Nederlands Juristenblad

Uitgever Wolters Kluwer
Tijdschrift Nederlands Juristenblad
Datum 03-03-2018
Aflevering 10
RubriekVooraf
TitelDe jeugd van tegenwoordig
CiteertitelNJB 2018/492
SamenvattingIk zag twee beren broodjes smeren. Oh, dat was een wonder! Ik weet niet of de jeugd van tegenwoordig nog met dit kinderliedje wordt grootgebracht. Dat gebeurt in ieder geval niet met de versie van de vermaarde Hans Nieuwenhuis: ĎIk zag twee beren contracteren.
Auteur(s)T. Hartlief
LinkVolledige tekst artikel (njb.nl)
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekWetenschap
TitelDwalen door een woud van regels
CiteertitelNJB 2018/493
SamenvattingDe uitgebuite arbeidsmigrant en zijn mensenrechten
Auteur(s)G.G. Lodder
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekFocus
TitelNederlandse kalifaatkinderen aan hun lot overlaten? Nee toch!
CiteertitelNJB 2018/494
SamenvattingDe Nederlandse overheid heeft zijn handen van Nederlandse kinderen in het Syrisch-Iraakse oorlogsgebied afgetrokken. Afgezien van een morele beoordeling zijn er ook juridische argumenten in te brengen tegen deze passiviteit.
Auteur(s)H.U. Jessurun d'Oliveira
LinkVolledige tekst artikel (NJB.nl)
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekPraktijk
TitelJeugdhulp op de lange baan
CiteertitelNJB 2018/495
SamenvattingVeel gemeenten beschouwen in hun Verordening jeugdhulp een hulpvraag niet als aanvraag, maar noemen haar melding. Naar aanleiding van die melding doet het college onderzoek naar de hulpvraag. Pas als het onderzoek is voltooid dient de hulpvrager samen met de onderzoeker een aanvraag in. Pas dan gaat dus ook de wettelijke beslistermijn in. De beslistermijn voor jeugdhulpvragen wordt vanuit de hulpvrager praktisch gezien daardoor feitelijk veelvuldig overschreden. Toch heeft dit knelpunt tot dusver weinig aandacht gekregen.
Auteur(s)G.H.G.M. van Berkel
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekOpinie
TitelVerleng het rechterlijk leven!
CiteertitelNJB 2018/496
SamenvattingIn tijden waarin het vrijwillig gekozen levenseinde onderwerp van politiek debat is, zou ik een lans willen breken voor de vrijwillig gekozen Ė en mogelijk te maken verlenging van het leven, zij het dat ik mij daarbij wil beperken tot de verlenging van het rechterlijk leven.
Auteur(s)H.A. Groen
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekReacties
TitelReactie op E. Groenewald
CiteertitelNJB 2018/497
SamenvattingDat het Ďgroeiende probleemí van lange doorlooptijden komt door Ďtijdrovende futiele en kansloze zakení die advocaten aanbrengen heeft Groenewald niet erg overtuigend onderbouwd.
Auteur(s)D.J.B de Wolff
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekReacties
TitelThe first thing we do, letís kill all the lawyers
CiteertitelNJB 2018/498
SamenvattingIn het NJB van 2 februari 2018 is een artikel gepubliceerd van mr. dr. Th. Groenewald met als titel: De traagheid van het civiele geding.
Auteur(s)W. van Tongeren
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekNaschrift
TitelNaschrift
CiteertitelNJB 2018/499
SamenvattingIn haar reactie gaat De Wolff voorbij aan de kern van mijn betoog. Ik poog een van de oorzaken van de lange doorlooptijden (die een smet op de kwaliteit van de rechtspraak werpen) mede te verklaren uit een gebrek aan kwaliteit bij de rechtshulp.
Auteur(s)Th. Groenewald
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - EHRM
TitelEHRM, 28-11-2017, 70838/13
CiteertitelNJB 2018/500
SamenvattingVideo-surveillance in collegezalen van universiteit.
UitspraakECLI:CE:ECHR:2017:1128JUD007083813
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - EHRM
TitelEHRM, 19-12-2017, 78477/11
CiteertitelNJB 2018/501
SamenvattingRecht op een eerlijk proces
UitspraakECLI:CE:ECHR:2017:1219JUD007847711
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Hoge Raad (civiele kamer)
TitelHoge Raad 23-02-2018
CiteertitelNJB 2018/502
SamenvattingHuwelijksgoederenrecht
Samenvatting (Bron)Huwelijksgoederenrecht. Verdeling huwelijksgemeenschap. Omvang gemeenschap, verknochtheid van tweetal ontslagvergoedingen (art. 1:94 BW), waarvan ťťn is ondergebracht in een stamrecht-B.V. en de andere contant aanwezig is gebleven. Aanspraak die strekt tot vervanging van inkomen uit arbeid: onderscheid tussen periode vůůr en na ontbinding huwelijksgemeenschap (zie o.a. HR 24 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1293, NJ 2016/292). Aanspraak op stamrecht verknocht indien deze bedoeld was als oudedagsvoorziening? Verdeling inboedelgoederen.
UitspraakECLI:NL:HR:2018:270
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Hoge Raad (civiele kamer)
TitelHoge Raad 23-02-2018
CiteertitelNJB 2018/503
SamenvattingOnder(ver)huur
Samenvatting (Bron)Huurrecht. Onder(ver)huur. Schiet hoofdhuurder die onbevoegd is (geworden) tot onderverhuur tekort in de nakoming jegens zijn onderhuurder, of kan hij het genot van de zaak (nog) aan de onderhuurder verschaffen? Art. 7:201, 7:203 en 7:204 BW. Ontbinding op de voet van art. 6:80 BW in zodanig geval. Wie heeft aanspraak op de (gebruiks)vergoeding van art. 7:225 BW?
UitspraakECLI:NL:HR:2018:284
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Hoge Raad (civiele kamer)
TitelHoge Raad 23-02-2018
CiteertitelNJB 2018/504
SamenvattingVerdeling huwelijksgemeenschap na echtscheiding
Samenvatting (Bron)Huwelijksvermogensrecht. Verdeling huwelijksgemeenschap na echtscheiding. Wijze van vaststellen belastinglatentie lijfrentepolissen (HR 24 februari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU6095). Peildatum waardering echtelijke woning.
UitspraakECLI:NL:HR:2018:281
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Hoge Raad (strafkamer)
TitelHoge Raad 20-02-2018
CiteertitelNJB 2018/505
SamenvattingStrafrechtelijke immuniteit gemeente
Samenvatting (Bron)Cassatie in het belang der wet. Strafrechtelijke immuniteit gemeente i.g.v. nalaten onderhoud te plegen aan de weg en voldoende verkeersmaatregelen te nemen? Vervolging gemeente Stichtse Vecht wegens dood door schuld n.a.v. verkeersongeval veroorzaakt door gebreken in de toestand van de weg waarbij motorrijdster en passagier om het leven zijn gekomen. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:1998:AA9342 (Pikmeer II) m.b.t. gevallen waarin sprake is van strafrechtelijke immuniteit van openbaar lichaam. V.zv. de tlgd. gedragingen zien op nalaten van het nemen van verkeersmaatregelen in de vorm van lokale snelheidsbeperking, wegafzetting of plaatsing van waarschuwingsborden, volgt uit het wettelijke kader dat de plaatsing van afzettingen en van verkeersborden die een maximumsnelheid aangeven in beginsel krachtens een verkeersbesluit van een openbaar lichaam a.b.i. art. 18.1 (oud) WVW 1994 dient te geschieden en volgt uit art. 1a BABW dat het anderen dan degenen die daartoe bevoegd zijn verboden is op, langs of boven de wegen verkeerstekens aan te brengen of te verwijderen. Met haar kennelijke oordeel dat ondanks dit e.e.a. de tlgd. gedragingen - die in de kern neerkomen op het achterwege laten van het nemen van de voor verkeersmaatregelen vereiste besluiten - naar hun aard en gelet op het wettelijk systeem ook door anderen dan bestuursfunctionarissen i.h.k.v. de uitvoering van de aan het openbaar lichaam opgedragen bestuurstaak kunnen worden verricht, heeft de Rb het hiervoor overwogene miskend. V.zv. de tlgd. gedragingen zien op nalaten van het plegen van onderhoud aan de weg, ligt in de overwegingen van de Rb besloten dat deze gedragingen niet kunnen worden beschouwd als gedragingen die rechtens niet anders dan door bestuursfunctionarissen kunnen worden verricht. De o.g.v. art. 16 Wegenwet op de gemeente rustende zorgplicht m.b.t. het wegbeheer betekent niet dat het feitelijke onderhoud van de wegen - en daarmee ook nalaten van het plegen van dit onderhoud - naar zijn aard en gelet op het wettelijk systeem niet door anderen dan bestuursfunctionarissen i.h.k.v. de uitvoering van de aan het openbaar lichaam opgedragen bestuurstaak kan worden verricht. Oordeel Rb geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. CAG: anders.
UitspraakECLI:NL:HR:2018:236
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Hoge Raad (strafkamer)
TitelHoge Raad 20-02-2018
CiteertitelNJB 2018/506
SamenvattingNijmeegse scooterzaak
Samenvatting (Bron)Nijmeegse scooterzaak. Vervolg op ECLI:NL:HR:2013:1964. Medeplegen van overtreding van art. 6 WVW 1994. Het Hof heeft geoordeeld dat de wijze waarop verdachte en zijn mededader met de motorscooter zijn gevlucht als een zů waarschijnlijke mogelijkheid besloten lag in hun eerdere nauwe en bewuste samenwerking met het oog op de door hen voorbereide gewapende overval, dat zij ook wat betreft het met die vlucht en het daaruit voortvloeiende gevaarlijke rijgedrag verband houdende misdrijf van art. 6 WVW 1994, zo bewust en nauw hebben samengewerkt dat sprake is van medeplegen van dat misdrijf. Gelet op alle door het Hof vastgestelde omstandigheden m.b.t. de voorgenomen overval, waartoe verdachte en zijn mededader zich gezamenlijk op de motorscooter naar het te overvallen hotel begaven, en hun direct op de waarneming van politieambtenaren volgende vlucht, geeft dat oordeel niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting, ook niet omtrent de voor medeplegen van het onderhavige misdrijf vereiste bewuste samenwerking. Dat oordeel is ook niet onbegrijpelijk. Samenhang met 16/03281.
UitspraakECLI:NL:HR:2018:241
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Hoge Raad (strafkamer)
TitelHoge Raad 20-02-2018
CiteertitelNJB 2018/507
SamenvattingBedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht
Samenvatting (Bron)Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, art. 285 Sr. Verdachte zegt tegen politieambtenaren: "Ik ga jullie namen doorgeven aan de criminele onderwereld en dan zijn jullie niet meer veilig. Die komen jullie dan wel opzoeken." HR herhaalt ECLI:NL:HR:2005:AT3659 m.b.t. eis dat bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij betrokkene in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat deze het leven zou kunnen verliezen. Hof heeft vastgesteld dat verdachte na zijn aanhouding door verbalisanten A en B werd overgebracht naar het politiebureau, hij boos en agressief was en hij de bewezenverklaarde uitlatingen jegens deze verbalisanten heeft gedaan. s Hofs oordeel dat onder deze omstandigheden, mede gelet op de aard van de uitlatingen, hierdoor bij de verbalisanten in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat zij het risico liepen slachtoffer te worden van enig misdrijf tegen het leven gericht, is niet toereikend gemotiveerd, nu uit de bewijsvoering niet z.m. kan worden afgeleid dat de bedreiging door verdachte in de gegeven omstandigheden van dien aard was dat bij verbalisanten in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat zij het leven zouden kunnen verliezen. HR neemt mede in aanmerking dat uit de door verdachte geuite bewoordingen op zichzelf niet volgt dat de verbalisanten moesten vrezen voor een misdrijf gericht tegen hun leven en dat de omstandigheid dat verdachte t.t.v. zijn aanhouding en overbrenging boos en agressief was die gevolgtrekking evenmin rechtvaardigt. Volgt partiŽle vernietiging en terugwijzing.
UitspraakECLI:NL:HR:2018:245
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Hoge Raad (strafkamer)
TitelHoge Raad 20-02-2018
CiteertitelNJB 2018/508
SamenvattingAnders dan door misdrijf onder zich hebben.
Samenvatting (Bron)Verduistering door als penningmeester van voetbalclub verduisterde geldbedragen over te boeken naar eigen rekening, art. 321 Sr. Anders dan door misdrijf onder zich hebben. Bestanddeel moet aldus worden uitgelegd dat niet enig door verdachte begaan misdrijf ertoe heeft geleid dat hij het desbetreffende goed onder zich heeft gekregen (vgl. ECLI:NL:HR:2001:AD4573). Hof heeft vastgesteld dat verdachte als penningmeester van sportvereniging, zonder daartoe gerechtigd te zijn, geldbedragen heeft overgeboekt van sportvereniging naar eigen rekening en bankrekening van werkgever en dat verdachte geldbedragen van zijn werkgever heeft verduisterd door geldbedragen over te boeken naar bankrekening van sportvereniging. s Hofs kennelijke oordeel dat sportvereniging de door verdachte in zijn hoedanigheid van penningmeester overgemaakte geldbedragen "anders dan door misdrijf onder zich had" en dat datzelfde daarom gold voor verdachte in zijn hoedanigheid van penningmeester getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is, mede gelet op s Hofs vaststellingen omtrent de verschillende betalingen die verdachte heeft verricht, niet onbegrijpelijk. Daaraan doet niet af de enkele omstandigheid dat verdachte ook geldbedragen van zijn werkgever heeft verduisterd, o.m. door het storten van bedragen op de bankrekening van de sportvereniging. CAG: anders.
UitspraakECLI:NL:HR:2018:246
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Hoge Raad (strafkamer)
TitelHoge Raad 20-02-2018
CiteertitelNJB 2018/509
SamenvattingCautieplicht
Samenvatting (Bron)Witwassen, contant geldbedrag van 44.000,- aangetroffen bij douanecontrole op Schiphol. Verwerping verweer strekkende tot bewijsuitsluiting van verklaring verdachte t.g.v. niet verlenen cautie. Verhoor a.b.i. art. 29.2 Sv? HR herhaalt ECLI:NL:HR:2013:BY5706 inhoudende dat het i.s.m. art. 29.2 Sv voorafgaand aan een verhoor van verdachte in het voorbereidend onderzoek t.z.v. een tlgd. feit niet voldoen aan de cautieplicht een vormverzuim a.b.i. art. 359a Sv oplevert dat, na daartoe strekkend verweer, in de regel dient te leiden tot bewijsuitsluiting. s Hofs oordeel dat de omstandigheid dat de verbalisanten aan verdachte vragen hebben gesteld vanwege een douanecontrole uitsluit dat van een verhoor a.b.i. art. 29.2 Sv sprake kan zijn geweest, is onjuist. Ook bij het aanwenden van controlebevoegdheden door opsporingsambtenaren dienen tegenover een verdachte de aan deze als zodanig toekomende waarborgen in acht te worden genomen, waaronder die van art. 29 Sv (vgl. ECLI:NL:HR:2016:2454). Volgt vernietiging en terugwijzing.
UitspraakECLI:NL:HR:2018:247
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Hoge Raad (strafkamer)
TitelHoge Raad 20-02-2018
CiteertitelNJB 2018/510
SamenvattingUtrechtse serieverkrachter
Samenvatting (Bron)Utrechtse serieverkrachter. Drie verkrachtingen in 1995 en ťťn in 2001. 1. Schakelbewijs. 2. Biedt art. 278.2 Sv wettelijke grondslag voor door Rb afgegeven bevel tot medebrenging van verdachte voor het bijwonen van de uitspraak? Ad 1. Uit de bewijsvoering heeft het Hof kunnen afleiden dat het verdachte is geweest die verkrachting in 2001 heeft gepleegd. Daarbij wordt mede in aanmerking genomen dat het Hof - niet onbegrijpelijk - heeft vastgesteld en in onderling verband heeft beschouwd dat o.b.v. de resultaten van het DNA-onderzoek van het spoor op de jurk van aangeefster van deze verkrachting een volledig autosomaal DNA-profiel werd verkregen dat matcht met het DNA-profiel van verdachte, dat en welke overeenkomsten bestaan tussen de wijze waarop de verkrachting van aangeefster van dit feit heeft plaatsgevonden en die van de verkrachtingen van aangeefsters van de feiten uit 1995 en dat ook overeenkomsten bestaan in het signalement dat de verschillende aangeefsters van drie van de vier verkrachtingen van de dader hebben gegeven. Ad 2. Art. 278.2 Sv is geplaatst in Boek II, Titel VI, Sv handelend over de 'Behandeling van de zaak door de rechtbank', waaronder ingevolge de Vierde afdeling van die Titel ook de uitspraak valt. De opvatting dat art. 278.2 Sv niet toelaat dat medebrenging van verdachte wordt gelast opdat deze aanwezig zal zijn bij de - tot behandeling van de zaak behorende - openbare tz. waarop uitspraak wordt gedaan, is gelet op de systematiek van de wet in zijn algemeenheid onjuist.
UitspraakECLI:NL:HR:2018:237
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Hoge Raad (strafkamer)
TitelHoge Raad 20-02-2018
CiteertitelNJB 2018/511
SamenvattingTaakstraf
Samenvatting (Bron)OM-cassatie. Valkenburgse zedenzaak. Jeugdprostitutie, art. 248b Sr. Oplegging taakstraf in combinatie met onvoorwaardelijke gevangenisstraf van ťťn dag i.s.m. taakstrafverbod? Art. 22b.3 Sr staat in de in art. 22b.1 en 22b.2 Sr vermelde gevallen de oplegging van een taakstraf toe indien naast de taakstraf ook een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel wordt opgelegd. Deze combinatie van taakstraf en onvoorwaardelijke gevangenisstraf is, gelet op art. 9.4 Sr, mogelijk indien het onvoorwaardelijk ten uitvoer te leggen deel van die gevangenisstraf ten hoogste zes maanden bedraagt. Wat betreft de op te leggen onvoorwaardelijke gevangenisstraf geldt o.g.v. art. 10.2 Sr dat de duur daarvan ten minste ťťn dag bedraagt. De opvatting dat art. 22b.3 Sr oplegging van een taakstraf uitsluitend toelaat indien tevens een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van "substantiŽle" duur wordt opgelegd, is - gelet op hetgeen hiervoor is overwogen en in aanmerking genomen de wetsgeschiedenis - onjuist. De strafoplegging is voorts niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Samenhang met 17/00283, 17/00285, 17/00286, 17/00287 en 17/01737.
UitspraakECLI:NL:HR:2018:202
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Hoge Raad (strafkamer)
TitelHoge Raad 23-02-2018
CiteertitelNJB 2018/512
SamenvattingVervolgingsuitlevering
Samenvatting (Bron)Vervolgingsuitlevering opgeŽiste persoon (Poolse nationaliteit) naar OekraÔne t.z.v. drugsdelicten. Bevoegdheidstoedeling aan uitleveringsrechter en Minister. 1. Beroep op dreigende schending art. 19.2 Handvest grondrechten EU op de grond dat opgeŽiste persoon bij uitlevering aan OekraÔne reŽel gevaar loopt onmenselijk of vernederend te worden behandeld. 2. Verzoek tot aanhouding behandeling uitleveringsverzoek teneinde bij Poolse autoriteiten te informeren of zij voornemens zijn om Europees aanhoudingsbevel uit te vaardigen. 3. Onvoldoende duidelijke vermelding feiten, art. 28.3 UW. Ad 1. Rb heeft verweer opgevat als beroep op dreigende schending art. 3 EVRM alsmede als beroep op dreigende schending art. 6 EVRM. Deze - aan de feitenrechter voorbehouden - uitleg is niet onbegrijpelijk, mede in aanmerking genomen dat toelichting bij art. 19.2 Handvest inhoudt dat die bepaling correspondeert met art. 3 EVRM. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2017:463 m.b.t. bevoegdheidstoedeling aan rechter en Minister t.a.v. beroep op dreigende inbreuk op fundamentele rechten a.b.i. art. 3 EVRM en dreigende inbreuk op fundamentele rechten in art. 6 EVRM. Rb heeft overwogen dat uitleveringsrechter slechts kan oordelen over een beroep op een voltooide schending van art. 3 EVRM en dat van zon schending geen sprake is. Voorts heeft Rb t.a.v. beroep op een dreigende schending van art. 6 EVRM overwogen dat niet kan worden vastgesteld dat sprake is van een dreigende flagrante schending van het recht op een eerlijk proces noch dat opgeŽiste persoon daartegen geen rechtsmiddel a.b.i. art. 13 EVRM ten dienste staat, terwijl het bij een beroep op een dreigende - niet flagrante - schending van art. 6 EVRM niet aan uitleveringsrechter is te oordelen over de gegrondheid van zon beroep. Oordeel Rb geeft, in het licht van bevoegdheidstoedeling aan rechter en Minister, niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Dat oordeel is ook niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd, in aanmerking genomen dat raadsman ter onderbouwing van zijn verweer slechts - onder verwijzing naar een rapportage van het CPT - in algemene termen heeft gewezen op de slechte detentieomstandigheden in OekraÔne. Ad 2. Rb heeft in haar motivering van de afwijzing van het verzoek tot aanhouding van de behandeling van het uitleveringsverzoek geoordeeld dat het niet aan Rb maar aan Minister is om de Poolse autoriteiten zo nodig in de gelegenheid te stellen om de overlevering van de opgeŽiste persoon te verzoeken en de strafvervolging over te nemen van OekraÔne. Dat oordeel is juist. Arrest HvJ EU in de zaak ECLI:EU:C:2016:630 (Petruhhin), waarop het middel een beroep doet, maakt dit niet anders. Ad 3. HR ambtshalve: verbeterde lezing vermelding feiten in rov. 1.
UitspraakECLI:NL:HR:2018:289
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Raad van State
TitelRaad van State 07-02-2018
CiteertitelNJB 2018/513
SamenvattingLuchtwasser in stal dient een streefrendement van 85% te hebben
Samenvatting (Bron)Bij besluit van 11 juli 2014, kenmerk 00.069.897 heeft het college onder oplegging van een dwangsom gelast om artikel 3 van de Verordening stikstof en Natura 2000 Noord Brabant 2013 (hierna: de Verordening 2013) na te leven, op grond waarvan de luchtwasser in stal 1 van de inrichting aan [locatie] te Breda een streefrendement van 85% dient te hebben.
UitspraakECLI:NL:RVS:2018:393
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Centrale Raad van Beroep
TitelCentrale Raad van Beroep 31-01-2018
CiteertitelNJB 2018/514
SamenvattingWazo-uitkering
Samenvatting (Bron)Wazo-uitkering. Werk als operator die in aanraking komt met chemische stoffen, die via de moedermelk schadelijk kunnen zijn voor haar kind. Onvoldoende motivering door Uwv. Richtlijn Uwv van 1 mei 2014 Zwangerschap en bevalling als oorzaak van ongeschiktheid voor haar arbeid. Appellant niet gevolgd in standpunt dat categorie VI van de Richtlijn geen betrekking heeft op de situatie van betrokkene. Wat betreft subsidiaire standpunt verwezen naar vaste rechtspraak. Tijdelijk ander werk binnen de organisatie was niet voorhanden. De Raad voorziet zelf en bepaalt dat betrokkene vanaf 3 september 2015 recht heeft op een uitkering als bedoeld in artikel 29a, vierde lid, van de ZW.
UitspraakECLI:NL:CRVB:2018:439
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Centrale Raad van Beroep
TitelCentrale Raad van Beroep 14-02-2018
CiteertitelNJB 2018/515
SamenvattingEnkele verwijzing Zorgkantoor naar vonnis strafrechtelijke procedure tegen zorgaanbieder en het geanonimiseerde proces-verbaal ISZW is te algemeen om daaraan conclusies te verbinden voor subsidievaststellingen individuele budgethouders.
Samenvatting (Bron)Pgb's 2008 tot en met 2011. Ten nadele wijzigen subsidievaststelling. Betrokkenheid bij fraude. Enkele verwijzing Zorgkantoor naar vonnis strafrechtelijke procedure tegen zorgaanbieder [bestuurder] en het geanonimiseerde proces-verbaal ISZW is te algemeen om daaraan conclusies te verbinden voor subsidievaststellingen individuele budgethouders. Bezoeken aan pretparken in 2010 kennelijk geen AWBZ-zorg, zodat voldaan aan vereiste artikel 4:49, eerste lid, aanhef en onder b, Awb. Beoordeling per subsidieperiode en niet gehele periode 2008 tot en met 2011. Cluster Stichting. De Raad voorziet zelf.
UitspraakECLI:NL:CRVB:2018:429
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Centrale Raad van Beroep
TitelCentrale Raad van Beroep 14-02-2018
CiteertitelNJB 2018/516
SamenvattingWeigering extra tegemoetkoming over 2014
Samenvatting (Bron)Weigering extra tegemoetkoming over 2014. Er is geen sprake van een gerechtvaardigde verwachting dat appellant ook recht op de extra tegemoetkoming zou hebben zonder te voldoen aan de voorwaarden betreffende de hoogte van het inkomen (uitspraak van 5 december 2003, ECLI:NL:CRVB:2003:AO2554). Er is geen sprake van ontneming van eigendom of een beperking van het eigendomsrecht in strijd met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM. Het beroep op artikel 14 van het EVRM kan evenmin slagen. Aan een dergelijk beroep komt immers geen zelfstandige betekenis toe (uitspraak van 29 december 2005, ECLI:NL:CRVB:2005:AU9660).
UitspraakECLI:NL:CRVB:2018:455
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Centrale Raad van Beroep
TitelCentrale Raad van Beroep 15-02-2018
CiteertitelNJB 2018/517
SamenvattingStrafontslag
Samenvatting (Bron)Strafontslag. Het verweten plichtsverzuim bestond uit het valselijk indienen van horecabonnen en het structureel niet naar waarheid en in strijd met de geldende regels invullen van declaraties voor overuren. Berekening van de overuren. Kosten onderzoek. Wettelijke rente.
UitspraakECLI:NL:CRVB:2018:446
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Centrale Raad van Beroep
TitelCentrale Raad van Beroep 21-02-2018
CiteertitelNJB 2018/518
SamenvattingWajong-uitkering geweigerd
Samenvatting (Bron)Wajong-uitkering terecht geweigerd. In de periode van zijn opleiding was appellant geen ingezetene in Nederland als bedoeld in artikel 1:2 van de Wajong 2010. Het Uwv heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat appellant geen jonggehandicapte is in de zin van de Wajong 2010.
UitspraakECLI:NL:CRVB:2018:495
Artikel aanvragenVia Praktizijn