Nederlands Juristenblad

Uitgever Wolters Kluwer
Tijdschrift Nederlands Juristenblad
Datum 14-11-2018
Aflevering 39
RubriekVooraf
TitelStraatsburg en de rechtsbescherming van topsporters
CiteertitelNJB 2018/2049
SamenvattingTerwijl het professionele voetbal- en schaatsseizoen al weer in volle gang is deed een Kamer van het EHRM onlangs uitspraak in de gevoegde zaken van voormalig profvoetballer Adrian Mutu en schaatsster Claudia Pechstein. Aanleiding voor de zaak Mutu was een door een FIFA-tuchtcommissie aan hem opgelegde verplichting om de voetbalclub Chelsea een schadevergoeding te betalen van 17 miljoen euro vanwege vermeend cocaÔnegebruik.
Auteur(s)T. Barkhuysen
LinkVolledige tekst artikel (stibbeblog.nl)
UitspraakECLI:CE:ECHR:2018:1002JUD004057510
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekWetenschap
TitelRechtsbescherming in het sociaal domein
CiteertitelNJB 2018/2050
SamenvattingVoor een goed samengaan van bestuurs- en privaatrecht in samenhangende zaken dient te worden voorzien in een duidelijke regeling van (door)verwijzing van de burger naar de aangewezen rechter en dient verdere stroomlijning van de toegang tot de bestuurs- en de burgerlijke rechter plaats te vinden. In dat verband is opheffing van nodeloze verschillen tussen beide rechtssystemen (met name waar het gaat om griffierecht en proceskostenveroordeling) van groot gewicht. In de nader te structureren dialoog tussen beide rechters kan kruisbestuiving voorts tot optimalisering van rechtsbedeling leiden.
Auteur(s)L.F. Wiggers-Rust
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekOpinie
TitelKomt het ooit nog goed met het Europees Parlement?
CiteertitelNJB 2018/2051
SamenvattingAanhoudende integriteitsproblemen in Brussel/Straatsburg De kwestie van de onkostenvergoedingen en het probleem van de nevenfuncties tasten al jaren de reputatie aan van het Europees Parlement in het algemeen en de integriteit van zijn leden in het bijzonder. Recente ontwikkelingen leren dat het zijn zaken nog steeds niet op orde heeft. Het schiet niet alleen ernstig tekort in de verantwoording van publieke uitgaven, ook op het punt van belangenverstrengeling is er helaas veel op het Europees Parlement aan te merken.
Auteur(s)P.P.T. Bovend'Eert
LinkVolledige tekst artikel (NJB.nl)
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekToespraak
TitelDemocratie en de gewone deugden
CiteertitelNJB 2018/2052
SamenvattingOp 31 oktober 2018 is tijdens een Buitengewone Vergadering van de Raad van State afscheid genomen van Piet Hein Donner als vice-president van de Raad van State. Dit is een licht-bewerkte versie van de inleiding gehouden tijdens het op de dag daarvůůr ter gelegenheid van zijn afscheid georganiseerde symposium ĎRechtsorde en bestuurí.
Auteur(s)L.F.M. Verhey
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekOpinie
TitelDemocratie en de gewone deugden
CiteertitelNJB 2018/2053
SamenvattingElke dinsdag om 13.00 uur is ons strafprocesrecht weer iets ingewikkelder geworden. Dan heeft de Strafkamer van de Hoge Raad, die van oudsher op dinsdag om 12.30 uur zitting houdt, in een van haar uitspraken of beschikkingen weer een nieuwe nuance aangebracht, een uitzondering op een uitzondering geformuleerd, of een subtiele subregel gegeven. Vervolgens wordt van vijftigduizend politieambtenaren verwacht dat zij vanaf de volgende ochtend 0.00 uur de nieuwe regel (subregel, uitzondering, nuance) foutloos toepassen.
Auteur(s)W. Borst
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - EHRM
TitelEHRM, 28-06-2018, 1828/06
CiteertitelNJB 2018/2054
SamenvattingNo punishment without law
UitspraakECLI:CE:ECHR:2018:0628JUD000182806
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - EHRM
TitelEHRM, 06-09-2018, 2822/16
CiteertitelNJB 2018/2055
SamenvattingRight to respect for private and family life
UitspraakECLI:CE:ECHR:2018:0906JUD000282216
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Hoge Raad (civiele kamer)
TitelHoge Raad 02-11-2018
CiteertitelNJB 2018/2057
SamenvattingTotstandkoming en uitleg overeenkomst
Samenvatting (Bron)Cassatieprocesrecht. Verbintenissenrecht. Aan Borgersbrief te stellen eisen (art. 44 lid 3 Rv). Totstandkoming en uitleg overeenkomst; Haviltexmaatstaf (art. 3:33 en art. 3:35 BW); motivering.
UitspraakECLI:NL:HR:2018:2043
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Hoge Raad (civiele kamer)
TitelHoge Raad 02-11-2018
CiteertitelNJB 2018/2058
SamenvattingPartneralimentatie
Samenvatting (Bron)Personen- en familierecht. Partneralimentatie. Vaststelling draagkracht ondernemer. In redelijkheid te verwerven inkomsten. Kan naast salaris ook winst uit onderneming een rol spelen bij draagkrachtberekening?
UitspraakECLI:NL:HR:2018:2045
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Hoge Raad (civiele kamer)
TitelHoge Raad 02-11-2018
CiteertitelNJB 2018/2059
SamenvattingGeneeskundige verklaring van arts voor verstandelijk gehandicapten
Samenvatting (Bron)Wet Bopz. Machtiging voortgezet verblijf. Geneeskundige verklaring van arts voor verstandelijk gehandicapten. Kan met deze verklaring worden volstaan in geval van gecombineerde diagnose die mede betrekking heeft op psychiatrische stoornis? HR 1 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2226; HR 4 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:682. Na mondelinge behandeling aan rechtbank toegezonden wettelijke aantekeningen; schending van hoor en wederhoor?
UitspraakECLI:NL:HR:2018:2044
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Hoge Raad (civiele kamer)
TitelHoge Raad 02-11-2018
CiteertitelNJB 2018/2060
SamenvattingGeneeskundige verklaring van arts voor verstandelijk gehandicapten
Samenvatting (Bron)Wet Bopz. Voorlopige machtiging. Geneeskundige verklaring van arts voor verstandelijk gehandicapten. Kan met deze verklaring worden volstaan in geval van een gecombineerde diagnose die mede betrekking heeft op psychiatrische stoornis? (HR 1 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2226)
UitspraakECLI:NL:HR:2018:2046
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Hoge Raad (civiele kamer)
TitelHoge Raad 02-11-2018
CiteertitelNJB 2018/2061
SamenvattingGemeenschapsmodelverordening
Samenvatting (Bron)Cassatie in het belang der wet. Art. 90 en 81 Gemeenschapsmodelverordening. Art. 3 Uitvoeringswet EG-verordening betreffende Gemeenschapsmodellen. Laat de GModVo ruimte voor bij de wet aangewezen exclusieve bevoegdheid van de rechtbank Den Haag in zaken waarin voorlopige en beschermende maatregelen worden gevraagd inzake inbreuk op een Gemeenschapsmodel? PrejudiciŽle vragen aan het HvJEU.
UitspraakECLI:NL:HR:2018:2027
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Hoge Raad (strafkamer)
TitelHoge Raad 30-10-2018
CiteertitelNJB 2018/2062
SamenvattingVerduistering
Samenvatting (Bron)Verduistering door gelden van investeerders bestemd voor bouwprojecten over te maken naar eigen bankrekening, art. 321 Sr. 1. Bewijs wederrechtelijke toe-eigening en opzet. 2. Strafmotivering. 3. HR ambtshalve: Onderzoek naar verjaring als grond voor verval van recht tot strafvordering en deswege niet-ontvankelijkheid OM in vervolging, art. 348, 349.1, 358.3 en 359.2 Sv. Ambtshalve beoordeling door HR? Ad 1. en 2. HR: art. 81.1 RO. Ad 3. Het recht tot strafvordering wegens verjaring vervalt zowel indien termijn van verjaring is vervuld voor aanvang van geding als indien zij tijdens loop van geding is vervuld. Dit brengt mee dat zowel rechter in e.a. en die in h.b. als die in cassatie in bepaalde gevallen onderzoek behoort te doen naar mogelijke niet-ontvankelijkheid OM in vervolging wegens verjaring en daarvan in zijn uitspraak dient te doen blijken. In cassatie lijdt dit evenwel naar huidig inzicht uitzondering voor het geval dat verjaring reeds voor indienen van schriftuur was voltooid en cassatieschriftuur niet klacht bevat dat rechter onderzoek naar niet-ontvankelijkheid OM in vervolging wegens verjaring heeft miskend. Wel zal HR ambtshalve ingrijpen ingeval termijn van verjaring is vervuld tussen indiening van schriftuur en uitspraak van arrest omdat in dat geval niet bij wege van middel van cassatie beroep kon worden gedaan op alsnog intreden van niet-ontvankelijkheid OM in vervolging. HR zal daarom vraag laten rusten of i.c. verjaring voor indienen van schriftuur was voltooid.
UitspraakECLI:NL:HR:2018:2022
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Hoge Raad (strafkamer)
TitelHoge Raad 30-10-2018
CiteertitelNJB 2018/2063
SamenvattingTelen en bewerken van hennep in woning
Samenvatting (Bron)Telen en bewerken van hennep in woning (art. 3.B Opiumwet) en diefstal d.m.v. braak van elektriciteit t.b.v. hennepkwekerij (art. 311.1.5 Sr). 1. Ontvankelijkheid OM in h.b. ex art. 416.3 Sv. Bevat schriftuur OvJ grieven in de zin van art. 410.1 Sv? 2. Slagende bewijsklachten. Ad 1. Opvatting dat onder grieven a.b.i. art. 410.1 Sv uitsluitend kunnen worden begrepen bezwaren die zich direct richten tegen in e.a. gewezen vonnis, is onjuist. Gelet op wetgeschiedenis kunnen onder 'grieven' a.b.i. art. 410.1 Sv zowel bezwaren direct gericht tegen het oordeel van de rechter in e.a. als andersoortige gronden voor het instellen van het beroep vallen. Gelet hierop getuigt s Hofs oordeel dat door OvJ in schriftuur aangevoerde omstandigheid, te weten dat sprake is van verwevenheid van strafzaken tegen verdachte en tegen medeverdachte vanwege samenhang in waardering van verklaringen, duidelijk maakt wat de inzet van h.b. is en derhalve een 'grief' in de zin van art. 410.1 Sv oplevert, niet van een onjuiste rechtsopvatting. Dit oordeel is evenmin onbegrijpelijk. Ad 2. Aangezien bewezenverklaring, inhoudende dat verdachte opzettelijk hennepplanten heeft geteeld en bewerkt, en voorts elektriciteit heeft "weggenomen", niet z.m. kan worden afgeleid uit de bewijsvoering, is de bestreden uitspraak niet naar de eis der wet met redenen omkleed. Volgt vernietiging en terugwijzing. Samenhang met 16/03499P.
UitspraakECLI:NL:HR:2018:2002
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Hoge Raad (strafkamer)
TitelHoge Raad 30-10-2018
CiteertitelNJB 2018/2064
SamenvattingOndervragingsrecht geschonden nu verdediging niet in staat is geweest getuige A te ondervragen?
Samenvatting (Bron)Profijtontneming, w.v.v. ( 1.763.856,-) uit soortgelijk strafbaar feit a.b.i. art. 36e.2 (oud) Sr na veroordeling t.z.v. deelneming aan criminele organisatie die zich bezighield met invoer heroÔne. Ondervragingsrecht geschonden nu verdediging niet in staat is geweest getuige A te ondervragen? Op ontnemingsprocedure is art. 6.1 EVRM van toepassing (vgl. EHRM 41087/98 (Phillips/VK)). In die procedure moet derhalve zijn gewaarborgd dat aan verdedigingsrechten van betrokkene wordt tegemoet gekomen. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2017:1015 m.b.t. het recht van de verdediging in de strafprocedure om o.g.v. art. 6.3.d EVRM getuigen op een behoorlijke en effectieve mogelijkheid in enig stadium van het geding daadwerkelijk te (doen) ondervragen en uit ECLI:NL:HR:2010:BK3424 m.b.t. verschil in karakter tussen straf- en ontnemingsprocedure. Gelet op karakter van ontnemingsprocedure zijn uit de zogenoemde Vidgen-jurisprudentie (EHRM ECLI:CE:ECHR:2012:0710JUD002935306) voortvloeiende regels niet onverkort van toepassing in ontnemingsprocedure (vgl. ECLI:NL:HR:2015:898). Die regels hebben echter wel betekenis indien en v.zv. een in het verband van ontnemingsprocedure te nemen beslissing inhoudt dat betrokkene zelf een concreet aangeduid strafbaar feit heeft begaan. Hof heeft geoordeeld dat voldoende aanwijzingen bestaan dat door betrokkene "bedreigingen en intimidaties" zijn begaan die een soortgelijk strafbaar feit a.b.i. art. 36e.2 (oud) Sr vormen, en dat door die bedreigingen en intimidaties A is gedwongen tot het afstaan van appartementen in aanbouw, waardoor betrokkene wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. Hof heeft die aanwijzingen ontleend aan verklaringen van A en in dat verband vastgesteld dat verdediging A zowel mondeling als schriftelijk daadwerkelijk vragen heeft kunnen stellen en ook heeft gesteld. s Hofs daarop gebaseerde oordeel dat een behoorlijke en effectieve mogelijkheid tot ondervraging van getuige niet heeft ontbroken en dat verklaringen van A, zonder schending van aan betrokkene o.g.v. art. 6 EVRM toekomende verdedigingsrechten, kunnen worden betrokken bij vaststelling van een door betrokkene begaan soortgelijk strafbaar feit a.b.i. art. 36e.2 (oud) Sr en de schatting van het door betrokkene w.v.v., getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd. Volgt verwerping. Vervolg op ECLI:NL:HR:2003:AH9922 (strafzaak).
UitspraakECLI:NL:HR:2018:2023
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Hoge Raad (strafkamer)
TitelHoge Raad 30-10-2018
CiteertitelNJB 2018/2065
SamenvattingMedeplegen witwassen
Samenvatting (Bron)Medeplegen witwassen, meermalen gepleegd (art. 420bis.1.b Sr), medeplegen diefstal d.m.v. valse sleutels (art. 311.1 Sr) en medeplegen oplichting (art. 326 Sr). 1. Ontvankelijkheid vordering b.p. van N.V., nu niet blijkt dat gemachtigde van vennootschap door b.p. is gemachtigd. Art. 51c.2 (oud), 51f.1 en 51g.1 (oud) Sv. 2. HR ambtshalve: Opgelegde gevangenisstraf van 20 maanden, waarvan 9 maanden voorwaardelijk, in combinatie met taakstraf van 240 uren in strijd met art. 9.4 Sr. Ambtshalve vernietiging door HR? Ad 1. Ex art. 51c.2 (oud) Sv kan b.p. zich doen vertegenwoordigen, o.m. door daartoe bij bijzondere volmacht door haar schriftelijk gemachtigde. Die bepaling strekt zich ook uit tot voeging d.m.v. opgave a.b.i. art. 51g.1 (oud) Sv (vgl. ECLI:NL:HR:2002:AD5371). Een dergelijke volmacht is echter niet vereist indien b.p. rechtspersoon is en voegingsformulier is ondertekend door persoon die optreedt namens rechtspersoon (vgl. ECLI:NL:HR:2004:AR3043). Hof heeft kennelijk geoordeeld dat N.V. zich in e.a. op de in art. 51g.1 (oud) Sv voorziene wijze heeft gevoegd als b.p., waarbij gemachtigde optrad namens rechtspersoon. Gelet op p-v tz. in h.b., arrest Hof en voegingsformulier b.p., is dat oordeel niet onbegrijpelijk, ook niet in het licht van de niet nader onderbouwde stelling van verdediging dat uit het dossier niet volgt dat gemachtigde door b.p. gemachtigd is. Ad 2. Combinatie van taakstraf met onvoorwaardelijke gevangenisstraf is gelet op art. 9.4 Sr slechts mogelijk indien onvoorwaardelijk ten uitvoer te leggen deel van gevangenisstraf ten hoogste zes maanden bedraagt. Door Hof opgelegde sanctie (onvoorwaardelijk deel gevangenisstraf van elf maanden) heeft in zoverre geen wettelijke grondslag. In aanmerking genomen dat in cassatie niet namens verdachte is geklaagd over opgelegde sanctie en belang dat verdachte heeft bij vernietiging van bestreden uitspraak wat betreft strafoplegging en terugwijzing naar Hof voor het opleggen van andere straf niet z.m. is gegeven, ziet HR geen aanleiding voor ambtshalve vernietiging van bestreden uitspraak wat betreft strafoplegging. Volgt verwerping.
UitspraakECLI:NL:HR:2018:2006
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Hoge Raad (strafkamer)
TitelHoge Raad 30-10-2018
CiteertitelNJB 2018/2066
SamenvattingVervolgingsuitlevering opgeŽiste persoon naar Marokko
Samenvatting (Bron)Vervolgingsuitlevering opgeŽiste persoon (Nederlandse en Marokkaanse nationaliteit) naar Marokko t.z.v. deelname aan criminele organisatie, internationale handel in verdovende middelen en omkoping. OM-cassatie tegen ontoelaatbaarverklaring uitlevering. Bevoegdheidstoedeling aan uitleveringsrechter en Minister. Is uitleveringsrechter bevoegd te oordelen over beroep op dreigende flagrante inbreuk op art. 6 EVRM vanwege martelingen verdachten in Marokkaanse strafzaak tegen opgeŽiste persoon? 1. Oordeel Rb dat sprake is van dreigende flagrante inbreuk op art. 6 EVRM en dat door verzoekende Staat gegeven garantie te algemeen en te vaag is om het reŽle gevaar van deze schending te kunnen uitsluiten. 2. Heeft Rb toepasselijk toetsingskader miskend doordat zij niet heeft vastgesteld dat opgeŽiste persoon na zijn uitlevering t.z.v. die inbreuk niet rechtsmiddel ten dienste staat a.b.i. art. 13 EVRM? Ad 1. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2017:463 inzake de bevoegdheidstoedeling aan rechter en Minister t.a.v. beroep van opgeŽiste persoon op dreigende en/of voltooide inbreuk op fundamentele rechten die hem in art. 6 EVRM zijn toegekend. Rb heeft geoordeeld dat uit overgelegde verklaringen van (advocaten van) medeverdachten van opgeŽiste persoon, beschouwd in onderlinge samenhang en tegen de achtergrond van rapporten en beslissingen, volgt dat (1) reŽel gevaar bestaat dat voor opgeŽiste persoon belastende verklaringen die medeverdachten A en B in 2010 hebben afgelegd, zijn verkregen door handelingen die in strijd zijn met art. 3 EVRM en (2) deze verklaringen zullen worden toegelaten als bewijs in strafprocedure tegen opgeŽiste persoon. Rb heeft voorts geoordeeld dat door verzoekende Staat gegeven garantie voor eerlijk en transparant proces te algemeen en te vaag is om dat reŽle gevaar te kunnen uitsluiten. Vervolgens heeft Rb geconcludeerd dat opgeŽiste persoon door zijn uitlevering zou worden blootgesteld aan zodanig risico van flagrante inbreuk op enig hem ingevolge art. 6 EVRM toekomend recht dat ingevolge art. 1 EVRM op Nederland rustende verplichting om dat recht te verzekeren, in de weg staat aan zijn uitlevering. Dat oordeel is in het licht van al hetgeen Rb heeft vastgesteld, niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Daaraan doet niet af hetgeen in toelichting op middel naar voren is gebracht t.a.v. door Marokko afgegeven garantie. In toelichting omschreven garantie houdt immers niets in ter afwending van door Rb als reŽel geoordeeld gevaar dat verklaringen van medeverdachten zijn verkregen door handelingen die in strijd zijn met art. 3 EVRM en dat deze zullen worden toegelaten als bewijs in strafprocedure tegen opgeŽiste persoon. Ad 2. In overwegingen Rb ligt als haar oordeel besloten dat niet aannemelijk is dat opgeŽiste persoon na zijn uitlevering t.z.v. dreigende flagrante inbreuk op art. 6 EVRM effectief rechtsmiddel ten dienste staat a.b.i. art. 13 EVRM. Oordeel dat zulks niet aannemelijk is - en dus niet is komen vast te staan - is niet onbegrijpelijk, gelet op inhoud van door Rb genoemde rapporten en beslissingen. Nu oordeel Rb dat sprake is van dreigende flagrante schending van art. 6 EVRM, ontoelaatbaarverklaring van gevraagde uitlevering zelfstandig draagt, behoeft klacht tegen haar oordeel dat door verzoekende Staat overgelegde stukken ongenoegzaam zijn en dat (ook) dit moet leiden tot ontoelaatbaarverklaring van uitlevering, geen bespreking. Volgt verwerping. CAG: anders t.a.v. vaststelling dat opgeŽiste persoon na uitlevering t.z.v. dreigende flagrante inbreuk op art. 6 EVRM effectief rechtsmiddel ten dienste staat.
UitspraakECLI:NL:HR:2018:2019
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Raad van State
TitelRaad van State 17-10-2018
CiteertitelNJB 2018/2067
SamenvattingBestemmingsplan "Hoekbree 2e en 3e fase"
Samenvatting (Bron)Bij besluit van 8 december 2016 heeft de raad het bestemmingsplan "Hoekbree 2e en 3e fase" vastgesteld. Het plan maakt de tweede en derde fase van de ontwikkeling van Hoekbree mogelijk. Hoekbree is een grotendeels braakliggend terrein in de noordwestelijke hoek van de wijk Marsdijk. De tweede fase van de ontwikkeling van Hoekbree maakt de realisering van maximaal 8 vrijstaande woningen dan wel 5 vrijstaande woningen en 4 twee aaneengesloten woningen mogelijk. De derde fase maakt de realisering van maximaal 15 rijenwoningen mogelijk. Daarbij is voorzien in een ontsluiting via de bestaande weg Langbree en een tweede ontsluiting via een nieuw aan te leggen weg aan de zuidwestzijde die zal aansluiten op het parkeerterrein bij de sportvelden van voetbalvereniging Achilles 1894 en zijn vervolg zal krijgen via het openbaar vervoer knooppunt Marsdijk in de richting van de Martin Luther Kingweg.
UitspraakECLI:NL:RVS:2018:3389
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Centrale Raad van Beroep
TitelCentrale Raad van Beroep 23-10-2018
CiteertitelNJB 2018/2068
SamenvattingMaximum/minimum terughoudende toets van algemeen verbindend voorschrift.
Samenvatting (Bron)Inkomenstoeslag. Maximum/minimum terughoudende toets van algemeen verbindend voorschrift. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de bepalingen over de individuele inkomenstoeslag in de PW noch die van de langdurigheidstoeslag in de WWB blijkt dat de wetgever een minimum- of maximumhoogte van de toeslag heeft beoogd (vergelijk ook de uitspraken van 21 november 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:4102, en 15 juli 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:2379). Evenmin blijkt uit de wetsgeschiedenis dat de wetgever heeft beoogd dat differentiatie moet worden aangebracht in de hoogte van de toeslag, bijvoorbeeld gelet op de leefvorm. De gemeenten zijn geheel vrij in de wijze waarop zij invulling geven aan de inkomenstoeslag. Volgens vaste rechtspraak (zie onder meer de uitspraak van 6 september 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3098) heeft in het algemeen te gelden dat het aan de materiŽle wetgever is voorbehouden om alle betrokken belangen af te wegen en moet de rechter het resultaat daarvan respecteren. Dit uitgangspunt lijdt uitzondering indien aan de inhoud of de wijze van totstandkoming van een algemeen verbindend voorschrift zodanige ernstige feilen kleven dat dit voorschrift om die reden niet als grondslag kan dienen voor daarop in concrete gevallen te baseren besluiten. Dat brengt met zich dat de rechter bij de behandeling van een beroep dat tegen een in concreto genomen besluit is ingesteld, ook gehouden is om - met terughoudendheid - te toetsen of het desbetreffende algemeen verbindende voorschrift een voldoende deugdelijke grondslag voor dat besluit vormt. Bij die, niet rechtstreekse, toetsing van het algemeen verbindende voorschrift vormen de algemene rechtsbeginselen en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur een belangrijk richtsnoer. Bij de vaststelling van de Verordening is gemotiveerd hoe de hoogte van de toeslag van 50,- zich verhoudt tot het armoedebeleid in de gemeente Rotterdam. Uit de toelichting komt naar voren dat het geheel van maatregelen, waaronder afzonderlijke, meer generieke regelingen voor bepaalde leefvormen, er toe moet leiden dat alle belanghebbenden, ook gehuwden met kinderen, in natura dan wel met inkomen, ondersteund kunnen worden. Gelet hierop bestaat geen grond voor het oordeel dat de in de Verordening gemaakte keuze voor ťťn toeslag de terughoudende toetsing als niet kan doorstaan.
UitspraakECLI:NL:CRVB:2018:3296
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Centrale Raad van Beroep
TitelCentrale Raad van Beroep 24-10-2018
CiteertitelNJB 2018/2069
SamenvattingKinderbijslag geweigerd
Samenvatting (Bron)Ten onrechte kinderbijslag geweigerd. Appellant moet op 1 oktober 2016 worden aangemerkt als verzekerde krachtens de AKW. Migrerend werknemer. De eis van ingezetenschap in de zin van de AKW moet worden geacht te strekken tot afbakening van het Nederlandse stelsel ten opzichte van stelsels van andere staten. Een dergelijke afbakening vindt evenwel reeds plaats bij artikel 11, tweede lid, onder e, van Vo 883/2004. Op grond van die bepaling is op appellant Nederlands recht van toepassing omdat hij woonplaats in Nederland heeft in de zin van Vo 883/2004. Verder moet worden geconstateerd dat vrijwillige verzekering krachtens de AKW niet mogelijk is. Onder die omstandigheden heeft de Svb aan appellant over het vierde kwartaal van 2016 geen kinderbijslag mogen weigeren omdat hij volgens de Svb nog geen duurzame banden van persoonlijke aard met Nederland had. Voldoende is dat appellant op 1 oktober 2016 zijn normale woonplaats in Nederland had, terwijl zich in Nederland ook het gewone centrum van zijn belangen bevond.
UitspraakECLI:NL:CRVB:2018:3319
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - College van Beroep voor het bedrijfsleven
TitelCollege van Beroep voor het bedrijfsleven 23-10-2018
CiteertitelNJB 2018/2070
SamenvattingLNV-subsidies
Samenvatting (Bron)LNV-subsidies, EVF, correctie van eerder gegeven vaststellingsbeschikking, onregelmatigheid, bewijslastverdeling
UitspraakECLI:NL:CBB:2018:549
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - College van Beroep voor het bedrijfsleven
TitelCollege van Beroep voor het bedrijfsleven 23-10-2018
CiteertitelNJB 2018/2071
SamenvattingLNV-subsidies
Samenvatting (Bron)LNV-subsidies, EVF, accountantskosten, aanschafkosten/afschrijvingskosten
UitspraakECLI:NL:CBB:2018:547
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - College van Beroep voor het bedrijfsleven
TitelCollege van Beroep voor het bedrijfsleven 23-10-2018
CiteertitelNJB 2018/2072
SamenvattingMarktverdelingsafspraak tussen franchisenemers actief op het gebied van textielverzorging voor de gezondheidszorg in Nederland
Samenvatting (Bron)Mededingingsrecht. Hoger beroep. Overtreding van artikel 6, eerste lid, van de Mw en artikel 101, eerste lid, van het VWEU (kartelverbod). Marktverdelingsafspraak tussen franchisenemers actief op het gebied van textielverzorging voor de gezondheidszorg in Nederland. Het bestaan van de franchiseovereenkomsten laat onverlet dat de afspraak in overwegende mate een horizontaal karakter heeft. Enkele voortdurende overtreding. Geen groeps- of individuele vrijstelling van toepassing. Betrokken omzet omvat ook omzet die niet aantoonbaar door de overtreding is behaald. Verlaging ernstfactor van 1 naar 0,5. De omstandigheid dat na verlaging van de ernstfactor een boetebedrag resteert dat nog steeds aanzienlijk is, hangt samen met het feit dat de betrokken omzet mede gelet op de duur van de overtreding (van 1998 tot en met 2009) eveneens aanzienlijk is. Het College acht boetes van 9.393.000,-, 1.398.000,-, 1.635.000,- en 154.000,- passend en geboden.
UitspraakECLI:NL:CBB:2018:526
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - College van Beroep voor het bedrijfsleven
TitelCollege van Beroep voor het bedrijfsleven 30-10-2018
CiteertitelNJB 2018/2073
SamenvattingOvereenkomst en/of onderling afgestemde feitelijke gedragingen bestaande uit telefonische contacten over marktverdeling tussen inzamelaars van zeescheepsafval in het Rotterdamse havengebied.
Samenvatting (Bron)Mededingingsrecht. Hoger beroep. Overtreding van artikel 6, eerste lid, van de Mw (kartelverbod). Overeenkomst en/of onderling afgestemde feitelijke gedragingen bestaande uit telefonische contacten over marktverdeling tussen inzamelaars van zeescheepsafval in het Rotterdamse havengebied. Strekkingsbeperking. Enkele voortdurende overtreding. Geen geslaagd beroep op de vrijstelling uit artikel 6, derde lid, van de Mw. Duur van de overtreding. Ernstfactor 2,25. Het College acht de door ACM opgelegde boetes van 1.861.000,- en 834.000,- passend en geboden.
UitspraakECLI:NL:CBB:2018:527
Artikel aanvragenVia Praktizijn