betaalt de eerste termijn voor overeengekomen meerwerk. Voor het overige is de betaling daarvoor contractueel pas verschuldigd na voltooiïng van de werkzaamheden. De aannemer verricht een deel van de werkzaamheden en gaat dan failliet. De curator doet de overeenkomst niet gestand. Heeft de boedel een vordering uit onrechtvaardigde verrijking? Hoge Raad: Als de consument de overeenkomst in stand laat (althans in stand laat voor zover de prestaties reeds zijn uitgevoerd), staat art. 37 Fw niet in de weg aan een vordering van de boedel uit hoofde van ongerechtvaardigde verrijking met betrekking tot het verrichte gedeelte van de prestatie. De inhoud van de overeenkomst kan eventueel wel in de weg staan aan een dergelijke vordering. In dit geval staat de contractuele betalingsregeling daar niet aan in de weg.
Samenvatting (Bron)Prejudiciële vraag (art. 392 Rv). Faillissementsrecht. Uitleg van art. 37 Fw. Verliest curator bij niet gestand doen overeenkomst ook het recht nakoming te vorderen van prestaties waarvoor de gefailleerde de tegenprestatie reeds heeft verricht? Vordering van boedel uit ongerechtvaardigde verrijking voor ten dele verrichte prestaties? Overeenkomst in het algemeen; woningbouw in opdracht van consument (afdeling 7.12.2 BW).
UitspraakECLI:NL:HR:2016:2729
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Hoge Raad (civiele kamer)
TitelHoge Raad 02-12-2016
CiteertitelNJB 2016/2308
SamenvattingSchuldsanering. Curatele. De schuldsaneringsregeling is van toepassing verklaard ten aanzien van iemand die onder curatele is gesteld. De regeling wordt tussentijds beëindigd. Hoge Raad: 1. Bekrachtiging. Proceshandelingen van een onder curatele gestelde zijn vatbaar voor bekrachtiging. 2. Verwijtbaarheid. Indien een schuldenaar aanvoert dat hem geen verwijt kan worden gemaakt van gedragingen die op zichzelf genomen grond opleveren voor tussentijdse beëindiging, omdat hij lijdt aan een psychische aandoening, mag in beginsel van hem worden gevergd dat hij verklaart waarom zijn aandoening eraan in de weg stond – eventueel met hulp van derden – (alsnog) aan zijn verplichtingen te voldoen.
Samenvatting (Bron)WSNP. Tussentijdse beëindiging (art. 350 Fw); niet voldaan aan informatieplicht. Ontvankelijkheid cassatieberoep i.v.m. curatele die na instellen cassatieberoep is opgeheven; bekrachtiging door voormalig curandus. Invloed psychische aandoening op gedrag dat tot beëindiging leidt (verwijtbaarheid). Afzonderlijke toetsing t.a.v. gehuwden.
UitspraakECLI:NL:HR:2016:2755
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Hoge Raad (civiele kamer)
TitelHoge Raad 02-12-2016
CiteertitelNJB 2016/2309
SamenvattingSchuldsanering. Motivering. Een schuldsaneringsregeling wordt tussentijds beëindigd. Hoge Raad: Diverse motiveringsklachten slagen.
Samenvatting (Bron)WSNP. Tussentijdse beëindiging (art. 350 Fw). Sollicitatieplicht, nieuwe schuld, boedelachterstand. Verlenging looptijd schuldsaneringsregeling.
UitspraakECLI:NL:HR:2016:2754
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Hoge Raad (strafkamer)
TitelHoge Raad 29-11-2016
CiteertitelNJB 2016/2310
SamenvattingLegaliteitsbeginsel art. 1 Sr en vervallen van het vereiste dat voor ontneming in de zin van art. 36e lid 3 Sr een SFO dient plaats te hebben gevonden: het vervallen van dit vereiste houdt een uitbreiding in van de toepasselijke regels van sanctierecht. Aldus vereist art. 1 lid 1 Sr dat art. 36e lid 3 Sr in de nieuwe vorm in casu buiten toepassing blijft.Analogische toepassing van art. 80a RO: de terechte cassatieklacht hierover leidt toch niet tot cassatie wegens gebrek aan voldoende belang. Zonder nadere toelichting, welke in de schriftuur niet is gegeven, valt niet in te zien welk rechtens te respecteren belang de betrokkene is geschaad, nu vóór 1 juli 2011 op grond van art. 36e lid 2(oud) Sr ook met betrekking tot ‘soortgelijke’ feiten ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel mogelijk was zonder dat daaraan voorafgaand een strafrechtelijk financieel onderzoek was ingesteld.
Samenvatting (Bron)Profijtontneming. Staat ontbreken van voorafgaand strafrechtelijk financieel onderzoek (sfo) in de weg aan oplegging betalingsverplichting? Art. 1.1 Sr en art. 36e.3 Sr. Tot 1 juli 2011 was v.zv. i.c. van belang slechts ontneming mogelijk o.g.v. art. 36e.3 (oud) Sr indien tegen betrokkene een sfo was ingesteld en indien, gelet op dat onderzoek, aannemelijk was geworden dat het feit waarvoor betrokkene was veroordeeld of andere strafbare feiten ertoe hadden geleid dat betrokkene w.v. had verkregen. De i.w.tr. van art. 36e.3 (nieuw) Sr, waarin het vereiste dat een sfo is ingesteld is vervallen, houdt derhalve een uitbreiding in van de toepasselijke regels van sanctierecht. Gelet hierop en in aanmerking genomen dat de misdrijven waarvoor betrokkene is veroordeeld, zijn begaan vóór 1 juli 2011 en dat niet is gebleken dat jegens betrokkene een sfo is ingesteld, heeft het Hof miskend dat het in art. 1.1 Sr vervatte legaliteitsbeginsel meebrengt dat art. 36e.3 (nieuw) Sr t.a.v. betrokkene buiten toepassing dient te blijven. Het middel klaagt daarover terecht. Dit behoeft evenwel niet tot cassatie te leiden. Zonder nadere toelichting, welke in de schriftuur niet is gegeven, valt niet in te zien welk rechtens te respecteren belang betrokkene t.a.v. wie het Hof heeft geoordeeld dat hij 'door middel van het begaan van voormelde en soortgelijke feiten' w.v. tot een bedrag van 97.211,18 heeft verkregen is geschaad. Vóór 1 juli 2011 was o.g.v. art. 36e.2 (oud) Sr ook m.b.t. 'soortgelijke' feiten ontneming van w.v.v. mogelijk zonder dat daaraan voorafgaand een sfo was ingesteld. Samenhang met 14/03716.
UitspraakECLI:NL:HR:2016:2714
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Hoge Raad (strafkamer)
TitelHoge Raad 25-11-2016
CiteertitelNJB 2016/2311
SamenvattingBeklag aangaande beslag art. 552a Sv en verschoningsrecht advocaat art. 98 Sv. De Hoge Raad biedt overzicht en herhaalt HR 10 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3258, en HR 2 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BJ9262. Geschriften waarvan de inhoud nog niet aan de raadsman is medegedeeld: ook zulke geschriften kunnen in uitzonderingsgevallen object uitmaken van het verschoningsrecht van de advocaat. Daarvoor is van belang of op grond van in aanmerking komende feiten of omstandigheden aannemelijk is dat de inhoud van die geschriften daadwerkelijk bestemd is om door de cliënt aan de advocaat in de uitoefening van zijn beroep te worden toevertrouwd. Ook in zo een geval is het in beginsel aan de verschoningsgerechtigde om te beoordelen of, het voorgaande in aanmerking genomen, die geschriften object van zijn verschoningsrecht uitmaken, tenzij redelijkerwijs geen twijfel erover kan bestaan dat dit standpunt onjuist is. Procedure in beklagzaak van een beslagene die niet de verschoningsgerechtigde is: de Hoge Raad herhaalt HR 13 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3076.
Samenvatting (Bron)Beklag, verschoningsrecht advocaat en geheimhouderstukken. Art. 98, 218, 552a.7 en 552d.3 Sv. OM-cassatie en cassatie klagers. Geschriften van de hand van klager 1 (verdachte van moord op bekende Nederlandse zakenman in Bilthoven), die zijn aangetroffen in zijn cel en waarvan de inhoud nog niet aan zijn raadsman (klager 2) was meegedeeld. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2015:3258 m.b.t. omvang van het verschoningsrecht van een advocaat en ECLI:NL:HR:2010:BJ9262 m.b.t. beoordeling van de vraag of brieven of geschriften object van de bevoegdheid tot verschoning uitmaken. Ook geschriften waarvan de inhoud nog niet aan raadsman is meegedeeld, kunnen in uitzonderingsgevallen object uitmaken van het verschoningsrecht van advocaat. Rb heeft de juiste maatstaf toegepast. Rb heeft op niet onbegrijpelijke wijze en toereikend gemotiveerd geoordeeld dat drie in de cel van klager 1 aangetroffen notities zijn aan te merken als geheimhouderstukken. V.zv. klager 1 opkomt tegen het beslag herhaalt HR relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2015:3076 m.b.t. verhouding tussen beklagzaak van beslagene die niet verschoningsgerechtigde is en oordeel in beklagprocedure van verschoningsgerechtigde. Nu beslagene (klager 1) niet verschoningsgerechtigde is, dient het oordeel in de beklagzaak van verschoningsgerechtigde (klager 2) tot uitgangspunt te worden genomen. Daarin is - door de verwerping van het door klager 2 ingestelde cassatieberoep - onherroepelijk beslist dat het beroep op het verschoningsrecht m.b.t. overige inbeslaggenomen stukken ongegrond is. Derhalve is het beklag van klager 1 n-o bij gebrek aan belang. HR verklaart klager 1 n-o en verwerpt beroepen van OvJ en klager 2.
LinkVolledige tekst verwante uitspraak (recht.nl)
UitspraakECLI:NL:HR:2016:2686
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Hoge Raad (strafkamer)
TitelHoge Raad 06-12-2016
CiteertitelNJB 2016/2312
SamenvattingPoging doodslag door met kracht met mes in de buik te steken van iemand die steekwerend vest droeg, art. 45 jo 287 Sr: de enkele omstandigheid dat de toegebrachte verwonding nadien niet levensbedreigend bleek te zijn omdat het slachtoffer op het moment van steken een steekwerend vest droeg, staat niet in de weg aan het aannemen van voorwaardelijk opzet op de dood van het slachtoffer, reeds omdat de verdachte met zodanige kracht heeft gestoken dat het steekwerende vest door de messteek is doorboord. Overigens is – gelet op het toekomstgerichte karakter van een poging – zo'n bijzondere omstandigheid als het dragen van een steekwerend vest niet onverenigbaar met de voor een poging toereikende vaststelling dat het met kracht steken van een mes in de buikstreek normaal gesproken een aanmerkelijke kans op de dood doet ontstaan.
Samenvatting (Bron)Poging doodslag. Steken met een mes in de buikstreek van een slachtoffer dat een steekwerend vest droeg; aanmerkelijke kans? Het Hof heeft vastgesteld dat verdachte slachtoffer met kracht met een mes in de buikstreek heeft gestoken en heeft daaruit afgeleid dat verdachte voorwaardelijk opzet op de dood van slachtoffer had, nu het met kracht met een mes steken in de buikstreek, waar zich vitale organen bevinden, een aanmerkelijke kans op de dood oplevert en verdachte die kans bewust heeft aanvaard. Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Dat de toegebrachte verwonding nadien niet levensbedreigend bleek te zijn omdat slachtoffer op het moment van steken een steekwerend vest droeg, leidt niet tot een ander oordeel, reeds omdat het Hof heeft vastgesteld dat verdachte met zodanige kracht heeft gestoken dat het steekwerende vest door de messteek is doorboord. Overigens is, gelet op het (toekomstgerichte) karakter van een poging, zon bijz. omstandigheid als het dragen van een steekwerend vest niet onverenigbaar met de voor een poging toereikende vaststelling dat het met kracht steken van een mes in de buikstreek normaal gesproken een aanmerkelijke kans op de dood doet ontstaan.
UitspraakECLI:NL:HR:2016:2763
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Hoge Raad (strafkamer)
TitelHoge Raad 06-12-2016
CiteertitelNJB 2016/2313
SamenvattingPoging tot kinderdoodslag ingeval waarin niet zeker is dat de baby's tijdens of kort na de geboorte hebben geleefd, art. 45 jo 290 Sr: voor de vraag of in een geval als het onderhavige de poging kan worden bewezen, is van belang of is gehandeld “ter uitvoering van het door de verdachte voorgenomen misdrijf” op de grond dat de in de tenlastelegging omschreven en mitsdien te bewijzen gedragingen naar hun uiterlijke verschijningsvorm moeten worden beschouwd als te zijn gericht op de voltooiing van dat misdrijf. De enkele omstandigheid dat er onzekerheid over bestaat of de baby's leefden, doet niet af aan de mogelijkheid dat de aan de verdachte ten laste gelegde gedragingen zijn begaan ter voormelde uitvoering. Van die mogelijkheid is echter geen sprake indien de rechter aannemelijk acht dat de baby's dood ter wereld zijn gekomen.
Samenvatting (Bron)OM-cassatie. Vrijspraak poging doodslag op geboren babys omdat niet duidelijk is dat zij tijdens de poging leefden. Ondeugdelijke poging? Art. 45.1 Sr. Het Hof heeft tot uitgangspunt genomen dat voor het antwoord op de vraag of sprake is van een strafbare poging tot (kinder)doodslag van wezenlijk belang is of de baby's tijdens of kort na de geboorte hebben geleefd. Het Hof heeft geoordeeld dat dit niet met voldoende mate van zekerheid is vast te stellen. Voor de vraag of de tlgd. poging tot (kinder)doodslag kan worden bewezen, is van belang of is gehandeld "ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf" op de grond dat de in de tll. omschreven en mitsdien te bewijzen gedragingen naar hun uiterlijke verschijningsvorm moeten worden beschouwd als te zijn gericht op de voltooiing van dat misdrijf (ECLI:NL:HR:1978:AC6373, NJ 1979/52). De enkele omstandigheid dat onzekerheid bestaat omtrent het antwoord op de vraag of de baby's tijdens of kort na de geboorte leefden, doet niet af aan de mogelijkheid dat de aan verdachte tlgd. gedragingen zijn begaan "ter uitvoering van het door de verdachte voorgenomen misdrijf". Van die mogelijkheid is echter geen sprake indien de rechter aannemelijk acht dat de baby's dood ter wereld zijn gekomen. De HR casseert en verwijst de zaak naar een ander Hof.
UitspraakECLI:NL:HR:2016:2761
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Hoge Raad (strafkamer)
TitelHoge Raad 06-12-2016
CiteertitelNJB 2016/2314
SamenvattingPoging tot het dwingen tot afgifte van enig goed als bedoeld in art. 317 Sr: daarvan kan ook sprake zijn indien het goed op het moment van de uitvoeringshandeling van de poging (nog) niet tot het vermogen van het slachtoffer behoort en deze daarover (nog) geen beschikkingsmacht heeft.
Samenvatting (Bron)Poging tot afpersing, in vereniging, art. 317 Sr. HR: de klacht berust kennelijk op de opvatting dat geen sprake kan zijn van een poging tot het dwingen tot afgifte van enig goed a.b.i. art. 317 Sr, indien het goed op het moment van de uitvoeringshandeling van de poging (nog) niet tot het vermogen van het slachtoffer behoort en deze daarover (nog) geen beschikkingsmacht heeft. Die opvatting is echter onjuist.
UitspraakECLI:NL:HR:2016:2776
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Hoge Raad (strafkamer)
TitelHoge Raad 06-12-2016
CiteertitelNJB 2016/2315
SamenvattingOpzettelijk niet voldoen aan een bevel of een vordering in de zin van art. 184 Sr om zich uit een door de burgemeester aangewezen dealeroverlastgebied te verwijderen en zich daar niet meer te bevinden: het voert te ver het (voorwaardelijk) opzet van de verdachte erop te baseren dat hij heeft nagelaten nader onderzoek te doen nadat door de politie aan de verdachte mededelingen zijn gedaan omtrent (1) het voornemen van de politie hem voor te dragen voor een gebiedsverbod, (2) de op politie-ervaring gebaseerde prognose van de uitkomst van zo een voordracht, en (3) de wijze waarop een gebiedsverbod zou worden bekendgemaakt. Dit is niet anders wanneer in aanmerking wordt genomen dat de verdachte heeft verklaard die mededelingen te hebben begrepen. A-G: anders.
Samenvatting (Bron)OM-cassatie. Vrijspraak van handelen i.s.m. art. 184.1 Sr wegens overtreding van een ex art. 2.9A APV Amsterdam 2008 uitgevaardigde gebiedsverbod. Een veroordeling t.z.v. art. 184.1. Sr kan slechts volgen indien verdachte opzettelijk heeft gehandeld. Het Hof heeft in aanmerking genomen dat door de politie aan verdachte mededelingen zijn gedaan omtrent het voornemen van de politie hem voor te dragen voor een gebiedsverbod, de op politie-ervaring gebaseerde prognose van de uitkomst van zon voordracht, en de wijze waarop een gebiedsverbod zou worden bekendgemaakt. s Hofs oordeel dat het te ver voert het (voorwaardelijk) opzet van verdachte erop te baseren dat hij heeft nagelaten nader onderzoek te doen nadat hem de mededelingen waren gedaan, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Ook niet indien in aanmerking wordt genomen dat verdachte heeft verklaard de mededelingen te hebben begrepen. Cag: anders.
UitspraakECLI:NL:HR:2016:2766
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Hoge Raad (strafkamer)
TitelHoge Raad 06-12-2016
CiteertitelNJB 2016/2316
SamenvattingOogmerk van uitbuiting art. 273f lid 1 aanhef en onder 1º Sr: voor de vervulling van de delictsomschrijving van deze bepaling is niet nodig dat de ander daadwerkelijk wordt uitgebuit; het oogmerk van uitbuiting van die ander volstaat. Aan vervulling van deze delictsomschrijving staat aldus niet in de weg dat betrokkene na overbrenging naar Nederland niet het door de verdachte en zijn mededaders beoogde werk heeft verricht (prostitutie). Bestanddelen “misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht” en “misbruik van een kwetsbare positie” uit art. 273f lid 1 aanhef en onder 1º Sr: nu betrokkene op het moment dat zij naar Nederland kwam om te werken noch over voldoende financiële middelen noch over woonruimte beschikte en dat zij de Nederlandse taal niet machtig was, kon het hof tot het oordeel komen dat betrokkene zich op dat moment ten opzichte van de verdachte in een afhankelijke positie bevond en dat bij de verdachte bij het werven, vervoeren, overbrengen en huisvesten van betrokkene derhalve genoemde bestanddelen zijn vervuld.
Samenvatting (Bron)Mensenhandel. Art. 273f.1.1 Sr. Misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en misbruik van een kwetsbare positie a.b.i art. 273f.1.1 Sr? HR herhaalt ECLI:NL:HR:2009:BI7099: voor de vervulling van de delictsomschrijving is niet nodig dat de ander daadwerkelijk wordt uitgebuit; het oogmerk van uitbuiting van die ander volstaat. Dat X na overbrenging naar NL niet het door verdachte en zijn mededaders beoogde werk heeft verricht (prostitutie) staat aan vervulling van de delictsomschrijving niet in de weg. Het Hof heeft vastgesteld dat X op het moment dat zij naar NL kwam om te werken noch over voldoende financiële middelen noch over woonruimte beschikte en dat zij de NL-taal niet machtig was. s Hofs oordeel dat uit deze feitelijke omstandigheden volgt dat X zich op dat moment t.o.v. verdachte en de mededaders in een afhankelijke positie bevond en dat bij verdachte en de mededaders bij het werven, vervoeren, overbrengen en huisvesten van X derhalve sprake was van misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en misbruik van de kwetsbare positie van X a.b.i. art. 273f.1.1 Sr, geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd.
UitspraakECLI:NL:HR:2016:2771
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Hoge Raad (strafkamer)
TitelHoge Raad 19-02-2016
CiteertitelNJB 2016/2317
SamenvattingBehoorlijke en effectieve gelegenheid tot het stellen van vragen aan getuige op moment waarop verdediging niet de beschikking heeft over het volledige dossier, art. 6 lid 3 aanhef en onder d EVRM: i.c. geen schending van deze bepaling nu de verdediging – kort gezegd – al wel over voldoende informatie beschikte met het oog op het verhoor van de getuige.
Samenvatting (Bron)HR verklaart het beroep in cassatie n-o.
UitspraakECLI:NL:HR:2016:276
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Hoge Raad (strafkamer)
TitelHoge Raad 19-02-2016
CiteertitelNJB 2016/2318
SamenvattingVolstaan met opgave van bewijsmiddelen bij bekentenis verdachte van het bewezenverklaarde in een geval waarin het gaat om roekeloosheid, art. 359 lid 3 Sv: i.c. dekt de bekennende verklaring van verdachte niet alle eisen af die worden gesteld aan een bewezenverklaring van roekeloosheid in de zin van art. 6 jo art. 175 lid 3 WVW 1994.
Samenvatting (Bron)HR verklaart het beroep in cassatie n-o.
UitspraakECLI:NL:HR:2016:277
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Hoge Raad (strafkamer)
TitelHoge Raad 06-12-2016
CiteertitelNJB 2016/2319
SamenvattingBewijsuitsluiting vanwege onrechtmatige voortzetting van het opnemen van telecommunicatie, art. 359a Sv: i.c. ontoereikend gemotiveerd oordeel van het hof dat aan het vormverzuim het rechtsgevolg van bewijsuitsluiting moet worden verbonden, reeds omdat van een op het geval toegesneden afweging van in aanmerking te nemen factoren geen blijk is gegeven.
Samenvatting (Bron)OM-cassatie. Zonder bevel voortzetten van het opnemen van telecommunicatie. Vormverzuim, bewijsuitsluiting. Art. 359a Sv. HR herhaalt ECLI:NL:HR:2013:BY5321. s Hofs oordeel dat sprake is van onherstelbaar vormverzuim is in cassatie niet (voldoende) bestreden, zodat daarvan moet worden uitgegaan. Zijn oordeel dat aan het vormverzuim het rechtsgevolg van bewijsuitsluiting moet worden verbonden, is niet toereikend gemotiveerd, reeds omdat van een op het geval toegesneden afweging van in aanmerking te nemen factoren geen blijk is gegeven. Cassatie verdachte: HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 15/00606 en 15/00810.
UitspraakECLI:NL:HR:2016:2768
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Hoge Raad (strafkamer)
TitelHoge Raad 06-12-2016
CiteertitelNJB 2016/2320
SamenvattingBewijsuitsluiting vanwege het “niet tijdig en naar behoren” informeren van de verdachte over de (gebrekkig uitgevoerde) inzet van een informant, art. 359a Sv: i.c. ontoereikend gemotiveerd oordeel van het hof, waartoe mede relevant is dat het Hof in zijn overwegingen niet heeft duidelijk gemaakt waarom het – reeds vóór de inhoudelijke behandeling van de strafzaak – herstelde verzuim heeft tekortgedaan aan het recht van de verdachte op een eerlijke behandeling van zijn zaak. Overigens kan bewijsuitsluiting als in art. 359a Sv voorzien rechtsgevolg uitsluitend aan de orde komen indien het bewijsmateriaal door het verzuim is verkregen.
Samenvatting (Bron)OM-cassatie. Vormverzuim, bewijsuitsluiting. Art. 359a Sv. Het Hof heeft geoordeeld dat sprake is van een onherstelbaar vormverzuim i.v.m. het niet tijdig en naar behoren informeren van verdachte over de inzet van een informant. s Hofs oordeel dat bewijsuitsluiting het rechtsgevolg moet zijn van het door het Hof aangenomen verzuim is niet naar behoren met redenen omkleed. De HR neemt daarbij in aanmerking dat het Hof in zijn overwegingen niet heeft duidelijk gemaakt waarom het reeds voor de inhoudelijke behandeling van de strafzaak herstelde verzuim heeft tekortgedaan aan het recht van verdachte op een eerlijke behandeling van zijn zaak. Het oordeel van het Hof dat zich hier het geval voordoet dat het (uitgesloten) bewijsmateriaal door het verzuim is verkregen, is eveneens ontoereikend gemotiveerd. Samenhang met 15/05957 en 16/01205. Vervolg op ECLI:NL:HR:2014:637.
UitspraakECLI:NL:HR:2016:2777
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Hoge Raad (belastingkamer)
TitelHoge Raad 18-11-2016
CiteertitelNJB 2016/2321
SamenvattingVerzoek om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn behoeft niet te worden gemotiveerd. (Zie ook ECLI:NL:HR:2016:2627, Hoge Raad, 18-11-2016, 15/04910)
Samenvatting (Bron)Vennootschapsbelasting. Art. 8:73 Awb (oud). Verzoek om immateriële schadevergoeding behoeft niet te worden gemotiveerd.
Pagina
UitspraakECLI:NL:HR:2016:2604
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Hoge Raad (belastingkamer)
TitelHoge Raad 25-11-2016
CiteertitelNJB 2016/2322
Samenvatting1. Unierechtelijke beginsel van eerbiediging van de rechten van de verdediging. Aangezien de rechtbank mede op verzoek van de belastingplichtige in de zaak heeft voorzien, kan belanghebbende zich niet meer met vrucht beroepen op schending van het verdedigingsbeginsel door ten onrechte niet-horen in bezwaarfase. 2. Omgaan Hoge Raad. Notariële akte van levering is geen factuur in de zin van art. 37 Wet OB; Hoge Raad komt terug van arresten BNB 1985/44, ECLI:NL:HR:1984:AW8416 en HR 1 november 1990, nr. 26.127, BNB 1990/66.
Samenvatting (Bron)Omzetbelasting; Unierechtelijke beginsel van eerbiediging van de rechten van de verdediging; artt. 35 en 37 Wet OB; direct invorderbare naheffingsaanslag; het tegen de naheffingsaanslag gemaakte bezwaar heeft de inspecteur ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard; de rechtbank voorziet mede op verzoek van de belastingplichtige in de zaak; geen schending van het verdedigingsbeginsel; notariële akte van levering is geen factuur in de zin van art. 37 Wet OB; HR komt terug van arresten BNB 1985/44 en BNB 1990/66.
UitspraakECLI:NL:HR:2016:2664
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Hoge Raad (belastingkamer)
TitelHoge Raad 25-11-2016
CiteertitelNJB 2016/2323
SamenvattingANBI-status voor uitgever katholiek nieuwsblad? Het hanteren van een prijs die door abonnees als een in het economische verkeer gebruikelijke prijs wordt ervaren, verhindert niet aan te nemen dat de belanghebbende (nagenoeg) uitsluitend het algemeen nut beoogt. Oordeel hof dat belanghebbende niet aan de wettelijke eis voldoet dat zij met haar feitelijke werkzaamheden rechtstreeks en primair een algemeen nut dient te beogen, wordt gecasseerd omdat het uitgeven van het nieuwsblad ten dienste staat van het verkondigen van een katholieke boodschap.
Samenvatting (Bron)Art. 5b AWR. ANBI. Commerciële tarieven? Het hanteren van een prijs die door abonnees als een in het economische verkeer min of meer normale, gebruikelijke prijs voor het blad ervaren, verhindert niet aan te nemen dat de belanghebbende uitsluitend of nagenoeg uitsluitend het algemeen nut beoogt in de zin van art. 5b, lid 1, aanhef en letter a, onder 1o, AWR.
UitspraakECLI:NL:HR:2016:2668
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Hoge Raad (belastingkamer)
TitelHoge Raad 25-11-2016
CiteertitelNJB 2016/2324
SamenvattingAlgemene bestuursrechter of belastingrechter bevoegd? Fiscale gesloten stelsel rechtsmiddelen. Beslissing op art. 40-Wet WOZ-verzoek is (gelijk te stellen met) een ingevolge de belastingwet genomen besluit. Tegen een dergelijke beslissing staat geen bezwaar open. Beoordeling moet plaatsvinden in de procedure tegen de waardevaststelling. Hof heeft zich ten onrechte onbevoegd verklaard.
Samenvatting (Bron)Art. 40 Wet WOZ (tekst tot 1 oktober 2016). Tegen een besluit op een verzoek op de voet van artikel 40 Wet WOZ staat geen bezwaar open. Beoordeling verzoek moet plaatsvinden in de procedure tegen de waardevaststelling.
UitspraakECLI:NL:HR:2016:2667
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Hoge Raad (belastingkamer)
TitelHoge Raad 25-11-2016
CiteertitelNJB 2016/2325
SamenvattingOverschrijding beroepstermijn door opgewekt vertrouwen inspecteur verschoonbaar. Tweemaal een geschrift met uitspraak op bezwaarschrift.
Samenvatting (Bron)Artikel 6:11 Awb. Overschrijding beroepstermijn door opgewekt vertrouwen Inspecteur verschoonbaar. Art. 5.3 IB 2001 en art. 1 Eerste Protocol bij het EVRM. Vermogensrendementsheffing voor het jaar 2011 blijft in stand (vgl. HR, BNB 2016/177).
UitspraakECLI:NL:HR:2016:2662
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Hoge Raad (belastingkamer)
TitelHoge Raad 02-12-2016
CiteertitelNJB 2016/2326
SamenvattingRechtseenheid. Door medewerker van de Belastingdienst deponeren van een geschrift met beschikking in de brievenbus van belanghebbende vormt toezenden of uitreiken in de zin van art. 3:41 Awb. Bewijslast.
Samenvatting (Bron)Art. 3:41 Awb. Door medewerker van de Belastingdienst deponeren van een informatiebeschikking in de brievenbus van belanghebbende vormt toezenden of uitreiken in de zin van deze bepaling.
UitspraakECLI:NL:HR:2016:2731
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Hoge Raad (belastingkamer)
TitelHoge Raad 02-12-2016
CiteertitelNJB 2016/2327
SamenvattingAmbtshalve te verrichten onderzoek naar mogelijke gronden voor verschoonbaarheid van het niet (tijdig) betalen van griffierecht? Vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding redelijke termijn bij niet-ontvankelijkverklaring van het beroep door de rechtbank?
Samenvatting (Bron)Art. 8:41, lid 6, Awb; Ambtshalve te verrichten onderzoek naar mogelijke gronden voor verschoonbaarheid van het niet (tijdig) betalen van griffierecht? Vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding redelijke termijn bij niet-ontvankelijkverklaring van het beroep door de rechtbank?
UitspraakECLI:NL:HR:2016:2712
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Hoge Raad (belastingkamer)
TitelHoge Raad 02-12-2016
CiteertitelNJB 2016/2328
SamenvattingBelastingkamer Hoge Raad wijkt expliciet af van rechtsoverweging in onlangs gewezen arrest civiele kamer Hoge Raad met betrekking tot bevoegdheid van de belastingrechter en burgerlijke rechter. Niet de belastingrechter maar de burgerlijke rechter is bevoegd met betrekking tot de toepassing van bepaalde bepalingen in de Invorderingswet 1990 betreffende kwijtschelding en uitstel van betaling.
Samenvatting (Bron)Artikel 25 en 26 Invorderingswet 1990. Anders dan de Hoge Raad heeft overwogen in onderdeel 3.6 van HR 12 augustus 2016, nr. 15/01496, ECLI:NL:HR:2016:1928, BNB 2016/220 is niet de belastingrechter maar de burgerlijke rechter bevoegd om kennis te nemen van een beroep inzake de toepassing van deze bepalingen.
UitspraakECLI:NL:HR:2016:2735
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Raad van State
TitelRaad van State 26-10-2016
CiteertitelNJB 2016/2329
SamenvattingAnders dan voorheen, is de Afdeling van oordeel dat ook omstandigheden die bij het opstellen van een beleidsregel zijn verdisconteerd, bijzondere omstandigheden kunnen zijn die nopen tot afwijking van de beleidsregel.
Samenvatting (Bron)Bij besluit van 3 februari 2015 heeft de burgemeester onder aanzegging van bestuursdwang gelast de woning aan de [locatie] in Breda (hierna: de woning) met ingang van 17 februari 2015 voor de duur van drie maanden te sluiten en gesloten te houden.
UitspraakECLI:NL:RVS:2016:2840
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Raad van State
TitelRaad van State 09-11-2016
CiteertitelNJB 2016/2330
SamenvattingOvertreding Arbowet door zorgstichting. Afdeling matigt boete met 50%.
Samenvatting (Bron)Bij besluit van 23 december 2013 heeft de minister aan de stichting een bestuurlijke boete opgelegd van 100.800,00 voor acht overtredingen van het Arbeidsomstandighedenbesluit (hierna: het Arbobesluit).
UitspraakECLI:NL:RVS:2016:2962
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Raad van State
TitelRaad van State 23-11-2016
CiteertitelNJB 2016/2331
SamenvattingWaarnemen van oranje gloed als gevolg van assimilatiebelichting maakt appellant belanghebbende bij besluit over rozenkwekerij.
Samenvatting (Bron)Bij besluit van 21 oktober 2014 heeft het college voor de inrichting van Rozenkwekerij Marjoland B.V. maatwerkvoorschriften met betrekking tot de afscherming van assimilatiebelichting vastgesteld.
UitspraakECLI:NL:RVS:2016:3100
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Raad van State
TitelRaad van State 30-11-2016
CiteertitelNJB 2016/2332
SamenvattingToepassing naar analogie van art. 4:15 Awb indien bij aanvraag om herziening bestemmingsplan onvoldoende gegevens zijn overgelegd om een beslissing te nemen op die aanvraag.
Samenvatting (Bron)[appellant A] en [appellant B] hebben beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit door de raad op hun aanvraag van 22 juli 2014 om het bestemmingsplan "Buitengebied 2009, herziening fase 1A" te herzien voor zover het betreft het perceel [locatie 1] ongenummerd te Hulsel.
UitspraakECLI:NL:RVS:2016:3189
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Centrale Raad van Beroep
TitelCentrale Raad van Beroep 18-10-2016
CiteertitelNJB 2016/2333
SamenvattingOnderzoek naar bezit in het buitenland. Gerechtvaardigde inbreuk op het privéleven.
Samenvatting (Bron)Intrekking en terugvordering bijstand. Verzwegen woning in Turkije. Onderzoek niet in strijd met recht op privacy. De brochure/handleiding onderzoek is geen beleid. Geen onrechtmatig bewijs.
UitspraakECLI:NL:CRVB:2016:4428
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Centrale Raad van Beroep
TitelCentrale Raad van Beroep 18-10-2016
CiteertitelNJB 2016/2334
SamenvattingOnderzoek naar bezit buiten Nederland. Steekproef. Er is geen grond voor het oordeel dat de SVB ten aanzien van appellante heeft gehandeld in strijd met het discriminatieverbod.
Samenvatting (Bron)Intrekking AIO-uitkering. Verzwegen onroerend goed in Turkije. De pilot met steekproef is niet discriminerend. Geen sprake van onrechtmatig huisbezoek. Gebruik van het woord "directe" gevolgen voor onderzoek in het kader van "informed consent".
UitspraakECLI:NL:CRVB:2016:4432
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Centrale Raad van Beroep
TitelCentrale Raad van Beroep 22-11-2016
CiteertitelNJB 2016/2335
SamenvattingUitleg wettelijke bepaling. Kennelijke misslag of omissie wetgever.
Samenvatting (Bron)Kennelijke misslag of omissie van wetgever waardoor gehuwde IOAW-gerechtigde als alleenstaande wordt aangemerkt. Bedoeling wetgever gaat voor letterlijke wettekst. Geen recht op IOAW naar norm alleenstaande.
UitspraakECLI:NL:CRVB:2016:4556
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Centrale Raad van Beroep
TitelCentrale Raad van Beroep 06-12-2016
CiteertitelNJB 2016/2336
SamenvattingZorgbehoevende bijstandsgerechtigde die samenwoont met haar zorgverlener. In die situatie worden een samenwonende broer en zus voor de bijstand niet als gehuwden beschouwd. Er is geen rechtvaardiging voor verschillende behandeling van samenwonende tweedegraadsbloedverwanten (zoals broers en zussen) en andere ongehuwd samenwonenden, indien een van hen zorgbehoevend is.
Samenvatting (Bron)De Raad heeft uitspraak gedaan over een zorgbehoevende bijstandsgerechtigde die samenwoont met haar zorgverlener. In die situatie worden een samenwonende broer en zus voor de bijstand niet als gehuwden beschouwd. De Raad heeft geoordeeld dat er geen rechtvaardiging is voor verschillende behandeling van samenwonende tweedegraadsbloedverwanten (zoals broers en zussen) en andere ongehuwd samenwonenden, indien één van hen zorgbehoevend is. Betrokkene heeft in beginsel recht op bijstand als alleenstaande.
UitspraakECLI:NL:CRVB:2016:4487
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - College van Beroep voor het bedrijfsleven
TitelCollege van Beroep voor het bedrijfsleven 01-12-2016
CiteertitelNJB 2016/2337
SamenvattingAccountantstucht. Indien een deelneming binnen een groep wordt verhangen geldt voor de rechtspersoon die de deelneming verwerft naar de letter van de wet niet de verplichting tot het vormen van een wettelijke reserve deelneming, ontstaan door een voorafgaand aan het verhangen geherwaardeerd actief van de deelneming. De controlerend accountant die een dergelijke verwerking in de jaarrekening goedkeurt, handelt niet tuchtrechtelijk verwijtbaar.
Samenvatting (Bron)Accountantstucht: controle van jaarrekening, onvoldoende grondslag voor een goedkeurende verklaring omdat het onjuiste uitgangspunt in het taxatierapport inzake de grondpositie onopgemerkt is gebleven; artikel 2:389 BW biedt geen aanknopingspunt voor het opnemen van een wettelijke reserve na verhanging deelneming binnen de groep; de accountant had actief en kritisch inlichtingen moeten vragen over de aandeelhouders(verhoudingen) binnen de groep.
UitspraakECLI:NL:CBB:2016:377
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - College van Beroep voor het bedrijfsleven
TitelCollege van Beroep voor het bedrijfsleven 01-12-2016
CiteertitelNJB 2016/2338
SamenvattingGeschilbesluit. Ten onrechte in rekening gebrachte aansluit- en transporttarieven? Begrip aansluiting. Eerste en Tweede Elektriciteitslijn. Niet-discriminerende toegang tot het net. Dobbestroom-jurisprudentie.
Samenvatting (Bron)Geschilbesluit. Ten onrechte in rekening gebrachte aansluit- en transporttarieven? Begrip aansluiting. Eerste en Tweede Elektriciteitslijn. Niet-discriminerende toegang tot het net. Dobbestroom-jurisprudentie.
UitspraakECLI:NL:CBB:2016:350
Artikel aanvragenVia Praktizijn