Nederlands Juristenblad

Uitgever Wolters Kluwer
Tijdschrift Nederlands Juristenblad
Datum 29-05-2019
Aflevering 21
RubriekVooraf
TitelDe verdoezelde cijfers: fake nieuws of ruis?
CiteertitelNJB 2019/1198
SamenvattingStaatssecretaris Harbers trad af wegens cijfers over criminaliteit onder asielzoekers. Ybo Buruma vraagt zich af of dit nu een voorbeeld is van fake nieuws – opzettelijke desinformatie. Een nadere blik op de cijfers leert dat het (ten minste ook) om iets anders gaat.
Auteur(s)Y. Buruma
LinkVolledige tekst artikel (njb.nl)
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekWetenschap
TitelVaccinatie op de kinderopvang
CiteertitelNJB 2019/1199
SamenvattingDe afnemende vaccinatiegraad en de toenemende kans op mazelenuitbraken worden meer en meer als een maatschappelijk probleem ervaren, en krijgen daarom terecht veel politieke aandacht. Een initiatiefwetsvoorstel van D66 wil kinderdagverblijven de mogelijkheid geven om niet-ingeënte kinderen te weigeren. Dit artikel toont aan dat dit voorstel in conflict komt met artikel 9 EVRM en de AWGB. Daarnaast biedt het voorstel slechts schijnzekerheid voor ouders over de veiligheid van hun kinderen in de kinderopvang. Wetgeving zou zich primair moeten richten op het tegengaan van het onderliggende probleem van de afnemende vaccinatiegraad.
Auteur(s)R.H.M. Pierik , M.F. Verweij
LinkVolledige tekst artikel (rolandpierik.nl)
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekWetenschap
TitelMediation: vrijwillig of afdwingbaar?
CiteertitelNJB 2019/1200
SamenvattingIn 2016 werd een wetsvoorstel bevordering mediation in consultatie gegeven en ook vanuit andere hoeken zijn er initiatieven genomen en voorstellen gedaan om mediation een meer verplichtend karakter te geven. Maar wetgeving met betrekking tot vrijwilligheid of afdwingbaarheid van mediation is nauwelijks wenselijk, in ieder geval niet noodzakelijk en slechts als een milde reminder aan de rechter enigszins nuttig.
Auteur(s)A.M.L. Broekhuijsen-Molenaar
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekFocus
TitelStoned achter het stuur
CiteertitelNJB 2019/1201
SamenvattingDe verstoring van de rijvaardigheid door het gebruik van cannabis is dosisafhankelijk. Uit onderzoek blijkt dat hoe hoger de dosis THC, hoe duidelijker het negatieve effect op de (rij)vaardigheden is. In de richtlijnen van het OM wordt ongeacht de hoeveelheid THC aangetroffen bij een bestuurder eenzelfde strafbeschikking aangeboden. Voorts bestaan voor de rechterlijke straftoemeting geen oriëntatiepunten. Het is de hoogste tijd om daarin verandering te brengen.
Auteur(s)R. van Leusden
LinkVolledige tekst artikel (cleerdin-hamer.nl)
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekOpinie
TitelKoninkrijksgeschillen beslechten
CiteertitelNJB 2019/1202
SamenvattingWanneer men geschillen over de interpretatie van het basisdocument van het Koninkrijk, het Statuut, laat beslissen door een orgaan waarin de Nederlandse ministers het uiteindelijk voor het zeggen hebben, kan van juridische gelijkwaardigheid tussen de landen van het Koninkrijk niet meer worden gesproken. Vragen over de grenzen van de bevoegdheden van de hoogste organen van de vier landen van het Koninkrijk dienen te worden beslecht door een onafhankelijke instantie.
Auteur(s)W. Konijnenbelt
LinkVolledige tekst artikel (njb.nl)
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekReacties
TitelUbi iudicia deficiunt, incipit bellum, ofwel: hoe hardnekkig een foutieve vertaling blijft bestaan
CiteertitelNJB 2019/1203
SamenvattingHet is mij niet eerder overkomen dat ik mij gedrongen voel te reageren op een column die mij (als romanist en rechter) uit het hart is gegrepen. Aan de hand van levendige voorbeelden concludeert Coen Drion dat recht (uiteindelijk) de ars (kunde én de kunst) behoort te zijn van het goede en billijke, waarmee hij verwijst naar de onovertroffen uitspraak van de jurist Celsus uit de tweede eeuw, die eeuwigheidswaarde zal hebben (ius est ars boni et aequi).
Auteur(s)M.J.A.M. Ahsmann
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - EHRM
TitelEHRM 12-03-2019, 71815/14
CiteertitelNJB 2019/1204
Samenvatting(Art. 8) Right to respect for private and family life (Art. 14) Prohibition of discrimination (Art. 35) Admissibility criteria (Dorani en Khawati, Aghmadi en Jaghubi, Heerawi en Said/Nederland)
UitspraakECLI:CE:ECHR:2019:0312DEC007181514
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - EHRM
TitelEHRM, 09-04-2019, 72931/10
CiteertitelNJB 2019/1205
SamenvattingPreliminary objection allowed (Art. 34) Individual applications (Art. 34) Locus standi Remainder inadmissible (Art. 35) Admissibility criteria No violation of Article 8 - Right to respect for private and family life (Article 8-1 - Respect for family life) Violation of Article 8 - Right to respect for private and family life (Article 8 - Positive obligations Article 8-1 - Respect for family life) Non-pecuniary damage - award (Article 41 - Non-pecuniary damage Just satisfaction) (V.D. e.a./Rusland)
UitspraakECLI:CE:ECHR:2019:0409JUD007293110
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Hoge Raad (civiele kamer)
TitelHoge Raad 17-05-2019
CiteertitelNJB 2019/1206
SamenvattingBeleidsvrijheid en beoordelingsvrijheid DNB. Financieel toezicht.
Samenvatting (Bron)Financieel toezicht. Overdracht aandelen verzekeraar op grond van overdrachtsplan De Nederlandsche Bank; art. 3:195c (oud) Wft en art. 3:159u (oud) Wft. Summierlijk blijken bestaan toestand van art. 3:195c (oud) Wft; door rechter te hanteren maatstaf; art. 3:159ij (oud) Wft. Beleidsvrijheid en beoordelingsvrijheid DNB; marginale toetsing?
UitspraakECLI:NL:HR:2019:746
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Hoge Raad (civiele kamer)
TitelHoge Raad 17-05-2019
CiteertitelNJB 2019/1207
SamenvattingLigt beroep op ontbreken van rechtsmacht besloten in beroep op immuniteit van jurisdictie?
Samenvatting (Bron)IPR. Rechtsmacht. Stilzwijgende aanvaarding van bevoegdheid? Art. 26 lid 1 Verordening Brussel I-bis en art. 11 Rv. Immuniteit van jurisdictie en immuniteit van beslag en executie; art. 1 Rv en art. 13a Wet AB. Ligt beroep op ontbreken van rechtsmacht besloten in beroep op immuniteit van jurisdictie? Ingangsdatum, omvang en maximum van contractuele en wettelijke rente in verband met Letter of Credit. Uitleg van Iraaks recht.
UitspraakECLI:NL:HR:2019:732
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Hoge Raad (civiele kamer)
TitelHoge Raad 17-05-2019
CiteertitelNJB 2019/1208
SamenvattingCausaal verband tussen onrechtmatige besluiten en tussentijdse beëindiging toepassing schuldsanering?
Samenvatting (Bron)Overheidsprivaatrecht. Besluitaansprakelijkheid. Causaal verband tussen onrechtmatige besluiten en tussentijdse beëindiging toepassing schuldsanering? Gebondenheid aan overwegingen bestuursrechter. HR 20 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:661, en HR 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1128.
UitspraakECLI:NL:HR:2019:738
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Hoge Raad (civiele kamer)
TitelHoge Raad 17-05-2019
CiteertitelNJB 2019/1209
SamenvattingOnteigening. Werkzaamheden niet binnen drie jaar na onteigeningsvonnis aangevangen.
Samenvatting (Bron)Onteigeningsrecht; procesrecht. Werkzaamheden niet binnen drie jaar na onteigeningsvonnis aangevangen; art. 61 Ow. Billijke schadeloosstelling als bedoeld in art. 61 lid 2 Ow. Strekking en maatstaf. Punitief karakter? Bindende eindbeslissing?
UitspraakECLI:NL:HR:2019:757
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Hoge Raad (civiele kamer)
TitelHoge Raad 17-05-2019
CiteertitelNJB 2019/1210
SamenvattingIs persoonsgericht onderzoek onzorgvuldig uitgevoerd?
Samenvatting (Bron)Caribische zaak. Onrechtmatige daad. Onderzoek accountantskantoor naar mogelijke onregelmatigheden door directieleden van stichting. Is persoonsgericht onderzoek onzorgvuldig uitgevoerd? Toepasbaarheid in Aruba van Nederlandse gedrags- en beroepsregels voor accountants. Hoor en wederhoor. Contractuele maatstaf bepalend?
UitspraakECLI:NL:HR:2019:744
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Hoge Raad (strafkamer)
TitelHoge Raad 14-05-2019
CiteertitelNJB 2019/1211
SamenvattingHoge Raad herhaalt overwegingen m.b.t. eisen aan ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding voor geslaagd beroep op noodweer(exces).
Samenvatting (Bron)Poging doodslag door aangever met een mes in de rug te steken en meermalen in het gezicht te slaan/stompen, art. 287 Sr. Noodweer(exces), art. 41 Sr. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2016:456 m.b.t. eisen aan ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding voor geslaagd beroep op noodweer(exces). Hof heeft vastgesteld dat (i) nadat aangever de woning van verdachte had verlaten, waarbij aangever met zijn rechterhand uithaalde richting de voordeur, hij van verdachte vandaan ging en verdachte daarna niet heeft aangevallen en dat daartoe ook geen onmiddellijke dreiging bestond, (ii) verdachte vervolgens met een mes in zijn handen in de richting van aangever is gelopen en toen aangever daarop achteruit bij hem vandaan liep, een slaande maai-beweging met de hand waarin hij het mes vasthield richting aangever heeft gemaakt, waarbij hij aangever heeft gestoken, (iii) aangever hierna "naar de grond ging" waarop verdachte bovenop aangever is gaan zitten en aangever meermalen in het gezicht heeft geslagen/gestompt. Het op deze vaststellingen gebaseerde oordeel van Hof dat het bestaan van een situatie van noodweer(exces) nadat verdachte zijn woning weer had verlaten, niet aannemelijk is geworden en dat daarom het beroep op noodweer(exces) moet worden verworpen, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd. Volgt verwerping.
UitspraakECLI:NL:HR:2019:716
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Hoge Raad (strafkamer)
TitelHoge Raad 14-05-2019
CiteertitelNJB 2019/1212
SamenvattingHoge Raad herhaalt relevante overwegingen m.b.t. voorwaarden voor aanvaarding beroep op noodweer, gedraging die niet kan worden aangemerkt als verdediging maar als aanvallend moet worden gezien en culpa in causa.
Samenvatting (Bron)Medeplegen poging doodslag door vanuit personenauto meermalen te schieten op inzittende van andere auto in Almere in oktober 2012, art. 287 Sr. Noodweer, aanvallende gedraging en culpa in causa. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2016:456 m.b.t. voorwaarden voor aanvaarding beroep op noodweer, gedraging die niet kan worden aangemerkt als verdediging maar als aanvallend moet worden gezien en culpa in causa. Indien Hof heeft geoordeeld dat gedragingen verdachte niet als verdedigend maar als aanvallend moeten worden gezien, is dat oordeel niet z.m. begrijpelijk. Blijkens bewijsvoering heeft Hof vastgesteld dat op PD2 niet alleen vanuit auto van verdachte en medeverdachte is geschoten op andere auto maar dat eveneens is geschoten op auto van verdachte en medeverdachte, terwijl - mede gelet op voor bewijs gebruikte verklaringen van verdachte, die inhouden dat verdachte op PD2 werd beschoten en dat er werd teruggeschoten - niet is komen vast te staan dat verdachte en/of medeverdachte als eerste heeft/hebben geschoten. Indien Hof heeft geoordeeld dat sprake is geweest van culpa in causa, is oordeel evenmin z.m. begrijpelijk, in aanmerking dat Hof heeft vastgesteld dat op PD1 is geschoten door aangever richting auto van verdachte en medeverdachte, waarop die hard is weggereden en dat verdachte en medeverdachte hun auto op PD2 weliswaar op betrekkelijk korte afstand van andere auto zichtbaar hebben stilgezet, maar dat uit s Hofs motivering niet naar voren komt dat verdachte en medeverdachte zich voorafgaand aan vuurwapengeweld zodanig hebben gedragen, dat sprake is van bijzondere omstandigheden die aan slagen van beroep op noodweer in de weg staan. Ontkenning van verdachte dat hij heeft geschoten of schieten heeft willen medeplegen, kan verwerping verweer niet zelfstandig dragen. Die omstandigheid kan wel van belang zijn voor door rechter te verrichten onderzoek of aan voorwaarden voor aanvaarding van beroep op noodweer(exces) is voldaan, in welk verband immers betekenis kan toekomen aan inhoud en indringendheid van door of namens verdachte aangevoerde argumenten. Volgt partiele vernietiging (t.a.v. strafbaarheid bewezenverklaring, strafbaarheid verdachte en strafoplegging) en terugwijzing. Samenhang met 15/03070.
UitspraakECLI:NL:HR:2019:715
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Hoge Raad (strafkamer)
TitelHoge Raad 14-05-2019
CiteertitelNJB 2019/1213
SamenvattingIs het OM ontvankelijk in vervolging, nu aan verdachte t.z.v. hetzelfde feit door OvJ reeds gedragsaanwijzing (locatieverbod) is gegeven?
Samenvatting (Bron)Kraken, art. 138a.1 Sr. OM ontvankelijk in vervolging, nu aan verdachte t.z.v. hetzelfde feit door OvJ reeds gedragsaanwijzing (locatieverbod) a.b.i. art. 509hh Sv is gegeven? Uit wetsgeschiedenis volgt dat toepassing van gedragsaanwijzing a.b.i. art. 509hh Sv moet worden opgevat als afzonderlijk onderdeel van één en dezelfde vervolging die kan leiden tot een veroordeling tot straf, hetgeen met zich brengt dat, anders dan in ECLI:NL:HR:2015:434 (Alcoholslotprogramma), zich niet uitzonderlijke situatie voordoet waarin twee procedures over identieke verweten gedraging hun directe oorsprong vinden in hetzelfde feit met sterk gelijkende gevolgen. s Hofs oordeel dat erop neerkomt dat OM recht tot strafvervolging van verdachte niet verliest door enkele omstandigheid dat i.v.m. hetzelfde feit gedragsaanwijzing a.b.i. art. 509hh Sv is opgelegd, getuigt - ook in het licht van rechtspraak EHRM - niet van onjuiste rechtsopvatting. Dat oordeel is evenmin ontoereikend gemotiveerd. Volgt verwerping.
UitspraakECLI:NL:HR:2019:711
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Hoge Raad (strafkamer)
TitelHoge Raad 14-05-2019
CiteertitelNJB 2019/1214
SamenvattingIs sprake van hetzelfde feit waarbij bedreiging in e-mailberichten is vervangen door bedreiging in gesprekken?
Samenvatting (Bron)Bedreiging met zware mishandeling (meermalen gepleegd) van nieuwe vriend van ex-vrouw, art. 285.1 Sr. Is sprake van hetzelfde feit a.b.i. art. 68 Sr na toewijzing vordering wijziging tll. a.b.i. art. 313 Sv, waarbij bedreiging in e-mailberichten is vervangen door bedreiging in gesprekken? HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2011:BM9102 m.b.t. relevante vergelijkingsfactoren die dienen te worden betrokken bij beoordeling van vraag of sprake is van hetzelfde feit. Zowel tll. als vordering tot wijziging van tll. is toegesneden op art. 285 Sr. In aanmerking genomen dat juridische aard van feiten identiek is en dat verschil in omschreven gedragingen wat betreft aard daarvan van beperkte betekenis is, geeft s Hofs oordeel dat door toewijzen van vordering tot wijziging tll. sprake blijft van 'hetzelfde feit' in de zin van art. 68 Sr, niet blijk van onjuiste rechtsopvatting. Dat oordeel is ook niet onbegrijpelijk. Volgt verwerping. CAG: anders.
UitspraakECLI:NL:HR:2019:712
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Hoge Raad (strafkamer)
TitelHoge Raad 14-05-2019
CiteertitelNJB 2019/1215
SamenvattingOnder welke omstandigheden is rechter gehouden het onderzoek ter terechtzitting te schorsen indien het voor verdachte feitelijk niet mogelijk is ter terechtzitting te verschijnen omdat hij in het buitenland is gedetineerd?
Samenvatting (Bron)(Medeplegen) gewoontewitwassen van geldbedragen (art. 420ter Sr), medeplegen voorbereidingshandelingen t.a.v. per schip vervoeren van cocaïne (art. 10a jo. 10.5 Opiumwet) en voorhanden hebben vuurwapens en munitie (art. 26.1 WWM). Aanhoudingsverzoek niet gemachtigde raadsman ttz. op de grond dat verdachte is gedetineerd in Colombia en dat hij zal worden overgeleverd aan Amerikaanse autoriteiten, door Hof afgewezen o.g.v. belangenafweging, waarbij Hof heeft gewezen op omstandigheid dat niet is te verwachten dat verdachte binnen redelijke termijn ttz. zal kunnen verschijnen, niet is gevraagd om bijwoning van zitting via videoverbinding en oorzaken van niet kunnen verschijnen in risicosfeer verdachte liggen. Onder welke omstandigheden is rechter gehouden onderzoek ttz. te schorsen indien het voor verdachte feitelijk niet mogelijk is ttz. te verschijnen omdat hij in het buitenland is gedetineerd? Hoofdregel is dat, indien uit de stukken of het verhandelde ttz. blijkt dat verdachte in het buitenland is gedetineerd en niet blijkt dat hij rechtsgeldig afstand heeft gedaan van zijn recht om in zijn tegenwoordigheid te worden berecht, niet wordt voortgegaan met onderzoek ttz. Daarom vergt beslissing om niet aan te houden vanwege uitzonderlijke omstandigheden nadere motivering. Opmerking verdient nog dat uiteindelijk bij de bepaling van de redelijke termijn van berechting aanhouding op de grond dat verdachte in het buitenland gedetineerd is in beginsel voor zijn rekening zal komen. Gelet hierop is s Hofs afwijzing van door de verdediging gedaan aanhoudingsverzoek niet toereikend gemotiveerd, reeds omdat Hof juistheid in het midden heeft gelaten van wat door raadsman is aangevoerd over te verwachten spoedige uitlevering van verdachte door Colombia aan VS en mogelijkheid van een daaropvolgende tijdelijke overlevering van verdachte door VS aan Nederland. Volgt vernietiging en terugwijzing.
UitspraakECLI:NL:HR:2019:709
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Hoge Raad (strafkamer)
TitelHoge Raad 14-05-2019
CiteertitelNJB 2019/1216
SamenvattingAls hoofdregel geldt dat indien uit stukken of het verhandelde ter terechtzitting blijkt dat verdachte in het buitenland is gedetineerd en niet blijkt dat hij rechtsgeldig afstand heeft gedaan van zijn recht om in zijn tegenwoordigheid te worden berecht, niet wordt voortgegaan met het onderzoek ter terechtzitting.
Samenvatting (Bron)OM-cassatie. Niet-ontvankelijkverklaring OM in vervolging t.z.v. winkeldiefstal (art. 310 Sr) wegens schending aanwezigheidsrecht verdachte, die na instellen h.b. door Nederlandse autoriteiten is overgeleverd aan Letland. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL: HR:2016:2059 m.b.t. niet-ontvankelijkverklaring OM i.g.v. vormverzuimen in de zin van art. 359a Sv dan wel inbreuk op verdedigingsrechten van verdachte die niet onder bereik van art. 359a Sv valt.. Hof heeft vastgesteld dat raadsman van verdachte zowel vóór overlevering als daarna herhaaldelijk aan Nederlandse autoriteiten - waaronder OM - kenbaar heeft gemaakt dat verdachte gebruik wil maken van zijn aanwezigheidsrecht, waarbij raadsman nodige inspanningen heeft verricht om aanwezigheid van verdachte op tz. in h.b. te bewerkstelligen. Hof heeft o.g.v. deze vaststellingen geoordeeld dat onder verantwoordelijkheid van OM inbreuk is gemaakt op door art. 6 EVRM gewaarborgd aanwezigheidsrecht van verdachte en dat dit tot niet-ontvankelijkheid OM in vervolging moet leiden. Nu Hof niets heeft vastgesteld omtrent (on)mogelijkheid aanwezigheidsrecht van verdachte alsnog te effectueren en daarmee evenmin over vraag of sprake was van onherstelbare inbreuk, is dat oordeel reeds daarom niet begrijpelijk. In dit verband verdient nog opmerking dat als hoofdregel geldt dat indien uit stukken of verhandelde ttz. blijkt dat verdachte in het buitenland is gedetineerd en niet blijkt dat hij rechtsgeldig afstand heeft gedaan van zijn recht om in zijn tegenwoordigheid te worden berecht, niet wordt voortgegaan met het onderzoek ttz.. (vgl. ECLI:NL:HR:2019:709). Volgt vernietiging en terugwijzing.
UitspraakECLI:NL:HR:2019:713
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Hoge Raad (strafkamer)
TitelHoge Raad 14-05-2019
CiteertitelNJB 2019/1217
SamenvattingIs redelijke termijn bij betekening verstekmededeling overschreden, nu het vonnis dateert van 7-3-2014 en mededeling uitspraak eerst op 5-4-2017 in persoon aan verdachte is uitgereikt, terwijl niet blijkt dat verstekmededeling binnen jaar na uitspraak is betekend?
Samenvatting (Bron)Telen van 324 hennepplanten in door verdachte gehuurde woning (art. 3.B Opiumwet) en diefstal d.m.v. verbreking van elektriciteit t.b.v. hennepkwekerij (art. 311.1.5 Sr). Is redelijke termijn bij betekening verstekmededeling ex art. 366 Sv na vonnis Pr overschreden, nu vonnis dateert van 7-3-2014 en mededeling uitspraak eerst op 5-4-2017 in persoon aan verdachte is uitgereikt, terwijl niet blijkt dat verstekmededeling binnen jaar na uitspraak is betekend? HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2008:BD2578 t.a.v. overschrijding van redelijke termijn in geval OM bij ex art. 366 Sv voorgeschreven betekening van verstekmededeling niet de nodige voortvarendheid heeft betracht. Hof heeft geoordeeld dat geen sprake is van overschrijding van redelijke termijn bij betekening van verstekmededeling na vonnis Pr. Daarbij heeft Hof in aanmerking genomen dat het niet onnodig lang heeft geduurd voordat verdachte met vonnis Pr bekend raakte, gelet op het feit dat verdachte vanaf 28-9-2012 tot 23-2-2017 niet op enig adres stond ingeschreven in de basisregistratie personen. Dat oordeel is niet begrijpelijk, reeds in aanmerking genomen dat niet blijkt dat binnen een jaar na uitspraak Pr verstekmededeling is betekend. HR doet de zaak om doelmatigheidsredenen zelf af en vermindert door Hof opgelegde gevangenisstraf van 3 maanden met 1 week. Samenhang met 18/00697 P.
UitspraakECLI:NL:HR:2019:708
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Raad van State
TitelRaad van State 30-04-2019
CiteertitelNJB 2019/1218
SamenvattingVoldoen digitale handtekeningen aan de eisen van artikel 5 en 3 van het Besluit digitalisering burgerlijk procesrecht en bestuursprocesrecht?
Samenvatting (Bron)Bij besluit van 24 april 2018 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld.
UitspraakECLI:NL:RVS:2019:1400
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Raad van State
TitelRaad van State 30-04-2019
CiteertitelNJB 2019/1219
SamenvattingIs, door slechts in de uitspraak op te nemen dat "deze uitspraak is gedaan, digitaal ondertekend en bekendgemaakt", de uitspraak in het openbaar uitgesproken?
Samenvatting (Bron)Bij besluit van 22 april 2018 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld.
UitspraakECLI:NL:RVS:2019:1390
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Raad van State
TitelRaad van State 30-04-2019
CiteertitelNJB 2019/1220
SamenvattingNiet is gebleken dat er voldoende behoefte bestaat aan het in het bestemmingsplan en de vergunningen voorziene programma voor Brouwerseiland.
Samenvatting (Bron)Bij besluit van 29 juni 2017, heeft de raad het bestemmingsplan "Brouwerseiland" vastgesteld.
UitspraakECLI:NL:RVS:2019:1399
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Centrale Raad van Beroep
TitelCentrale Raad van Beroep 09-05-2019
CiteertitelNJB 2019/1221
SamenvattingToepassing van het woonlandbeginsel. Kinderbijslag.
Samenvatting (Bron)Convenant met de Antillen en Convenant met Curaçao geen verdragen als bedoeld in artikel 91 e.v. van de Grondwet, zodat art. 94 Grondwet niet van toepassing is. Kinderbijslag terecht vastgesteld op 80% van de maximale kinderbijslag, aangezien de kinderen op Curaçao wonen. Toepassing van het woonlandbeginsel. Geen ongeoorloofde aantasting van het eigendomsrecht.
UitspraakECLI:NL:CRVB:2019:1590
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Centrale Raad van Beroep
TitelCentrale Raad van Beroep 15-05-2019
CiteertitelNJB 2019/1222
SamenvattingFactuur is geen besluit in de zin van art. 1:3, Awb. Vastgesteld wordt dat art. 38b, eerste lid, ZW geen specifieke wettelijke, en dus ook geen publiekrechtelijke, grondslag bevat voor de gegevensverstrekking door het Uwv aan de werkgever.
Samenvatting (Bron)De rechtbank heeft het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit terecht gegrond verklaard, dat besluit terecht vernietigd, het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard. De factuur van 25 augustus 2015 is geen besluit in de zin van art. 1:3, Awb. Vastgesteld wordt dat art. 38b, eerste lid, ZW geen specifieke wettelijke, en dus ook geen publiekrechtelijke, grondslag bevat voor de gegevensverstrekking door het Uwv aan de werkgever. Geen publiekrechtelijke rechtshandeling. De enkele omstandigheid dat het gaat om (facturering van) kosten die gepaard gaan met de verstrekking van bij het Uwv als uitvoerder van de sociale verzekeringswetten berustende gegevens, maakt niet dat hier een zeer bijzonder geval aan de orde is.
UitspraakECLI:NL:CRVB:2019:1616
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Centrale Raad van Beroep
TitelCentrale Raad van Beroep 15-05-2019
CiteertitelNJB 2019/1223
SamenvattingDe gevraagde integrale vergoeding van de gemaakte kosten voor rechtsbijstand wordt afgewezen, omdat geen sprake is van bijzondere omstandigheden waarin appellante door de werkwijze van het Uwv uitzonderlijk hoge kosten heeft moeten maken.
Samenvatting (Bron)Gewijzigde beslissing op bezwaar. Uwv heeft bezwaren gegrond verklaard en tien onderliggende besluiten herroepen. Hoger beroep ingetrokken. De gevraagde integrale vergoeding van de gemaakte kosten voor rechtsbijstand wordt afgewezen, omdat geen sprake is van bijzondere omstandigheden waarin appellante door de werkwijze van het Uwv uitzonderlijk hoge kosten heeft moeten maken. Uwv wordt veroordeeld in de kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand in beroep en hoger beroep. Wat betreft de kosten van medewerkers vallen deze kosten onder de proceskostenveroordeling en is voor afzonderlijke schadevergoeding geen ruimte. Overige kosten afgewezen, omdat het verzoek onvoldoende concreet is en niet is onderbouwd. Voor heropenen onderzoek is geen aanleiding.
UitspraakECLI:NL:CRVB:2019:1626
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - College van Beroep voor het bedrijfsleven
TitelCollege van Beroep voor het bedrijfsleven 07-05-2019
CiteertitelNJB 2019/1224
SamenvattingNiet duidelijke en misleidende reclame-uiting.
Samenvatting (Bron)Hoger beroep. Boete wegens overtreding van artikel 4:19, tweede lid, van de Wet financieel toezicht. Niet duidelijke en misleidende reclame-uiting. Schending nemo tenetur-beginsel. Wilsafhankelijk materiaal. Beslistermijn artikel 5:51 Awb. Zienswijzegelegenheid boetevoornemen. Hoogte van de boete.
UitspraakECLI:NL:CBB:2019:177
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - College van Beroep voor het bedrijfsleven
TitelCollege van Beroep voor het bedrijfsleven 14-05-2019
CiteertitelNJB 2019/1225
SamenvattingGratis aanbieden van een Klic-viewer door het Kadaster economische activiteit in de zin van de Wet markt en overheid?
Samenvatting (Bron)Hoger beroep tegen uitspraak van de rechtbank Rotterdam over de vraag of het gratis aanbieden van een Klic-viewer door het Kadaster moet worden aangemerkt als een economische activiteit in de zin van de Wet markt en overheid. Volgens appellant, die een betaalde viewer aanbiedt, is daarvan sprake en overtreedt het Kadaster artikel 25i van de Mededingingswet door de Klic-viewer gratis aan te bieden. Het College volgt ACM en de rechtbank in het oordeel dat het aanbieden van de Klic-viewer niet kan worden aangemerkt als een economische activiteit. De verplichting zoals vermeld in artikel 25i, eerste lid, van de Mededingingswet is daardoor niet van toepassing. Het College bevestigt de aangevallen uitspraak.
UitspraakECLI:NL:CBB:2019:204
Artikel aanvragenVia Praktizijn