Delikt en Delinkwent

Uitgever Wolters Kluwer
Tijdschrift Delikt en Delinkwent
Datum 13-03-2017
Aflevering 3
RubriekEditorial
TitelWilders: voor de zoveelste keer…
CiteertitelDD 2017/150
SamenvattingDe zaak Wilders heeft veel stof doen opwaaien. Zoals bekend, stond in de verhitte discussies doorgaans de vraag centraal of Wilders’ uitlatingen over Marokkanen binnen de bandbreedte van het recht op vrijheid van meningsuiting vielen en of politici zich op dit punt nu meer of juist minder kunnen permitteren. Het debat kreeg daarmee ook een vrij sterk staatsrechtelijke insteek, omdat Wilders voortdurend beweerde dat hij een maatschappelijk probleem benoemde dat nu door de rechterlijke macht werd afgekapt. Zowel de rechterlijke onafhankelijkheid en onpartijdigheid als het principe van de machtenscheiding zouden daarmee onder druk komen te staan.
Auteur(s)H.G. van der Wilt
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekArtikel
TitelDe invloed van de strafrechter op de bijkomende gevolgen van de straf
CiteertitelDD 2017/16
SamenvattingPleidooi voor een meer integrale benadering tussen de straftoemetingsbeslissing en de bestuursrechtelijke beslissing.
Auteur(s)S. Meijer
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekReactie
TitelReactie op: R. Robroek ‘De motivering van de voorlopige hechtenis in Nederland en het EVRM’, DD 2017/7
CiteertitelDD 2017/17
SamenvattingDe Rotterdamse collega’s Van den Emster, Janssen en Trotman hebben in 2013 in Strafblad kritische kanttekeningen geplaatst bij de Nederlandse praktijk van de voorlopige hechtenis. Deze kanttekeningen zijn niet zonder gevolgen gebleven. Op basis van eigen ervaringen en wat ik hoor van advocaten worden beslissingen inzake voorlopige hechtenis beter gemotiveerd en wordt voorlopige hechtenis minder vaak en/of minder lang toegepast. Alhoewel er nog steeds discussie plaatsvindt wordt deze ontwikkeling als overwegend positief ervaren.
Auteur(s)R. van de Water
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekNaschrift
TitelNaschrift bij: R. Robroek ‘De motivering van de voorlopige hechtenis in Nederland en het EVRM’, DD 2017/7
CiteertitelDD 2017/18
SamenvattingGraag ga ik in op de door de redactie geboden gelegenheid om te reageren op de reactie van Van de Water op mijn bijdrage aan de rechtspraakrubriek ‘De motivering van de voorlopige hechtenis in Nederland en het EVRM’ (DD 2017/7). Daarin kan ik tamelijk kort zijn omdat Van de Water helaas niet ingaat op de kern van mijn verhaal namelijk de uit het EVRM en de jurisprudentie van het EHRM voortvloeiende verplichtingen ten aanzien van de motivering.
Auteur(s)R. Robroek
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekBoekbespreking
TitelM.J. Borgers, Bij nader inzien, Afscheidsrede Vrije Universiteit Amsterdam, 22 januari 2016, Deventer: Wolters Kluwer 2016
CiteertitelDD 2017/19
Samenvattingorgers op 22 januari 2016 afscheid als hoogleraar strafrecht aan de Vrije Universiteit. In zijn rede onderzoekt Borgers de vraag naar de verwerking van ‘nader inzicht’ bij de wetgever. En dan met name als dat nader inzicht leidt tot de wens van een nadere, andere of aanvullende uitleg en inrichting van regelgeving op het gebied van straf- en strafprocesrecht door de wetgever of toepassing daarvan door de strafrechter dan de wetgever aanvankelijk voor ogen heeft gestaan of wenselijk achtte. Het is Borgers daarbij vooral over de interactie tussen wetgever en rechter te doen. Voor wat betreft de positie van de wetgever sluit Borgers met zijn rede aan bij zijn eerdere publicaties over dit thema.2 Voor wat betreft de positie van de strafrechter is zijn rede ook op de toekomst gericht nu hij immers sedert zijn afscheid deel uitmaakt van de strafkamer van de Hoge Raad. Die ‘overgang’ is ook voor wat betreft de titel van de rede van belang; menigeen zal zich die januarimiddag naar de VU hebben begeven met de vraag of de titel er niet op duidt dat Borgers toch alsnog aan een leven in de wetenschap de voorkeur zou geven. Hij zou als wetenschapper van betekenis zijn gebleven, hetgeen in een tijd van ingrijpende modernisering van het straf- en strafprocesrecht niet onbelangrijk is.
Auteur(s)P.A.M. Mevis
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRubrieken
TitelRubriek: Europees strafrecht
CiteertitelDD 2017/20
SamenvattingDeze rubriek bestrijkt de periode 1 juli 2016 – 1 januari 2017. De vorige rubriek werd gepubliceerd in het septembernummer van 2016 (DD 2016/52). Met onder meer aandacht voorde oprichting Europees Openbaar Ministerie.
Auteur(s)J. Altena-Davidsen
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRubrieken
TitelRubriek: Internationale strafrechtelijke samenwerking
CiteertitelDD 2017/21
SamenvattingDeze rubriek bestrijkt de periode 1 juli 2016 tot 1 januari 2017. De vorige rubriek verscheen in het september-nummer van DD 2016/51, p. 552-556. Met onder meer aandacht voor het WOTS-verdrag met de Dominicaanse Republiek.
Auteur(s)T. Kraniotis
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak
TitelStructurele vormverzuimen: een structureel probleem?
CiteertitelDD 2017/22
SamenvattingZoals inmiddels alom bekend, heeft de Hoge Raad de teugels ten aanzien van de toepassing van artikel 359a Sv in de loop der tijd stevig aangetrokken. Over de wenselijkheid daarvan wordt verschillend gedacht en deze benadering is in zowel literatuur als praktijk voortdurend onderwerp van discussie. De bescherming van de subjectieve rechten van de verdachte staat in de rechtspraak van ons hoogste rechtscollege centraal, eerst en vooral het recht van de verdachte op een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM. Pas als dat laatste niet meer mogelijk is, komt niet-ontvankelijkheid van het OM als rechtsgevolg in beeld. Ook bewijsuitsluiting wordt met name van stal gehaald in de gevallen waarin bewijs verkregen is in strijd met artikel 6 EVRM, mede als gevolg van het feit dat staande rechtspraak is dat aan een kale schending van artikel 8 EVRM geen rechtsgevolgen behoeven te worden verbonden als het recht op een eerlijk proces wordt gewaarborgd. Voor andere doelen – bijvoorbeeld het voorkomen dat de overheid ‘profiteert’ van het overtreden van tot haar gerichte normen in eenzelfde procedure waarin zij een burger verwijt een norm te hebben overtreden – die toepassing van artikel 359a Sv zou kunnen dienen, lijkt in elk geval ten aanzien van de twee voornoemde rechtsgevolgen weinig oog te bestaan. Mede daarom is al geruime tijd gemeengoed dat de Hoge Raad ook het controleren van de politie en het OM niet als een van de voornaamste taken van de strafrechter ziet.
Auteur(s)J.S. Nan , D. Bektesevic
LinkVolledige tekst artikel (deroosenpen.nl)
Artikel aanvragenVia Praktizijn