Jurisprudentie Bodem

Uitgever Sdu
Tijdschrift Jurisprudentie Bodem
Datum 10-12-2019
Aflevering 11
TitelCollege van Beroep voor het bedrijfsleven 01-10-2019
CiteertitelJBO 2019/426
SamenvattingFosfaatrecht.
Samenvatting (Bron)Fosfaatrecht. Knelgevallenregeling. De knelgevallenregeling is niet van toepassing op niet gerealiseerde uitbreidingsplannen. Verwijzing naar ECLI:NL:CBB:2019:232. Ook aan artikel 72a van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet ontleent appellante geen aanspraak op de verhoging van haar fosfaatrecht, omdat zij niet aan de voor de toepassing van die wettelijke bepaling geldende voorwaarde voldoet dat de realisatie van een natuurgebied of de aanleg of onderhoud van publieke infrastructuur de oorzaak is van een tijdelijk lager aantal dieren. Ten aanzien van de individuele en buitensporige last heeft appellante niet aan haar stelplicht voldaan.
AnnotatorD. van der Meijden
UitspraakECLI:NL:CBB:2019:463
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelCollege van Beroep voor het bedrijfsleven 01-10-2019
CiteertitelJBO 2019/427
SamenvattingFosfaatrecht.
Samenvatting (Bron)Artikel 1 van het (Eerste) Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Fosfaatrecht. Geen sprake van een individuele en buitensporige last. De overgelegde stukken houden geen rekening met de invoering van het fosfaatrechtenstelsel en geven onvoldoende inzicht in de mate waarin appellante wordt getroffen door dat stelsel en in hoeverre sprake is van causaliteit tussen dit stelsel en de door appellante gestelde onzekerheid omtrent de voortgang van haar bedrijf. Met de keuze om de veestapel geleidelijk te laten groeien met eigen opfok van jongvee heeft appellante een risico genomen dat voor haar rekening komt.
AnnotatorD. van der Meijden
UitspraakECLI:NL:CBB:2019:459
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelCollege van Beroep voor het bedrijfsleven 01-10-2019
CiteertitelJBO 2019/428
SamenvattingFosfaatrecht.
Samenvatting (Bron)Artikel 1 van het (Eerste) Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Fosfaatrecht. Geen sprake van een individuele en buitensporige last. Appellante heeft, in weerwil van de op haar rustende bewijslast ter zake het bestaan van een individuele en buitensporige last, geen financiŽle of andere stukken overgelegd die haar stelling onderbouwen dat de toekomst van haar bedrijf op het spel staat.
AnnotatorD. van der Meijden
UitspraakECLI:NL:CBB:2019:462
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelCollege van Beroep voor het bedrijfsleven 01-10-2019
CiteertitelJBO 2019/429
SamenvattingFosfaatrecht.
Samenvatting (Bron)Artikel 1 van het (Eerste) Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Fosfaatrecht. Geen sprake van een individuele en buitensporige last. De door appellante overgelegde financiŽle stukken geven enkel een onderbouwing van de gemaakte kosten en bieden daarmee onvoldoende inzicht in de mate waarin zij wordt getroffen door het fosfaatrechtenstelsel en in hoeverre sprake is van causaliteit tussen dit stelsel en de door appellante gestelde onzekerheid omtrent de voortgang van haar bedrijf.
AnnotatorD. van der Meijden
UitspraakECLI:NL:CBB:2019:458
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelCollege van Beroep voor het bedrijfsleven 01-10-2019
CiteertitelJBO 2019/430
SamenvattingFosfaatrecht.
Samenvatting (Bron)Fosfaatrecht. Grondgebondenheid. Of de huurpercelen in de fosfaatruimte worden meegerekend, hangt er vanaf of appellante op 15 mei 2015 de feitelijke beschikkingsmacht over deze percelen had. Dat was niet het geval, nu zij deze als onderdeel van een structurele, daarop gerichte samenwerking aan derden had verhuurd.
AnnotatorD. van der Meijden
UitspraakECLI:NL:CBB:2019:461
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelCollege van Beroep voor het bedrijfsleven 01-10-2019
CiteertitelJBO 2019/431
SamenvattingFosfaatrecht.
Samenvatting (Bron)Artikel 1 van het (Eerste) Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Fosfaatrecht. Het beroep is gegrond voor zover het ziet op de vaststelling van de fosfaatruimte. Geen sprake van een individuele en buitensporige last. De door appellante overgelegde financiŽle stukken geven onvoldoende inzicht in de mate waarin zij wordt getroffen door het fosfaatrechtenstelsel en in hoeverre sprake is van causaliteit tussen dit stelsel en de in de beroepsgronden door appellante gestelde onzekerheid omtrent de voortgang van haar bedrijf. Zij bieden immers geen totaaloverzicht van de financiŽle positie van het bedrijf van appellante, onder meer omdat zij geen gegevens bevatten omtrent de vermogenspositie.
AnnotatorD. van der Meijden
UitspraakECLI:NL:CBB:2019:468
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelCollege van Beroep voor het bedrijfsleven 01-10-2019
CiteertitelJBO 2019/432
SamenvattingFosfaatrecht.
Samenvatting (Bron)Fosfaatrecht. Grondgebondenheid. Of het huurperceel in de fosfaatruimte wordt meegerekend, hangt er vanaf of appellante op 15 mei 2015 de feitelijke beschikkingsmacht over deze grond had. Dat was niet het geval, nu appellante het huurperceel als onderdeel van een structurele, daarop gerichte samenwerking aan een bloementeler had verhuurd.
AnnotatorD. van der Meijden
UitspraakECLI:NL:CBB:2019:469
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelCollege van Beroep voor het bedrijfsleven 08-10-2019
CiteertitelJBO 2019/433
SamenvattingFosfaatrecht.
Samenvatting (Bron)Fosfaatrechten. Msw. Generieke korting. Geen individuele en buitensporige last. Het College stelt vast dat appellante ook de noodzaak van de uitbreiding onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt. Het enkele verschil tussen het vergunde aantal melkkoeien en jongvee en het aantal melkkoeien en jongvee waarvoor wel fosfaatrecht is verleend leidt niet tot de conclusie dat appellante reeds om die reden een individuele en buitensporige last draagt. Dat, gezien de samenstelling van haar veestapel op 2 juli 2015, de wijze waarop het fosfaatrecht wordt vastgesteld voor appellante ongelukkig uitpakt, is op zichzelf ook geen bijzondere omstandigheid die strijd oplevert met artikel 1 van het EP. Het is inherent aan het hanteren van een peildatum dat er verschillen zullen zijn tussen bedrijven naar gelang de situatie op die dag.
AnnotatorD. van der Meijden
UitspraakECLI:NL:CBB:2019:475
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelCollege van Beroep voor het bedrijfsleven 08-10-2019
CiteertitelJBO 2019/434
SamenvattingFosfaatrecht.
Samenvatting (Bron)Fosfaatrechten. Msw. Het College heeft in zijn uitspraak van 23 juli 2019 reeds overwogen dat voor melkveehouders al vanaf het moment dat bekend werd dat het melkquotum zou worden afgeschaft en bijgevolg een einde zou komen aan de begrenzing van mestproductie voor rundvee, redelijkerwijs duidelijk had moeten zijn dat een ongeremde groei van de melkveehouderij niet mogelijk was en dat in verband met die afschaffing maatregelen te verwachten waren. Dit geldt ook voor appellant en dit had hem tot een zekere mate van voorzichtigheid bij het nemen van (investerings)beslissingen moeten nopen. Appellant heeft evenwel geopteerd voor een investering in een forse groei - het gaat in dezen om meer dan een verdubbeling van zijn veestapel - en heeft er tevens uiteindelijk voor gekozen om de groei van de veestapel niet al in de jaren na 2010, doch pas in de jaren rond de afschaffing van het melkquotum te doen plaatsvinden. De gevolgen van een zodanige aanpak behoren dan in het licht van hetgeen is overwogen in de uitspraak van 23 juli 2019 in beginsel tot het ondernemersrisico en dienen, nu niet is gebleken van bijzondere omstandigheden die tot een ander oordeel zouden moeten leiden, in dit geval voor rekening van appellant te blijven.
AnnotatorD. van der Meijden
UitspraakECLI:NL:CBB:2019:478
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelCollege van Beroep voor het bedrijfsleven 08-10-2019
CiteertitelJBO 2019/435
SamenvattingFosfaatrecht.
Samenvatting (Bron)Fosfaatrechten. Msw. Het College is van oordeel dat aan de rapportage van Flynth niet die betekenis kan worden gehecht die appellante er aan toekent. In het rapport wordt uitgegaan van 135 melkkoeien, terwijl appellante krachtens krachtens de verleende Nbw-vergunning niet meer dan 117 melkkoeien mag houden. Het rapport biedt daarmee onvoldoende inzicht in de mate waarin appellante wordt getroffen door het fosfaatrechtenstelsel en in hoeverre sprake is van causaliteit tussen dit stelsel en de door appellante gestelde onzekerheid omtrent de voortgang van haar bedrijf. Verder is van belang dat de beoogde uitbreiding van appellante fors is. Weliswaar ontbreken concrete gegevens over de aantallen dieren op het bedrijf vůůr de uitbreidingsplannen, maar ook afgezet tegen de aantallen op de peildatum (67 melkkoeien en 48 stuks jongvee) gaat het om een aanzienlijke vermeerdering. Appellante had juist ten tijde van de uitbreidingbeslissingen een zekere mate van voorzichtigheid moeten betrachten.
AnnotatorD. van der Meijden
UitspraakECLI:NL:CBB:2019:477
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelCollege van Beroep voor het bedrijfsleven 08-10-2019
CiteertitelJBO 2019/436
SamenvattingFosfaatrecht.
Samenvatting (Bron)Fosfaatrechten. Msw. De Nbw-vergunning is appellant op 6 oktober 2015 verleend. Appellant beschikte dus op de peildatum, 2 juli 2015, nog niet over alle voor het rechtsgeldig functioneren van de uitbreiding benodigde vergunningen en is op het verkrijgen van - in dit geval - de Nbw- vergunning vooruitgelopen met het doen van al dan niet omkeerbare investeringsbeslissingen. In dat geval is er, zoals het College eerder heeft overwogen (zie de uitspraak van 9 januari 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:7), in beginsel geen ruimte om aan te nemen dat sprake is van een schending van artikel 1 van het EP. Dat appellant er bij het indienen van de vergunningaanvraag al zeker van zou zijn geweest dat hij aan alle vereisten zou voldoen, doet daaraan niet af. Dit uitgangspunt geldt ook wanneer dat voor appellant aanzienlijke financiŽle consequenties heeft. Dat van dit laatste sprake is, en dat, zoals appellant heeft gesteld, de toekomst van het bedrijf op het spel staat, is overigens niet aannemelijk gemaakt. De door appellant overgelegde financiŽle gegevens bieden namelijk onvoldoende inzicht in de mate waarin appellant wordt getroffen door het fosfaatrechtenstelsel en in hoeverre sprake is van causaliteit tussen dit stelsel en de door appellant gestelde onzekerheid omtrent de voortgang van zijn bedrijf.
AnnotatorD. van der Meijden
UitspraakECLI:NL:CBB:2019:476
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelCollege van Beroep voor het bedrijfsleven 08-10-2019
CiteertitelJBO 2019/437
SamenvattingFosfaatrecht.
Samenvatting (Bron)Fosfaatrechten. Grondgebondenheid. Artikel 1 EP. Appellante en de eenmanszaak zijn anders dan appellante aanvoert, twee van elkaar te onderscheiden en zelfstandige bedrijven met elk hun eigen bedrijfsvoering en elk hun eigen percelen landbouwgrond. Dat vennoot 2 van appellante tevens de eenmanszaak heeft, dat de eenmanszaak ten dienste staat van appellante en dat de meeste mest van appellante op het bedrijf van de eenmanszaak wordt afgezet, doet daaraan niet af. Appellante heeft voorts niet aannemelijk gemaakt dat de landbouwgrond van de eenmanszaak ten tijde hier van belang tot haar bedrijf behoorde. Dat de keuze van appellante en de eenmanszaak om twee gescheiden bedrijven te voeren voor appellante in het kader van het fosfaatrechtenstelsel negatief uitpakt omdat zij als niet-grondgebonden bedrijf wordt aangemerkt en bijgevolg op haar fosfaatrecht wordt gekort, bekent niet dat zij reeds om die reden onevenredig door het fosfaatrechtenstelsel wordt getroffen.
AnnotatorD. van der Meijden
UitspraakECLI:NL:CBB:2019:472
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelCollege van Beroep voor het bedrijfsleven 15-10-2019
CiteertitelJBO 2019/438
SamenvattingFosfaatrecht.
Samenvatting (Bron)Meststoffenwet: artikelen 21b, eerste lid, 23, derde lid; Artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EP). Fosfaatrechten; beoordeling van beroep op artikel 1 van het EP. Inbreuk op artikel 1 van het EP aangenomen. Het bedrijf van appellant wijkt met zijn specifieke bedrijfscyclus af van een standaard melkveehouderij. Het systeem voor de toekenning van fosfaatrechten, dat uitgaat van een enkele dag als peildatum, houdt geen rekening met die cyclus. Aangenomen wordt dat appellant ten gevolge van het fosfaatrechtenstelsel een individuele buitensporige last draagt. Geen bagatelzaak.
AnnotatorD. van der Meijden
UitspraakECLI:NL:CBB:2019:489
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelCollege van Beroep voor het bedrijfsleven 15-10-2019
CiteertitelJBO 2019/439
SamenvattingFosfaatrecht.
Samenvatting (Bron)Fosfaatrechten. Appellante heeft aannemelijk gemaakt dat zij in ieder geval mede door toedoen van de besluitvorming van verweerder in het kader van de melkveefosfaatreferentie (mvfr) op 2 juli 2015 een lagere veebezetting had en dat dat directe gevolgen heeft gehad voor het aantal fosfaatrechten dat aan haar is toegekend. Het College ziet, anders dan verweerder heeft aangevoerd, dan ook niet in waarom dat in deze procedure geen rol kan spelen. Appellante heeft aannemelijk gemaakt dat zij als gevolg van het besluit van 5 maart 2015 melkkoeien heeft afgevoerd, terwijl zij die melkkoeien niet zou hebben afgevoerd indien verweerder de mvfr meteen juist, al dan niet in combinatie met een ontheffing van de Msw, had vastgesteld. Het College heeft het exacte aantal afgevoerde melkkoeien als gevolg van het besluit van 5 maart 2015 niet kunnen vaststellen; appellante geeft aan dat er in totaal 24 melkkoeien zijn afgevoerd, terwijl verweerder stelt dat slechts bewijs is geleverd van tien afgevoerde melkkoeien. Maar zelfs als moet worden uitgegaan van tien afgevoerde melkkoeien, dan is dat aantal met de daarbij behorende fosfaatrechten hier van zodanige betekenis voor appellante dat daarmee bij het vaststellen van het fosfaatrecht rekening moet worden gehouden. Verweerder heeft dat ten onrechte niet gedaan. Van een fair balance tussen enerzijds de belangen die zijn gediend met het fosfaatrechtenstelsel (de bescherming van het milieu en de volksgezondheid en het voldoen aan de verplichtingen die voortvloeien uit de Nitraatrichtlijn) en anderzijds de belangen van appellante is dan ook geen sprake. In zoverre draagt appellante een individuele en buitensporige last en dienen haar belangen hier zwaarder te wegen. De vaststelling van het fosfaatrecht zonder enige vorm van compensatie is in strijd met artikel 1 van het EP.
AnnotatorD. van der Meijden
UitspraakECLI:NL:CBB:2019:505
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelCollege van Beroep voor het bedrijfsleven 15-10-2019
CiteertitelJBO 2019/440
SamenvattingFosfaatrecht.
Samenvatting (Bron)Msw. Fosfaatrechten. Knelgeval. Ziekte. Geen causaal verband. Artikel 1 EP. Geen sprake van een individuele en buitensporige last.
AnnotatorD. van der Meijden
UitspraakECLI:NL:CBB:2019:504
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelCollege van Beroep voor het bedrijfsleven 15-10-2019
CiteertitelJBO 2019/441
SamenvattingFosfaatrecht.
Samenvatting (Bron)Voor zover appellante heeft aangevoerd dat de ziekte en het overlijden van ťťn van de maten tevens moet worden aangemerkt als melding bijzondere omstandigheden, kan dit niet leiden tot de toepassing van de knelgevallenregeling, omdat deze bijzondere omstandigheid pas in beroep is aangevoerd, zonder vermelding van een alternatieve peildatum en zonder onderbouwing met (medische) stukken. Geen inbreuk op artikel 1 van het EP. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat het fosfaatrechtenstelsel een individuele en buitensporige last op haar legt. Zij heeft haar standpunt niet nader feitelijk toegelicht of onderbouwd met stukken. Wetsbepaling: artikel 23, zesde lid, van de Meststoffenwet (Msw); artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EP)
AnnotatorD. van der Meijden
UitspraakECLI:NL:CBB:2019:502
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelCollege van Beroep voor het bedrijfsleven 15-10-2019
CiteertitelJBO 2019/442
SamenvattingFosfaatrecht.
Samenvatting (Bron)Msw. Fosfaatrechten. Grondgebondenheid. Korting. Oppervlakte landbouwgrond juist vastgesteld. Geen feitelijke beschikkingsmacht. Geen strijd met art 1 van het EP aangenomen. Een vergunning op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 voor uitbreiding is pas na de peildatum van 2 juli 2015 verkregen. Gezien de mate waarin het fosfaatrechtenstelsel voorzienbaar was op dat moment in de tijd, hebben appellanten een risico genomen dat voor hun rekening dient te blijven. Er is dan ook niet aannemelijk geworden dat sprake is van een individuele en buitensporige last.
AnnotatorD. van der Meijden
UitspraakECLI:NL:CBB:2019:486
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelCollege van Beroep voor het bedrijfsleven 15-10-2019
CiteertitelJBO 2019/443
SamenvattingFosfaatrecht.
Samenvatting (Bron)Uit artikel 6:8, eerste lid, van de Awb, gelezen in samenhang met artikel 3:41, eerste lid, van de Awb, vangt de termijn aan met ingang van de dag na die waarop het besluit is toegezonden. Deze bepalingen bieden geen aanknopingspunt voor het betoog van appellante dat de dag van ontvangst (mede) bepalend is voor de aanvang van de termijn. De laatste dag waarop een bezwaarschrift kon worden ingediend was dus 16 februari 2018. De termijn voor het indienen van een bezwaarschrift overschreden. Appellante dient voor een geslaagd beroep op artikel 6:11 van de Awb aannemelijk te maken dat zij niet binnen de oorspronkelijke bezwaartermijn een bezwaarschrift heeft kunnen indienen. Hierin is zij niet geslaagd.
AnnotatorD. van der Meijden
UitspraakECLI:NL:CBB:2019:487
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelCollege van Beroep voor het bedrijfsleven 15-10-2019
CiteertitelJBO 2019/444
SamenvattingFosfaatrecht.
Samenvatting (Bron)Msw. Fosfaatrechten. Knelgeval. Samengaan van twee bedrijven in een nieuw bedrijf. Op grond van artikel 23, zesde lid, van de Msw wordt het fosfaatrecht bepaald aan de hand van de gegevens waarover de landbouwer zonder de in die bepaling genoemde omstandigheden zou hebben beschikt. Hiertoe vergelijkt verweerder de gegevens van het bedrijf op de peildatum 2 juli 2015 met de gegevens op de opgegeven alternatieve peildatum. Aangezien appellante op de door haar opgegeven alternatieve peildatum van 1 januari 2015 niet bestond, kan die vergelijking hier niet worden gemaakt. Voorts heeft het College geen aanwijzingen dat in het kader van de knelgevallenregeling ook een vergelijking kan worden gemaakt tussen enerzijds de gegevens van appellante op de peildatum 1 juli 2015 en anderzijds de gegevens van de eenmanszaak en de maatschap op 1 januari 2015. Artikel 1 EP. Geen sprake van een individuele en buitensporige last.
AnnotatorD. van der Meijden
UitspraakECLI:NL:CBB:2019:488
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelCollege van Beroep voor het bedrijfsleven 22-10-2019
CiteertitelJBO 2019/445
SamenvattingFosfaatrecht.
Samenvatting (Bron)Artikel 23, zesde lid, van de Msw (knelgevallenregeling). Er wordt een vergelijking gemaakt tussen de bedrijfssituatie op het moment van het intreden van de buitengewone omstandigheid en de bedrijfssituatie op de peildatum. Daarbij wordt geen rekening gehouden met (nog) niet gerealiseerde uitbreidingen. Het betoog van appellante dat voor de berekening van het fosfaatrecht rekening moet worden gehouden met de omvang en de samenstelling van de veestapel op 2 juli 2016, slaagt niet.
AnnotatorD. van der Meijden
UitspraakECLI:NL:CBB:2019:510
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelCollege van Beroep voor het bedrijfsleven 22-10-2019
CiteertitelJBO 2019/446
SamenvattingFosfaatrecht.
Samenvatting (Bron)Artikel 23, zesde lid van de Msw (knelgevallenregeling). Appellant voldoet niet aan de 5%-norm.
AnnotatorD. van der Meijden
UitspraakECLI:NL:CBB:2019:511
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelCollege van Beroep voor het bedrijfsleven 22-10-2019
CiteertitelJBO 2019/447
SamenvattingFosfaatrecht.
Samenvatting (Bron)Msw. Fosfaatrechten. Op de peildatum 2 juli 2015 waren er op het bedrijf van appellante aanwezig een vaars en een koe, die verweerder als zoogkoe (diercategorie 120) had geregistreerd. De (drachtige) koe is eerst elders gemolken en stond droog. Zij is op 3 september 2015 overgenomen door een veehouderij waar zij heeft afgekalfd en nog ťťn lactatieperiode is gemolken. Appellante heeft hiervoor voldoende bewijs geleverd en daarmee staat voor het College vast dat de door haar op 2 juli 2015 gehouden koe werd gehouden voor de melkproductie. Dat appellante zelf geen melkveehouderij heeft, doet daaraan niet af. Onder verwijzing naar de uitspraak van het College van 16 april 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:141) erkent verweerder dat hij voor de vaars fosfaatrecht moet toekennen. Beroep gegrond.
AnnotatorD. van der Meijden
UitspraakECLI:NL:CBB:2019:512
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelCollege van Beroep voor het bedrijfsleven 22-10-2019
CiteertitelJBO 2019/448
SamenvattingFosfaatrecht.
Samenvatting (Bron)Fosfaatrechten. Knelgevallenregeling. Artikel 1 Eerste Protocol bij het Europees verdrag voor de rechten van de mens en fundamentele vrijheden (EP). Zoals het College eerder heeft overwogen (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 11 juni 2019, ECLI:NL:CBB:2019:232) wordt bij de toepassing van de knelgevallenregeling gekeken naar een datum in het verleden en heeft de wetgever er nadrukkelijk voor gekozen geen vergelijking met de toekomst te maken. Het beroep van appellante op de knelgevallenregeling slaagt niet. Bij de beoordeling of een last in het individuele geval van de betrokken melkveehouder buitensporig is (individual and excessive burden) moeten alle betrokken belangen van het individuele geval worden afgewogen. De door appellante gestelde investeringen heeft zij niet inzichtelijk gemaakt. Appellante heeft voorts geen stukken overgelegd die inzicht geven in haar financiŽle situatie en het door haar gestelde vermogensverlies Het is niet duidelijk in hoeverre zij wordt geraakt door het stelsel. Het beroep op artikel 1 van het EP slaagt niet.
AnnotatorD. van der Meijden
UitspraakECLI:NL:CBB:2019:515
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelCollege van Beroep voor het bedrijfsleven 22-10-2019
CiteertitelJBO 2019/449
SamenvattingFosfaatrecht.
Samenvatting (Bron)beroep op de knelgevallenregeling slaagt niet. Verweerder kon bij de berekening uitgaan van de door appellante in de melding bijzondere omstandigheden opgegeven datum. Bij de berekening wordt geen rekening gehouden met (nog) niet gerealiseerde uitbreidingen. Geen inbreuk op artikel 1 van het EP. Het fosfaatrechtenstelsel is op regelingsniveau verenigbaar met artikel 1 van het EP. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat het fosfaatrechtenstelsel een individuele en buitensporige last op haar legt. De door appellante overgelegde financiŽle rapportage geeft onvoldoende inzicht in de mate waarin zij wordt getroffen door het fosfaatrechtenstelsel en in hoeverre sprake is van causaliteit tussen dit stelsel en de in de beroepsgronden door appellante gestelde onzekerheid omtrent de financiŽle positie van haar bedrijf. De stukken geven geen inzicht in de vermogenspositie van het bedrijf en bieden evenmin een beeld van de financiŽle gang van zaken in de afgelopen jaren. De stukken met betrekking tot 2012 zijn niet van belang omdat deze de vennootschap onder firma betreffen die destijds het bedrijf exploiteerde; het bedrijf thans wordt gevoerd door een besloten vennootschap. Voorts is de rapportage onvolledig omdat de bijlagen met cijfers ter zake de doorrekening van de drie door appellante opgestelde scenarios ontbreken. Wetsbepaling: artikel 23, zesde lid, van de Meststoffenwet (Msw); artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EP)
AnnotatorD. van der Meijden
UitspraakECLI:NL:CBB:2019:516
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelCollege van Beroep voor het bedrijfsleven 22-10-2019
CiteertitelJBO 2019/450
SamenvattingFosfaatrecht.
Samenvatting (Bron)beroep op de knelgevallenregeling slaagt niet. Verweerder kon bij de berekening uitgaan van de door appellante in de melding bijzondere omstandigheden opgegeven datum. Bij de berekening wordt geen rekening gehouden met (nog) niet gerealiseerde uitbreidingen. Geen inbreuk op artikel 1 van het EP. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat het fosfaatrechtenstelsel een individuele en buitensporige last op haar legt. Appellante heeft de forse uitbreidingsplannen vanaf 2012 geleidelijk gerealiseerd, terwijl appellante gedurende het uitbreidingsproces een zekere mate van voorzichtigheid had moeten betrachten en zich had moeten realiseren dat een dergelijke uitbreiding voor haar meer dan de gebruikelijke ondernemersrisicos met zich zou brengen. Van een professioneel melkveehouder mag bovendien worden verwacht dat hij rekening houdt met uitval als gevolg van ziekte en, in voorkomend geval, de nodige aanpassingen doorvoert in zijn bedrijfsvoering. De financiŽle rapportage mist voldoende bewijskracht, omdat niet voldoende is onderbouwd waarom het aflossingsbedrag is verhoogd en de stelling dat er geen vrij beschikbaar vermogen aanwezig is, blijkt onjuist. Appellante heeft na de invoering van het fosfaatrechtenstelsel namelijk nog de financiŽle ruimte gehad om fosfaatrechten te verwerven. Wetsbepaling: artikel 23, zesde lid, van de Meststoffenwet (Msw); artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EP)
AnnotatorD. van der Meijden
UitspraakECLI:NL:CBB:2019:517
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelCollege van Beroep voor het bedrijfsleven 22-10-2019
CiteertitelJBO 2019/451
SamenvattingFosfaatrecht.
Samenvatting (Bron)Msw. Fosfaatrechten. Naar het oordeel van het College is appellante er niet in geslaagd bewijs te leveren dat dat zij een nieuw gestart bedrijf voert. Het College verwijst naar zijn uitspraak van 6 augustus 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:331), waaruit volgt dat aan de voorwaarde om in aanmerking te komen voor de startersregeling niet is voldaan wanneer een omgevingsvergunning die voor 2 juli 2015 is verleend aan een andere (rechts)persoon of een melding die is gedaan door een andere (rechts)persoon. Appellante maakte door de melding op grond van het Activiteitenbesluit Milieubeheer gebruik van de bestaande milieuvergunning en zij deed een verandermelding in plaats van een oprichtingsmelding, zodat zij niet aan deze voorwaarde voldoet. Daarnaast is het waar dat appellante na 1 april 2013 door het verwijderen van de melkinstallatie en de melktank niet onmiddellijk zelf kon melken, maar het is niet ongebruikelijk om dergelijke productiemiddelen te vernieuwen als onderdeel van de modernisering van een bedrijf. Geen sprake van een nieuw gestart bedrijf.
AnnotatorD. van der Meijden
UitspraakECLI:NL:CBB:2019:518
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelCollege van Beroep voor het bedrijfsleven 29-10-2019
CiteertitelJBO 2019/452
SamenvattingFosfaatrecht.
Samenvatting (Bron)Msw. Fosfaatrechten. Verweerder is bij de beoordeling van het knelgeval uitgegaan van zowel de melkproductiecijfers als de dieraantallen van 2011. Hoewel de dierziekte is uitgebroken in 2011 zijn de melkproductiecijfers uit dit jaar het meest gunstig voor appellant. De gemiddelde melkproductie in 2011 is namelijk hoger dan in 2010 en pas vanaf 2012 daalt de melkproductie. Appellant is zodoende door de keuze van verweerder om uit te gaan van de gemiddelde melkproductie in 2011 niet benadeeld. In zoverre slaagt het beroep niet. Dat is anders voor de dieraantallen. Uit de uitspraak van 9 juli 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:280) volgt dat artikel 23, zesde lid, van de Msw zich er niet tegen verzet dat bij de vergelijking met een alternatieve peildatum wordt gerekend met de melkproductie en dieraantallen uit verschillende jaren. Naar het oordeel van het College is er hier geen reden om af te wijken van de dieraantallen in 2015, nu de ziekte - onweersproken - niet van invloed was op de dieraantallen. Dit betekent dat verweerder geen juiste toepassing heeft gegeven aan de knelgevallenregeling.
AnnotatorD. van der Meijden
UitspraakECLI:NL:CBB:2019:538
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelCollege van Beroep voor het bedrijfsleven 29-10-2019
CiteertitelJBO 2019/453
SamenvattingFosfaatrecht.
Samenvatting (Bron)Msw. Fosfaatrechten. Zoals het College heeft overwogen in de uitspraak van 11 juni 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:232) wordt bij toepassing van de knelgevallenregeling geen rekening gehouden met niet gerealiseerde uitbreidingen op 2 juli 2015. Dit betekent dat stagnatie in de groei als gevolg van de dierziekte, niet hoeft te worden gecompenseerd. Dit betekent dat verweerder een juiste toepassing heeft gegeven aan de knelgevallenregeling. Deze beroepsgrond slaagt niet. In dit geval heeft appellante zich niet op schending van haar eigendomsrecht beroepen, zodat het College toetsing aan artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EP) artikel 1 van het EP achterwege kan laten.
AnnotatorD. van der Meijden
UitspraakECLI:NL:CBB:2019:537
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelCollege van Beroep voor het bedrijfsleven 29-10-2019
CiteertitelJBO 2019/454
SamenvattingFosfaatrecht.
Samenvatting (Bron)Msw. Fosfaatrechten. Zoals het College heeft overwogen in de uitspraak van 11 juni 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:232) wordt bij toepassing van de knelgevallenregeling geen rekening gehouden met niet gerealiseerde uitbreidingen op 2 juli 2015. Dit betekent dat de stagnatie in de groei als gevolg van de dierziekte, niet hoeft te worden gecompenseerd. Zoals het College eerder heeft overwogen (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 25 juni 2019, ECLI:NL:CBB:2019:246) heeft de wetgever bewust gekozen voor een beperkte knelgevallenregeling. Dit betekent dat verweerder een juiste toepassing heeft gegeven aan de knelgevallenregeling. Het betoog van appellante dat het fosfaatrechtenstelsel op het niveau van de regeling strijd oplevert met artikel 1 van het EP faalt. Het College is van oordeel dat appellante onvoldoende heeft uitgewerkt dat zij een individuele en buitensporige last draagt.
AnnotatorD. van der Meijden
UitspraakECLI:NL:CBB:2019:536
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelCollege van Beroep voor het bedrijfsleven 29-10-2019
CiteertitelJBO 2019/455
SamenvattingFosfaatrecht.
Samenvatting (Bron)Fosfaatruimte. Artikel 1, eerste lid, aanhef en onder m, van de Msw. De tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond. Verpacht. Beschikkingsmacht veronderstelt de aanwezigheid van een geldige juridische titel.
AnnotatorD. van der Meijden
UitspraakECLI:NL:CBB:2019:543
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelCollege van Beroep voor het bedrijfsleven 29-10-2019
CiteertitelJBO 2019/456
SamenvattingFosfaatrecht.
Samenvatting (Bron)Verzoek om een proceskostenvergoeding wordt afgewezen nu geen sprake is van tegemoetkomen als bedoeld in artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht.
AnnotatorD. van der Meijden
UitspraakECLI:NL:CBB:2019:542
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelCollege van Beroep voor het bedrijfsleven 29-10-2019
CiteertitelJBO 2019/457
SamenvattingFosfaatrecht.
Samenvatting (Bron)Fosfaatrechten. Artikel 23, derde lid, van de Msw. Op het bedrijf gehouden dieren. Verpachte stal.
AnnotatorD. van der Meijden
UitspraakECLI:NL:CBB:2019:545
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelCollege van Beroep voor het bedrijfsleven 29-10-2019
CiteertitelJBO 2019/458
SamenvattingFosfaatrecht.
Samenvatting (Bron)Fosfaatrechten. Artikel 23, derde lid, van de Msw. Artikel 1 van het EP.
AnnotatorD. van der Meijden
UitspraakECLI:NL:CBB:2019:544
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelCollege van Beroep voor het bedrijfsleven 29-10-2019
CiteertitelJBO 2019/459
SamenvattingFosfaatrecht.
Samenvatting (Bron)Artikel 72, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit en artikel 1 EP. Appellante komt niet in aanmerking voor de startersregeling. Voorts heeft appellante niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een individuele en buitensporige last. Op de peildatum beschikte appellante niet over de vereiste vergunningen voor de uiteindelijk beoogde omvang van haar veestapel. Voorts blijkt uit de stukken dat nog in augustus 2016 hoge financieringsverplichtingen zijn aangegaan voor de bouw van (een van) de nieuwe stal(-len) en dat (een van) de stal(-len) pas in november 2016 is gerealiseerd. Het handelen van appellante dient onder deze omstandigheden voor haar rekening en risico te komen.
AnnotatorD. van der Meijden
UitspraakECLI:NL:CBB:2019:531
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelCollege van Beroep voor het bedrijfsleven 29-10-2019
CiteertitelJBO 2019/460
SamenvattingFosfaatrecht.
Samenvatting (Bron)Het beroep op artikel 1 van het EP slaagt niet; appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat op haar een individuele en buitensporige last rust. Appellante had op de peildatum nog geen uitbreiding van de dieraantallen gerealiseerd en heeft daardoor voor de beoogde toename van koeien geen fosfaatrecht gekregen. Dit verschil tussen het dieraantal dat was vergund en dat waarvoor fosfaatrecht is verleend, leidt er evenwel niet toe dat sprake is van een individuele en buitensporige last. Gelet op de voorzienbaarheid van de productiebeperkende maatregelen had appellante een zekere mate van voorzichtigheid moeten betrachten bij haar investeringsbeslissingen. Dat de mogelijkheid om grond aan te kopen mogelijk uniek was, en dat appellante in die aankoop in combinatie met de afschaffing van het melkquotum een uitgelezen kans zag om te gaan uitbreiden, doet er niet aan af dat appellante ten tijde van de aanschaf zich er rekenschap van had kunnen en moeten geven dat een eventuele bedrijfsuitbreiding bemoeilijkt kon worden door productiebeperkende maatregelen. Daarbij is van belang dat appellante de uitbreidingsplannen pas in een laat stadium heeft doorgezet. Geen aanleiding wordt gezien om appellante, zoals zij ter zitting heeft verzocht, in de gelegenheid te stellen nog aanvullende (financiŽle) stukken ter onderbouwing van de gestelde individuele en buitensporige last over te leggen. Appellante wordt wel gevolgd in haar betoog dat verweerder in het bestreden besluit onvoldoende is ingegaan op de in bezwaar gestelde strijd met artikel 1 van het EP. Het gebrek in het bestreden besluit (strijd met artikel 7:12 van de Awb) wordt met toepassing van artikel 6:22 van de Awb gepasseerd. Verweerder wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van appellante in beroep.
AnnotatorD. van der Meijden
UitspraakECLI:NL:CBB:2019:529
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelCollege van Beroep voor het bedrijfsleven 29-10-2019
CiteertitelJBO 2019/461
SamenvattingFosfaatrecht.
Samenvatting (Bron)Artikel 1 EP. In het geval van appellant is geen sprake van een individuele en buitensporige last. Appellant had een zekere mate van voorzichtigheid moeten betrachten en zich moeten realiseren dat een dergelijke uitbreiding voor hem meer dan de gebruikelijke ondernemersrisicos met zich zou brengen. Door het aangaan van meerdere leningen in 2014/2015 heeft appellant grote risicos genomen die voor zijn rekening dienen te komen. Van een noodzaak tot uitbreiding zoals hier aan de orde is niet gebleken.
AnnotatorD. van der Meijden
UitspraakECLI:NL:CBB:2019:534
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelCollege van Beroep voor het bedrijfsleven 29-10-2019
CiteertitelJBO 2019/462
SamenvattingFosfaatrecht.
Samenvatting (Bron)Artikel 1 EP. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat het fosfaatrechtenstelsel een individuele en buitensporige last op haar legt. Appellante had een zekere mate van voorzichtigheid moeten betrachten en zich moeten realiseren dat de beoogde uitbreiding in 2014 en het doen van investeringen voor haar meer dan de gebruikelijke ondernemersrisicos met zich zou brengen. Van een noodzaak tot uitbreiding tot de genoemde aantallen dieren is het College niet gebleken.
AnnotatorD. van der Meijden
UitspraakECLI:NL:CBB:2019:533
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelCollege van Beroep voor het bedrijfsleven 29-10-2019
CiteertitelJBO 2019/463
SamenvattingFosfaatrecht.
Samenvatting (Bron)artikel 23, derde lid, van de Meststoffenwet artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EP) Het beroep van appellante op artikel 1 van het EP slaagt niet. Appellante is met een deel van haar investeringen vooruitgelopen op de voor de volledige uitbreiding benodigde vergunning. Stukken met betrekking tot de door appellante gestelde dierziekte zijn niet overgelegd, zodat geen oordeel kan worden gegeven over de vraag of, en zo ja, in welke mate deze de omvang van het bedrijf heeft geraakt. De investeringen van appellante zien op een zeer forse uitbreiding van het bedrijf, van 100 naar 520 melkkoeien. Op het tijdstip dat appellante haar financieringsverplichtingen is aangegaan, in oktober 2014, had zij een hoge mate van voorzichtigheid kunnen en moeten betrachten. Ook acht het College van belang dat aan appellante voor een aanzienlijk deel van de uitbreiding (113 koeien en een omvangrijke hoeveelheid jongvee) wel fosfaatrecht is toegekend. Gegrond beroep in verband met de kosten in bezwaar.
AnnotatorD. van der Meijden
UitspraakECLI:NL:CBB:2019:532
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelCollege van Beroep voor het bedrijfsleven 29-10-2019
CiteertitelJBO 2019/464
SamenvattingFosfaatrecht.
Samenvatting (Bron)Het beroep op de knelgevallenregeling zoals neergelegd in het zesde lid van artikel 23 van de Msw slaagt niet.. Bij de beoordeling of het fosfaatrecht van appellante minimaal vijf procent lager is door ziekte op het bedrijf, is verweerder dus terecht uitgegaan van de dieraantallen op 10 maart 2015 (zijnde het moment van het intreden van de buitengewone omstandigheid), en niet, zoals door appellante bepleit, van de dieraantallen die zij anders bij het uitblijven van de buitengewone omstandigheid op 2 juli 2015 zou hebben gehad. Het beroep op artikel 1 van het EP slaagt niet; appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat op haar een individuele en buitensporige last rust. Vastgesteld wordt dat de investeringen die appellante is aangegaan zien op een bedrijfsomvang van 150 melkkoeien, terwijl zij beschikt over een Nbw-vergunning voor het houden van 120 melkkoeien en ook de verleende omgevingsvergunning daarvan uitgaat. Appellante is met de door haar gedane investeringen vooruitgelopen op een voor de volledige uitbreiding benodigde vergunning. Eerder is in de uitspraak van 9 januari 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:7) overwogen dat dan in beginsel geen ruimte is om aan te nemen dat sprake is van een schending van artikel 1 van het EP. Verder wordt overwogen dat appellante met het oog op de te verwachten productiebeperkende maatregelen een zekere mate van voorzichtigheid had moeten betrachten en zich moeten realiseren dat de beoogde uitbreiding van 75 naar 150 melkkoeien en het doen van investeringen die zoals appellante zelf stelt het gemiddelde investeringsniveau van de reguliere bedrijfsontwikkeling overstijgen, voor haar meer dan de gebruikelijke ondernemersrisicos met zich zou brengen. Van een bedrijfseconomische noodzaak tot de door appellante voorgestane (omvang van) uitbreiding is niet gebleken. aan het door appellante ter onderbouwing van de gestelde last overgelegde rapport komt niet de waarde toe die appellante daaraan gehecht wil zien. In dit rapport wordt gerekend met een dieraantal (136 melkkoeien) dat niet was vergund. Van de door appellante gestelde schending van het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel is het College niet gebleken.
AnnotatorD. van der Meijden
UitspraakECLI:NL:CBB:2019:527
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelRaad van State 30-10-2019
CiteertitelJBO 2019/465
SamenvattingVerontreinigde mest.
Samenvatting (Bron)Bij besluit van 12 januari 2017 heeft het college van burgemeester en wethouders van Baarle-Nassau [appellante A] onder aanzegging van bestuursdwang gelast om op uiterlijk 8 februari 2017 de verontreinigde mest uit de inrichting gelegen op het perceel [locatie] in Baarle-Nassau af te voeren naar een bedrijf dat bevoegd is de afvalstof in te zamelen, nuttig toe te passen of te verwijderen.
AnnotatorD. van der Meijden
UitspraakECLI:NL:RVS:2019:3553
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelRechtbank Limburg 02-10-2019
CiteertitelJBO 2019/466
SamenvattingOmgevingsvergunning (afwijken).
Samenvatting (Bron)In geschil is de voor het realiseren van een koffie- en wijnbar verleende omgevingsvergunning. Op grond van het bestemmingsplan is horeca ter plaatse niet toegestaan. Naar het oordeel van de rechtbank wordt echter voldaan aan de binnenplanse afwijkingsmogelijkheid die winkelgebonden of winkelondersteunende daghoreca mogelijk maakt. De koffie- en wijnbar is gebonden aan de openingstijden zoals die gelden voor detailhandel conform de Winkeltijdenwet, in de directe omgeving van de koffie- en wijnbar bevinden zich meerdere winkels. Daarnaast is het aanbod, in ieder geval voor wat betreft het serveren van koffie en het verstrekken van lunchgerechten en kleine hapjes, gericht op winkelend publiek. Een omgevingsvergunning kan bij toepassing van de binnenplanse afwijkingsmogelijkheid slechts worden verleend indien geen sprake is van strijd met een goede ruimtelijke ordening. De rechtbank stelt in dit verband voorop dat winkelgebonden of winkel-ondersteunende daghoreca, gelet op de binnenplanse afwijkingsbevoegdheid, in beginsel planologisch aanvaardbaar moet worden geacht. Verweerder heeft zich verder in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat voor wat betreft de aspecten geluid en geur geen onaanvaardbare aantasting van het woon- en leefklimaat plaatsvindt. De rechtbank is echter van oordeel dat, nu een kenbare toetsing aan het geldende gemeentelijke horecabeleid in het kader van de goede ruimtelijke ordening in de besluitvorming achterwege is gebleven, aan het bestreden besluit op dit punt een motiveringsgebrek kleeft. Dat geldt ook voor de toepassing van de binnenplanse afwijkingsmogelijkheid die voorschrijft dat, indien op eigen terrein niet is voorzien in voldoende parkeerplaatsen, anderszins in voldoende parkeergelegenheid moet zijn voorzien. Omdat de rechtbank geen inzicht is gegeven in de parkeersituatie en zij daarom niet kan vaststellen of het aantal beschikbare parkeerplaatsen in de directe omgeving volstaat voor het opvangen van de parkeervraag van de koffie- en wijnbar, is de rechtbank van oordeel dat op dit punt aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft. Het beroep is gegrond.
AnnotatorD. van der Meijden
UitspraakECLI:NL:RBLIM:2019:8831
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelRaad van State 23-10-2019
CiteertitelJBO 2019/467
SamenvattingOmgevingsvergunning (bouwen).
Samenvatting (Bron)Bij besluit van 8 februari 2018 heeft het college Beleggingsonderneming Utrecht-West B.V. omgevingsvergunning verleend voor het aanleggen van een boomkwekerij en een uitrit aan de Woudstraat/Verhuizensestraat ong. te Ingen (hierna: het perceel).
AnnotatorD. van der Meijden
UitspraakECLI:NL:RVS:2019:3579
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelRaad van State 09-10-2019
CiteertitelJBO 2019/468
SamenvattingVrijstelling.
Samenvatting (Bron)Bij besluit van 16 juli 2018 heeft het college geweigerd om aan [appellant] een ontgrondingenvergunning voor de waterplas op de [locatie] in Woudenberg te verlenen.
AnnotatorD. van der Meijden
UitspraakECLI:NL:RVS:2019:3418
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelRechtbank Midden-Nederland 14-10-2019
CiteertitelJBO 2019/469
SamenvattingOmgevingsvergunning (bouwen, milieu).
Samenvatting (Bron)Vovo. Verweerder heeft ten onrechte geen onderzoek gedaan naar de geuremissie van de droogtunnel bij de kippenstal. Schorsing van het besluit en voorlopige voorziening om de boventallige kippen uit deze stal te verwijderen.
AnnotatorD. van der Meijden
UitspraakECLI:NL:RBMNE:2019:4768
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelCollege van Beroep voor het bedrijfsleven 29-10-2019
CiteertitelJBO 2019/470
SamenvattingVerzet.
Samenvatting (Bron)Appellant was niet in verzuim: De gronden zijn tijdig ingediend. Verzet gegrond.
AnnotatorD. van der Meijden
UitspraakECLI:NL:CBB:2019:547
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelCollege van Beroep voor het bedrijfsleven 29-10-2019
CiteertitelJBO 2019/471
SamenvattingVerzuim.
Samenvatting (Bron)Appellant was niet in verzuim. Verzet gegrond.
AnnotatorD. van der Meijden
UitspraakECLI:NL:CBB:2019:535
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelCollege van Beroep voor het bedrijfsleven 29-10-2019
CiteertitelJBO 2019/472
SamenvattingVerzet.
Samenvatting (Bron)Appellant was niet in verzuim: De gronden zijn tijdig ingediend. Verzet gegrond.
AnnotatorD. van der Meijden
UitspraakECLI:NL:CBB:2019:546
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelRechtbank Noord-Nederland 15-10-2019
CiteertitelJBO 2019/473
SamenvattingBodembedreigende stof.
Samenvatting (Bron)ESD-SIC BV, last onder dwangsom, artikel 2.9 van het Activiteitenbesluit milieubeheer, Nederlandse Richtlijn Bodembescherming 2012, StAB-advies, petroleumcokes een bodembedreigende stof, uitloogonderzoek, voorzieningen, beroep ongegrond.
AnnotatorD. van der Meijden
UitspraakECLI:NL:RBNNE:2019:4270
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelRaad van State 23-10-2019
CiteertitelJBO 2019/474
SamenvattingErnstige bodemverontreiniging.
Samenvatting (Bron)Bij besluit van 27 augustus 2018 heeft het college vastgesteld dat op de locatie [locatie 1] en omgeving te Hapert een geval van ernstige bodemverontreiniging aanwezig is, waarvan spoedige sanering noodzakelijk is.
AnnotatorD. van der Meijden
UitspraakECLI:NL:RVS:2019:3573
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelRaad van State 09-10-2019
CiteertitelJBO 2019/475
SamenvattingAsbest.
Samenvatting (Bron)Bij besluit van 3 mei 2018 heeft het college zijn beslissing om op 2 mei 2018 spoedeisende bestuursdwang toe te passen ter zake van het asbest dat is vrijgekomen door de brand op het perceel [locatie] te Hazerswoude-Dorp, op schrift gesteld. Daarbij heeft het aan [appellant] meegedeeld dat de kosten daarvan op hem zullen worden verhaald.
AnnotatorD. van der Meijden
UitspraakECLI:NL:RVS:2019:3415
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelRechtbank Oost-Brabant 30-09-2019
CiteertitelJBO 2019/476
SamenvattingInvorderingsbesluit.
Samenvatting (Bron)Eiser heeft een vleesstierenbedrijf. Op 14 december 2017 heeft het dagelijks bestuur van het Waterschap De Dommel (verweerder) aan eiser een last onder dwangsom opgelegd in verband met geconstateerde overtredingen van artikel 6.2, eerste lid, aanhef en onder a, van de Waterwet. Dat besluit is onherroepelijk. In deze beroepszaak is de invordering van een dwangsom aan de orde naar aanleiding van op 26 en 30 april 2018 bij eisers vleesstierenbedrijf uitgevoerde controles, waarbij geconstateerd is dat de eerder opgelegde last onder dwangsom werd overtreden. In beroep tegen het door verweerder naar aanleiding daarvan genomen invorderingsbesluit heeft eiser meerdere beroepsgronden aangevoerd die in feite gericht zijn tegen het onherroepelijke dwangsombesluit. Naar het oordeel van de rechtbank kunnen die gronden niet meer aan de orde zijn en is, anders dan eiser stelt, geen sprake van bijzondere omstandigheden als bedoeld in de conclusie van staatsraad advocaat-generaal Wattel van 4 april 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1152. Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat eiser ten onrechte heeft aangevoerd dat hij de aan hem opgelegde last niet heeft overtreden, zodat verweerder bevoegd was tot invordering over te gaan. Ten slotte is de rechtbank niet gebleken dat eisers financiŽle situatie zodanig is dat hij de verbeurde dwangsom niet zou kunnen voldoen.
AnnotatorD. van der Meijden
UitspraakECLI:NL:RBOBR:2019:5535
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelRaad van State 09-10-2019
CiteertitelJBO 2019/477
SamenvattingMest.
Samenvatting (Bron)Bij besluit van 15 augustus 2018 heeft het college [appellante] onder oplegging van een dwangsom gelast om mestopslagen op het perceel aan de [locatie] in Wilp (hierna: het perceel) te verwijderen en verwijderd te houden.
AnnotatorD. van der Meijden
UitspraakECLI:NL:RVS:2019:3392
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelRaad van State 30-10-2019
CiteertitelJBO 2019/478
SamenvattingOvertreding.
Samenvatting (Bron)Bij besluit, verzonden op 22 december 2016, heeft het college van burgemeester en wethouders van Baarle-Nassau zijn beslissing om op 19, 20 en 21 december 2016 spoedeisende bestuursdwang toe te passen door maatregelen te nemen om overlast afkomstig van de inrichting aan de [locatie] in Baarle-Nassau op te heffen dan wel te verminderen, op schrift gesteld en aan [appellante B] meegedeeld. Op het perceel bevindt zich een inrichting waar ten tijde van belang ongeveer 200 kalveren werden gehouden. Op 19 december 2016 is door de gemeente geconstateerd dat zich vanuit de inrichting een stank verspreidde die tot een onaanvaardbare geurhinder leidde in een groot gedeelte van Baarle-Nassau.
AnnotatorD. van der Meijden
UitspraakECLI:NL:RVS:2019:3552
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelRaad van State 30-10-2019
CiteertitelJBO 2019/479
SamenvattingOvertreding.
Samenvatting (Bron)Bij besluit van 16 maart 2017 heeft het college van burgemeester en wethouders van Baarle-Nassau onder aanzegging van bestuursdwang [appellante A] gelast om uiterlijk op 24 maart 2017 de mest uit de inrichting gelegen aan [locatie 1] in Baarle-Nassau af te voeren, de kelders volledig te reinigen met water en te behandelen met ontsmettingsschuim en de isolatieplaten en overige staldelen in te spuiten met een middel om de geur te neutraliseren.
AnnotatorD. van der Meijden
UitspraakECLI:NL:RVS:2019:3554
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelRaad van State 02-10-2019
CiteertitelJBO 2019/480
SamenvattingOvertreding.
Samenvatting (Bron)Bij besluit van 10 april 2017 heeft de inspecteur-generaal Vermilion onder oplegging van een dwangsom gelast de winning van gas uit het voorkomen Langezwaag vanuit put LZG-03 binnen een dag na verzending van het besluit te staken en gestaakt te houden.
AnnotatorD. van der Meijden
UitspraakECLI:NL:RVS:2019:3314
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelRechtbank Noord-Nederland 18-10-2019
CiteertitelJBO 2019/481
SamenvattingBegunstigingstermijn.
Samenvatting (Bron)Verlenging begunstigingstermijn voor het afvoeren van bodemassen.
AnnotatorD. van der Meijden
UitspraakECLI:NL:RBNNE:2019:4471
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelRaad van State 28-10-2019
CiteertitelJBO 2019/482
SamenvattingLast onder dwangsom.
Samenvatting (Bron)Bij besluit van 16 augustus 2019 heeft het college van burgemeester en wethouders van Doetinchem [verzoekster] vijf lasten onder dwangsom opgelegd in verband met gestelde overtredingen binnen de inrichting aan de [locatie] te Doetinchem. [verzoekster] exploiteert op het perceel een inrichting voor het demonteren van brandblussers en noodverlichting en het sorteren van diverse kunststoffen en metalen. Zij beschikt over een milieuvergunning van 4 mei 2010 voor het oprichten en in werking hebben van deze inrichting en een omgevingsvergunning van 31 juli 2012 voor het uitbreiden van de acceptatiecapaciteit van reeds vergunde afvalstoffen, het accepteren van nieuwe afvalstoffen, het machinaal demonteren van brandblussers en het verwerken van blusschuim. Controles door toezichthouders op onder meer 11 juli 2019, 12 juli 2019 en 2 augustus 2019 hebben volgens het college uitgewezen dat [verzoekster] verschillende voorschriften heeft overtreden.
AnnotatorD. van der Meijden
UitspraakECLI:NL:RVS:2019:3612
Artikel aanvragenVia Praktizijn