Nederlands Juristenblad

Uitgever Wolters Kluwer
Tijdschrift Nederlands Juristenblad
Datum 15-11-2017
Aflevering 40
RubriekVooraf
TitelMassaschade en de regelende rechter
CiteertitelNJB 2017/2138
SamenvattingIs afd. 6.1.10 BW klaar voor de collectieve schadevergoedingsactie?
Auteur(s)T. Hartlief
LinkVolledige tekst artikel (njb.nl)
LinkVolledige tekst wetsvoorstel (officielebekendmakingen.nl)
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekPraktijk
TitelDe proef (met een) Spreekuurrechter
CiteertitelNJB 2017/2139
SamenvattingHet regeerakkoord omarmt laagdrempelige rechtspraak, mediation en herstelrecht. Ook moet er een experiment met een buurtrechter komen. Voor de inrichting daarvan kan inspiratie worden opgedaan bij het project Spreekuurrechter, een experiment van de Rechtbank Noord-Nederland voor laagdrempelige rechtspraak. De eerste ervaringen zijn alvast veelbelovend.
Auteur(s)A.H.J. Lennaerts
LinkVolledige tekst artikel (NJB.nl)
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekReactie
TitelOver de rapportage van het NFI: een weerwoord
CiteertitelNJB 2017/2140
SamenvattingRecent leverde rechtspsycholoog prof. Peter van Koppen in een artikel in dit blad stevige kritiek op rapportages van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI). Hierbij werd één specifiek NFI-rapport over een speciaal type hamer, een tengelhamer, als voorbeeld gebruikt. In dit artikel bespreken auteurs deze kritiek. Kortgezegd zien zij in het artikel van Van Koppen geen aanleiding tot aanpassing van de rapporten of het starten van nog een onderzoek naar de NFI-rapportage. De weg die Van Koppen voorstaat is wetenschappelijk gezien achterhaald en om meerdere redenen verworpen. Wat betreft het verdedigingsbelang bij verkorte DNA-rapportages heeft Van Koppen echter een punt: er zou vaker een uitgebreide rapportage kunnen worden aangevraagd. Het standaard toevoegen van DNA-profielen aan het NFI-rapport stuit op privacybezwaren en vereist een wetswijziging.
Auteur(s)M.J. Sjerps , A.D. Kloosterman , C.E.H. Berger
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekNaschrift
TitelNawoord: Hoe onlogisch werken toch logisch kan worden gevonden
CiteertitelNJB 2017/2141
SamenvattingNu NFI-deskundigen geen keuze maken voor een van de hypotheses en met een onnodig nauwe blik naar het onderzoek kijken en het NFI een door de rest van de wereld geaccepteerde wetenschappelijke methode achterhaald vindt, worden rapportages geleverd met conclusies die voor menig rechter, officier van justitie en advocaat onbegrijpelijk zijn en die ook niet aansluiten bij de manier waarop rechters redeneren over strafrechtelijk bewijs.
Auteur(s)P.J. van Köppen
LinkVolledige tekst artikel (petervankoppen.nl)
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekFocus
TitelSchadeverhaal na internetoplichting - Noodzaak tot bezinning op de architectuur van het aansprakelijkheidsrecht
CiteertitelNJB 2017/2142
SamenvattingIn de initiatief-nota ‘Laat slachtoffers van internetoplichting niet in de kou staan’ ligt een uitnodiging tot een denkoefening besloten die aangegrepen moet worden. De conceptualisering van het schadeverhaal naar aanleiding van een strafbaar feit moet onder de loep worden genomen en de vraag is welke signatuur we daar aan toe willen kennen. Victimologische overwegingen zijn daarbij, gelet op de noodzaak tot behoud van een legitieme strafrechtspleging, van belang, maar dienen te worden afgewogen tegen de noodzaak tot behoud van het rechtsstatelijk karakter van het recht. Zowel dat van het civiele recht, als dat van het strafrecht. Maar tot een onmiddellijke uitvoering van de voorstellen, althans die ten aanzien van de verruiming van de executoriale bijstand, moet het niet komen.
Auteur(s)R.S.B. Kool
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - EHRM
TitelEHRM 11-07-2017, 37798/13
CiteertitelNJB 2017/2143
SamenvattingVerbod op gezichtsbedekkende kleding in openbare ruimtes. Concept van ‘samenleven’. Geen schending. Belcacemi en Oussar vs. België
LinkVolledige tekst uitspraak (ehcr.coe.int)
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - HvJ EU
TitelHvJ EU 25-10-2017, C-106/16
CiteertitelNJB 2017/2144
SamenvattingVrijheid van vestiging. Grensoverschrijdende omzetting van een vennootschap. Verplaatsing van de statutaire zetel zonder verplaatsing van de werkelijke zetel. Weigering tot schrapping uit het handelsregister.
Samenvatting (Bron)Arrest van het Hof (Grote kamer) van 25 oktober 2017.#Prejudiciele verwijzing - Vrijheid van vestiging - Grensoverschrijdende omzetting van een vennootschap - Verplaatsing van de statutaire zetel zonder verplaatsing van de werkelijke zetel - Weigering tot schrapping uit het handelsregister - Nationale regeling die de schrapping uit het handelsregister afhankelijk stelt van de ontbinding van de vennootschap na de uitvoering van de liquidatie - Werkingssfeer van de vrijheid van vestiging - Beperking van de vrijheid van vestiging - Bescherming van de belangen van de schuldeisers, de minderheidsaandeelhouders en de werknemers - Bestrijding van misbruik.#Zaak C-106/16.
UitspraakECLI:EU:C:2017:804
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Hoge Raad (civiele kamer)
TitelHoge Raad 03-11-2017
CiteertitelNJB 2017/2145
SamenvattingOctrooi. Swiss-type claim. Een inmiddels geëxpireerd octrooi heeft betrekking op het gebruik van een stof in een geneesmiddel voor de behandeling van hepatitis C.
Samenvatting (Bron)Octrooirecht. Europees octrooi voor tweede medische indicatie in de vorm van subgroep-indicatie. Swiss-type claim. Beschermingsomvang anders dan bij klassiek tweede medische indicatie-octrooi? Maatstaf directe inbreuk. Indirecte inbreuk mogelijk? Vereisten indirecte inbreuk; uitleg HR 31 oktober 2003, ECLI:NL:HR:2003:AI0346, NJ 2006/600 (Senseo).
UitspraakECLI:NL:HR:2017:2807
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Hoge Raad (civiele kamer)
TitelHoge Raad 03-11-2017
CiteertitelNJB 2017/2146
SamenvattingFaillissement. De rechter-commissaris plaatst een schuldvordering op de lijst van erkende schuldeisers. Nadat de rechter-commissaris de slotuitdelingslijst heeft goedgekeurd, komt een procespartij in verzet.
Samenvatting (Bron)Faillissementsrecht. Verzet ex art. 184 Fw. Mogelijkheid terugkomen van beschikking RC ex art. 67 Fw omtrent erkenning en betwisting. Verwijzing naar o.m. HR 2 oktober 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2728, NJ 1999/467. Terugwijzing i.v.m. kosten; vgl. o.m. HR 11 november 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1537, NJ 1995/115.
UitspraakECLI:NL:HR:2017:2808
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Hoge Raad (strafkamer)
TitelHoge Raad 31-10-2017
CiteertitelNJB 2017/2147
SamenvattingMedeplegen ingeval het tenlastegelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering, maar uit gedragingen die met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht, art. 47 Sr.
Samenvatting (Bron)Medeplegen poging tot moord. Samenstel van medeplichtigheidsgedragingen. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2014:3474, ECLI:NL:HR:2015:718 en ECLI:NL:HR:2016:1316 m.b.t. gevallen waarin medeplegen niet bestaat in een gezamenlijke uitvoering. Hof heeft vastgesteld dat verdachte in de periode voorafgaand aan de aanslag de plaats van de aanslag en de te gebruiken routes meermalen heeft verkend, in de omgeving van die plaats de persoon heeft opgehaald die een gestolen motorscooter had weggezet, welke kennelijk bestemd was voor gebruik bij de aanslag, en van A diens auto heeft geleend. Voorts heeft Hof vastgesteld dat verdachte op de dag van de aanslag met die auto zijn mededader in de directe omgeving van de plaats van het schietincident heeft gebracht, aldaar heeft gewacht en de mededader na het schietincident daar vandaan heeft weggebracht, terwijl verdachte kort daarna die auto heeft teruggebracht naar A. Oordeel Hof dat de bijdrage van verdachte aan het bewezenverklaarde delict van voldoende gewicht is en dat derhalve sprake is geweest van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn mededader geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is, gelet op hetgeen Hof heeft vastgesteld over de intensiteit van de samenwerking en de bijdrage van verdachte in de vorm van verscheidene gedragingen voorafgaand, tijdens en na het bewezenverklaarde feit, toereikend gemotiveerd. Samenhang met 17/00553.
UitspraakECLI:NL:HR:2017:2799
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Hoge Raad (strafkamer)
TitelHoge Raad 31-10-2017
CiteertitelNJB 2017/2148
SamenvattingNe bis in idem-beginsel art. 68 lid 3 Sr, art. 54 SUO en art. 50 Handvest grondrechten EU: een brief van de ‘Scottish Environment Protection Agency’ (SEPA) aan de verdachte, inhoudende een final warning", is niet aan te merken als een beslissing die op grond van genoemde bepalingen in de weg staat aan vervolging in Nederland ter zake van hetzelfde feit.
Samenvatting (Bron)Economische zaak, afvalstoffen (EVOA). Zonder kennisgeving twee containers met oud papier overgebracht van Verenigd Koninkrijk naar Saoedi Arabië, begaan door rechtspersoon. Beroep op niet-ontvankelijkheid OM wegens strijd met ne bis in idem-beginsel door vervolging in Nederland na schriftelijke waarschuwing in Schotland, art. 68.3 Sr, art. 54 SUO en art. 50 Handvest EU. Hof heeft vastgesteld dat het Schotse milieubeschermingsagentschap (SEPA) n.a.v. een controle van containers verdachte een schriftelijke waarschuwing heeft gegeven i.v.m. een geconstateerde overtreding, inhoudende dat een toekomstige overtreding van de wetgeving zal leiden tot het indienen van een rapport bij de Schotse OvJ ("Procurator Fiscal") en dat alsdan strafvervolging zal worden aanbevolen. Daarin ligt tevens als s Hofs niet onbegrijpelijke vaststelling besloten dat niet SEPA maar de "Procurator Fiscal" de tot vervolging bevoegde instantie is t.z.v. de geconstateerde overtreding. Hof heeft art. 68.3 Sr niet miskend, nu dat voorschrift niet van toepassing is, omdat te dezen geen sprake is van de voldoening aan een voorwaarde, door de bevoegde autoriteit gesteld ter voorkoming van strafvervolging. Hof heeft evenmin blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting m.b.t. art. 54 SUO, in aanmerking genomen dat de brief van SEPA, inhoudende een "final warning", niet kan gelden als een beslissing van een autoriteit die tot taak heeft in de desbetreffende nationale rechtsorde deel te nemen aan de rechtsbedeling in strafzaken en die de strafvervolging definitief beëindigt, zoals bedoeld in ECLI:EU:C:2016:483 (HvJ EU). Op diezelfde grond kan ook de klacht v.zv. deze betrekking heeft op art. 50 Handvest, niet slagen (vgl. ECLI:EU:C:2014:586).
UitspraakECLI:NL:HR:2017:2796
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Hoge Raad (strafkamer)
TitelHoge Raad 31-10-2017
CiteertitelNJB 2017/2149
SamenvattingHet ‘vertonen’ van een afbeelding als bedoeld in art. 240a Sr: ‘ook virtueel chatcontact kan onder het bereik van deze bepaling vallen. Gelet op het daadwerkelijke contact tussen de verzender en ontvanger op programma’s zoals Whatsapp’ is sprake is van ‘vertonen’ in de zin van art. 240a Sr.
Samenvatting (Bron)Verdachte heeft via WhatsApp schadelijke afbeelding verzonden naar 13-jarig meisje, art. 240a Sr. Valt virtueel chatcontact onder het bereik van art. 240a Sr? Oordeel Hof dat gelet op het daadwerkelijke contact tussen de verzender en ontvanger op programmas zoals Whatsapp sprake is van vertonen in de zin van art. 240a Sr is juist.
UitspraakECLI:NL:HR:2017:2805
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Hoge Raad (strafkamer)
TitelHoge Raad 31-10-2017
CiteertitelNJB 2017/2150
SamenvattingOnderzoek aan de kleding of onderzoek aan het lichaam?
Samenvatting (Bron)Opzettelijk vervoeren van bolletjes cocaïne en heroïne. Onderzoek aan de kleding of onderzoek aan het lichaam na sommatie om onderbroek uit te trekken? Art. 9.2 Opiumwet. Hof heeft vastgesteld dat verdachte zich op verzoek van een opsporingsambtenaar heeft ontdaan van zijn bovenkleding, dat de opsporingsambtenaar verdachte heeft gesommeerd ook zijn onderbroek uit te trekken omdat de opsporingsambtenaar een vierkantvormig voorwerp in de onderbroek zag zitten, en dat de opsporingsambtenaar vervolgens zag dat verdachte een zwart etui tussen zijn benen geklemd hield. Oordeel Hof dat de sommatie van de opsporingsambtenaar aan verdachte om de onderbroek uit te trekken is gedaan met het oog op en dus was gericht op het onderzoek van die onderbroek en derhalve niet (mede) was gericht op het doen van een onderzoek aan het lichaam van verdachte, is niet onbegrijpelijk en evenmin ontoereikend gemotiveerd (vgl. ECLI:2013:BZ8248).
UitspraakECLI:NL:HR:2017:2794
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Hoge Raad (strafkamer)
TitelHoge Raad 31-10-2017
CiteertitelNJB 2017/2151
SamenvattingVervolgingsbeslissing in art. 167 lid 1 Sv.
Samenvatting (Bron)OM-cassatie. OM n-o verklaard in vervolging van TBS-er die reclasseringsmedewerkster heeft bedreigd, art. 167.1 Sv. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2012:BX4280, ECLI:NL:HR:2012:BW5002 en ECLI:NL:HR:2013:7 m.b.t. opportuniteitsbeginsel en uitzonderlijke gevallen waarin plaats is voor een n-o verklaring van het OM in de vervolging op de grond dat het instellen of voortzetten van die vervolging onverenigbaar is met beginselen van een goede procesorde. Met de overweging "dat het openbaar ministerie na afweging van de betrokken belangen in redelijkheid niet tot de (voortzetting van de) vervolgingsbeslissing heeft kunnen komen" heeft het Hof deze maatstaf miskend. I.h.b. blijkt uit s Hofs beslissing niet dat het heeft getoetst of geen redelijk handelend lid van het OM heeft kunnen oordelen dat met (voortzetting van) de vervolging enig door strafrechtelijke handhaving beschermd belang gediend kon zijn, zodat sprake zou zijn van een zodanige, aperte onevenredigheid van de vervolgingsbeslissing dat de (verdere) vervolging onverenigbaar is met het verbod van willekeur. In aanmerking genomen dat het Hof heeft geoordeeld "dat bedreiging van een reclasseringswerker die haar werk komt doen een ernstig feit is en dat zulke personen speciale bescherming genieten zodat een vervolging voor een dergelijk feit op zichzelf voor de hand zou kunnen liggen", kan ook niet worden aangenomen dat enig door strafrechtrechtelijke handhaving beschermd belang ontbreekt. HR merkt nog op dat niets eraan in de weg staat dat de strafrechter bij de beantwoording van de in art. 350 Sv bedoelde vragen, waaronder de vraag of verdachte een straf of maatregel moet worden opgelegd en zo ja welke, rekening houdt met factoren als de consequenties van de vervolging voor de gezondheid van verdachte en het tijdverloop sinds het tlgd. feit. Van een niet-ontvankelijkheid in de strafvervolging o.g.v. uitzonderlijke omstandigheden, de persoon van verdachte betreffende, kan echter slechts sprake zijn indien die omstandigheden meebrengen dat geen redelijk handelend lid van het OM heeft kunnen oordelen dat met (voortzetting van) de vervolging enig door strafrechtelijke handhaving beschermd belang gediend kon zijn. Volgt verwijzing naar ander Hof.
UitspraakECLI:NL:HR:2017:2795
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Raad van State
TitelRaad van State 25-10-2017
CiteertitelNJB 2017/2152
SamenvattingEigenaren van percelen zijn belanghebbende bij besluit op door provincie Overijssel ingediende aanvraag om omgevingsvergunning voor werkzaamheden op die percelen.
Samenvatting (Bron)Bij besluit van 24 augustus 2015 heeft het college een aanvraag van de provincie Overijssel voor een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van kavelaanvaardingswerkzaamheden op percelen gelegen nabij de Fleuerweg en de Drielandweg in Overdinkel, buiten behandeling gesteld.
UitspraakECLI:NL:RVS:2017:2863
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Raad van State
TitelRaad van State 25-10-2017
CiteertitelNJB 2017/2153
SamenvattingMinister van Veiligheid en Justitie mocht openbaarmaking van documenten over MH17 weigeren.
Samenvatting (Bron)Bij besluiten van 10 februari 2015 heeft de minister de verzoeken van de NOS en anderen om op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: Wob) informatie te verstrekken over de besluitvorming rond de afwikkeling van de ramp met het Malaysia Airlines-vliegtuig met vluchtnummer MH17 dat op 17 juli 2014 in Oekraïne is neergestort, gedeeltelijk afgewezen.
UitspraakECLI:NL:RVS:2017:2883
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Centrale Raad van Beroep
TitelCentrale Raad van Beroep 12-09-2017
CiteertitelNJB 2017/2154
SamenvattingInvulling van het begrip dringende reden; wetsgeschiedenis.
Samenvatting (Bron)Recidive na geüniformeerde maatregel. 100% verlaging gedurende 3 maanden. Niet verschijnen op werkervaringsplaats. Niet gebonden tot verrekenen verspreid over meerdere maanden. Dat de eerdere maatregel nog niet in rechte is vastgesteld betekent niet dat niet van recidive kan worden uitgegaan. Het college heeft dringendere redenen in artikel 18 lid 10 Participatiewet te beperkt uitgelegd. Gelet op de gevolgen voor appellant van het opleggen van twee maatregelen in korte tijd met een gezamenlijke duur van vier maanden, heeft het college daarom onvoldoende gemotiveerd waarom de standaardmaatregel van drie maanden verlaging met 100% ook in dit individuele geval moet worden toegepast.
UitspraakECLI:NL:CRVB:2017:3676
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Centrale Raad van Beroep
TitelCentrale Raad van Beroep 25-10-2017
CiteertitelNJB 2017/2155
SamenvattingInvoering Wmo 2015. Lid 2 van art. 8.9 Wmo 2015 bepaalt dat het recht zoals dat gold vóór het tijdstip van inwerkingtreding van enig artikel van de Wmo 2015, van toepassing blijft ten aanzien van besluiten genomen op grond van de Wmo.
Samenvatting (Bron)Eigen bijdrage op grond van de Wmo 2015, overgangsrecht. Met ingang van 1 januari 2015 is de WMO ingetrokken en is de Wmo 2015 in zijn geheel in werking getreden. Het tweede lid van artikel 8.9 van de Wmo 2015 bepaalt dat het recht zoals dat gold vóór het tijdstip van inwerkingtreding van enig artikel van de Wmo 2015, van toepassing blijft ten aanzien van besluiten genomen op grond van de Wmo.
UitspraakECLI:NL:CRVB:2017:3759
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Centrale Raad van Beroep
TitelCentrale Raad van Beroep 25-10-2017
CiteertitelNJB 2017/2156
SamenvattingHet schrijven van 13 juli 2015 waarbij aan betrokkene een bijdrage is opgelegd, is een besluit als bedoeld in art. 1:3 lid 1 Awb.
Samenvatting (Bron)Het opleggen van een bijdrage op grond van de Wmo 2015 is een besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb.
UitspraakECLI:NL:CRVB:2017:3358
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Centrale Raad van Beroep
TitelCentrale Raad van Beroep 25-10-2017
CiteertitelNJB 2017/2157
SamenvattingDe tekst van art. 17a lid 2 WW, stelt geen eisen aan de duur en inhoud van de dienstbetrekking waaruit de werkloosheid is ontstaan om in de plaats te komen van een of meer dienstbetrekkingen.
Samenvatting (Bron)Met nader besluit niet geheel tegemoet gekomen. Ten onrechte weigering WW-uitkering. Wel voldaan aan referte-eis. Meerdere werkgevers. De tekst van artikel 17a, tweede lid, van de WW, stelt (...) geen eisen aan de duur en inhoud van de dienstbetrekking waaruit de werkloosheid is ontstaan om in de plaats te komen van een of meer dienstbetrekkingen. Hoogte dagloon.
UitspraakECLI:NL:CRVB:2017:3696
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Centrale Raad van Beroep
TitelCentrale Raad van Beroep 02-11-2017
CiteertitelNJB 2017/2158
SamenvattingHet systeem van de Algemene wet bestuursrecht staat er aan in de weg om tweemaal – inhoudelijk – te beslissen op een bezwaar tegen eenzelfde primair besluit.
Samenvatting (Bron)Niet tweemaal op bezwaar beslissen. Het systeem van de Algemene wet bestuursrecht staat er aan in de weg om tweemaal - inhoudelijk - te beslissen op een bezwaar tegen eenzelfde primair besluit. In zon geval dient het bestuursorgaan het tweede bezwaar tegen het betreffende primaire besluit niet-ontvankelijk te verklaren. Het bestuur heeft het - hernieuwde - bezwaar van 30 januari 2015 tegen het aanstellingsbesluit van 26 september 2014 terecht niet-ontvankelijk verklaard. De Raad komt niet toe aan een - inhoudelijk - oordeel over de inschaling van appellante, de toegepaste deeltijdfactor, de gestelde discriminatie en gestelde inbreuk op haar eigendomsrechten.
UitspraakECLI:NL:CRVB:2017:3791
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - College van Beroep voor het bedrijfsleven
TitelCollege van Beroep voor het bedrijfsleven 12-10-2017
CiteertitelNJB 2017/2159
SamenvattingMededingingsrecht. Boetes wegens overtreding kartelverbod door prijslenen (‘cover pricing’) bij onderhandse aanbestedingen voor sloopwerken.
Samenvatting (Bron)Kartelverbod, artikel 6 Mededingingswet. Prijslenen ("cover pricing") bij onderhandse aanbestedingen voor sloopwerken in Rotterdam. Naar het oordeel van het College is sprake van gedragingen met een mededingingsbeperkende strekking. Ondernemingen die actief zijn op aanbestedingsmarkten dienen zelfstandig te bepalen hoe zij omgaan met een situatie waarin zij worden verzocht in te schrijven op een aanbesteding voor een opdracht waarin zij niet zijn geïnteresseerd. Door prijslenen verschaffen ondernemingen zichzelf een oneigenlijk voordeel ten opzichte van andere ondernemingen, hetgeen de concurrentieverhoudingen tussen ondernemingen frustreert en het concurrentieproces bij aanbestedingen aantast. Daarnaast kan prijslenen tot prijsopdrijving leiden. De rechtbank en ACM hebben de gedragingen in de juiste context geplaatst, en hebben terecht geoordeeld dat de gedragingen de mededinging bij de onderhavige aanbestedingen in die mate nadeling beïnvloeden dat zij kunnen worden geacht een mededingingsbeperkende strekking te hebben. Wel ziet het College aanleiding de boetes te matigen, door de ernstfactor - die door de rechtbank op 1,5 was gesteld - te verlagen. Hoewel prijslenen de mededinging naar zijn aard verstoort, moet er wat de ernst van de overtreding betreft een duidelijk onderscheid worden gemaakt tussen prijslenen en andere, verdergaande vormen van "bid ridding". Alle relevante omstandigheden in aanmerking nemende, is het College van oordeel dat de onderhavige gedragingen niet als een zeer zware, maar als een zware overtreding dienen te worden aangemerkt. Gelet op de voor zware overtredingen geldende brandbreedte van tussen 0 en 2, acht het College een ernstfactor van 1 in deze zaken passend en geboden.
UitspraakECLI:NL:CBB:2017:325
Artikel aanvragenVia Praktizijn