Jurisprudentie Bodem

Uitgever Sdu
Tijdschrift Jurisprudentie Bodem
Datum 21-02-2020
Aflevering 2
TitelRaad van State 22-01-2020
CiteertitelJBO 2020/40
SamenvattingRelativiteitsvereiste.
Samenvatting (Bron)Bij besluit van 2 juli 2019 heeft de raad van de gemeente Ooststellingwerf het bestemmingsplan "Donkerbroek [locatie]" vastgesteld. Het plan voorziet in de bouw van een nieuwe woning aan de Bovenweg in Donkerbroek, op een perceel dat ligt tussen de woningen van [appellanten]. [belanghebbende] is de initiatiefnemer van de ontwikkeling.
AnnotatorD. van der Meijden
UitspraakECLI:NL:RVS:2020:135
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelCollege van Beroep voor het bedrijfsleven 24-12-2019
CiteertitelJBO 2020/41
SamenvattingFosfaatrecht.
Samenvatting (Bron)Fosfaatrechten. Artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EP). De investeringen van appellante zijn niet uitsluitend te herleiden tot een door haar als noodzakelijk geschetste omschakeling na een ongeval, maar evenzeer tot een uitbreiding van de veestapel. Appellante is met deze investeringen vooruitgelopen op een voor de volledige uitbreiding benodigde vergunning. De Nbw-vergunning voor de uitbreiding is immers ruim na de peildatum, op 28 januari 2016 verstrekt. Zoals het College eerder heeft overwogen in zijn uitspraak van 9 januari 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:7) is er dan in beginsel geen ruimte om aan te nemen dat sprake is van een schending van artikel 1 van het EP. De door appellante als noodzakelijk bestempelde bedrijfsomschakeling en het feit dat zij hierdoor koeien heeft moeten afvoeren vormt geen aanleiding van dit uitgangspunt af te wijken. Niet gesteld of gebleken is dat appellante door het bedrijfsongeval niet al op de peildatum over de benodigde vergunning had kunnen beschikken.
AnnotatorD. van der Meijden
UitspraakECLI:NL:CBB:2019:712
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelCollege van Beroep voor het bedrijfsleven 24-12-2019
CiteertitelJBO 2020/42
SamenvattingFosfaatrecht.
Samenvatting (Bron)Fosfaatrechten. Artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EP). Zoals het College in zijn eerder genoemde uitspraak van 23 juli 2019 onder rechtsoverweging 6.7.5.4 heeft overwogen, had voor melkveehouders al vanaf het moment dat bekend werd dat het melkquotum zou worden afgeschaft en bijgevolg een einde zou komen aan de begrenzing van mestproductie voor rundvee, redelijkerwijs duidelijk moeten zijn dat een ongeremde groei van de melkveehouderij niet mogelijk was en dat in verband met die afschaffing maatregelen te verwachten waren. Appellante had toen zij aanpassingen in haar bedrijfsvoering deed een zekere mate van voorzichtigheid moeten betrachten. Zij had zich kunnen en moeten realiseren dat haar keuze zich uitsluitend te richten op de melkveetak met een aanzienlijke uitbreiding als hier aan de orde, voor haar meer dan de gebruikelijke ondernemersrisicos met zich zou brengen. Dit geldt te meer nu appellante in november 2014 nog een financieringsvoorstel heeft getekend voor de aanschaf van melkrobots en op 2 januari 2015 een koopovereenkomst heeft getekend voor een robotmelksysteem. Van een bedrijfseconomische noodzaak tot uitbreiding is het College niet gebleken. Haar stelling dat zij door ziekte was gedwongen de pluimveetak af te stoten heeft appellante niet onderbouwd.
AnnotatorD. van der Meijden
UitspraakECLI:NL:CBB:2019:714
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelCollege van Beroep voor het bedrijfsleven 24-12-2019
CiteertitelJBO 2020/43
SamenvattingFosfaatrecht.
Samenvatting (Bron)Artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EP) Fosfaatrechten. Appellante heeft er voor gekozen eerst te groeien met eigen aanwas en pas na 1 april 2015 - de datum van de afschaffing van het melkquotum - in te zetten op een verdere groei van de veestapel middels (ook) aankopen naar 130 melkkoeien met bijbehorend jongvee in 2017. Het aangaan van verplichtingen die dit laatste mogelijk maakten - met name de financiering van de vergroting van de ligboxenstal en de aanschaf van de tweede melkrobot - vonden echter plaats in een periode dat voor de veehouderij steeds duidelijker kon zijn dat een ongeremde groei van de bedrijfstak niet mogelijk was en dat zij productiebeperkende maatregelen kon verwachten. Hierop diende appellante zich bij de keuze om haar uitbreidingsplannen in deze omvang door te zetten en daartoe op de hiervoor aangegeven wijze te investeren, bedacht te zijn. Dit geldt ook voor de periode dat appellante - vanwege vertraging in het financieringstraject van de bank - alvast met eigen middelen was begonnen met de vergroting van de stal. De gevolgen van deze keuze dienen dan ook voor rekening en risico van appellante te blijven. Geen sprake van een individuele en buitensporige last.
AnnotatorD. van der Meijden
UitspraakECLI:NL:CBB:2019:715
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelCollege van Beroep voor het bedrijfsleven 24-12-2019
CiteertitelJBO 2020/44
SamenvattingFosfaatrecht.
Samenvatting (Bron)Appellante stelt zich op het standpunt dat het fosfaatrechtenstelsel voor haar een individuele en buitensporige last in de zin van artikel 1 van het EP vormt. Toen appellante in de nieuwe stal investeerde was voor haar niet voorzienbaar dat zij de gewenste uitbreiding niet, dan wel slechts in beperkte mate, zou kunnen realiseren. Door de invoering van het fosfaatstelsel kan appellante de beschikbare stalruimte niet (volledig) benutten, met als gevolg dat zij haar investeringen niet terug kan verdienen en de continuÔteit van het bedrijf in gevaar is. Ter onderbouwing van haar stellingen heeft appellante een schadeberekening overgelegd. Het College is met verweerder van oordeel dat in het geval van appellante geen individuele en buitensporige last aanwezig is. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat van buiten komende en voor haar niet beÔnvloedbare omstandigheden haar geen andere keuze lieten dan uit te breiden naar de door haar nagestreefde schaal en evenmin dat haar geen ander (bedrijfseconomisch verantwoord) alternatief restte. De gevolgen van haar keuze om de uitbreiding gaandeweg met eigen aanwas te realiseren, waardoor bestaande stalruimte deels onbenut bleef op 2 juli 2015, valt onder het ondernemersrisico van appellante. De overgelegde schadeberekeningen missen naar het oordeel van het College voldoende overtuigingskracht om een individuele en buitensporige last aan te nemen.Met toepassing van artikel 6:22 van de Awb wordt verweerder veroordeeld in de proceskosten van appellante in beroep.
AnnotatorD. van der Meijden
UitspraakECLI:NL:CBB:2019:716
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelCollege van Beroep voor het bedrijfsleven 24-12-2019
CiteertitelJBO 2020/45
SamenvattingFosfaatrecht.
Samenvatting (Bron)Artikel 23, derde lid, van de Meststoffenwet Artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EP) Fosfaatrechten. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat het fosfaatrechtenstelsel een individuele en buitensporige last op haar legt. Slechts voor een relatief klein deel van de beoogde uitbreiding heeft appellante geen fosfaatrecht gekregen. Verder is van belang dat het tekort aan fosfaatrecht is te herleiden tot de keuze van appellante om in het zicht van de afschaffing van het melkquotum te investeren in een forse uitbreiding van het melkvee. Appellante heeft ervoor gekozen haar plannen na de peildatum door te zetten en te investeren in een nieuwe stal. Van een bedrijfseconomische noodzaak tot de door appellante voorgestane uitbreiding is niet gebleken. Dat de uitbreiding noodzakelijk is met het oog op de bedrijfsovername is, voor zover al juist, op zichzelf onvoldoende.
AnnotatorD. van der Meijden
UitspraakECLI:NL:CBB:2019:719
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelCollege van Beroep voor het bedrijfsleven 24-12-2019
CiteertitelJBO 2020/46
SamenvattingFosfaatrecht.
Samenvatting (Bron)Fosfaatrechten. Verweerder heeft ter zitting erkend dat het fosfaatrecht op basis van een ander dieraantal moet worden vastgesteld. Daarom moet verweerder opnieuw op het bezwaar beslissen. Appellante voldoet niet aan de voorwaarden van de knelgevallenregelingen zoals neergelegd in artikel 72 en 72 a van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet en artikel 23, derde lid, van de Meststoffenwet. Er is ook geen sprake van strijd met artikel 1 van het EP of van een individuele en buitensporige last.
AnnotatorD. van der Meijden
UitspraakECLI:NL:CBB:2019:718
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelCollege van Beroep voor het bedrijfsleven 24-12-2019
CiteertitelJBO 2020/47
SamenvattingFosfaatrecht.
Samenvatting (Bron)Artikel 23, derde lid, van de Meststoffenwet Artikel 23, zesde lid, van de Meststoffenwet Artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EP) Fosfaatrechten. Het beroep op de knelgevallenregeling (verbouwing) slaagt niet omdat de bouwwerkzaamheden pas na 2 juli 2015 hebben plaatsgevonden. Voorts heeft appellant niet aannemelijk gemaakt dat het fosfaatrechtenstelsel een individuele en buitensporige last op hem legt. Toen de financiering is aangegaan was kenbaar dat een peildatum van 2juli 2015 zou worden gehanteerd en dat de bedrijfsomvang van die datum uitgangspunt zou zijn bij de vaststelling van het fosfaatrecht.
AnnotatorD. van der Meijden
UitspraakECLI:NL:CBB:2019:720
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelCollege van Beroep voor het bedrijfsleven 24-12-2019
CiteertitelJBO 2020/48
SamenvattingFosfaatrecht.
Samenvatting (Bron)Appellante stelt zich op het standpunt dat het fosfaatrechtenstelsel voor haar een individuele en buitensporige last in de zin van artikel 1 van het EP vormt. Het feit dat appellante vůůr 2 juli 2015 beschikte over de voor de uitbreiding benodigde vergunningen en onomkeerbare financiŽle verplichtingen is aangegaan, had verweerder moeten meewegen bij de vraag of sprake is van een individuele en buitensporige last. De omstandigheid dat op 2 juli 2015 het vergunde aantal dieren nog niet werd gehouden, is een gevolg van nog niet afgeronde, noodzakelijke (ver)bouwwerkzaamheden en van een bedrijfsvoering die gericht is op het uitbreiden van de veestapel door eigen aanwas.Ook, zo oordeelt het College, als appellante op 2 juli 2015 beschikte over de benodigde vergunning om meer dieren te houden, dan was toen, zoals ter zitting ook door appellante is erkend, de stalcapaciteit ontoereikend om de vergunde dieraantallen te huisvesten. De in het door appellante ter onderbouwing van haar stellingen overgelegde rapport opgenomen scenarios B en C rekenen met 127 melkkoeien met bijbehorend jongvee, terwijl appellante op 2 juli 2015 niet beschikte over de stalcapaciteit om dat aantal dieren te huisvesten. Daarmee missen die scenarios een relatie met (de gevolgen van) het fosfaatrechtenstelsel zodat reeds daarom aan het rapport niet de waarde kan worden toegekend die appellante daaraan gehecht wenst te zien. Aldus is de mate waarin appellante wordt getroffen door het fosfaatrechtenstelsel door appellante niet inzichtelijk gemaakt. Dat betekent dat het beroep op artikel 1 van het EP niet slaagt. Met toepassing van artikel 6:22 van de Awb wordt verweerder veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten in beroep van appellante.
AnnotatorD. van der Meijden
UitspraakECLI:NL:CBB:2019:723
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelCollege van Beroep voor het bedrijfsleven 07-01-2020
CiteertitelJBO 2020/49
SamenvattingFosfaatrecht.
Samenvatting (Bron)Fosfaatrechtenvaststelling niet in strijd met artikel 1 van het EP. Er is geen sprake van een individuele en buitensporige last. Hoewel vervanging van de oude stal bedrijfseconomisch begrijpelijk is, is de keuze voor een grotere stal en veestapel dat niet zonder meer. Van bijzondere omstandigheden die dat anders maken, is niet gebleken. De belangen die zijn gediend met het fosfaatrechtenstelsel (de bescherming van het milieu en de volksgezondheid en het voldoen aan de verplichtingen die voortvloeien uit de Nitraatrichtlijn) in dit geval zwaarder dienen te wegen dan de belangen van appellante. . Wetsbepaling: artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EP)
AnnotatorD. van der Meijden
UitspraakECLI:NL:CBB:2020:8
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelCollege van Beroep voor het bedrijfsleven 07-01-2020
CiteertitelJBO 2020/50
SamenvattingFosfaatrecht.
Samenvatting (Bron)Fosfaatrechtenvaststelling niet in strijd met artikel 1 van het EP. Uitbreiding stal en veestapel vanaf oktober 2014. Gezien het moment in tijd waarop de investeringen daartoe zijn aangegaan en de beoogde omvang van de uitbreiding van de veestapel, is deze beslissing niet zonder meer begrijpelijk. Juist ten tijde van het realiseren van haar uitbreidingsplannen had appellante een zekere mate van voorzichtigheid moeten betrachten en zich moeten realiseren dat een dergelijke uitbreiding voor haar meer dan de gebruikelijke ondernemersrisicos met zich zou brengen. Wil het handelen van appellante op een dergelijk moment in tijd gerechtvaardigd zijn in het licht van de belangen die zijn gediend met het fosfaatrechtenstelsel, dan moet sprake zijn van bijzondere omstandigheden. Appellante heeft geen onderbouwing van de beslissing tot uitbreiding gegeven. Er is geen sprake van een individuele en buitensporige last. Wetsbepaling: artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EP)
AnnotatorD. van der Meijden
UitspraakECLI:NL:CBB:2020:9
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelCollege van Beroep voor het bedrijfsleven 07-01-2020
CiteertitelJBO 2020/51
SamenvattingFosfaatrecht.
Samenvatting (Bron)Artikel 23, derde en zesde lid, van de Meststoffenwet (Msw) Artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens (EP) De situatie van appellante voldoet, zoals zij erkent, niet aan de voorwaarden van de knelgevallenregeling (artikel 23, zesde lid, van de Msw). Appellante heeft gelijk dat de wetgever daarmee een onderscheid maakt tussen verschillende rechtssubjecten, maar dat is op zich geen reden om aan te nemen dat dit onderscheid niet gerechtvaardigd of toelaatbaar zou zijn. De bewijslast dat zij door het fosfaatrechtenstelsel een individuele en buitensporige last draagt, rust op appellante. Naar het oordeel van het College heeft appellante dat bewijs niet geleverd. Zij beschikte op peildatum 2 juli 2015 niet over alle vereiste vergunningen voor de beoogde uitbreiding van de veestapel, het provinciebestuur van Noord-Brabant heeft, zoals appellante niet bestrijdt, de vergunning op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 immers pas op 12 januari 2016 verleend. Appellante is dus bij haar investeringen vooruitgelopen op deze voor uitbreiding (ook) vereiste vergunning. Zoals het College eerder heeft overwogen, bijvoorbeeld in de uitspraak van 9 januari 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:7), is dan in beginsel geen ruimte om aan te nemen dat sprake is van strijd met artikel 1 van het EP.
AnnotatorD. van der Meijden
UitspraakECLI:NL:CBB:2020:10
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelCollege van Beroep voor het bedrijfsleven 07-01-2020
CiteertitelJBO 2020/52
SamenvattingFosfaatrecht.
Samenvatting (Bron)artikel 23, derde en zesde lid, van de Meststoffenwet (Msw) artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EP) Verweerder heeft een juiste toepassing gegeven aan de knelgevallenregeling. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat het fosfaatrechtenstelsel een individuele en buitensporige last op hem legt. Het verschil tussen de door appellant nagestreefde omvang van de veestapel en de feitelijke situatie op de peildatum is, ook gezien de omvang van het bedrijf, betrekkelijk. Vergeleken met het scenario dat uitgaat van alleen de generieke korting (scenario 3) komt het verschil met het toegekende fosfaatrecht neer op 9 melkkoeien. Een uitbreiding met dat aantal koeien levert appellant weliswaar een omzetvermeerdering op, maar daar staat tegenover dat appellant hiervoor ook extra kosten zou moeten maken, onder andere in verband met de aankoop van koeien. Een deel van de gestelde financiŽle last is veroorzaakt door de aankoop van grond. Aangenomen mag worden dat deze zijn waarde behoudt en zo nodig verkocht kan worden om de lasten te verlichten.
AnnotatorD. van der Meijden
UitspraakECLI:NL:CBB:2020:11
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelCollege van Beroep voor het bedrijfsleven 07-01-2020
CiteertitelJBO 2020/53
SamenvattingFosfaatrecht.
Samenvatting (Bron)artikel 23, derde en zesde lid, van de Meststoffenwet (Msw) artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EP) De bewijslast dat dierziekte heeft geleid tot een lager fosfaatrecht rust op appellante. Het College is met verweerder van oordeel dat appellante in dat bewijs niet is geslaagd. Zoals het College eerder heeft geoordeeld (zie de uitspraak van 11 juni 2019, ECLI:NL:CBB:2019:232), wordt een niet gerealiseerde uitbreiding bij toepassing van de knelgevallenregeling niet in aanmerking genomen. Biologische melkveehouders komt geen uitzonderingspositie toe. Zij vallen ook onder het fosfaatrechtenstelsel. Het College ziet geen aanleiding hierover in het geval van appellante als biologisch-dynamisch bedrijf met Demeter-certificaat anders te oordelen. Appellante heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat het fosfaatrechtenstelsel een individuele en buitensporige last op haar legt. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij ten gevolge van dierziekte op de peildatum substantieel minder melkkoeien hield. Appellante had in de jaren 2012-2015 immers gemiddeld ongeveer hetzelfde aantal melkkoeien. De uitbreidingsinvesteringen heeft appellante al in 2007 gedaan en uit de stukken blijkt niet dat zij op enig moment nadien een veestapel heeft gehad die in de buurt komt van het beoogde aantal van 57 melkkoeien. Die omstandigheden maken dat het College zonder nader bewijs - dat ontbreekt - niet aannemelijk acht dat de gewenste groei is doorkruist door het fosfaatrechtenstelsel. Appellante heeft, ondanks daartoe in de gelegenheid te zijn gesteld, niet inzichtelijk gemaakt wat de gevolgen zijn van de voorjaarskalvende veestapel voor haar fosfaatrecht. Ook heeft appellante onvoldoende duidelijk gemaakt wat volgens haar de concrete gevolgen zijn van het fosfaatrechtenstelsel voor haar bedrijfsvoering en de financiŽle positie van het bedrijf.
AnnotatorD. van der Meijden
UitspraakECLI:NL:CBB:2020:12
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelCollege van Beroep voor het bedrijfsleven 07-01-2020
CiteertitelJBO 2020/54
SamenvattingFosfaatrecht.
Samenvatting (Bron)Artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden Niet ieder vermogensverlies als gevolg van het fosfaatrechtenstelsel kan als een buitensporige last worden aangemerkt. In dat verband rust de stelplicht en bewijslast op appellante. Zij heeft geen concreet inzicht gegeven in (laat staan bewijs geleverd van) de bedrijfseconomische effecten van het fosfaatstelsel voor haar bedrijfsvoering. In ieder geval is ontoereikend dat het investeringsbedrag 15% van het balanstotaal overstijgt.
AnnotatorD. van der Meijden
UitspraakECLI:NL:CBB:2020:13
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelCollege van Beroep voor het bedrijfsleven 07-01-2020
CiteertitelJBO 2020/55
SamenvattingBestuurlijke boete.
Samenvatting (Bron)Meststoffenwet. Overtredingen van de verplichtingen om vrachten mest op een juiste wijze te bemonsteren en te verpakken en de monsters in goede staat te bewaren. Niet gebleken dat deze verplichtingen niet van toepassing waren omdat de mest afkomstig zou zijn van een sloopboerderij die niet meer in eigendom was van een landbouwbedrijf.
AnnotatorD. van der Meijden
UitspraakECLI:NL:CBB:2020:15
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelCollege van Beroep voor het bedrijfsleven 07-01-2020
CiteertitelJBO 2020/56
SamenvattingPluimveerecht.
Samenvatting (Bron)Verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Voorshands geen aanleiding tot twijfel aan de juistheid van de voor verzoeker per 1 januari 2001 berekende pluimveerechten en de voor verzoeker per 1 januari 2006 berekende pluimvee-eenheden.
AnnotatorD. van der Meijden
UitspraakECLI:NL:CBB:2020:16
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelCollege van Beroep voor het bedrijfsleven 07-01-2020
CiteertitelJBO 2020/57
SamenvattingPluimveerecht.
Samenvatting (Bron)POR-regeling, ongegrond verwijzing naar ECLI:NL:CBB:2019:130
AnnotatorD. van der Meijden
UitspraakECLI:NL:CBB:2020:17
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelCollege van Beroep voor het bedrijfsleven 07-01-2020
CiteertitelJBO 2020/58
SamenvattingMelkveefosfaatreferentie.
Samenvatting (Bron)Wet verantwoorde groei melkveehouderij
AnnotatorD. van der Meijden
UitspraakECLI:NL:CBB:2020:18
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelCollege van Beroep voor het bedrijfsleven 07-01-2020
CiteertitelJBO 2020/59
SamenvattingFosfaatrecht.
Samenvatting (Bron)artikel 23, derde lid, van de Meststoffenwet artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EP). Fosfaatrecht. Artikel 1 EP. Geen sprake van een individuele en buitensporige last. Appellant had op de peildatum een fors deel van de uiteindelijk beoogde uitbreiding gerealiseerd. Hij wilde immers groeien van 65 melk- en kalfkoeien en 67 stuks jongvee naar 156 melk- en kalfkoeien en 98 stuks jongvee. Op de peildatum had appellant 120 melk- en kalfkoeien en 103 stuks jongvee op zijn bedrijf. Hiervoor zijn hem ook fosfaatrechten toegekend. Dat, zoals appellant stelt, met toekenning van slechts deze hoeveelheid fosfaatrechten de levensvatbaarheid van het bedrijf op het spel staat, is niet aannemelijk geworden. Immers, zonder nadere toelichting, die ontbreekt, is niet duidelijk hoe appellant het bedrijf wel gaande heeft kunnen houden in de jaren voorafgaande aan de peildatum, toen de beoogde uitbreiding nog evenmin was bereikt. De rapportage bevat ter zake geen gegevens en biedt daarmee onvoldoende inzicht in de mate waarin appellant wordt getroffen door het fosfaatrechtenstelsel en in hoeverre sprake is van causaliteit tussen dit stelsel en de door appellant gestelde onzekerheid omtrent de voortgang van zijn bedrijf.
AnnotatorD. van der Meijden
UitspraakECLI:NL:CBB:2020:19
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelCollege van Beroep voor het bedrijfsleven 07-01-2020
CiteertitelJBO 2020/60
SamenvattingFosfaatrecht.
Samenvatting (Bron)artikel 23, zesde lid, van de Meststoffenwet artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden Verweerder geeft een juiste toepassing aan de knelgevallenregeling als hij geen rekening houdt met niet gerealiseerde uitbreidingsplannen. De bewijslast om aan te tonen dat sprake is van een individuele en buitensporige last ligt in beginsel bij appellante. Met verweerder is het College van oordeel dat appellante aan die bewijslast niet heeft voldaan. Bij beoordeling van de last spelen de fosfaatrechten van het overgenomen bedrijf geen rol. Appellante heeft dat bedrijf immers overgenomen met fosfaatrechten en het tekort mag worden geacht in de koopprijs te zijn verdisconteerd. Appellante heeft verder geen inzicht gegeven in de bedrijfseconomische gevolgen van de invoering van het fosfaatrechtstelsel en heeft haar stelling dat haar bedrijf hierdoor dreigt om te vallen, niet onderbouwd. Er is geen enkel inzicht in de bedrijfsvoering, de financiŽn of de bijzonderheden van het bedrijf en haar vennoten.
AnnotatorD. van der Meijden
UitspraakECLI:NL:CBB:2020:20
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelCollege van Beroep voor het bedrijfsleven 14-01-2020
CiteertitelJBO 2020/61
SamenvattingOpzet.
Samenvatting (Bron)GLB 2016, randvoorwaardenkorting, (voorwaardelijke) opzet, 20%, dierlijke mest niet emissiearm aangewend, loonwerker
AnnotatorD. van der Meijden
UitspraakECLI:NL:CBB:2020:36
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelCollege van Beroep voor het bedrijfsleven 14-01-2020
CiteertitelJBO 2020/62
SamenvattingFosfaatrecht.
Samenvatting (Bron)Vooropgesteld wordt dat verweerder heeft erkend dat ten onrechte niet al het melkvee dat op 2 juli 2015 op het bedrijf van appellante aanwezig was is meegenomen bij de vaststelling van het aantal fosfaatrechten. Reeds hierom is het beroep gegrond. Appellante stelt verder dat bij de vaststelling van het aantal fosfaatrechten ten onrechte geen rekening is gehouden met de aankoop van 21 ha grond op 9 april 2015. Subsidiair stelt appellante zich op het standpunt dat toepassing van de generieke korting heeft geleid tot een individuele en buitensporige last. Het College ziet geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder bij de vaststelling van de fosfaatruimte 2015 onjuiste uitgangspunten heeft gehanteerd. Niet is gebleken dat appellante op 15 mei 2015 de feitelijke beschikkingsmacht over deze gronden had. Ten aanzien van de subsidiaire beroepsgrond van appellante dat de toegepaste generieke korting voor haar een individuele en buitensporige last vormt, heeft het College reeds eerder geoordeeld dat het toepassen van de generieke korting op zichzelf niet maakt dat sprake is van een individuele en buitensporige last. Verweerder wordt veroordeeld voor een deel van de door appellante in beroep en bezwaar gemaakte proceskosten, waaronder gemaakte deskundigenkosten.
AnnotatorD. van der Meijden
UitspraakECLI:NL:CBB:2020:32
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelCollege van Beroep voor het bedrijfsleven 14-01-2020
CiteertitelJBO 2020/63
SamenvattingFosfaatrecht.
Samenvatting (Bron)Wetsbepaling: artikel 23, zesde lid Meststoffenwet; artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EP) Geen schending van 1 EP. Appellante beschikte op de peildatum niet over alle voor het houden van de uiteindelijk beoogde dieraantallen benodigde vergunningen. Immers eerst op 29 juli 2015 is aan haar een Nbw-vergunning verleend voor het houden van 531 melk- en kalfkoeien en 304 stuks jongvee. Met haar investeringen is appellante dus op deze Nbw-vergunning vooruitgelopen. Op de peildatum kon appellante in dat kader rechtsgeldig niet meer dan 371 melk- en kalfkoeien en 125 stuks jongvee houden. Ingevolge vaste rechtspraak van het College bestaat er onder die omstandigheden in beginsel geen ruimte om tot schending van artikel 1 van het EP te concluderen. In het geval van appellante is geen sprake van omstandigheden die tot een ander oordeel zouden moeten leiden.
AnnotatorD. van der Meijden
UitspraakECLI:NL:CBB:2020:31
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelCollege van Beroep voor het bedrijfsleven 14-01-2020
CiteertitelJBO 2020/64
SamenvattingFosfaatrecht.
Samenvatting (Bron)Wetsbepaling: artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EP) Geen schending van 1 EP. Het College acht aannemelijk dat als gevolg van de beoogde realisatie van een recreatieplas ter plaatse het bedrijf van appellante enige tijd niet heeft kunnen groeien. Dit neemt evenwel niet weg dat appellante op het moment dat deze groei wel weer tot de mogelijkheden behoorde had moeten bezien of deze in de beoogde omvang, gegeven de zojuist geschetste omstandigheden, inmiddels minder voor de hand was komen te liggen. Dat appellante, zoals zij heeft aangevoerd, mede door toedoen van de besluitvorming van verweerder op 5 maart 2015 in het kader van de mvfr op 2 juli 2015 een lagere veebezetting had dan anders het geval zou zijn geweest en dat dat directe gevolgen heeft gehad voor het aantal fosfaatrechten dat aan haar is toegekend, is niet aannemelijk gemaakt. Verweerder heeft in dat verband onweersproken gesteld dat uit het I&R blijkt dat er in de eerste helft van 2015 weliswaar 38 dieren van het bedrijf van appellante zijn afgevoerd, maar ook dat er 42 dieren zijn bijgekomen, zodat er sprake is van een gestage groei van het aantal dieren in die periode.
AnnotatorD. van der Meijden
UitspraakECLI:NL:CBB:2020:25
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelCollege van Beroep voor het bedrijfsleven 14-01-2020
CiteertitelJBO 2020/65
SamenvattingOpzet.
Samenvatting (Bron)GLB; randvoorwaardenkorting; niet-emissiearm uitrijden van mest; aanwezigheid van nesten van weidevogels geeft geen overmacht; die aanwezigheid geeft ook geen nalatigheid in plaats van opzet; geen criterium dat kan worden meegenomen bij de vaststelling van de hoogte van de randvoorwaardenkorting
AnnotatorD. van der Meijden
UitspraakECLI:NL:CBB:2020:23
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelCollege van Beroep voor het bedrijfsleven 14-01-2020
CiteertitelJBO 2020/66
SamenvattingOpzet.
Samenvatting (Bron)GLB; randvoorwaardenkorting wegens niet-emissiearm uitrijden van mest; loonwerker; toerekening; opzet
AnnotatorD. van der Meijden
UitspraakECLI:NL:CBB:2020:22
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelCollege van Beroep voor het bedrijfsleven 21-01-2020
CiteertitelJBO 2020/67
SamenvattingFosfaatrecht.
Samenvatting (Bron)Artikel 23, derde lid, van de Meststoffenwet Artikel 23, zesde lid, van de Meststoffenwet Artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EP) Fosfaatrechten. Gebleken is dat verweerder thans appellante volgt in haar stelling dat op het bedrijf geproduceerde antibioticamelk in aanmerking moet worden genomen. Het beroep op de knelgevallenregeling faalt. Bij de knelgevallenregeling wordt geen rekening gehouden met nog niet gerealiseerde uitbreidingen. Geen schending van 1 EP. Appellante heeft in het zicht van de afschaffing van het melkquotum geÔnvesteerd in een uitbreiding van het bedrijf. Appellante had daarom een zekere mate van voorzichtigheid moeten betrachten en zich moeten realiseren dat de gewenste uitbreiding voor haar meer dan de gebruikelijke ondernemersrisicos met zich zou brengen. Te meer nu appellante al hoge financieringslasten had als gevolg van de aankoop van grond. Van een bedrijfseconomische noodzaak voor een uitbreiding is niet gebleken.
AnnotatorD. van der Meijden
UitspraakECLI:NL:CBB:2020:43
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelCollege van Beroep voor het bedrijfsleven 21-01-2020
CiteertitelJBO 2020/68
SamenvattingFosfaatrecht.
Samenvatting (Bron)Artikel 23, derde lid, van de Meststoffenwet Artikel 23, zesde lid, van de Meststoffenwet Artikel 72, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet Artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EP) Fosfaatrechten. Beroep op de knelgevallenregeling faalt omdat niet wordt voldaan aan de voorwaarden. Evenmin kan een geslaagd beroep worden gedaan op de startersregeling omdat sprake is van de uitbreiding van een bestaand bedrijf. 1 EP. De mate waarin appellante wordt getroffen door het fosfaatrechtenstelsel is niet inzichtelijk gemaakt. Geen sprake van een individuele en buitensporige last.
AnnotatorD. van der Meijden
UitspraakECLI:NL:CBB:2020:41
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelCollege van Beroep voor het bedrijfsleven 21-01-2020
CiteertitelJBO 2020/69
SamenvattingFosfaatrecht.
Samenvatting (Bron)Artikel 23, derde lid, van de Meststoffenwet Artikel 23, zesde lid, van de Meststoffenwet Artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EP) Fosfaatrechten. Beroep op de knelgevallenregeling faalt. 1 EP. Er dient bij de beoordeling van de individuele en buitensporige last te worden uitgegaan van het aantal dieren dat rechtsgeldig kon worden gehouden en niet van de stalcapaciteit. Gelet op het tijdstip van gedane investeringen in de forse uitbreiding van het bedrijf, had appellante zich moeten realiseren dat deze meer dan de gebruikelijke ondernemersrisicos met zich brachten. Geen sprake van een individuele en buitensporige last.
AnnotatorD. van der Meijden
UitspraakECLI:NL:CBB:2020:40
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelCollege van Beroep voor het bedrijfsleven 21-01-2020
CiteertitelJBO 2020/70
SamenvattingFosfaatrecht.
Samenvatting (Bron)Artikel 23, derde lid, van de Meststoffenwet Artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EP) Fosfaatrechten. Geen schending van 1 EP. Dat de knelgevallenregeling voor een dergelijke niet gerealiseerde uitbreiding geen voorziening biedt is op zichzelf geen reden om aan te nemen dat sprake is van een individuele en buitensporige last. Dat appellant een individuele en buitensporige last draagt is onvoldoende aangetoond. Appellant droeg ten tijde van de bedrijfsoverdracht kennis van de situatie van het bedrijf alsmede van de juist in werking getreden regelgeving op het gebied van het fosfaatrechtenstelsel en hij kon dus een inschatting maken van de gevolgen ervan voor de exploitatie van het bedrijf. Het lag op de weg van appellant om hiermee bij de overname rekening te houden.
AnnotatorD. van der Meijden
UitspraakECLI:NL:CBB:2020:38
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelCollege van Beroep voor het bedrijfsleven 28-01-2020
CiteertitelJBO 2020/71
SamenvattingEigendom, Buitensporige last.
Samenvatting (Bron)Msw. Fosfaatrechten. Geen individuele en buitensporige last. Appellant heeft gesteld dat hij hierdoor zijn investeringen niet kan terugverdienen en dat zijn bedrijf financieel een negatief toekomstperspectief heeft. Op zichzelf genomen betekent dat niet dat appellant reeds om die reden een individuele en buitensporige last draagt. Ten aanzien van de mate waarin appellant stelt te zijn geraakt door het fosfaatrechtenstel moet bovendien worden vastgesteld dat uit de financieringsovereenkomst met de Rabobank blijkt dat delen van de financiering niet lijken te zien op de uitbreiding, zodat in zoverre niet inzichtelijk is in hoeverre de financiering en in het verlengde hiervan de financiŽle last verband houdt met het fosfaatrechtenstelsel. Bovendien moet worden vastgesteld dat appellant, door in 2013 en 2014 te investeren in een uitbreiding van circa 100 melk- en kalfkoeien naar 209 melk- en kalfkoeien, gekozen heeft voor een tamelijk forse uitbreiding van het bedrijf. Hoewel appellant heeft aangegeven dat zijn oude stal aan vervanging toe was en hij in de afschaffing van het melkquotum kans heeft gezien om zijn bedrijf uit te breiden, had hij in de onzekere periode voorafgaand aan de afschaffing van het melkquotum een zekere mate van voorzichtigheid moeten betrachten en zich moeten realiseren dat een dergelijke uitbreiding voor hem meer dan de gebruikelijke ondernemersrisicos met zich zou brengen. Dat, zoals appellant heeft aangevoerd, als gevolg van een fout van de provincie bij het verlenen van de eerste Nbw-vergunning en van procedures tegen de verleende Nbw-vergunningen de bank de financiering van de stal heeft stopgezet en de bouw van de stal vertraging heeft opgelopen, neemt niet weg dat appellant hier zelf de verantwoordelijkheid draagt voor de risicos die hij heeft genomen door op dat moment in de tijd te investeren.
AnnotatorD. van der Meijden
UitspraakECLI:NL:CBB:2020:58
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelCollege van Beroep voor het bedrijfsleven 28-01-2020
CiteertitelJBO 2020/72
SamenvattingEigendom, Buitensporige last.
Samenvatting (Bron)Appellante wordt niet gevolgd in haar stelling dat de verdeling van percelen over twee relatienummers die beide in het bezit zijn van ťťn en dezelfde persoon, bewijs levert dat er sprake is van grondgebonden bedrijfsvoering met feitelijke beschikkingsmacht. Het beroep van appellante op grondgebondenheid wordt daarom niet gehonoreerd. Het beroep op artikel 1 van het EP slaagt evenmin. Nu verweerder in het verweerschrift het vastgestelde fosfaatrecht heeft gecorrigeerd, bestaat reden verweerder te veroordelen in de proceskosten van appellante in bezwaar en beroep.
AnnotatorD. van der Meijden
UitspraakECLI:NL:CBB:2020:50
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelCollege van Beroep voor het bedrijfsleven 28-01-2020
CiteertitelJBO 2020/73
SamenvattingKnelgeval, Eigendom, Buitensporige last.
Samenvatting (Bron)Msw. Fosfaatrechten. Geen knelgeval. Geen individuele en buitensporige last. Het College stelt vast dat het aantal fosfaatrecht in het bestreden besluit onjuist is vastgesteld, omdat dat twee op de peildatum afgevoerde dieren in diercategorie 101 dienen te worden meegerekend bij de vaststelling van het fosfaatrecht van appellante. Het beroep slaagt op dit punt. Het beroep van appellante op de knelgevallenregeling van artikel 23, zesde lid, van de Msw, slaagt niet. Hoewel sprake was van een dierziekte op het bedrijf van appellante, voldoet zij niet aan de voorwaarde dat op 2 juli 2015 het reguliere fosfaatrecht minimaal 5% lager was als gevolg van deze bijzondere omstandigheid. Verweerder heeft een juiste toepassing gegeven aan de knelgevallenregeling door uit te gaan van een vůůr 2 juli 2015 gelegen alternatieve peildatum. Appellante heeft aan de hand van een financieel overzicht over 2014 tot 2018 toegelicht dat als gevolg van de dierziekte en het tekort aan fosfaatrechten sprake is van een verlieslatend bedrijf. Op zichzelf genomen betekent dat niet dat appellante reeds om die reden een individuele en buitensporige last draagt. Ten aanzien van de mate waarin appellante stelt te zijn geraakt door het fosfaatrechtenstelsel moet bovendien worden vastgesteld dat niet duidelijk is geworden in hoeverre de melkrobot en de daarmee gemoeide investeringen door het fosfaatrechtenstelsel worden geraakt. Voorts heeft te gelden dat, voor zover met verweerder moet worden aangenomen dat appellante op basis van de vergunde situatie op de peildatum maximaal 175 melk- en kalfkoeien en 165 stuks jongvee mocht houden omdat niet is gebleken dat aan het voorschrift in de Nbw-vergunning is voldaan, appellante met het doen van haar investeringen is vooruitgelopen op de voor de volledige uitbreiding benodigde vergunning die ziet op het houden van 274 melk- en kalfkoeien en 250 stuks jongvee. Zoals het College eerder heeft overwogen in zijn uitspraak van 9 januari 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:7) bestaat dan in beginsel geen aanleiding een individuele en buitensporige last aan te nemen. Maar voor zover al met appellante moet worden aangenomen dat zij op de peildatum aan het betreffende voorschrift van de Nbw-vergunning voldeed en daarmee de door haar beoogde dieraantallen op de peildatum mocht houden, moet worden geoordeeld dat op het tijdstip dat appellante haar investeringsverplichtingen is aangegaan (mei 2015), zij een zekere mate van voorzichtigheid had moeten betrachten.
AnnotatorD. van der Meijden
UitspraakECLI:NL:CBB:2020:56
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelCollege van Beroep voor het bedrijfsleven 28-01-2020
CiteertitelJBO 2020/74
SamenvattingKnelgeval, Eigendom, Buitensporige last.
Samenvatting (Bron)Fosfaatrechten. Het fosfaatrecht moet hoger worden vastgesteld in verband het alsnog meenemen van twee op de peildatum afgevoerde dieren. Appellante komt niet in aanmerking voor toepassing van de knelgevallenregeling. Er is geen sprake van strijd met artikel 1 van het EP of een individuele en buitensporige last. De gevolgen van de investeringsbeslissingen komen gelet op de aangekondigde productiebegrenzende maatregelen voor rekening van appellante.
AnnotatorD. van der Meijden
UitspraakECLI:NL:CBB:2020:45
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelCollege van Beroep voor het bedrijfsleven 28-01-2020
CiteertitelJBO 2020/75
SamenvattingFosfaatrecht.
Samenvatting (Bron)Fosfaatrechten. Uitbreiding van 96 melkkoeien en 67 stuks jongvee in april 2015 naar minimaal 191 melkkoeien en 148 stuks jongvee. Het moment waarop appellant plannen heeft ontwikkeld voor de uitbreiding van de veestapel (begin 2015) en de plannen is gaan uitvoeren door aankoop van een nieuwe locatie (eind april 2015, koopovereenkomst na de peildatum en ingebruikname in maart 2016) alsmede de omvang van de beoogde uitbreiding (meer dan verdubbeling) van het aantal dieren en het moment van aangaan van financieringsverplichtingen (na de peildatum) is, tegen de achtergrond van de ontwikkelingen op het gebied van beleid en regelgeving op dat moment, opvallend. Appellant heeft in dit verband echter slechts gesteld dat uitbreiding nodig was met het oog op toekomstperspectief. De belangen die zijn gediend met het fosfaatrechtenstelsel (de bescherming van het milieu en de volksgezondheid en het voldoen aan de verplichtingen die voortvloeien uit de Nitraatrichtlijn) dienen in dit geval zwaarder te wegen dan de belangen van appellant. De (financiŽle) gevolgen van de keuze tot (verdere) uitbreiding die appellant in die periode heeft gemaakt, dienen dan ook voor zijn risico te blijven.
AnnotatorD. van der Meijden
UitspraakECLI:NL:CBB:2020:51
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelCollege van Beroep voor het bedrijfsleven 28-01-2020
CiteertitelJBO 2020/76
SamenvattingFosfaatrecht.
Samenvatting (Bron)Fosfaatrechten. Het fosfaatrecht moet hoger worden vastgesteld in verband met een op de peildatum afgevoerd dier dat ten onrechte niet was meegeteld. Appellante komt niet in aanmerking voor de knelgevallenregeling voor bouwwerkzaamheden en dierziekte. Appellante heeft de daling in de veestapel in feite zelf al gecompenseerd door aankoop van extra vee. Er kan geen rekening worden gehouden met een niet gerealiseerde uitbreiding. Er is ook geen sprake van een individuele en buitensporige last. De gevolgen van de investeringsbeslissingen komen gelet op de aangekondigde productiebegrenzende maatregelen voor rekening van appellante.
AnnotatorD. van der Meijden
UitspraakECLI:NL:CBB:2020:46
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelCollege van Beroep voor het bedrijfsleven 28-01-2020
CiteertitelJBO 2020/77
SamenvattingFosfaatrecht.
Samenvatting (Bron)Msw. Fosfaatrechten. Geen individuele en buitensporige last. Het College stelt vast dat verweerder in het verweerschrift onweersproken heeft uiteengezet dat appellant pas na de peildatum over de alle voor het rechtsgeldig functioneren van de uitbreiding benodigde vergunningen in dit geval de Nbw-vergunning beschikt. Het College is met verweerder van oordeel dat appellante hiermee met het doen van zijn investeringen is vooruitgelopen op de voor de uitbreiding benodigde Nbw-vergunning voor het houden van 199 melk- en kalfkoeien en 134 stuks jongvee. Zoals het College eerder heeft overwogen in zijn uitspraak van 9 januari 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:7) bestaat dan in beginsel geen aanleiding een individuele en buitensporige last aan te nemen. Dit uitgangspunt geldt ook wanneer dat voor appellant aanzienlijke financiŽle consequenties heeft. Hetgeen appellant heeft aangevoerd, geeft geen aanleiding om van dit uitgangspunt af te wijken.
AnnotatorD. van der Meijden
UitspraakECLI:NL:CBB:2020:52
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelCollege van Beroep voor het bedrijfsleven 28-01-2020
CiteertitelJBO 2020/78
SamenvattingFosfaatrecht.
Samenvatting (Bron)Fosfaatrechtenvaststelling niet in strijd met artikel 1 van het EP. Er is geen sprake van een individuele en buitensporige last. Na de overname van het melkveebedrijf in 2011 heeft appellante ingezet op een forse uitbreiding. Van een noodzaak tot een uitbreiding naar deze dieraantallen is niet gebleken. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat de bedrijfscontinuÔteit bij geen of een minder grote uitbreiding in gevaar zou komen. Het College acht voorts van belang dat appellante ervoor heeft gekozen de uitbreiding - na de voltooiing van de bouw van de stal eind 2013 - middels eigen aanwas te realiseren. De beoogde uitbreiding was 1,5 jaar later, op 2 juli 2015, slechts deels gerealiseerd. Deze keuze voor gefaseerde groei behoort in beginsel tot het ondernemersrisico van appellante. Ook is het onduidelijk in hoeverre sprake is van causaliteit tussen dit stelsel en de door appellante gestelde onzekerheid omtrent de financiŽle positie van haar bedrijf. Wetsbepaling: artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EP)
AnnotatorD. van der Meijden
UitspraakECLI:NL:CBB:2020:48
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelCollege van Beroep voor het bedrijfsleven 28-01-2020
CiteertitelJBO 2020/79
SamenvattingFosfaatrecht.
Samenvatting (Bron)Fosfaatrechtenvaststelling niet in strijd met artikel 1 van het EP. Er is geen sprake van een individuele en buitensporige last. Appellante beschikte op 2 juli 2015 niet over de voor de uitbreiding van haar veestapel vereiste vergunning en is met haar investeringen dus vooruitgelopen op de in 2016 verleende vergunning. Wetsbepaling: artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EP)
AnnotatorD. van der Meijden
UitspraakECLI:NL:CBB:2020:47
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelCollege van Beroep voor het bedrijfsleven 28-01-2020
CiteertitelJBO 2020/80
SamenvattingFosfaatrecht.
Samenvatting (Bron)Msw. Fosfaatrechten. Geen starter. Artikel 72, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit bepaalt dat een nieuw gestart bedrijf een bedrijf is dat aantoonbaar onder meer beschikt over een voor 2 juli 2015 aan de landbouwer verleende omgevingsvergunning voor het oprichten van een bedrijf voor het houden van melkvee of over een voor 2 juli 2015 door de landbouwer ingediende melding als bedoeld in artikel 1.10 van het Activiteitenbesluit Milieubeheer voor het houden van melkvee (sub a) en tussen 1 januari 2014 en 2 juli 2015 is gestart met de productie van melk bestemd voor consumptie of verwerking (sub c). Appellante exploiteert het melkveebedrijf op dezelfde locatie als de eenmanszaak en op grond van de aan de eenmanszaak verleende vergunningen, terwijl ook vennoten van appellante (de vader en de moeder) het melkveebedrijf als eenmanszaak hebben geŽxploiteerd. Met verweerder is het College dan ook van oordeel dat appellante het melkveebedrijf dat de eenmanszaak in 2013 op de locatie heeft gestaakt, in 2014 heeft voortgezet en dat om die reden geen sprake is van een nieuw gestart bedrijf.
AnnotatorD. van der Meijden
UitspraakECLI:NL:CBB:2020:49
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelCollege van Beroep voor het bedrijfsleven 28-01-2020
CiteertitelJBO 2020/81
SamenvattingFosfaatrecht.
Samenvatting (Bron)Fosfaatrechten. Het beroep is gegrond omdat het fosfaatrecht niet op basis van de juiste dieraantallen is vastgesteld. Er is geen sprake van strijd met artikel 1 EP of een individuele en buitensporige last.
AnnotatorD. van der Meijden
UitspraakECLI:NL:CBB:2020:54
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelRaad van State 08-01-2020
CiteertitelJBO 2020/82
SamenvattingArcheologie.
Samenvatting (Bron)Bij besluit van 29 januari 2019 heeft de raad van de gemeente Langedijk het bestemmingsplan "Ontwikkeling Parallelweg te Sint Pancras" vastgesteld. Het plangebied betreft de voormalige kerklocatie en de aangrenzend gelegen parkeerstrook aan de Parallelweg in Sint Pancras, welke gronden in eigendom zijn van de gemeente. Door de Stichting Woel is in 2013 initiatief genomen voor een startersproject in de gemeente. In het principebesluit van het college van burgemeester en wethouders van 21 januari 2014 is het onderhavige plangebied, de locatie De Ark, aangemerkt als kansrijke locatie voor de ontwikkeling van een zestal woningen via Collectief Particulier Opdrachtgeverschap. Op 15 januari 2016 is de Kopersvereniging opgericht, welke vereniging het plan zal realiseren. Het plan voorziet in de bouw van zes starterswoningen in twee blokken van drie woningen.
AnnotatorD. van der Meijden
UitspraakECLI:NL:RVS:2020:18
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelRaad van State 08-01-2020
CiteertitelJBO 2020/83
SamenvattingMestplaat.
Samenvatting (Bron)Bij besluit van 1 november 2018 heeft de raad van de gemeente Nuenen, Gerwen en Nederwetten het bestemmingsplan "Buitengebied" vastgesteld. Het plan voorziet in een actualisatie van het planologische regime voor het buitengebied van Nuenen. [appellant] woont in het buitengebied aan de [locatie 1] en exploiteert daar tevens een paardenhouderij. Hij is het niet eens met het plan voor zover dat niet voorziet in een bestemming voor de op het perceel gerealiseerde mestplaat en in een bouwvlakvergroting ten behoeve van een gewenste overdekte stapmolen en een afdak op dit perceel. Voorts verzet hij zich tegen de bestemming "Agrarisch met waarden - Groenblauwe mantel" met de aanduiding "paardenhouderij" op de gronden van het naastgelegen perceel aan de [locatie 2] in Nuenen. Volgens [appellant] is deze bestemming niet actueel.
AnnotatorD. van der Meijden
UitspraakECLI:NL:RVS:2020:32
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelRaad van State 15-01-2020
CiteertitelJBO 2020/84
SamenvattingBeweiden, Bemesten.
Samenvatting (Bron)Bij besluit van 21 februari 2019 heeft de raad van de gemeente Hulst het bestemmingsplan "[locatie], Vogelwaarde" vastgesteld. Het plan voorziet in een planologisch regime voor de gronden aan de [locatie]. Voorheen hadden de gronden aan de [locatie] en de naastgelegen gronden aan de Kerkdreef 5a in het bestemmingsplan "Kernen Hulst" de bestemming "Agrarisch - Kwekerij" waarbij de woningen aan de [locatie] en 5a de aanduiding "bedrijfswoning" hadden. [belanghebbende] exploiteerde daar een witlofkwekerij. Hij heeft het perceel aan de Kerkdreef 5a verkocht aan Zeeland Trade en is zelf blijven wonen aan de [locatie]. Zeeland Trade exploiteert nu een witlofkwekerij aan de Kerkdreef 5a. [belanghebbende] is voornemens om zijn woning uit te breiden en levensloopbestendig te maken. De raad heeft met het plan beoogd de woning te bestemmen als een zogeheten plattelandswoning teneinde de gewenste bewoning van [belanghebbende] mogelijk te maken. Zeeland Trade vreest voor beperkingen in haar bedrijfsvoering.
AnnotatorD. van der Meijden
UitspraakECLI:NL:RVS:2020:122
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelCollege van Beroep voor het bedrijfsleven 24-12-2019
CiteertitelJBO 2020/85
SamenvattingFosfaatrecht.
Samenvatting (Bron)Volgens appellante vormt het fosfaatrechtenstelsel voor haar een individuele en buitensporige last in de zin van artikel 1 van het EP. Naar het oordeel van het College heeft appellante dit niet aannemelijk gemaakt. Zij beschikte namelijk op 2 juli 2015 niet over alle voor het houden van (de beoogde) 290 melkkoeien en 160 stuks jongvee benodigde vergunningen en is met het aangaan van de door haar gestelde financiŽle verplichtingen dus vooruitgelopen op het verkrijgen van die vergunningen. Zoals het College eerder heeft overwogen, bijvoorbeeld in de uitspraak van 9 januari 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:7), is dan in beginsel geen ruimte om aan te nemen dat sprake is van strijd met artikel 1 van het EP. Dit uitgangspunt geldt ook wanneer dat voor appellante aanzienlijke financiŽle consequenties heeft. Partijen zijn het er inmiddels over eens dat verweerder bij de vaststelling van het fosfaatrecht is uitgegaan van een te lage melkproductie en dat het fosfaatrecht hoger moet worden vastgesteld. Het beroep is daarom gegrond en het bestreden besluit komt voor vernietiging in aanmerking. Inclusief de verhoging wegens in- en uitscharen (197,1 kg), bedraagt het aantal fosfaatrechten 10.358+197,1= 10.556 kg, en het College zal het aantal fosfaatrechten met herroeping van het besluit van 1 juni 2018 dienovereenkomstig vaststellen. Nu verweerder verantwoordelijk is voor een zorgvuldige voorbereiding van een besluit en daarvoor de juiste gegevens moet vergaren, bestaat naar het oordeel van het College voldoende grond verweerder te veroordelen in de proceskosten van appellant in bezwaar en beroep.
AnnotatorD. van der Meijden
UitspraakECLI:NL:CBB:2019:717
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelCollege van Beroep voor het bedrijfsleven 24-12-2019
CiteertitelJBO 2020/86
SamenvattingFosfaatrecht.
Samenvatting (Bron)Msw. Artikel 1 EP EVRM. Fosfaatrechten. Geen knelgeval. Verweerder is bij de toepassing van artikel 23, zesde lid, van de Msw uiteindelijk uitgegaan van de melkproductie in 2014 en de dieraantallen op 1 mei 2015. Daarmee bestaat tussen partijen alleen nog discussie over het aantal dieren dat in de diercategorie 101 aanwezig was op 1 mei 2015. Verweerder is uitgegaan van 39 stuks jongvee en heeft toegelicht dat het aantal in het primaire besluit (41 stuks jongvee) een vergissing betreft. Appellante heeft dat laatste niet betwist en om die reden gaat het College ervan uit dat appellante op 1 mei 2015 39 stuks jongvee hield. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat het fosfaatrechtenstelsel een individuele en buitensporige last op haar legt. Het valt te begrijpen dat appellante haar 40 jaar oude stal wilde renoveren en de uitbraak van dierziektes lieten de uitbreidingsplannen van appellante anders lopen, maar dat laat onverlet dat uit het financieel rapport blijkt dat ieder beschreven scenario, ook dat zonder het fosfaatrechtenstelsel, leidt tot een structureel verlieslatende exploitatie. In dit verband volgt het College verweerder in zijn standpunt dat appellante jarenlang te weinig heeft gereserveerd voor de vervanging van de verouderde stal. Aan het financieel rapport komt zodoende niet de betekenis toe die appellante daaraan gehecht wenst te zien.
AnnotatorD. van der Meijden
UitspraakECLI:NL:CBB:2019:721
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelRaad van State 22-01-2020
CiteertitelJBO 2020/87
SamenvattingOmgevingsvergunning (milieu).
Samenvatting (Bron)Bij besluit van 4 juli 2017 heeft het college van burgemeester en wethouders van De Fryske Marren de aanvraag van Vermilion om verlening van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van seismisch onderzoek ter plaatse van de deelonderzoeksgebieden Akkrum en Zuid-Friesland, voor zover de gronden zijn gelegen in de gemeente De Fryske Marren, buiten behandeling gesteld. Vermilion heeft op 6 april 2017 een aanvraag gedaan voor het uitvoeren van seismisch onderzoek in de deelonderzoeksgebieden Akkrum en Zuid-Friesland, voor zover deze gronden zijn gelegen in de gemeente De Fryske Marren. In het aan de aanvraag ten grondslag gelegde rapport 'Seismisch onderzoek binnen de gemeente De Fryske Marren' van 5 april 2017 van Royal HaskoningDHV is vermeld dat het doel van het onderzoek is om inzicht te krijgen in de opbouw van de diepere ondergrond tot ongeveer 6 km diepte.
AnnotatorD. van der Meijden
UitspraakECLI:NL:RVS:2020:182
Artikel aanvragenVia Praktizijn