Delikt en Delinkwent

Uitgever Wolters Kluwer
Tijdschrift Delikt en Delinkwent
Datum 12-02-2017
Aflevering 2
RubriekEditorial
TitelWraking over individuele rechtsbescherming en bescherming van de integriteit van de strafrechtsbedeling
CiteertitelDD 2017/8
SamenvattingIn de strafrechtspleging kunnen sancties worden opgelegd die het leven van de betrokkenen radicaal en definitief beïnvloeden. Dergelijke ingrijpende straffen kunnen dan ook alleen worden opgelegd na een proces dat aan diverse normatieve eisen moet voldoen. Het EVRM waarborgt voor iedere verdachte bijvoorbeeld een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat bij de wet is ingesteld (artikel 6 lid 1 EVRM).
Auteur(s)M.S. Groenhuijsen
LinkVolledige tekst artikel (uvt.nl)
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekArtikel
TitelDe straffende burgemeester: een gevaar voor het strafrecht?
CiteertitelDD 2017/9
SamenvattingDe gedachte dat misdaad uitsluitend dient te worden bestreden door middel van de inzet van het strafrecht is reeds lange tijd verlaten. Er was sprake van overbelast geraakt strafrecht en een hiermee gepaard gaand handhavingstekort. Van het bestuursrecht wordt ook een bijdrage verwacht en de gedachte is dat het bestuur een eigen verantwoordelijkheid heeft ten aanzien van de (preventieve) handhaving. In de criminologie wordt deze ontwikkeling aangeduid als responsabilisering: om criminaliteitsrisico’s te weren worden ook niet-strafrechtelijke actoren betrokken bij de bestrijding van criminaliteit, zoals de lokale overheid. De meest zichtbare bestuurlijke actor is de burgemeester. Deze burgemeester krijgt volgens sommigen steeds meer de rol van ‘veiligheidsbaas’
Auteur(s)B. van der Vorm
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekBoekbespreking
TitelThe Contours of International Prosecutions; As Defined by Facts, Charges, and Jurisdiction
CiteertitelDD 2017/10
SamenvattingHoe kan een strafrechtelijke aanklacht inzake internationale misdrijven fatsoenlijk worden afgebakend? Het is de vraag die centraal staat in het proefschrift van Elinor Fry dat zij op 2 december 2015 in het openbaar verdedigde aan de Vrije Universiteit Amsterdam. Het is een relevante en urgente vraag waarmee rechterlijke autoriteiten van de internationale straftribunalen en het Internationaal Strafhof (ICC) geworsteld hebben en nog steeds worstelen. Internationale misdrijven representeren systeemcriminaliteit in optima forma. Doorgaans worden zij gepleegd door een groot aantal daders die al dan niet samenwerken, er vallen veel slachtoffers en ze worden vaak gedurende langere termijn over een geografisch uitgestrekt gebied gepleegd. Het strafrecht dat het vizier richt op individuen en concrete gebeurtenissen heeft het daar uiteraard moeilijk mee. Alsof dit allemaal al niet complex genoeg is, is de internationale strafrechtspleging gestoeld op een taakverdeling tussen internationale straftribunalen of –hoven en nationale rechterlijke instanties. Bij het ICC staat die competentieverdeling in de sleutel van het complementariteitsbeginsel dat uitgaat van het primaat van nationale instanties en het Strafhof pas toestaat in te grijpen als de staat geen enkele aanstalten maakt om een strafrechtelijk onderzoek te starten dan wel klaarblijkelijk onmachtig of onwillig is om een onderzoek of vervolging te entameren. Bij de internationale straftribunalen was het net andersom: daar speelden de internationale instanties de eerste viool. Er moet voor worden gewaakt dat internationale en nationale rechters niet in elkaars vaarwater terechtkomen en dat brengt onvermijdelijk ook afbakeningsproblemen met zich.
Auteur(s)H.G. van der Wilt
LinkVolledige tekst proefschrift (vu.nl)
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekBoekbespreking
TitelStoornis en strafuitsluiting. Op zoek naar een toetsingskader voor ontoerekenbaarheid
CiteertitelDD 2017/11
SamenvattingOp 13 april 2016 verdedigde Johannes Bijlsma zijn proefschrift aan de VU Amsterdam. De graad van doctor werd hem cum laude verleend. In artikel 39 Sr is de schulduitsluitingsgrond waaraan het proefschrift is gewijd als volgt verwoord: “Niet strafbaar is hij die een feit begaat, dat hem wegens de gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens niet kan worden toegerekend.”
Auteur(s)P.C. Vegter
LinkVolledige tekst proefschrift (vu.nl)
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRubrieken
TitelJeugdrecht en jeugdbescherming
CiteertitelDD 2017/12
SamenvattingMet onder meer aandacht voor: Bescherming 16- en 17-jarigen tegen seksuele exploitatie, Vrijstelling van leerplicht wordt moeilijker, Dakloze jongeren.
Auteur(s)H. Creemers , I. Wissink
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRubrieken
TitelBehandelen en straffen
CiteertitelDD 2017/13
SamenvattingMet onder meer aandacht voor: Celcapaciteit DJI, Rechtspraak rechtspositie van gedetineerden, Plaatsing en overplaatsing.
Auteur(s)F. Koenraadt , B.C.M. Raes
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak
TitelJihadisme en TBS
CiteertitelDD 2017/14
SamenvattingDe borderline baas, de psychopaat-van-een-ex en de dreumes met ADHD. Niets is menselijker dan hetgeen ons niet bevalt aan anderen af te doen als psychische ziekte. Een menselijke eigenschap, maar wel één die onmenselijke gevolgen kan hebben. Zeker wanneer dit pathologiseren op grotere schaal gebeurt. Door de overheid bijvoorbeeld. Wie het niet eens was met Brezjnev of Ceausescu, werd voor gek verklaard en opgesloten. Nog steeds is misbruik van psychiatrie voor politieke doeleinden een wereldwijd probleem. Diagnosticeerden psychiaters in de Sovjet Unie politieke dissidenten nog met een zelf verzonnen ‘ziekte’, de Rechtbank Rotterdam lijkt een andere benadering te kiezen. Op 29 augustus 20165 wijst zij een vonnis waarin een jihadist TBS krijgt opgelegd. De hiervoor vereiste stoornis6 is echter ver te zoeken. Een uitspraak als deze roept vragen op. Zoals: is er echt geen stoornis geconstateerd in deze zaak? En: biedt de wet misschien ruimte voor TBS zonder stoornis? Maar ook: is dit een incident? Of krijgen jihadisten zonder stoornis vaker TBS opgelegd? Een bevestigend antwoord op de laatste vraag zou immers een aanwijzing kunnen zijn dat het jihadisme zelf als een soort stoornis wordt beschouwd.
Auteur(s)M.J.M. Krabbe
UitspraakECLI:NL:RBROT:2016:6681
Artikel aanvragenVia Praktizijn